Hof: mishandeling, verlies van arbeidsvermogen aannemelijk, omzetzetderving -/- vaste kosten

Samenvatting:

Mishandeling, waarvoor de dader strafrechtelijk is veroordeeld. 1. Diverse schadeposten. 2. Verlies van arbeidsvermogen. Stelplicht en bewijslast liggen in beginsel bij de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen al te strenge eisen worden gesteld. De stelling van appellant dat hij ritten als zelfstandig transportbegeleider niet heeft kunnen verrichten vanwege zijn schouderletsel acht het hof voldoende aannemelijk. Dat er geen rapport van een keuringsarts van het UWV is overgelegd, doet daaraan niet af. Omzetderving kan niet geheel als verlies van verdienvermogen kan worden aangemerkt. Uit de overgelegde jaarrekeningen blijkt dat van de gegenereerde omzet in de regel ongeveer 30% aan vaste kosten moest worden afgetrokken.

 

ECLI:NL:GHAMS:2018:3751

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak

09-10-2018

Datum publicatie

15-05-2019

Zaaknummer

200.215.161/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding wegens mishandeling, waarvoor de dader strafrechtelijk is veroordeeld. Diverse schadeposten terecht door de eerste rechter toegewezen. Alsnog gedeeltelijke toewijzing van de schadepost verlies van verdienvermogen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

zaaknummer : 200.215.161/01

 

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 5056531 \ CV EXPL 16-2808

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 oktober 2018

 

inzake

 

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Zwennes te Amsterdam,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. C.W.M. Neefjes te Purmerend.

 

1

Het geding in hoger beroep

 

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

 

[appellant] is bij dagvaarding van 9 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter) van 29 december 2016 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde; op 21 april 2017 is een herstelexploot uitgebracht.

 

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

– memorie van grieven, met producties;

– memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

– memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

 

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarbij de vordering ter zake van verlies verdienvermogen is afgewezen, dat het hof op grond van de in hoger beroep gewijzigde eis – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog een bedrag van € 24.454,- aan verlies verdienvermogen zal toewijzen, dan wel een redelijk bedrag aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf maart 2014, alsmede een bedrag van € 1.162,34 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente, met beslissing over de proceskosten.

 

[geïntimeerde] heeft in principaal en incidenteel appel geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] in eerste aanleg en in hoger beroep met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.

[appellant] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven van [geïntimeerde] en toewijzing van de vorderingen van [appellant] , althans bekrachtiging van het vonnis, met – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [geïntimeerde] , in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente.

 

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

 

2

Feiten

 

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Deze feiten komen neer op het volgende.

 

2.1

[appellant] is werkzaam als zelfstandig transportbegeleider.

 

2.2

Op 22 november 2013 heeft tussen [appellant] en [geïntimeerde] een confrontatie plaatsgevonden, nadat [appellant] , bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, met zijn auto voor [geïntimeerde] de doorgang had versperd.

 

2.3

Op 25 augustus 2014 is [geïntimeerde] door de politierechter te Alkmaar veroordeeld voor mishandeling van [appellant] op 22 november 2013 en tot betaling van een geldboete ter hoogte van € 750,- subsidiair tot 15 dagen hechtenis. [appellant] is als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn schadevergoedingsvordering jegens [geïntimeerde] . Het vonnis in de strafzaak is in kracht van gewijsde gegaan.

 

3

Beoordeling

 

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 15.798,02, te vermeerderen met rente en kosten, waaronder beslagkosten. Het bedrag van € 15.798,02 is opgebouwd uit materiële schade van

€ 12.821,82, bestaande uit € 150,34 aan reiskosten, € 2.070,50 aan medische kosten en € 10.600,98 aan verlies van verdienvermogen, en voorts uit immateriële schade ter hoogte van € 1.500,-. De kantonrechter heeft de gevorderde bedragen aan reiskosten en medische kosten, net als de immateriële schadevergoeding toegewezen. Het gevorderde bedrag aan verlies aan verdienvermogen is afgewezen. De buitengerechtelijke incassokosten zijn toegewezen tot een bedrag van € 497,08. [geïntimeerde] is in de proceskosten (inclusief beslagkosten) veroordeeld.

 

3.2

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] in principaal appel met twee grieven op. Deze grieven zien op de afwijzing van de vordering ter zake van verlies van verdienvermogen, en – als gevolg daarvan – de hoogte van de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten.

 

3.3

[geïntimeerde] formuleert in incidenteel appel vijf grieven tegen dit vonnis, genummerd 3 tot en met 7. Grief 3 klaagt over de conclusie van de kantonrechter dat de schouderklachten van [appellant] het gevolg zijn van de mishandeling door [geïntimeerde] . Grief 4 ziet op de door de kantonrechter aangenomen noodzaak tot fysiotherapie, alsook op de toewijzing van de vordering voor zover die ziet op vergoeding van het bedrag aan ziektekosten dat [appellant] ingevolge het eigen risico onder zijn zorgverzekering zelf heeft moeten betalen. Met grief 5 klaagt [geïntimeerde] over de toewijzing van € 1.500,- aan immateriële schadevergoeding. Grieven 6 en 7 hebben betrekking op de veroordeling tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

 

3.4

Het hof ziet aanleiding eerst grief 3 in incidenteel appel te bespreken.

[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij bij de mishandeling op 22 november 2013 letselschade heeft opgelopen aan zijn schouder, omdat die schouder daarbij uit de kom is geraakt. [geïntimeerde] betwist dat de schouderklachten het gevolg zijn van zijn handelen op 22 november 2013.

 

3.5

Uitgangspunt is dat een – onherroepelijk geworden – strafvonnis ten aanzien van het feit dat bewezen is verklaard dwingende bewijskracht heeft tussen partijen in een civiele procedure (artikel 161 Rv). Uit het in het geding gebrachte uittreksel blijkt dat de politierechter [geïntimeerde] in een op tegenspraak gewezen mondeling vonnis heeft veroordeeld wegens mishandeling. Dit brengt mee dat in deze procedure als feit vaststaat dat [appellant] door [geïntimeerde] op 22 november 2013 is mishandeld. [geïntimeerde] is veroordeeld voor mishandeling op grond van artikel 300 Wetboek van Strafrecht. Onder mishandeling in de zin van deze bepaling wordt verstaan het opzettelijk toebrengen van pijn of lichamelijk letsel.

 

3.6

Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat uit het uittreksel niet kan worden afgeleid wat de bewezenverklaarde toedracht is geweest en evenmin dat uit de mishandeling letsel is voortgevloeid en welk letsel dat is. Dat betekent dat het hof daarover beslist op basis van hetgeen daaromtrent in deze procedure is gesteld en onderbouwd.

 

3.6.1

[appellant] stelt hierover dat [geïntimeerde] de linkerarm van [appellant] , terwijl die in zijn auto zat, naar achteren om de deurstijl trok, waardoor de schouder uit de kom is geraakt. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de collega van [appellant] . [appellant] stelt dat hij de schouder met behulp van zijn vrouw weer in de kom heeft geplaatst. [appellant] verwijst voorts naar het door hem overgelegde medisch dossier, waaruit onder meer blijkt dat hij zich diezelfde dag heeft gemeld op de eerste hulp van het Waterlandziekenhuis, waar is vastgesteld dat sprake was geweest van een schouderluxatie. Uit het medisch dossier volgt voorts dat hij zich onder behandeling van een specialist heeft gesteld en fysiotherapie heeft moeten volgen, aldus [appellant] .

 

3.6.2

[geïntimeerde] stelt daarentegen dat hij [appellant] niet heeft aangeraakt, maar door het geopende autoraam aan het stuur van diens bus heeft getrokken, waarbij mogelijk de arm van [appellant] is meegedraaid.

 

3.6.3

[geïntimeerde] heeft voorts weersproken dat hierdoor de schouder van [appellant] uit de kom is geraakt, hetgeen tot schouderklachten heeft geleid. Hij acht dit bijzonder ongeloofwaardig, omdat een schouderluxatie veel pijn doet en [appellant] dit niet meteen, maar pas later aan zijn collega heeft gemeld en zelfs nog een stukje met de bus heeft gereden. [geïntimeerde] betwist voorts dat uit de medische stukken blijkt dat de schouder van [appellant] uit de kom is geweest. Dit is louter gebaseerd op de verklaring van [appellant] zelf. En al zouden de schouderklachten het gevolg zijn van een schouderluxatie dan staat daarmee nog niet vast dat dit aan het handelen [geïntimeerde] is toe te rekenen, nu [appellant] al eerder een luxatie heeft doorgemaakt.

 

3.7

Het hof overweegt dat de lezing van de toedracht door [appellant] wordt ondersteund door de verklaring van diens collega [B] . De lezing van [geïntimeerde] wordt niet op enigerlei wijze ondersteund. [appellant] heeft – onbetwist – gesteld dat hij kort na het incident aan zijn collega liet weten dat zijn arm niet goed was. Hij heeft zich op de dag van de mishandeling gemeld op de eerste hulp. Daar heeft de onderzoekende arts vastgesteld dat sprake was van een ‘status na schouderluxatie’. Het enkele feit dat deze conclusie niet slechts op lichamelijk onderzoek gebaseerd is maar ook op de anamnese van de patiënt, doet daaraan niet af. Uit de latere informatie van de behandelend orthopeed volgt ook dat de klachten passen bij een doorgemaakte schouderluxatie en dat de behandeling daarop is gericht. Hetgeen [geïntimeerde] daartegen inbrengt legt onvoldoende gewicht in de schaal. [geïntimeerde] heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat de door de eerstehulp-arts vastgestelde schouderluxatie op 22 november 2013 een andere oorzaak heeft gehad dan het naar achteren trekken van de arm door [geïntimeerde] . Daarmee staat voldoende vast dat de schouderluxatie het gevolg is van de mishandeling door [geïntimeerde] .

 

3.8

[geïntimeerde] heeft in algemene zin aangeboden de orthopedisch chirurg [H] te horen die [appellant] heeft onderzocht. Voor bewijslevering is evenwel geen plaats bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting van de overgelegde stukken, waaruit volgt dat moet worden aangenomen dat de arm van [appellant] uit de kom is geraakt en voor de gevolgen waarvan hij onder medische en fysiotherapeutische behandeling is gesteld. Voorts heeft [geïntimeerde] in algemene zin aangeboden [B] te horen, van wie reeds een ondertekende verklaring beschikbaar is en van wie [geïntimeerde] zelf eerder heeft verklaard (bij de politie) dat hij het voorval niet gezien kan hebben. Dat is niet voldoende om tot bewijslevering te worden toegelaten. [geïntimeerde] betwist immers niet dat [B] bij het incident aanwezig was en heeft verklaard dat hij [appellant] heeft geholpen om diens arm weer in de kom te krijgen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de mishandeling eruit heeft bestaan dat [geïntimeerde] de arm van [appellant] naar achteren om de deurstijl trok, die daardoor uit de kom is geraakt.

 

3.9

Uit de medische informatie blijkt voorts genoegzaam dat deze schouderluxatie tot aanhoudende schouderklachten heeft geleid. De stelling van [geïntimeerde] dat de orthopedisch chirurg zich daarbij louter heeft gebaseerd op de verklaringen van [appellant] , en dat uit het onderzoek en de MRI-scan niet de conclusie kon worden getrokken dat sprake was van een schouderluxatie wordt verworpen. Het behoort tot de deskundigheid van de specialist om de diagnose te stellen. Dat doet hij op basis van eigen onderzoek, waaronder het afnemen van de anamnese. Uit de medische stukken valt af te leiden dat de aan de orthopeed ter beschikking staande informatie hem tot de conclusie heeft gebracht dat sprake was van een schouderluxatie. [geïntimeerde] heeft niet behoorlijk onderbouwd waarom die conclusie, gelet op het beschikbare materiaal, onjuist was

Met grief 4 klaagt [geïntimeerde] over de conclusie van de kantonrechter dat fysiotherapie noodzakelijk was. Hij kan hierin evenmin worden gevolgd. Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat de orthopedisch chirurg [appellant] heeft verwezen naar de fysiotherapeut in verband met aanhoudende pijnklachten als gevolg van de schouderluxatie. Daarmee is de noodzaak gegeven. Grief 4 faalt in zoverre.

 

3.10

Voor zover [geïntimeerde] betoogt dat de schouderluxatie hem niet kan worden toegerekend, omdat [appellant] al eens eerder een luxatie heeft gehad, waardoor de kans dat dat nog eens gebeurt, zelfs bij kleine afwijkende bewegingen, aanmerkelijk is vergroot, faalt dit betoog. Zelfs al zou [appellant] , als gevolg van een eerdere luxatie, kwetsbaarder zijn voor het optreden van schouderletsel dan een gemiddelde persoon, dan dient dit voor rekening en risico van [geïntimeerde] te blijven. Nu [appellant] [geïntimeerde] opzettelijk pijn en letsel heeft toegebracht is een ruime toerekening op haar plaats en worden de gevolgen van een eventuele predispositie van het slachtoffer in beginsel aan de onrechtmatige daad toegerekend. De dader heeft het slachtoffer te nemen zoals hij is, inclusief diens zwakheden, kwetsbaarheden en andere bijzonderheden. Grief 3 faalt.

 

3.11

Met grief 1 in principaal appel komt [appellant] op tegen de afwijzing van de post verlies aan verdienvermogen. [appellant] stelt dat hij bij zijn werk als transportbegeleider draaiende en aanwijzende bewegingen moet maken vanuit het raam. Vanwege zijn schouderletsel was dit enige tijd niet mogelijk. Daarom heeft hij in de periode van 23 november 2013 tot en met 22 maart 2014 geen werkzaamheden kunnen uitvoeren.

Ter onderbouwing van zijn gederfde inkomsten heeft [appellant] een overzicht van zijn opdrachtgever TBE in het geding gebracht van ritten die [appellant] normaliter zou rijden, en waarvoor TBE andere begeleiders heeft moeten inhuren. Op basis van dat overzicht bedraagt het totaal verlies aan verdienvermogen € 24.454,-, aldus [appellant] .

[appellant] heeft voorts stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat zijn verzamelinkomen in 2013 € 29.535,- bedroeg, terwijl uit de jaarrekeningen van voorgaande jaren blijkt dat hij in de jaren 2010 tot en met 2012 een omzet genereerde van respectievelijk € 86.350,-, € 90.155,- en € 88.148,-.

 

3.12

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] de vordering nog altijd onvoldoende heeft onderbouwd. Hij betwist allereerst dat het overzicht afkomstig is van TBE. Hij betwist voorts dat deze ritten alle aan [appellant] zouden zijn toebedeeld in de hypothetische situatie waarin [appellant] wel tot werken in staat was geweest. [appellant] had ter onderbouwing van zijn vordering nota’s moeten overleggen ter zake van uitgevoerde ritten in dezelfde periode van het vorige jaar. In eerste aanleg heeft [appellant] bovendien een bedrag van

€ 10.600,98 gevorderd aan verlies verdienvermogen, zonder dat wordt toegelicht waarom het thans gevorderde bedrag zoveel hoger is. Deze verkapte eisvermeerdering is dan ook in strijd met de goede procesorde, aldus [geïntimeerde] . Zelfs al zou [appellant] in de gestelde periode niet hebben gewerkt, dan staat daarmee niet vast dat hij niet kon werken. Er zijn geen stukken in het geding gebracht van een keuringsarts van het UWV. Iedere aanwijzing voor arbeidsongeschiktheid, de mate waarin en de duur ervan ontbreekt. Tot slot stelt [geïntimeerde] dat de wijze van schadebegroting niet in relatie staat tot het feitelijk verlies van inkomen.

 

3.13

Het hof stelt allereerst vast dat de vordering van € 24.454,- inderdaad een vermeerdering van eis betreft. Deze gewijzigde eis is evenwel niet als verkapt aan te merken, omdat [appellant] in de memorie van grieven op de laatste pagina expliciet en ook voor [geïntimeerde] kenbaar zijn eis heeft geformuleerd, zoals die volgt uit het betoog ter toelichting op grief 1. Uit de reactie van [geïntimeerde] blijkt ook dat er aan diens zijde geen twijfel bestaat over wat er precies gevorderd wordt door [appellant] . Het enkele feit dat de vordering (veel) hoger is dan in eerste aanleg brengt niet mee dat deze eisvermeerdering strijdig is met de goede procesorde. Een andere grond die zou kunnen meebrengen dat de eiswijziging buiten beschouwing dient te blijven, is evenmin aangevoerd of gebleken. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

 

3.14

Het hof stelt met betrekking tot het verlies van verdienvermogen voorop dat het bestaan en de omvang van dergelijke schade dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het schadebrengend voorval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder dat voorval zou hebben verworven. De stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade liggen in beginsel bij de benadeelde. Aan de benadeelde mogen in dit verband echter geen al te strenge eisen worden gesteld; het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het letsel die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn gebeurd. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt.

 

3.15

Het is aan [appellant] om te kiezen op welke manier hij die redelijke verwachting aannemelijk wenst te maken. Dat hij dit heeft gedaan door bij zijn vaste opdrachtgever een lijst op te vragen met daadwerkelijk uitgevoerde ritten die volgens deze opdrachtgever normaliter aan hem zouden zijn toegevallen, maar die nu aan andere begeleiders zijn gegund, acht het hof een adequate benadering. Op deze wijze is immers de door [appellant] geleden schade zo concreet mogelijk te berekenen.

De blote betwisting dat dit overzicht van de opdrachtgever afkomstig is en dat het daadwerkelijk ritten betreft die aan [appellant] zouden zijn toegewezen, wordt als ongemotiveerd verworpen.

 

3.16

De stelling van [appellant] dat hij deze ritten niet heeft kunnen verrichten omdat tijdens de werkzaamheden bewegingen gemaakt moesten worden die hij met zijn schouderletsel niet kon uitvoeren, acht het hof voldoende aannemelijk. Dat er geen rapport van een keuringsarts van het UWV is overgelegd, doet daaraan niet af. Niet gesteld of gebleken is immers dat [appellant] – die als zelfstandige werkte – aanspraak zou hebben kunnen maken op een uitkering op grond van een werknemersverzekering. Er was dan ook geen aanleiding voor een dergelijke keuring, zodat [appellant] niet kan worden verweten dat hij daarvan geen rapport overlegt. Uit de overgelegde medische en fysiotherapeutische rapportage blijkt voldoende dat in de door [appellant] gestelde periode nog sprake was van pijnklachten en krachtverlies en van beperkingen ten aanzien van het uitsteken van de hand in een rijdende auto, blokken onder een machine schuiven, een ketting boven het hoofd ophangen, en een kettingspanner dichtdrukken. Dat zijn bewegingen die overeenkomen met de bewegingen die [appellant] naar zijn eigen stelling voor een behoorlijke uitvoering van zijn werkzaamheden moest kunnen maken. [geïntimeerde] heeft die stelling niet betwist.

 

3.17

Het hof is evenwel met [geïntimeerde] van oordeel dat de omzetderving die uit dit overzicht blijkt, niet geheel als verlies van verdienvermogen kan worden aangemerkt. Uit de overgelegde jaarrekeningen blijkt dat van de gegenereerde omzet in de regel ongeveer 30% aan vaste kosten moest worden afgetrokken. [appellant] heeft niet gesteld dat of waarom dat in de betreffende periode anders zou zijn geweest. Dit betekent dat van het bedrag van € 24.454,- ongeveer € 17.000,- overblijft. Over dat resterende bedrag zal vervolgens belasting moeten worden betaald. Het nettoverlies wordt, bij gebrek aan nadere stellingen aan beide zijden en aan nadere concrete gegevens en gelet op de gebruikelijke belastingtarieven geschat op € 10.000,-. Het hof is van oordeel dat, alles overwegende, het verlies verdienvermogen van [appellant] redelijkerwijs op dit bedrag kan worden vastgesteld. De vordering zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen. Grief 1 in principaal appel slaagt in zoverre.

 

3.18

Grief 4 in incidenteel appel stelt aan de orde dat de vordering met betrekking tot het eigen risico door [appellant] onvoldoende is onderbouwd. [geïntimeerde] voert aan dat zorgverzekeraars opgave doen van de ziektekosten die onder het eigen risico vallen en om die reden niet worden vergoed. [appellant] heeft echter nagelaten die afrekening in het geding te brengen, zodat niet is aangetoond dat deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt en voor zijn rekening gebleven.

Deze grief slaagt. Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep heeft [appellant] stukken in het geding gebracht waaruit blijkt welke hier in het geding zijnde ziektekosten niet zijn vergoed maar vanwege het overeengekomen eigen risico voor zijn rekening zijn gebleven. Daarvoor is in elk geval niet voldoende het polisblad met betrekking tot het jaar 2014 dat door [appellant] is overgelegd, reeds nu het daarop vermelde bedrag aan eigen risico niet overeenkomt met het gevorderde bedrag over 2014. Deze onderbouwing had, gelet op de betwisting door [geïntimeerde] , wel van [appellant] verlangd mogen worden. Dit brengt mee dat de gevorderde bedragen van respectievelijk € 350,- en € 860,- niet kunnen worden toegewezen. De grief slaagt in zoverre.

 

3.19

Met grief 5 in incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] over de toewijzing van een bedrag van € 1.500,- aan immateriële schade. [appellant] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat hij schouderletsel heeft opgelopen, dat hij een grote hoeveelheid fysiotherapiebehandelingen heeft moeten ondergaan, posttraumatische stressklachten heeft en een periode arbeidsongeschikt is geweest.

Naast de betwisting van het schouderletsel en de noodzaak van fysiotherapie, die hierboven reeds is besproken, heeft [geïntimeerde] betoogd dat bij de hoogte van het bedrag rekening moet worden gehouden met de gedragingen van [appellant] . Hij stelt daartoe dat [appellant] zich provocerend heeft opgesteld. Hij heeft opzettelijk langzaam de versperring van de weg opgeheven en [geïntimeerde] nog verder geprovoceerd door te zeggen dat hij voor hem heus niet extra hard zou gaan lopen. Vervolgens zijn beiden zich te buiten gegaan aan het gebruik van scheldwoorden en verwensingen. De opstelling van [appellant] maakt de reactie van [geïntimeerde] niet gepast, maar wel begrijpelijk aldus [geïntimeerde] .

[appellant] heeft daartegen ingebracht dat hij en zijn collega gewoon doende waren hun werkzaamheden uit te voeren en dat [geïntimeerde] geïrriteerd was. Niet valt in te zien hoe het rustige gedrag van [appellant] tot enige mate van eigen schuld zou kunnen leiden.

 

3.20

Het hof begrijpt het betoog van [geïntimeerde] als een beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. Mede gezien de genoemde betwisting van [appellant] staat naar het oordeel van het hof niet vast dat het gedrag van [appellant] zodanig was dat het letsel mede daardoor is veroorzaakt Er zijn aldus geen rechtens relevante omstandigheden aan de zijde van [appellant] die tot de letselschade hebben bijgedragen als bedoeld in artikel 6:101 BW. Bij gebreke daarvan komt het hof niet toe aan de billijkheidscorrectie van deze bepaling. Deze grief faalt ook.

 

3.21

Grief 6 incidenteel appel en grief 2 in principaal appel lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Beide grieven zien op de buitengerechtelijke kosten.

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij kosten heeft gemaakt, anders dan de gebruikelijke kosten in aanloop naar een gerechtelijke procedure. Dat geldt in elk geval ook voor de kosten van het opstellen van het schaderapport. Dat rapport was al opgemaakt in het kader van de strafprocedure en komt derhalve niet voor vergoeding in de civiele procedure in aanmerking, aldus [geïntimeerde] .

[appellant] brengt daartegen in dat de periode tussen het voorval en de civiele dagvaarding meermalen is gepoogd om tot een vergelijk te komen. Hij verwijst naar de bij dagvaarding overgelegde brieven van 14 april 2015, 20 november 2015 en 8 januari 2016. Uit die brieven blijkt dat er ook telefonische contacten zijn geweest over een schikking en dat er ook een schikkingsvoorstel is gedaan. Deze werkzaamheden kwalificeren als buitengerechtelijke kosten die separaat vergoed moeten worden.

Op zijn beurt klaagt [appellant] dat de kantonrechter een te laag bedrag heeft toegekend. Hij betoogt dat de staffel moet worden toegepast met inachtneming van het hogere bedrag dat aan verlies verdienvermogen is gevorderd. Daarnaast vordert hij de kosten van het verstrekken van de ritlijst door zijn opdrachtgever ad € 142,80.

 

3.22

[appellant] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten volgens de staffel van artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op 1 juli 2012 zijn de Wet normering van de vergoeding voor kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte (hierna: de Wet normering buitengerechtelijke kosten) en het bijbehorende Besluit in werking getreden. Uit het bestreden vonnis volgt dat de kantonrechter het Besluit heeft toegepast en dus van oordeel was dat aan de vereisten van artikel 6:96 lid 6 BW is voldaan. Daartegen is geen grief gericht, zodat het hof van de juistheid van dit oordeel dient uit te gaan. Dit brengt mee dat de incidentele grief 6 faalt. Immers dient artikel 6:96 lid 6 BW aldus te worden uitgelegd dat na het verzenden van de daarin genoemde veertiendagenbrief vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd volgens de wettelijke staffel, ook zonder dat de crediteur na het verzenden daarvan nog een nadere incassohandeling verricht. De kosten zullen derhalve ingevolge lid 5 van artikel 6:96 BW worden berekend volgens de eerdergenoemde staffel. Grief 2 in principaal appel slaagt in die zin dat, gelet op het hierna toe te wijzen bedrag, de buitengerechtelijke kosten volgens de staffel € 900,11 bedragen. Voor zover [appellant] heeft bedoeld daarenboven nog een bedrag van € 142,80 te vorderen bij wijze van separate schadepost biedt het systeem daarvoor geen ruimte. Het gaat hier immers, gelet op de aard van die kosten, om kosten in de zin van art.6:96 BW.

 

3.23

Grief 7 in incidenteel appel klaagt ten slotte over de veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. In verband met de afwijzing van de grootste post, ter zake van verlies verdienvermogen, had het in de rede gelegen om een kostencompensatie uit te spreken, aldus [geïntimeerde] . Reeds nu het hof alsnog tot toewijzing van een bedrag van

€ 10.000,- aan verlies van verdienvermogen komt, kan deze grief niet slagen.

[geïntimeerde] klaagt voorts over toewijzing van de beslagkosten en voert daartoe aan dat dit beslag volkomen overbodig was en onnodig is gelegd. [geïntimeerde] was eigenaar van de woning waarop beslag is gelegd en er was geen enkel gevaar dat [geïntimeerde] in verband met de procedure zijn woning zou willen verkopen of bezwaren. [appellant] heeft dan ook slechts beslag gelegd om [geïntimeerde] onder druk te zetten en op verdere kosten te jagen, aldus [geïntimeerde] .

[appellant] betwist dat het beslag overbodig en onnodig was. Uit de onderhandelingen bleek dat [geïntimeerde] niets wilde betalen en het zag er naar uit dat hij op alle mogelijke manieren onder zijn aansprakelijkheid trachtte uit te komen. Er leken bovendien financiële problemen te zijn, zodat het voor [appellant] van belang was zijn verhaalspositie veilig te stellen.

 

3.24

Het hof stelt vast dat de vorderingen van [appellant] uiteindelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 12.510,84 aan hoofdsom (€ 150,34 aan reiskosten, € 860,50 aan medische kosten, € 1.500,- aan immateriële schade en € 10.000,- aan verlies verdienvermogen). Van het leggen van beslag ter verzekering van verhaal voor een niet-bestaande vordering is derhalve geen sprake, terwijl het beslag ook niet onnodig is gelegd omdat [geïntimeerde] niet bereid is gebleken vrijwillig aan de vorderingen te voldoen en evenmin andere zekerheid heeft aangeboden. Ook overigens kan uit hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld niet worden afgeleid dat sprake is van onrechtmatig gelegd beslag. De grief faalt.

 

3.25

De conclusie luidt dat de grieven in principaal appel slagen. In incidenteel appel slaagt grief 4 gedeeltelijk en falen de overige grieven. [geïntimeerde] heeft geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die – indien bewezen – tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat zijn algemeen geformuleerde bewijsaanbod wordt gepasseerd.

 

3.26

Het vonnis waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd, namelijk voor zover de vordering ter zake van verlies van verdienvermogen is afgewezen, en voor zover een bedrag van € 1.210 aan eigen risico is toegewezen en een bedrag van € 497,08 in plaats van € 900,11 aan buitengerechtelijke kosten is toegewezen. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof het vonnis vernietigen voor zover het punt 6.1 van het dictum betreft en het juiste bedrag aan schadevergoeding, inclusief rente, alsnog toewijzen.

Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd. [geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal en incidenteel appel.

 

4

Beslissing

 

Het hof:

 

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover het punt 6.1 van het dictum betreft,

 

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

 

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 13.410,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 12.510,84 vanaf 11 april 2016 tot aan de dag der voldoening;

 

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

 

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 813,31 aan verschotten en

€ 1.611,- voor salaris;

 

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.F. Aalders en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey