Hof: Mede op grond van camerabeelden geen onrechtmatigheid vaststelbaar

Samenvatting:

Geïntimeerde loopt letsel aan zijn vinger op bij sluiten van de deur van het café. Alleen een zodanig gevaarscheppend gedrag is onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel door een ander als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Zelfs als geïntimeerde wist dat appellant achter haar aankwam om het café weer binnen te gaan heeft zij niet onrechtmatig jegens hem gehandeld door de voordeur achter zich te sluiten. Het gevaar op letsel zou niet zo waarschijnlijk zijn dat geïntimeerde de deur niet had mogen sluiten. Dit geldt temeer nu de precieze toedracht op het moment van het sluiten van de deur niet op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld en ook appellant daarover niets concreets heeft gesteld. Daarbij komt dan nog dat het hof begrijpelijk acht dat geïntimeerde bang was voor de agressie van appellant en daarom naar binnen vluchtte. Onder die omstandigheden kan niet worden verwacht dat zij zich eerst zou vergewissen waar de hand van appellant zich bevond, alvorens de deur te sluiten.

Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2018
Datum publicatie 07-11-2018
Zaaknummer 200.218.305/01
Rechtsgebieden Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
letsel aan vinger. vordering uit onrechtmatige daad.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.218.305/01

Zaaknummer rechtbank : 5393744 \ CV EXPL 16-7413

arrest van 25 september 2018

inzake

[naam 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.M.C. Wessels te Zwijndrecht,

tegen

1 [naam 2] h.o.d.n. [het café] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,
advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg,

2. [naam 3] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
hierna te noemen [geïntimeerde 2] ,
geïntimeerden,
gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerde 2] , afzonderlijk als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] ,
advocaat: mr. A.C. van ’t Hek te Rotterdam.

1 Het geding

1.1. Bij exploot van 21 juni 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht (hierna: de kantonrechter), tussen partijen gewezen vonnis van 23 maart 2017. Bij arrest van 5 september 2017 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Van de comparitie is proces verbaal gemaakt.
Bij memorie van grieven met één productie heeft [appellant] twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde 2] de grieven bestreden. [geïntimeerde 1] heeft bij memorie van antwoord met zeven producties de grieven bestreden.

1.2. Vervolgens heeft [geïntimeerde 1] de stukken overgelegd en is een datum voor arrest bepaald.

2 Feiten

2.1. De juistheid van de door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten is in hoger beroep door [geïntimeerde 2] gedeeltelijk bestreden (memorie van antwoord onder 2.46 e.v.). Met inachtneming daarvan en van hetgeen verder als niet voldoende gemotiveerd weersproken vaststaat, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2. In de nacht van vrijdag 10 oktober 2014 op zaterdag 11 oktober 2014 heeft [appellant] [het café] bezocht. [geïntimeerde 1] is eigenaar van dit café.

2.3. In die nacht heeft [appellant] het topje van zijn linker ringvinger verloren. Hij is met een ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht waar hij aan het letsel is behandeld.

2.4. [appellant] heeft [geïntimeerde 1] bij brief van zijn advocaat van 28 april 2015 aansprakelijk gesteld voor het letsel. [geïntimeerde 1] heeft, nadat hij door Dekra Experts onderzoek had laten doen naar de toedracht van het incident, aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.5. Tegen de achtergrond van deze feiten vorderde [appellant] in eerste aanleg hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een bedrag van € 3.425, vermeerderd met wettelijke rente. Hij voerde daartoe aan dat hij na een bezoek aan [het café] zonder jas naar buiten was gegaan en dat [geïntimeerde 2] de voordeur van het café bewust en met grote kracht heeft dicht gegooid op het moment dat hij voor de deur stond om zijn jas op te halen. Hierbij is zijn linkervinger tussen de deur en de deurlijst bekneld geraakt en heeft hij zijn vingertop verloren. Door deze handelwijze heeft [geïntimeerde 2] volgens [geïntimeerde 1] onrechtmatig tegenover hem gehandeld en is zij aansprakelijk voor de door hem geleden schade, bestaande uit smartengeld en buitengerechtelijke incassokosten. Indien [geïntimeerde 2] als garderobemedewerkster in dienst was van [geïntimeerde 1] – hetgeen [appellant] veronderstelde – is ook [geïntimeerde 1] als werkgever c.q. opdrachtgever aansprakelijk.

2.6. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen, kort gezegd op grond van het oordeel dat [appellant] in het licht van de camerabeelden onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het letsel het gevolg is van een handeling van [geïntimeerde 2] .

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1. [appellant] kan zich niet met de beslissing in eerste aanleg verenigen en vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering.

3.2. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het letsel aan de linker ringvinger van [appellant] het gevolg is van een onrechtmatige gedraging van [geïntimeerde 2] . Met betrekking tot de hoedanigheid waarin zij zich op de bewuste avond bij de voordeur van [het café] bevond, is het hof van oordeel dat [appellant] – in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde 2] – onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd dat [geïntimeerde 2] als garderobemedewerkster in dienst was van [geïntimeerde 1] of in enige andere rechtsverhouding tot hem stond. Het hof gaat er daarom vanuit dat [geïntimeerde 2] als gast aanwezig was en zich als zodanig met [appellant] heeft verstaan.

3.3. Met betrekking tot de toedracht van het incident wordt het volgende overwogen. Zoals ook door de raadsheer-commissaris op de comparitie samen met partijen is besproken en in het proces-verbaal is vastgelegd, kan uit de door [geïntimeerde 1] in het geding gebrachte camerabeelden, die op de bewuste avond zijn gemaakt, het volgende worden opgemaakt. De buitencamera is gericht op de plek voor de voordeur van [het café] . Het afspelen van de beeldopname begint om 0:00:03. Dit is niet de werkelijke tijd maar de opnametijd. [geïntimeerde 2] staat voor de voordeur, maar binnen de dranghekken, een sigaret te roken. Er staan vrij veel omstanders, waaronder [appellant] , die bij een boom staat. De portier is af en aan in gesprek met een man die aan de andere kant van het dranghek staat. [geïntimeerde 2] bemoeit zich hier niet mee. Op enig moment (om 0:02:00) loopt de portier naar binnen. Om 0:02:14 loopt [appellant] van de boom richting de voordeur, voorbij het dranghek. [geïntimeerde 2] staat dan voor de deur. De houding van [appellant] laat zien dat hij naar binnen wil. Hij loopt om het dranghek richting de voordeur en heeft daarbij zijn linker schouder naar voren gericht. Duidelijk is dat [appellant] naar binnen wil terwijl [geïntimeerde 2] voor de deur staat. Hij komt heel dicht bij [geïntimeerde 2] staan. [geïntimeerde 2] heft haar linkerarm tot ongeveer borsthoogte en dan begint [appellant] aan haar arm te trekken (om 0:02:28). [appellant] komt daardoor tegen het dranghek aan. Er staat een man met een donkere jas vlak bij het incident. [geïntimeerde 2] wordt door [appellant] weggetrokken van de deur. Ze kan daarna haar arm lostrekken en gaat dan direct naar binnen (om 0:02:43). [appellant] loopt naar de deur (om 0:02:48). De deur zelf is niet te zien op de beelden. Hij lijkt aanstalten te maken om naar binnen te gaan maar loopt daarna weer weg om het dranghek heen. Hij brengt zijn beide handen voor zijn lichaam bij elkaar. Hij kijkt naar zijn handen en loopt dan weg naar de andere kant van het dranghek. Dan loopt hij weer terug naar de deur (om 02:03:03), draait zich dan weer terug, en kijkt weer naar zijn handen. De derde persoon is daar ook nog steeds bij aanwezig. Beide mannen zeggen achter het dranghek iets tegen elkaar en trekken daarna de dranghekken om en schoppen en beuken samen een groot aantal keer tegen de deur van [het café] . De ander beukt ook een keer met het dranghek tegen de deur.

3.4. [geïntimeerde 1] bestrijdt allereerst dat [appellant] de vingertop van zijn linkerringvinger heeft verloren door een beknelling tussen de voordeur van [het café] en de omlijsting daarvan. Nu niet (gemotiveerd) is bestreden dat [appellant] de vingertop heeft verloren rondom het incident bij de voordeur en er geen aanwijzingen zijn dat [appellant] door een andere oorzaak zijn vingertop heeft verloren, wordt de betwisting als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd verworpen en houdt het hof erop dat het letsel is ontstaan door een beknelling tussen de voordeur en de omlijsting.

3.5. Het feit dat [appellant] direct na de eerste keer dat hij naar de voordeur is gelopen, naar zijn handen keek, zou er op kunnen duiden dat het letsel aan zijn vinger al op dat moment is ontstaan en niet pas op het moment dat hij voor de tweede keer naar de deur is gelopen. Ook als het hof dit aanneemt, staat daarmee echter niet vast dat het [geïntimeerde 2] is geweest die de deur heeft gesloten. Tussen het moment dat [geïntimeerde 2] naar binnen ging en [appellant] voor de eerste keer bij de deur aankwam, zit een tijdverloop van ongeveer 5 seconden. Niet valt uit te sluiten dat iemand anders dan [geïntimeerde 2] de deur heeft dichtgedaan. De camerabeelden geven hierover geen uitsluitsel nu de voordeur niet op de beelden is te zien. Wat er precies is gebeurd in deze korte periode, is dus niet duidelijk. Het hof ziet geen aanleiding [appellant] , die heeft gesteld dat hij en [naam 4] – de persoon die zich tijdens het incident ook in de buurt van de voordeur bevond – hebben gezien dat [geïntimeerde 2] de deur heeft gesloten, tot bewijs toe te laten. Ook indien na bewijslevering zou komen vast staan dat [geïntimeerde 2] degene is geweest die de voordeur heeft gesloten, rechtvaardigt dat namelijk niet de conclusie dat zij met die handelwijze onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld. Daarvoor is het volgende van belang.

3.6. Niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, maakt dat gedrag onrechtmatig. Alleen een zodanig gevaarscheppend gedrag is onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel door een ander als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Daarvan is in dit geval geen sprake. [appellant] heeft immers niet gesteld – en uit de camerabeelden kan niet worden opgemaakt – dat [geïntimeerde 2] dacht of daadwerkelijk heeft waargenomen dat [appellant] voor de deuropening stond en zijn hand ter hoogte van de deurlijst heeft gehouden. De veronderstelling van [appellant] dat [geïntimeerde 2] wist dat hij achter haar aan zou gaan, is niet voldoende om hier wel van uit te gaan. Indien [geïntimeerde 2] onder deze omstandigheden de voordeur heeft gesloten, heeft zij dan ook niet onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld.

3.7. Maar zelfs als [geïntimeerde 2] heeft gezien of wist dat [appellant] achter haar aankwam, heeft zij niet onrechtmatig jegens hem gehandeld door de voordeur achter zich te sluiten. Het sluiten van de deur was, ook als [appellant] op dat moment bij de deuropening stond of aankwam, niet zodanig gevaarscheppend in de zin dat het zo waarschijnlijk was dat hij daardoor letsel zou oplopen, dat [geïntimeerde 2] zich van haar gedraging had moeten onthouden. Dit geldt temeer nu de precieze toedracht op het moment van het sluiten van de deur niet op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld en ook [appellant] – afgezien van een door [geïntimeerde 2] bestreden omschrijving van de toegangsdeur – daarover niets concreets heeft gesteld. Daarbij komt dan nog dat het hof begrijpelijk acht dat [geïntimeerde 2] – zoals zij stelt – bang was voor de agressie van [appellant] en daarom naar binnen vluchtte. Onder die omstandigheden kan niet worden verwacht dat zij zich eerst zou vergewissen waar (de hand van) [appellant] zich bevond, alvorens de deur te sluiten.

3.8. De conclusie is dat de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde 2] terecht is afgewezen.

3.9. Grief 2 heeft betrekking op de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] . Volgens [appellant] is [geïntimeerde 1] om meerdere redenen jegens hem aansprakelijk. Allereerst heeft hij betoogd dat [geïntimeerde 1] weliswaar een portier in dienst had, maar dat deze portier op het moment van het ongeval niet aanwezig was bij de voordeur. Als deze portier wel aanwezig was geweest, had [geïntimeerde 1] zijn jas teruggekregen en had de portier verhinderd dat de deur was gesloten.

3.10. [appellant] heeft in het geheel niet toegelicht dat en waarom [geïntimeerde 1] ervoor aansprakelijk zou moeten zijn dat de portier – die volgens [geïntimeerde 1] overigens niet in dienst was maar via BBM Security was ingehuurd – niet permanent bij de voordeur aanwezig was. Om aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] voor de door hem ingeschakelde portier aan te kunnen nemen moet in elk geval vast staan dat de portier zijn taak niet deugdelijk heeft uitgevoerd. Voor zover [appellant] wil zeggen dat de portier verplicht was onafgebroken bij de voordeur te staan, heeft hij deze stelling in het geheel niet nader onderbouwd. Al hierop stuit zijn betoog af.

3.11. Ten slotte betoogt [appellant] dat als [geïntimeerde 2] haar actieve rol als portier niet in dienst of in opdracht van [geïntimeerde 1] heeft uitgevoerd, [geïntimeerde 1] heeft toegestaan of gedoogd dat zij een actieve rol en taak in het deurbeleid van [het café] had. Om die reden is [geïntimeerde 1] aansprakelijk voor de gevolgen van het handelen van [geïntimeerde 2] . Dit betoog stuit al af op het oordeel dat de handelwijze van [geïntimeerde 2] niet als onrechtmatig is aan te merken.

3.12. De conclusie is dat de grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de door [geïntimeerde 2] gemaakte proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

 bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 23 maart 2017;

 veroordeelt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 2] begroot op € 313 aan verschotten, € 1.518 aan salaris voor de advocaat (2 punten à tarief I) en op € 157 aan nasalaris voor de advocaat, ten aanzien van [geïntimeerde 1] nog te verhogen met € 82 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82 na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;

 verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Aarts, M.J. van der Ven en M.D. Ruizeveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots