Hof: geen verknochtheid schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen

Samenvatting:

Echtscheiding. De vrouw ten tijde van het huwelijk een schade-uitkering heeft ontvangen van € 72.000,-. Volgens de man is niet te traceren wat er met dit geld is gebeurd. Naar het oordeel van het hof valt in het geheel niet vast te stellen op welke wijze het verlies aan verdiencapaciteit is berekend en evenmin is vast te stellen op welke periode deze betrekking heeft. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat slechts een schadevergoeding met betrekking tot verlies aan verdiencapaciteit gelegen na de hiervoor genoemde peildatum, verknocht is. Uit de feiten die de vrouw zelf stelt kan het hof niet vaststellen dat er sprake is van verlies aan verdiencapaciteit na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap.

ECLI:NL:GHDHA:2018:1840

 

Instantie

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak

04-07-2018

Datum publicatie

27-07-2018

Zaaknummer

200.209.848/01

Rechtsgebieden

Personen- en familierecht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

 

Verknochtheid immateriële schade-uitkering. Verknochtheid materiële schade-uitkering. Vergoedingsrecht.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

 

Afdeling Civiel recht

 

Uitspraak : 4 juli 2018

 

Zaaknummer : 200.209.848/01

 

Rekestnummer rechtbank : FA RK 16-5810

 

Zaaknummer rechtbank : C/09/515574

 

[appellante] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoekster in hoger beroep,

 

hierna te noemen: de vrouw,

 

advocaat mr. M.J.J.A. Ooms te Rotterdam,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verweerder in hoger beroep,

 

hierna te noemen: de man,

 

advocaat mr. M.G.G. de Bruin te Sliedrecht.

Het verdere procesverloop

 

Voor het verloop van het geding tot 31 januari 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.

 

Het verdere verloop blijkt uit:

 

– een faxbrief van mr. Ooms van 27 februari 2018, ingekomen op 27 februari 2018, met bijlagen;

 

– een journaalbericht van mr. De Bruin van 26 maart 2018, ingekomen op 28 maart 2018, met als bijlage een akte na uitlating tussenbeschikking.

 

Het hof heeft de uitspraak bepaald op heden.

De verdere beoordeling

 

  1. Het hof heeft in zijn voormelde tussenbeschikking onder meer het navolgende overwogen:

 

“Vergoedingsvordering van de vrouw op de gemeenschap

 

  1. Uit de processtukken volgt dat de vrouw tijdens het huwelijk een letselschade-uitkering heeft ontvangen van € 72.000. De vrouw stelt dat deze uitkering aan haar verknocht is. De gemeenschap is met dit bedrag gebaat. Met betrekking tot voormelde uitkering stelt de vrouw dat zij een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft van € 55.000.

 

  1. De man erkent dat de vrouw ten tijde van het huwelijk een schade-uitkering heeft ontvangen van € 72.000,- en dat deze uitkering aan de vrouw verknocht is. Echter, volgens de man is niet te traceren wat er met dit geld is gebeurd. De schade-uitkering van € 72.000,- heeft zich vermengd met de gemeenschapsgelden en de vrouw heeft daar bovendien allerlei privé-uitgaven van gedaan. Nu de schade-uitkering niet langer identificeerbaar is, komt de vrouw geen vergoedingsvordering op de gemeenschap toe, aldus de man.

 

  1. Het hof overweegt als volgt. In het onderhavige geval staat vast dat er sprake is geweest van een verkeersongeval, waardoor de vrouw letsel heeft opgelopen en gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt. De verzekeringsmaatschappij heeft een vergoeding voor de door de vrouw geleden schade uitgekeerd van € 17.000,- en vervolgens nog een bedrag van € 55.000.

 

  1. Partijen verschillen van mening of de vrouw met betrekking tot laatstgemeld bedrag een vergoedingsvordering op de gemeenschap toekomt.”

 

  1. Het hof heeft de vrouw in de tussenbeschikking in de gelegenheid te stellen om door middel van het overleggen van een deugdelijke toelichting op de vaststellingsovereenkomst (of andere toetsbare stukken) duidelijkheid te verschaffen over de vraag op welke schade de schade-uitkering betrekking heeft en voor zover de schade-uitkering ziet op schadeposten die naar hun aard zien op schade die geacht wordt periodiek te verschijnen, zal aangegeven moeten worden welke schade voor de peildatum (22 april 2016) geacht moet worden te zijn geleden dan wel welk deel van de schadevergoeding ziet op de periode na de peildatum.

 

  1. De vrouw heeft in haar voormelde brief van 27 februari 2018 uiteengezet (en onderbouwd met een viertal bescheiden) dat een gedeelte van de schade-uitkering als volgt is samengesteld:

 

– immateriële schadevergoeding: € 12.500,-;

 

– materiële schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen: € 40.500,-.

 

Uit de bijlage afkomstig van [letselschadebehandelaar] van 26 februari 2018 (bijlage 1 bij de brief van de vrouw van 27 februari 2018) volgt dat de schadevergoeding van € 72.000,- als volgt is opgebouwd:

 

– smartengeld €12.500,-;

 

– kosten re-integratie en/ scholing € 15.000,-

 

– verlies aan verdienvermogen € 40.500,-;

 

– toekomstige materiële schade uitgaven € 4.000,-.

 

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de immateriële schadevergoeding van € 12.500,- aan haar verknocht is, nu deze naar zijn aard bestemd is om te dienen als compensatie voor het persoonlijk leed dat zij als gevolg van het ongeval heeft ondergaan en in de toekomst zal ondergaan. De immateriële schade-uitkering valt derhalve niet in de huwelijksgemeenschap.

 

De schadevergoeding wegens verlies van verdienvermogen van € 40.500,- is volgens de vrouw bedoeld als compensatie voor verlies van toekomstig arbeidsvermogen voor de duur van 40 jaar, derhalve € 1.012,50 per jaar. De vrouw rekent voor dat vanaf de peildatum (22 april 2016) nog een periode van 28 jaar en 3 maanden resteert, zodat van de schadevergoeding een gedeelte groot € 28.603,125 is bedoeld voor verlies van arbeidsvermogen in de periode na de peildatum. Dit gedeelte van de schade-uitkering valt derhalve niet in de huwelijksgemeenschap.

 

  1. Het hof stelt het navolgende voorop. Artikel 1:94 lid 3 (oud) BW bepaalde dat goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Bij de op 1 januari 2018 in werking getreden Wet van 24 april 2017, Stb. 2017, 177, tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken, is deze regeling omtrent verknochtheid ongewijzigd opgenomen in het huidige art. 1:94 lid 5 BW (vgl. Kamerstukken II 2013-2014, 33 987, nr. 6, p.16). In dit geding is nog art. 1:94 lid 3 (oud) BW van toepassing.

 

  1. Volgens vaste rechtspraak is het antwoord op de vragen of een goed dan wel een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van de hoofdregel van art. 1:94 lid 2 (oud) BW aan een van de echtgenoten is verkocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed, respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW) afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (vgl. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141, HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292 en HR 23 februari 2018, ECLI:NLHR:2018:270). Partijen kunnen derhalve niet zelf bepalen of er sprake is van een verknocht goed.

 

  1. Indien een der echtgenoten een vergoeding ontvangt voor schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen, zal de echtgenoot die zich op art. 1:94 lid 3 BW beroept, ten minste (tevens) moeten stellen op welke schadeposten de vergoeding betrekking heeft, opdat de rechter kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, die vragen ten aanzien van een of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen (HR 3 november 2006, LJN AX 7806, NJ 2008/258 en HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957).

 

  1. Het hof overweegt met betrekking tot de immateriële schade-uitkering als volgt. De man heeft niet weersproken dat het hier om smartengeld gaat. Het hof is van oordeel dat een smartengelduitkering naar maatschappelijke normen kan worden aangemerkt als een verknocht goed. De strekking van het goed op het moment van de verkrijging is bepalend voor de beantwoording van de vraag of het goed verknocht is. Naar het oordeel van het hof kan ook met betrekking tot een geldsom die ontvangen is tijdens het huwelijk ook tot een verknochtheid concluderen mits deze geldsom te herleiden is naar een verknochte aanspraak op schadevergoeding.

 

De totale schadevergoeding is in twee termijnen voldaan van € 17.000,- en van € 55.000,-. Door de betalingen is de huwelijksgemeenschap mede gebaat door het bedrag dat betrekking heeft op de immateriële schade van € 12.500,-. Als gevolg hiervan heeft de vrouw in beginsel een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap.

 

De rechtsvraag die thans moet worden beantwoord is of de vrouw dit vergoedingsrecht jegens de gemeenschap kan effectueren. Uit de toelichting op de grief volgt dat de vrouw stelt dat nagenoeg de gehele schadevergoeding in de gemeenschap is opgegaan. Door de man is verweer gevoerd. Het hof stelt vast dat de vrouw geen maatregelen heeft genomen om de aan haar uitgekeerde bedragen afzonderlijk te administreren ten opzichte van de gemeenschap. Nu de vrouw zelf stelt dat de ten behoeve van haar uitgekeerde bedragen in de gemeenschap zijn opgegaan mocht de man erop vertrouwen dat het ook haar instemming had dat de bedragen ten behoeve van de gemeenschap zijn aangewend. Het hof acht het niet redelijk en billijk dat de vrouw thans nog haar vergoedingsrecht met betrekking tot de immateriële schade ten aanzien van de gemeenschap kan effectueren. Gelet hierop zal het hof het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij gerechtigd is tot een reprise uit de huwelijksgoederengemeenschap afwijzen.

 

  1. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (hiervoor onder rechtsoverweging 6 weergegeven) valt af te leiden dat een vergoeding wegens verlies aan verdiencapaciteit onder omstandigheden eveneens aangemerkt kan worden als verknocht. Bepalend voor het antwoord op de vraag of er sprake is van verknochtheid is de strekking op moment van de verkrijging. Onder strekking verstaat het hof het doel waarvoor de schadevergoeding is gegeven.

 

Uit de door de vrouw in het geding gebrachte verklaring van [letselschadebehandelaar] (letselschadebehandelaar van [verzekeringsmaatschappij] ; de partij die de schadevergoeding aan de vrouw heeft uitgekeerd) volgt dat voor verlies aan verdienvermogen is uitgekeerd een bedrag van € 40.500,-.

 

Naar het oordeel van het hof valt in het geheel niet vast te stellen op welke wijze het verlies aan verdiencapaciteit is berekend en evenmin is vast te stellen op welke periode deze betrekking heeft.

 

De verklaring van de schadebehandelaar van [verzekeringsmaatschappij] staat ook haaks op de feiten die de vrouw zelf heeft gesteld. Uit de door de vrouw overgelegde schadestaat van 28 augustus 2007 valt af te leiden dat de vrouw ten tijde van het ongeval (dat plaatsvond op 8 mei 2004) in totaal 40 uur per week werkte en een inkomen genoot van totaal € 1.400,- netto per maand. Voorts leidt het hof daaruit af dat de vrouw per 1 december 2006, derhalve na het ongeval, in dienst is getreden bij een andere werkgever, waar zij wederom fulltime (voor 40 uur in de week) aan de slag is gegaan, tegen een gelijke beloning als voor het ongeluk, te weten € 1.400,- netto per maand. Kortom uit de feiten die de vrouw zelf stelt kan het hof niet vaststellen dat er sprake is van verlies aan verdiencapaciteit na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Uit de voormelde rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat slechts een schadevergoeding met betrekking tot verlies aan verdiencapaciteit gelegen na de hiervoor genoemde peildatum, verknocht is. Op basis van de door de vrouw verstrekte gegevens kan het hof derhalve niet vaststellen of het gedeelte van de door de vrouw ontvangen schadevergoeding dat betrekking heeft op verlies aan verdienvermogen als verknocht moet worden aangemerkt.

 

Overige

 

  1. Hetgeen het hof in zijn voormelde tussenbeschikking nog heeft overwogen ten aanzien van de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, in het bijzonder ten aanzien van de waarde van de auto, [merk auto] met kenteken [kenteken] , alsmede de waarde van het paard, [naam paard] , zal het hof opnemen in het dictum als na te melden. De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd. Hetgeen het hof voor het overige nog heeft overwogen, leent zich niet voor opname in het dictum.

 

  1. Door de man is gevraagd om de vrouw in de proceskosten te veroordelen. Het hof ziet daartoe geen aanleiding gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure. De kosten zullen tussen partijen gecompenseerd worden.

 

  1. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

 

Het hof:

 

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de waarde van de auto, [merk auto] met kenteken [kenteken] en de waarde van het paard, [naam paard] , en, in zoverre opnieuw beschikkende:

 

bepaalt dat voor de waardebepaling van de auto, [merk auto] met kenteken [kenteken] , uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 5.250,-;

 

bepaalt dat voor de waardebepaling van het paard, [naam paard] , uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 450,-;

 

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

 

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

 

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, D. Wachter en A.R.J. Mulder, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots