Hof: onvoldoende bewijs PTSS na klappen bij ophalen kind bij ex

Samenvatting:

Bij het ophalen van het kind na eerdere echtscheiding vielen tussen man en vrouw klappen. De vrouw legde aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag dat de man haar mishandelde door haar keel dicht te knijpen en twee maal in haar gezicht te slaan, waardoor zij korte tijd buiten bewustzijn was en een PTSS opliep. De man stelde dat hij de vrouw slechts één klap gaf, nadat zij hem eerst sloeg. Het hof is anders dan de kantonrechter van oordeel dat slechts vaststaat dat de man de vrouw één klap gaf. Ten gevolge daarvan liep zij licht letsel op. Het hof ziet geen aanleiding om van het vermoeden uit te gaan dat de man de vrouw tweemaal geslagen heeft en dat zij buiten bewustzijn is geweest. Het is aan de vrouw de door haar gestelde toedracht te bewijzen. De vrouw heeft slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan dat niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen voldoet. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende ondersteuning is uit onafhankelijke bron om aan te nemen dat de diagnose PTSS kan worden gesteld en dat die in direct causaal verband staat met de mishandeling.

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 14-11-2017
Datum publicatie 19-01-2018
Zaaknummer 200.202.683/01
Rechtsgebieden Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep kort geding

Inhoudsindicatie Familierecht. Onrechtmatige daad. Vordering vrouw tot vergoeding van schade als gevolg van mishandeling man. Schade zou bestaan uit PTSS. Hof acht onvoldoende gegevens voorhanden om diagnose PTSS te stellen en dat die in direct verband staat met de mishandeling. Vorderingen vrouw alsnog afgewezen. Vordering van de man tot terugbetaling van hetgeen door hem op grond van het kort-gedingvonnis in eerste aanleg is betaald toegewezen.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.202.683/01

Rolnummer rechtbank: 4255098/15-19421

arrest d.d. 14 november 2017

inzake

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk,

tegen

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.C.M. van der Voet te Den Haag

Het geding

Bij dagvaarding van 28 oktober 2016 is de man in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 1 december 2015 (hierna: het tussenvonnis) en 6 september 2016 (hierna: het eindvonnis), tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen.

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de kantonrechter daaromtrent in de bestreden vonnissen heeft vermeld.

De man heeft in de memorie van grieven zes grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven weersproken.

Beide partijen hebben arrest gevraagd en hun procesdossier gefourneerd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. Partijen zijn van 26 november 2002 tot 24 september 2004 getrouwd geweest. Uit hun huwelijk is op [in] 2003 te [woonplaats] [naam minderjarige] geboren (hierna te noemen: de minderjarige). Bij het ophalen op 7 juli 2013 van de minderjarige door de vrouw bij de man, heeft een incident plaatsgevonden, waarbij over en weer tussen partijen klappen zijn gevallen. Beide partijen hebben aangifte gedaan van mishandeling. De man heeft een transactie van € 150,- betaald, teneinde strafvervolging voor het feit – in het transactievoorstel omschreven als mishandeling – te voorkomen. De vrouw is in de periode van 2 december 2013 tot en met 26 november 2014 bij PsyQ in behandeling geweest.

2. De man heeft gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad:
– de bestreden vonnissen vernietigt en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw primair alsnog af wijst, althans haar te belasten met het bewijs van haar stellingen;
– de vrouw veroordeelt tot (terug)betaling van hetgeen de man uit hoofde van het bestreden vonnis aan de vrouw heeft voldaan met de bepaling dat wettelijke rente verschuldigd is over deze onverschuldigde betalingen vanaf de dag van betaling;
– de vrouw veroordeelt in de kosten van beide instanties, waaronder een bedrag van € 931,70, zijnde de kosten van medisch adviseur [volgt naam] , althans de kosten in eerste aanleg te compenseren en de vrouw te veroordelen in de kosten van dit appel, waaronder meergenoemde € 931,70 en een bedrag van € 131,- aan nakosten te betalen binnen 14 dagen na de dag van het arrest bij gebreke waarvan de wettelijke rente over de kostenveroordeling verschuldigd is.

3. De vrouw heeft gevorderd dat het hof bij arrest bepaalt dat de man niet in zijn grieven ontvangen dient te worden althans dat de door de man opgeworpen grieven geen doel treffen, met bekrachtiging van de bestreden vonnissen en met veroordeling van de man in de kosten.

4. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter beide partijen bewijsopdrachten gegeven met de volgende inhoud:
– laat de man toe om het bewijs te leveren van zijn stelling dat hij slechts in een reflex, na door de vrouw geslagen te zijn, één klap aan haar op het gezicht met vlakke hand heeft gegeven en dat zij niet buiten bewustzijn is geraakt als gevolg daarvan;
– laat de vrouw toe om haar stelling te bewijzen dat twee familieleden huishoudelijke taken voor haar hebben verricht, waarvoor zij deze personen € 10,- per uur heeft betaald, welke taken anders door een professionele hulpverlener zouden zijn verricht;
– laat de vrouw toe om bij akte nader bewijs te leveren van haar stelling dat zij een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld als gevolg van het geweldsincident van 7 juli 2013, waarbij zij dient duidelijk te maken over welke periode deze stoornis haar heeft gehinderd.

In het eindvonnis heeft de kantonrechter de man veroordeeld – ten titel van schadevergoeding – om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de som van € 13.750,39 en de man in de proceskosten aan de zijde van de vrouw veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De vrouw heeft aan haar vordering in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat de man haar op 7 juli 2013 heeft mishandeld door haar keel dicht te knijpen en twee maal in haar gezicht te slaan, waardoor zij korte tijd buiten bewustzijn is geweest. Zij heeft als gevolg hiervan een posttraumatische stressstoornis opgedaan, waardoor zij schade heeft geleden, bestaande in reiskosten, telefoonkosten, medicijnen, kosten van huishoudelijke hulp door familie, kosten rechtsbijstand en immateriële schade.

6. Partijen hebben een verschillende lezing van de toedracht van het incident. De man stelt dat hij de vrouw slechts één klap heeft gegeven, nadat zij hem eerst geslagen heeft. Hij stelt dat hij door de vrouw is uitgelokt.

7. De grieven 1 en 3 zijn gericht tegen de door de kantonrechter toegepaste verdeling van de bewijslast en de bewijswaardering. De man stelt dat de kantonrechter artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) heeft miskend door uit te gaan van het vermoeden dat de door de vrouw gestelde feitelijke toedracht juist is en hem met het bewijs van de feiten te belasten die hij stelt ter motivering van de betwisting. Verder heeft de kantonrechter hem ten onrechte niet geslaagd geacht in het leveren van tegenbewijs.

8. Het hof overweegt als volgt. De stelling van de man dat de kantonrechter bij de bewijslastverdeling artikel 150 Rv. heeft miskend berust op een onjuiste lezing van het tussenvonnis. Dat de kantonrechter is uitgegaan van een vermoeden betekent niet dat de bewijslast voor de feitelijke toedracht niet meer op de vrouw rustte. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat de man niet geslaagd is in de ontzenuwing van dit vermoeden.

9. Het hof is anders dan de kantonrechter van oordeel dat slechts vaststaat dat de man de vrouw één klap heeft gegeven, ten gevolge waarvan zij licht letsel heeft opgelopen – een dikke lip met wat bloed en een hematoom op de wang. Het hof ziet geen aanleiding om van het vermoeden uit te gaan dat de man de vrouw tweemaal geslagen heeft en dat zij buiten bewustzijn is geweest. Het is aan de vrouw bewijs van de door haar gestelde toedracht bij te brengen. De vrouw heeft echter slechts een algemeen bewijsaanbod gedaan, waarbij zij zich bovendien – om te respecteren redenen – uitdrukkelijk heeft uitgesproken tegen het horen van [naam minderjarige] als getuige. Het bewijsaanbod van de vrouw voldoet niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen, zodat dit zal worden gepasseerd.

10. De man betoogt met zijn tweede grief dat de onrechtmatigheid aan zijn handelen ontbrak. Zijn gedrag was het begrijpelijke emotionele gevolg van een onrechtmatige gedraging van de vrouw. Hij heeft uitsluitend in een reflex de vrouw eenmaal met de vlakke hand geslagen, nadat hij door haar werd geslagen. Tevens betoogt hij dat de vrouw, die als eerste heeft geslagen, hem heeft uitgelokt en eigen schuld heeft in de zin van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW)

11. Het hof merkt op dat het betoog van de man niet consistent is. Immers enerzijds zou de man gehandeld hebben in een reflex, terwijl anderzijds sprake zou zijn van een emotioneel gevolg naar aanleiding van uitlokkend gedrag van de vrouw. Wat hiervan zij, het antwoord op de vraag of sprake is van een rechtvaardigheidsgrond voor het gedrag van de man of eigen schuld aan de kant van de vrouw kan in het midden blijven nu dit, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet van belang is voor de beslissing.

12. Met de vierde grief komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank dat de vrouw als gevolg van het gebeurde op 7 juli 2013 een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld. De man voert het volgende aan:
– om te voldoen aan haar stelplicht had de vrouw een visie van een medisch adviseur moeten overleggen; PsyQ als behandelende instantie trekt haar conclusies uit oogpunt van behandeling, de brief van 26 november 2014 geeft geen inzicht in het onderzoek dat is gedaan en mevrouw [volgt naam] is als sociaal verpleegkundige onvoldoende deskundig;
– voor zover al sprake zou zijn van een posttraumatische stressstoornis, die zich maanden ná 7 juli 2013 heeft ontwikkeld, is er geen bewijs geleverd van een relatie met het gebeuren op die datum. De klachten ontstonden bij het op gang komen van de omgang en er zijn andere gebeurtenissen die de oorzaak zouden kunnen zijn zoals spanningen rondom de omgang en stress van haar werk, die in het verleden ook al tot soortgelijke klachten bij de vrouw hebben geleid;
– de door de man ingeschakelde medisch adviseur [volgt naam] concludeert op basis van het dossier dat niet gesproken kan worden van een evidence based diagnose, en dat niet vast staat dat de vrouw als gevolg van het voorval een PTSS heeft opgelopen.

13. Blijkens de (afsluit)brief van PsyQ van 26 november 2014 aan de huisarts van de vrouw, waaronder de namen van psychiater [volgt naam] en sociaal psychiatrische verpleegkundige [volgt naam] zijn vermeld, maar die alleen door laatstgenoemde is ondertekend, is de vrouw in de periode van 2 december 2013 tot 26 november 2014 in behandeling geweest. Onder het kopje “beschrijvende diagnose” is opgenomen: “een 37- jarige werkende vrouw, moeder van een 11-jarige zoon, werd verwezen in verband met traumaklachten als gevolg van een mishandeling door haar ex-partner in juli 2013. In de relatie was jarenlang sprake van huiselijk geweld. De klachten waren passend bij een posttraumatische stressstoornis met daarbij forse slaapproblemen”. Uit deze brief of het onderzoek door GZ-psycholoog [volgt naam] op 12 februari 2014 blijkt niet dat de beschrijvende diagnose op meer is gebaseerd dan door de vrouw verstrekte gegevens. Opmerkelijk is dat wordt vermeld dat er sprake is van jarenlang huiselijk geweld, terwijl daar overigens niets van gebleken is en het huwelijk al in 2004 is beëindigd. Uit het overzicht van de huisarts blijkt dat eerder bij de vrouw sprake is geweest van stress-gerelateerde klachten, in welk verband de omgang en haar werk worden genoemd. Het hof is van oordeel dat er onvoldoende ondersteuning uit onafhankelijke bron – dus niet afkomstig van de vrouw zelf of één van haar behandelaars – voorhanden is, om aan te nemen dat de diagnose PTSS kan worden gesteld en dat die in direct causaal verband staat met de mishandeling op 7 juli 2013. Complicerende factor daarbij is nog dat de vrouw zich eerst in september 2013 met deze klachten tot de huisarts heeft gewend.

14. De vierde grief treft dan ook doel. Door de vrouw is slechts – zoals hiervoor al vermeld – een algemeen, niet gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, dat door het hof wordt gepasseerd. Dit betekent dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd. De vijfde grief behoeft geen bespreking meer.

Proceskosten

15. De zesde grief is gericht tegen de veroordeling van de man in de proceskosten in eerste aanleg. Nu de bestreden vonnissen worden vernietigd en de vorderingen van de vrouw worden afgewezen, zal zij als de in beide instanties in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de man worden veroordeeld, welke kosten worden begroot op € 1.565,- voor de procedure in eerste aanleg en € 1.444,08 voor de procedure in hoger beroep. Het hof laat de kosten van de door de man ingeschakelde medisch adviseur buiten beschouwing, nu dit advies voor de zaak niet van beslissende invloed is en deze kosten nodeloos zijn gemaakt.

Terugbetaling

16. De man vordert dat de vrouw wordt veroordeeld tot (terug)betaling van hetgeen de man uit hoofde van het bestreden vonnis aan de vrouw heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.

17. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge vaste rechtspraak geldt dat, wanneer in hoger beroep een uitvoerbaar bij voorraad verklaard veroordelend vonnis wordt vernietigd, de rechtsgrond komt te ontvallen aan hetgeen ter uitvoering van dat vonnis is verricht; de prestant heeft een vordering wegens onverschuldigde betaling. In hoger beroep kan aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie worden verbonden. Vernietiging van een rechterlijke uitspraak heeft terugwerkende kracht en de vordering strekkende tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op de voet van art. 6:203 BW ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd. Voorts moet worden aangenomen dat degene aan wie onverschuldigd is betaald, zonder ingebrekestelling in verzuim is en derhalve wettelijke rente verschuldigd is vanaf het tijdstip dat aan hem is betaald (ECLI:NL:HR:2000:AA5863). De vordering van de man op dit punt is toewijsbaar.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen;

wijst de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg alsnog af;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling aan de man van hetgeen ter uitvoering van het bestreden vonnis is voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betaling door de man;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten aan de zijde van de man in eerste aanleg en hoger beroep gevallen en tot op heden begroot op € 1.565,- respectievelijk € 1.444,08, alsmede een bedrag van € 131,- aan nakosten, te betalen binnen 14 dagen na de datum van dit arrest bij gebreke waarvan de wettelijke rente , verschuldigd is;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Warnaar, D. Wachter en O.I.M. Ydema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots