Hof: geen productaansprakelijkheid voor te hard opgepompte SUP

Samenvatting:

Productaansprakelijkheid. Bij het oppompen van een SUP ‘ontploft’ de SUP, met letselschade tot gevolg. Net als de rechtbank neemt het hof  geen aansprakelijkheid aan, omdat de gebruiker van de SUP het product te hard, tot boven de in de gebruiksaanwijzing vermelde, maximale druk heeft opgepompt. Benadeelde is er niet in is geslaagd te bewijzen dat zich bij de aan hem geleverde SUP geen gebruiksaanwijzing bevond.

 

 

ECLI:NL:GHARL:2020:8717

 

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

27-10-2020

Datum publicatie

29-10-2020

Zaaknummer

200.267.951/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

Productaansprakelijkheid. Bij het oppompen van een zogenaamde SUP ‘ontploft’ de SUP, met letselschade tot gevolg. Net als de rechtbank neemt het hof  geen aansprakelijkheid aan, omdat de gebruiker van de SUP het product te hard, tot boven de in de gebruiksaanwijzing vermelde, maximale druk heeft opgepompt. Benadeelde is er niet in is geslaagd te bewijzen dat zich bij de aan hem geleverde SUP geen gebruiksaanwijzing bevond.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.267.951/01

 

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 442132)

 

arrest van 27 oktober 2020

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

 

wonende te [A] (Spanje),

 

appellant,

 

in eerste aanleg: eiser,

 

hierna: [appellant],

 

advocaat: mr. L.M. Tan, kantoorhoudend te Utrecht,

 

tegen

 

de vennootschap naar Frans recht Mooving Sarl,

 

gevestigd te Oraison (Frankrijk),

 

geïntimeerde,

 

in eerste aanleg: gedaagde,

 

hierna: Mooving,

 

advocaat: mr. M.C.J. Peters, kantoorhoudend te Arnhem.

1

1 Het verloop van de procedure bij de rechtbank

1.1

 

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 21 februari 2018, 7 november 2018 en 10 juli 2019.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1

 

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

– de appeldagvaarding van 28 oktober 2019;

– de memorie van grieven (met producties);

– de memorie van antwoord (met producties).

2.2

 

Vervolgens hebben beide partijen het procesdossier overgelegd en heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2.3

 

De door Mooving bij memorie van antwoord overgelegde producties zijn al in eerste aanleg door haar in het geding gebracht, dan wel betreffen processtukken van de procedure in eerste aanleg. Om die reden zal het hof [appellant] geen gelegenheid geven op deze producties te reageren.

2.4

 

De vordering van [appellant] in hoger beroep komt erop neer dat het vonnis van

 

10 juli 2019 wordt vernietigd en dat de door hem in de procedure bij de rechtbank ingestelde vorderingen alsnog worden toegewezen, met veroordeling van Mooving in de proceskosten van beide instanties.

3 De zaak in het kort

3.1

 

[appellant] heeft letsel aan zijn hand opgelopen doordat een door hem gekochte SUP (Stand Up Paddle), waarvan Mooving de producent is, is ontploft. Volgens hem is de SUP gebrekkig. Mooving is als producent van een gebrekkig product volgens [appellant] aansprakelijk voor zijn schade. Volgens Mooving heeft [appellant] de SUP tot ver boven de maximaal toelaatbare druk opgepompt. Mooving verwijst daarvoor naar de gebruiksaanwijzing. [appellant] stelt dat die niet was bijgeleverd. Het hof vindt, net als de rechtbank, dat [appellant] niet bewezen heeft dat de gebruiksaanwijzing niet was bijgeleverd. Om die reden, en omdat de andere daarvoor door [appellant] aangevoerde argumenten niet steekhoudend zijn, staat niet vast dat de SUP gebrekkig was. De vorderingen van [appellant] worden daarom afgewezen.

4 De vaststaande feiten

4.1

 

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

4.2

 

[appellant] , die destijds in Nederland woonde, heeft op 2 augustus 2013 bij Kanocentrum [B] (hierna [B] ) te [C] voor zichzelf en zijn partner ( [D] , hierna [D] ) een opblaasbare SUP van het merk Aqua Design gekocht voor de prijs van

€ 395,-. Een SUP is een van hard rubber gemaakte langwerpige plank, die voor gebruik moet worden opgeblazen. Het is de bedoeling dat de gebruiker op het water op de SUP staat en zich met een peddel voortbeweegt.

4.3

 

Mooving is producent van de SUP’s van het merk Aqua Design. Zij levert ze onder meer aan [B] . De Nederlandstalige gebruiksaanwijzing bij de SUP bevat onder meer deze afbeelding:

 

 

Onder de afbeelding is vermeld:

 

“MAXIMALE DRUK IS 18 PSI (1,24 BAR).

TOCH ADVISEREN WE OM UW SUP SLECHTS TOT 15 PSI (1,03 BAR) OP TE BLAZEN OM ZO EEN VEILIGHEIDSMARGE VAN 3 PSI TE BEHOUDEN. DE DRUK NEEMT IMMERS TOE BIJ EEN STERKE BLOOTSTELLING AAN DE ZON.

 

Verder is onder punt 1 van de gebruiksaanwijzing (“opblazen en monteren”) onder meer het volgende vermeld:

“Gebruik nooit een hoge druk compressor. In het geval van overdruk kan de Sup onherstelbare niet gewaarborgde schade oplopen, en zou kan de gebruiker kunnen kwetsen.

(…)

Laat de SUP nooit te lang in de zon, de druk van uw SUP kan hierdoor oplopen tot meer dan 18 PSI.”

4.4

 

[appellant] heeft ook een SUP voor zijn partner gekocht. De beide SUP’s waren verpakt in een doos. Er was een handpomp met drukmeter bijgeleverd. Poelman ontving ook een handleiding, met een aantal tips. In die handleiding – met de aanhef: “Gefeliciteerd met de aanschaf van uw opblaaskajak”- stond onder meer het volgende vermeld:

“Tip 1

Bij elke kajak wordt een gebruiksaanwijzing geleverd, neem deze voor gebruik goed door.

Tip 2

Blaas de kajak/kano rustig op, zodat der tubes de juiste vorm kunnen aannemen. (…)

In de gebruiksaanwijzing kunt u zien hoeveel luchtdruk er in de tubes geblazen mag worden.

Tip 3

De luchtdruk die in de tubes zit kan verhogen indien de kajak/kano in de zon ligt. Door warmte zet de lucht uit en hierdoor zal er overdruk in de tubes ontstaan waardoor deze kan scheuren. Let op! Ook in de schaduw kan dit gebeuren.! Indien u niet met de kajak/kano in het water bent altijd de druk verminderen.”

4.5

 

Op 27 juni 2014 heeft [appellant] , die destijds duikinstructeur was, ‘zijn’ SUP in zijn woonkamer opgeblazen met behulp van de persdrukapparatuur van zijn duikuitrusting. Kort nadat hij de SUP had opgeblazen zag hij dat er een bolling was ontstaan rond het ventiel. Toen hij met zijn rechterhand over de bolling wreef, is de SUP van binnenuit ontploft. Daardoor zijn fracturen ontstaan in de rechterpols, duim, vingers en ellenboog van [appellant] . [appellant] heeft zich onder medische behandeling moeten stellen. Hij is enkele malen geopereerd.

4.6

 

[appellant] heeft Mooving aansprakelijk gesteld, maar Mooving heeft geen aansprakelijkheid erkend.

5 De vorderingen, het verweer en de beslissing in eerste aanleg

5.1

 

[appellant] heeft Mooving gedagvaard voor de rechtbank. Hij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de door Mooving in het verkeer gebrachte SUP een gebrekkig product is, dat Mooving aansprakelijk is voor het aan [appellant] op 27 juli 2014 overkomen ongeval en dat zij deze schade dient te vergoeden. Ook heeft hij schadevergoeding op te maken bij staat, een voorschot op de geleden en nog te lijden schade van € 25.000,- en veroordeling van Mooving in de proceskosten gevorderd.

5.2

 

Mooving heeft verweer gevoerd. [appellant] heeft, in strijd met de waarschuwing in de gebruiksaanwijzing, de SUP met een met een compressor vergelijkbaar apparaat opgepompt tot (in elk geval, maar waarschijnlijk meer dan) 1,5 Bar. Mooving heeft in de gebruiksaanwijzing uitdrukkelijk tegen dit gebruik gewaarschuwd. Om die reden is de SUP niet gebrekkig. Bovendien is de schade van [appellant] het gevolg van (stelselmatig) onjuist en onvoorzichtig gebruik van de SUP door hem. Voor deze schade is Mooving niet aansprakelijk, meent zij.

5.3

 

Nadat een comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 7 november 2018 [appellant] opgedragen te bewijzen dat de gebruikershandleiding bij de SUP niet in de doos van de ontplofte SUP zat.

Vervolgens zijn getuigen gehoord, waarna de rechtbank in het eindvonnis van 10 juli 2019 heeft geoordeeld dat [appellant] er niet in geslaagd was om het aan hem opgedragen bewijs te leveren. Daarmee is volgens de rechtbank niet bewezen dat de SUP een gebrekkig product was. Om die reden heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en heeft zij hem veroordeeld in de proceskosten.

6 De beoordeling van het geschil

 

Rechtsmacht en toepasselijk recht

6.1 Beide partijen hebben hun woonplaats buiten Nederland. De rechtbank heeft overwogen dat zij toch rechtsmacht heeft omdat partijen het erover eens zijn dat de Nederlandse rechter bevoegd is, zodat om die reden sprake is van een forumkeuze. Wat daar ook van zij, omdat het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd (artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Verordening).

6.2

 

Tegen de vaststelling van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is, is

– terecht, gelet op het bepaalde in artikel 5 van het Haags productenaansprakelijkheids-verdrag van 2 oktober 1973 – geen grief gericht. Ook Mooving gaat uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

 

Reikwijdte van het hoger beroep

6.3 Hoewel [appellant] zowel in het petitum van de appeldagvaarding als in dat van de memorie van grieven slechts vernietiging vordert van het eindvonnis van de rechtbank, richten zijn grieven zich ook uitdrukkelijk tegen het tussenvonnis van 7 november 2018. Het is dan ook evident dat het hoger beroep zich ook richt tegen dat tussenvonnis. Uit de memorie van antwoord volgt dat Mooving dat ook zo heeft begrepen.

 

Begrip gebrekkig product

6.4 De grieven 1 en 2 hangen met elkaar samen. Met deze grieven voert [appellant] aan dat de rechtbank in het tussenvonnis van 7 november 2011 is uitgegaan van een te beperkte en ook overigens onjuiste uitleg van het begrip ‘gebrekkig product’ en daardoor een verkeerde bewijsopdracht heeft gegeven. Ook met grief 4 komt [appellant] op tegen de, volgens hem te beperkte, uitleg van de rechtbank van het begrip ‘gebrekkig product’, nu in het eindvonnis van 10 juli 2019. Omdat de grieven met elkaar samenhangen, zal het hof ze samen bespreken.

6.5

 

Volgens artikel 6:186 BW is een product gebrekkig indien het niet de veiligheid biedt die men daarvan mag verwachten, alle omstandigheden in aanmerking genomen en in het bijzonder (a) de presentatie van het product, (b) het redelijkerwijs te verwachten gebruik van het product, en (c) het tijdstip waarop het product in het verkeer werd gebracht. Het gaat daarbij niet om de verwachting van de betrokken benadeelde of producent, maar om de verwachting van het grote publiek, dus om een geobjectiveerde verwachting (zie Kamerstukken II 1985/1986, 19 636, nr. 3, p. 9).

De benadeelde dient te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat het product gebrekkig is (artikel 6:188 BW). Het gebrek staat niet vast met het enkele feit dat bij gebruik van het product schade is ontstaan. Wel kan aan het feit dat schade is ontstaan bij normaal gebruik van het product het (dan door de producent te weerleggen) vermoeden worden ontleend dat het product gebrekkig is. De benadeelde dient dan wel te stellen en zo nodig te bewijzen dat de schade is ontstaan bij normaal gebruik.

 

Ontwerp- of fabricage gebrek

6.6 In dit geval staat niet ter discussie dat de schade is ontstaan nadat [appellant] de SUP met behulp van de persdrukapparatuur van zijn duikuitrusting had opgeblazen tot (in elk geval – volgens Mooving is het meer) 1,5 Bar. Volgens de gebruiksaanwijzing mocht de SUP opgeblazen worden tot maximaal 1,24 Bar en mocht voor het opblazen geen compressor worden gebruikt. [appellant] heeft de SUP dan ook zo opgeblazen dat de volgens de gebruiksaanwijzing in acht te nemen maximale druk is overschreden. Onder deze omstandigheden, waarin ten opzichte van de gebruiksaanwijzing ten tijde van het ontstaan van de schade, sprake was van (niet geringe) overdruk, kan aan het feit dat schade is ontstaan niet het vermoeden worden ontleend dat de SUP gebrekkig was. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook de aard van de schade – partijen zijn het erover eens dat de SUP is ‘ontploft’ of ‘geëxplodeerd’ – er op wijst dat de schade is ontstaan doordat de SUP niet was bestand tegen de druk die in de SUP was opgetreden. Uit het door [appellant] in hoger beroep overgelegde expertiserapport van Certification Experts B.V. van 21 november 2014 volgt ook niet dat de schade een andere oorzaak heeft. De conclusie van dat rapport dat een groot deel van het binnenwerk “spontaan gebroken” is, is daarvoor te ongespecificeerd.

6.7

 

Het hof volgt [appellant] dan ook niet in diens betoog dat het enkele feit dat de SUP is ontploft tot de conclusie leidt dat de SUP onveilig en daarmee gebrekkig is. Dat is anders wanneer [appellant] niet wist en ook niet kon weten dat hij de SUP niet (met zijn persdrukapparatuur) mocht opblazen tot (minimaal) 1,5 Bar. In dat geval kan er niet, en zeker niet zonder meer, van worden uitgegaan dat de gemiddelde gebruiker de SUP niet – al dan niet met een mechanisch hulpmiddel zoals een compressor of persdrukapparatuur – zal opblazen tot een druk van 1,5 Bar of meer is bereikt. Indien dan schade ontstaat, doordat de SUP ontploft, is die schade niet zozeer het gevolg van een ontwerp- of fabricagegebrek, maar van een informatiegebrek, een gebrek dat voortvloeit uit ondeugdelijke informatie over (het gebruik van) het product. Op de vraag of van een dergelijk gebrek sprake is, komt het hof nog terug.

6.8

 

In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat ook sprake is van een (ontwerp)gebrek, doordat ten onrechte geen overdrukventiel is toegepast in de SUP. Mooving heeft deze stelling gemotiveerd weersproken. Volgens haar was het in 2013 niet mogelijk om een overdrukventiel op een SUP te plaatsen. Die techniek wordt ook nu nog niet toegepast omdat bij gebruik van een overdrukventiel de SUP zijn stijfheid verliest en onbruikbaar wordt, aldus Mooving. Als [appellant] in het licht van dit verweer van Mooving zijn stelling dat de SUP vanwege het ontbreken van een overdrukventiel al voldoende heeft onderbouwd, komt het hof niet aan bewijslevering toe omdat [appellant] niet heeft aangeboden deze stelling te bewijzen. Het hof ziet geen reden hem ambtshalve tot bewijslevering toe te laten.

 

Informatiegebrek – tekortschietende gebruiksaanwijzing?

6.9 Volgens [appellant] is ook sprake van een informatiegebrek, allereerst doordat de (Nederlandstalige) gebruiksaanwijzing waaraan Mooving refereert (aangehaald in rov. 5.2), niet met de SUP was meegeleverd en doordat deze gebruiksaanwijzing tekortschiet.

Het hof zal eerst ingaan op de laatste stelling van [appellant] . Indien deze stelling juist is, en deze de conclusie kunnen dragen dat sprake is van een (informatie)gebrek en dat daardoor schade is ontstaan, kan immers in het midden blijven of [appellant] de gebruiksaanwijzing wel of niet heeft ontvangen.

6.10

 

De kwaliteit van de presentatie van een product bepaalt in hoge mate de al dan niet gebrekkigheid ervan. Niet voor niets wordt in artikel 186 lid 1 onder a BW de presentatie van het product vermeld. Een product is onvoldoende veilig als de producent heeft nagelaten bepaalde aanwijzingen voor het gebruik te geven, of heeft nagelaten te waarschuwen voor risico’s die aan het gebruik van het product zijn verbonden (zie Kamerstukken II 1985/1986, 19 636, nr. 3, p. 9). In dit verband verwijst het hof ook naar de definitie van artikel 2 sub b van de Europese Richtlijn inzake algemene productveiligheid (Richtlijn 2001/95/EG van

3 december 2001 – hierna: de Richtlijn), waarin wordt gedefinieerd wat een veilig product is en waarin is aangegeven dat daarbij onder meer rekening moet worden gehouden met “de aanbiedingsvorm van het product, de etikettering, eventuele waarschuwingen en aanwijzingen voor het gebruik en de verwijdering ervan, alsmede andere aanwijzingen of informatie over het product.”

6.11

 

In dit geval is in de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing bij de SUP veel aandacht besteed aan het belang van een niet te hoge druk in de SUP. Er is met een waarschuwingssymbool gewaarschuwd voor het gevaar van overschrijding van de maximale druk van 1,24 Bar.

Dat is in de met kapitalen afgedrukte toelichting onder het waarschuwingsteken herhaald. Daarbij is het advies gegeven om de SUP niet op te pompen tot de maximale druk, maar om een veiligheidsmarge te hanteren. In de toelichting wordt ook gewaarschuwd tegen het gebruik van een compressor.

Vervolgens wordt in de gebruiksaanwijzing met vet afgedrukte letters opnieuw gewaarschuwd tegen het gebruik van een compressor en tegen te grote druk in de SUP.

Het hof laat dan nog daar dat in de door [B] meegegeven algemene informatie (voor kajaks) ook wordt gewezen op het gevaar van een te grote druk.

6.12

 

Naar het oordeel van het hof wordt in de gebruiksaanwijzing op deze wijze voor de te verwachten gebruiker ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat het gevaarlijk is om de maximale druk te overschrijden en dat de SUP niet met een compressor mag worden opgepompt. In dit verband is van belang dat Mooving, onvoldoende weersproken door [appellant] , heeft aangegeven dat met de meegeleverde handpomp de maximaal toelaatbare druk niet kan worden bereikt. Gezien de waarschuwing geen compressor te gebruiken mag er in redelijkheid van worden uitgegaan dat deze pomp ook daadwerkelijk wordt gebruikt.

6.13

 

Indien de gebruiksaanwijzing wordt meegeleverd biedt de SUP, zeker in combinatie met de schriftelijke tips en met de meegeleverde handpomp, en gelet op wat hiervoor is

 

overwogen over de aard van het gebrek, dan ook de veiligheid die men daarvan, alle omstandigheden in aanmerking genomen, mag verwachten.

6.14

 

[appellant] heeft betoogd dat de gebruiksaanwijzing niet voldoet aan de Richtlijn. Uit het rapport van Certification Experts B.V. waarop [appellant] zich beroept, leidt het hof af dat [appellant] doelt op artikel 5 van de Richtlijn. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog.

Artikel 5 lid 1 van de Richtlijn verplicht de producent om de consument de informatie te verstrekken die hem in staat stelt zich een oordeel te vormen over de aan het product inherente risico’s. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat daar met de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing aan is voldaan.

Artikel 5 lid 2 bepaalt onder meer – en op dat onderdeel beroept [appellant] zich – dat de producent deelneemt aan de bewaking van de veiligheid van de op de markt gebrachte producten, vooral door informatie over de risico’s van de producten door te geven. Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, roept deze bepaling geen verplichting in het leven om de consument te informeren over de aan het product verbonden risico’s. Die verplichting is neergelegd in artikel 5 lid 1. Het onderdeel waar [appellant] zich op beroept maakt deel uit van de meer algemene verplichting van producenten om samen te werken met de autoriteiten om productrisico’s te voorkomen en de autoriteiten over die risico’s te informeren (vgl. de preambule van de Richtlijn onder 21).

6.15

 

[appellant] heeft ook nog gewezen op een verschil tussen de Franstalige en de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing. Volgens de Franstalige gebruiksaanwijzing is de maximale druk 1,2 Bar en de geadviseerde druk 1,0 Bar, terwijl in de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing respectievelijk 1,24 Bar en 1,03 Bar worden genoemd. Daargelaten dat sprake is van geringe verschillen, zijn deze verschillen in dit geval niet van belang. Allereerst is gesteld noch gebleken dat [appellant] zowel de Nederlandstalige als de Franstalige gebruiksaanwijzing heeft ontvangen. [appellant] zelf stelt dat hij geen gebruiksaanwijzing heeft ontvangen, volgens Mooving heeft hij alleen de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ontvangen. Bij [appellant] kan dan ook geen verwarring over de maximale druk en de adviesdruk zijn ontstaan.

Bovendien heeft [appellant] volgens zijn eigen stellingen de SUP opgepompt tot ruim boven het maximale drukniveau dat zowel op de Nederlandstalige als op de Franstalige gebruiksaanwijzing was vermeld.

6.16

 

Uit het voorgaande volgt dat indien en voor zover de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing was bijgevoegd, geen onduidelijkheid bestond over de adviesdruk en de maximale druk. [appellant] was in dat geval adequaat geïnformeerd over de adviesdruk en de maximale druk. Er was dan ook geen sprake van, zoals [appellant] stelt, een “probleem dat niet bekend is wat de hoogte van de adviesdruk en de maximale druk is”. Alleen om die reden al gaat het betoog van [appellant] niet op, dat Mooving dit “probleem” had kunnen oplossen door de adviesdruk op het ventielgat van de SUP te vermelden.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of, zoals Mooving betoogt, causaal verband ontbreekt tussen het niet vermelden bij het ventielgat van de adviesdruk en het (ruimschoots) overschrijden van de maximale druk door [appellant] .

 

Informatiegebrek – gebruiksaanwijzing meegeleverd?

6.17 Mooving heeft de stelling van [appellant] dat geen Nederlandstalige gebruiksaanwijzing was bijgevoegd gemotiveerd betwist. Volgens haar was de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing wel degelijk meegeleverd. [appellant] heeft de gebruiksaanwijzing dan ook met de SUP ontvangen. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat de SUP’s, die in China worden geproduceerd, in het bedrijf van Mooving in Frankrijk worden verpakt. Bij iedere

 

bestelling wordt de SUP, met een handpomp en een gebruiksaanwijzing in de taal van het land van bestemming, verpakt in een doos, die vervolgens met tape wordt dichtgeplakt.

6.18

 

Omdat, zoals hiervoor is overwogen, stelplicht en bewijslast van de gebrekkigheid van het product in beginsel op de benadeelde rusten, en er geen redenen zijn om daarvan af te wijken, heeft de rechtbank [appellant] terecht opgedragen te bewijzen dat de gebruiksaanwijzing niet in de doos zat waarin de SUP was verpakt. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat de rechtbank de bewijsopdracht wat nauwkeuriger had kunnen formuleren door expliciet te vermelden dat het om een Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ging. Voor de beoordeling van het geschil heeft dat echter geen gevolgen. [appellant] heeft gesteld dat hij geen gebruiksaanwijzing heeft ontvangen, niet dat hij geen Nederlandstalige gebruiksaanwijzing maar wel een gebruiksaanwijzing in een andere taal heeft ontvangen. Hij heeft ook niet gesteld dat uit het bijgebrachte bewijs volgt dat er weliswaar geen Nederlandstalige gebruiksaanwijzing, maar wel een gebruiksaanwijzing in een andere taal in de doos zat waarin de SUP was verpakt.

6.19

 

In het eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] er niet in is geslaagd te bewijzen dat zich bij de aan hem geleverde SUP geen gebruiksaanwijzing bevond. Met

grief 3 komt [appellant] op tegen dit oordeel.

6.20

 

[appellant] en [D] hebben als getuige verklaard dat zij bij het openen van de dozen waarin de SUP’s van [appellant] en [D] waren verpakt geen gebruiksaanwijzing hebben aangetroffen. Zij hebben beiden verklaard dat zij de (kartonnen) dozen hebben opengemaakt en uitgepakt. Ze troffen er naast de SUP een handpomp, een tas, een zwaardje en een reparatiesetje in aan, maar geen gebruiksaanwijzing. De dozen hebben ze vervolgens opgevouwen en weggegooid. [D] heeft het aankoopbewijs samen met de hiervoor genoemde handleiding over het gebruik van een kajak in een map opgeborgen.

6.21

 

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de verklaring van [appellant] de verklaring van een partijgetuige, die alleen bewijs in zijn voordeel kan opleveren als de verklaring ter aanvulling van onvolledig bewijs strekt. Dat betekent dat er naast de verklaring van [appellant] voldoende aanvullende bewijzen voorhanden moeten zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken. Met alleen de verklaring van [D] is dat nog niet het geval.

Allereerst is [D] de partner van [appellant] . Er kan om die reden van worden uitgegaan dat zij (in elk geval enig en op zijn minst emotioneel) belang heeft bij de uitkomst van deze procedure. Dat betekent dat aan haar verklaring minder gewicht toekomt dan aan de verklaring van een getuige die niet in een nauwe betrekking tot [appellant] staat.

Bovendien volgt uit de verklaringen van [D] en [appellant] niet dat zij de dozen gecontroleerd hebben op de aanwezigheid van een gebruiksaanwijzing, zodat niet valt uit te sluiten dat zij die over het hoofd hebben gezien als er een gebruiksaanwijzing aanwezig was in de dozen. Dat de gebruiksaanwijzing als die aanwezig was niet over het hoofd gezien kon worden omdat het een dik boekje was, zoals [appellant] stelt, volgt het hof niet. Mooving heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de gebruiksaanwijzing pas na 2013 in een boekje (met een gebruiksaanwijzing in verschillende talen) is vormgegeven.

6.22

 

De verklaringen van de andere getuigen leggen geen gewicht in de schaal in het voordeel van [appellant] .

De heer [E] , die een expertiserapport heeft geschreven, heeft verklaard (uiteraard) niet aanwezig te zijn geweest bij het uitpakken van de dozen. Uit zijn verklaring volgt dat het enkele weken heeft geduurd voordat hij de Nederlandstalige gebruiksaanwijzing ontving. Anders dan [appellant] suggereert, kan daaruit niet worden afgeleid dat die Nederlandstalige gebruiksaanwijzing niet voorhanden was bij Mooving (en dus niet was verpakt in de doos). Mooving heeft een aannemelijke verklaring gegeven voor het (niet bijzonder lange) tijdsverloop tussen het verzoek om toezending van de gebruiksaanwijzing en de voldoening aan dat verzoek.

De heer [B] , adviseur bij de verkoper van de SUP, heeft verklaard dat er in iedere doos een gebruiksaanwijzing zit. Hij heeft dat gezien bij het openen van de aan hem geleverde dozen met SUP’s wanneer hij die dozen opende om er een SUP uit te halen die als showroommodel werd gebruikt. De verklaring van [B] staat dan ook tegenover de verklaringen van [appellant] en [D] . Daaraan doet niet af dat [B] ook heeft verklaard dat “het zou kunnen dat soms eentje er niet in zit.” Uit het geheel van de verklaring van [B] volgt dat hij in theorie niet kan uitsluiten dat er in een enkel geval geen gebruiksaanwijzing in de doos met de SUP zit – hij heeft immers niet alle dozen gecontroleerd, omdat die afgesloten aan hem worden geleverd en ook weer afgesloten door hem worden doorverkocht -, maar dat hij de kans daarop klein acht: hij heeft honderden SUP’s verkocht, maar nooit een klacht van een klant ontvangen over een ontbrekende gebruiksaanwijzing. Volgens [B] is het gezien de wijze waarop de dozen zijn afgesloten niet mogelijk dat de gebruiksaanwijzing eruit valt.

De verklaring van [F] , de huidige eigenaar van de verkoper van de SUP, komt op hoofdlijnen overeen met die van [B] .

6.23

 

De slotsom is dat het hof net als de rechtbank [appellant] niet geslaagd acht in de aan hem gegeven bewijsopdracht. De verklaringen van [appellant] en Van Geel leggen onvoldoende gewicht in de schaal, worden niet gesteund door de verklaring van [E] en verliezen aan gewicht door de verklaringen van [B] en [F] , omdat uit die laatste twee verklaringen volgt dat het niet waarschijnlijk is dat in een doos geen gebruiksaanwijzing zit en, dus, al helemaal niet dat dit bij twee dozen het geval zou zijn. De grief tegen de bewijswaardering door de rechtbank faalt dan ook.

 

Conclusie

6.24 De conclusie is dat de grieven van [appellant] niet slagen. Dat betekent dat de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn. Het hof zal de bestreden vonnissen dan ook bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure in hoger beroep (salaris van de advocaat: 1 punt, tarief III), te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

7 De beslissing

 

Het hof:

 

bekrachtigt de vonnissen van 7 november 2018 en 10 juli 2019 van de rechtbank Midden-Nederland tussen partijen gewezen;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en bepaalt deze kosten voor zover tot nu aan de zijde van Mooving gevallen op € 2.071,- aan verschotten en op

€ 1.391,- voor geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest;

 

veroordeelt [appellant] in de nakosten van € 157,-, te verhogen met € 82,- indien niet binnen

 

14 dagen na de datum van dit arrest aan het arrest is voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na dagtekening van dit arrest over € 157,- en over de verhoging vanaf de datum waarop dit bedrag verschuldigd wordt;

 

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, D.H. de Witte en J. Smit en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 oktober 2020, in aanwezigheid van de griffier.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey