Hof: geen opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer bij ongeval met vorkheftruck

Samenvatting:

Werknemer loopt letsel op bij ongeval met vorkheftruck. Bij eerder tussenarrest heeft hof werkgever toegelaten te bewijzen dat sprake was van opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer in de zin van art. 7:658 lid 2 BW. Alle getuigen hebben verklaard dat de vorkheftruck stapvoets uit een smalle doorgang kwam rijden voordat werknemer op de vork ging staan dan wel sprong. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. Hiervan is pas sprake indien de werknemer zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust was van de roekeloosheid van zijn gedrag. Ook indien werknemer zou zijn komen aanrennen en geroepen zou hebben ‘ik ga hem laten schrikken’, rechtvaardigt dat niet zonder meer de conclusie dat sprake is geweest van een zodanig gevaarlijke gedraging dat werknemer onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar (van het oplopen van letsel) had behoren te onthouden. Dat geldt te meer nu het kennelijk gebruikelijk was dat de vorkheftruck in strijd met veiligheidsvoorschriften werd gebruikt. (zie r.o. 8.6.1)

ECLI:NL:GHSHE:2019:1215

Uitspraak delen

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Datum uitspraak

02-04-2019

Datum publicatie

03-04-2019

Zaaknummer

200.213.301_01

Formele relaties

Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:3709

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Art. 7:658 BW. Werkgever is aansprakelijk voor de schade als gevolg van het ongeval op de werkvloer met een heftruck, nu niet vaststaat dat werkgever haar zorgplicht is nagekomen of dat het ongeval in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van werknemer.

Wetsverwijzingen

Burgerlijk Wetboek Boek 7 658

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

 

zaaknummer 200.213.301/01

 

arrest van 2 april 2019

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.L.A. de Waard te Utrecht,

 

tegen

 

Handels- en Transportbedrijf [handels- en transportbedrijf] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen te Eindhoven,

 

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 20 februari 2018 en 4 september 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, onder zaaknummer 4751206 16-680 gewezen vonnis van

3 november 2016.

 

7

Het verloop van de procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 4 september 2018;

het proces-verbaal van de enquête van 28 november 2018;

het proces-verbaal van de contra-enquête van 6 december 2018;

de memorie na enquête van 8 januari 2019;

de antwoordmemorie na enquête van 5 februari 2019.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

 

8

De verdere beoordeling

 

8.1.1 Bij genoemd tussenarrest van 4 september 2018 heeft het hof [geïntimeerde] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit blijkt dat de schade van [appellant] als gevolg van het ongeval in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [appellant] .

 

8.1.2. [geïntimeerde] heeft op 28 november 2018 de getuigen [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] (de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval; hierna: [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] ), [voorman ten tijde van het ongeval] (voorman ten tijde van het ongeval; hierna: [voorman ten tijde van het ongeval] ) en [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] (collega van [appellant] en aanwezig bij het ongeval; hierna: [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] ) doen horen.

In contra-enquête heeft [appellant] op 6 december 2018 als getuige een verklaring afgelegd.

 

8.1.3. Bij de waardering van de getuigenverklaringen stelt het hof voorop dat [appellant] niet moet worden beschouwd als partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv. Het is immers niet [appellant] , maar [geïntimeerde] die voornoemde feiten en omstandigheden dient te bewijzen.

 

8.1.4. Alle getuigen hebben verklaard dat de vorkheftruck stapvoets uit een smalle doorgang kwam rijden voordat [appellant] op de vork ging staan dan wel sprong.

[collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] heeft verklaard dat hij achter de vorkheftruck liep, dat hij zag dat [appellant] kwam aanrennen, dat hij [appellant] hoorde zeggen “ik ga hem laten schrikken” en dat [appellant] op de vork van de heftruck sprong.

[voorman ten tijde van het ongeval] heeft verklaard dat hij [appellant] zag komen aanlopen, dat [appellant] op de vork sprong en zijn hand opstak naar opzij. Verder verklaart [voorman ten tijde van het ongeval] dat hij [appellant] niets heeft horen zeggen en dat het vanwege de bedrijvigheid en het lawaai van de vorkheftruck en de vrachtwagen ook niet mogelijk was om [appellant] te verstaan.

[appellant] heeft verklaard dat hij kwam aanlopen, oogcontact had met [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] , heeft gewacht totdat de heftruck de smalle doorgang was gepasseerd en vervolgens op de vork is gaan staan, waarna hij zijn duim heeft opgestoken om [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] te berichten dat hij goed stond.

[de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] heeft verklaard [appellant] niet te hebben gezien of gehoord, totdat hij [appellant] langs de lading zag zwaaien vanaf de vork.

 

8.1.5. Dat [appellant] kwam aanrennen is niet vast komen te staan nu alleen [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] dit heeft verklaard en [voorman ten tijde van het ongeval] en [appellant] hebben verklaard dat [appellant] kwam aanlopen.

Dat [appellant] heeft gezegd de bestuurder te willen laten schrikken is evenmin vast komen te staan nu alleen [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] dit heeft verklaard. [voorman ten tijde van het ongeval] en [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] hebben verklaard dit niet te hebben gehoord en [appellant] heeft verklaard niets te hebben gezegd. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] naar eigen zeggen achter de vorkheftruck liep en daarmee verder was verwijderd van [appellant] dan [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] en dat het volgens [voorman ten tijde van het ongeval] vanwege omgevingslawaai onmogelijk was om elkaar te verstaan.

Bij deze stand van zaken moet dus worden uitgegaan van een situatie waarin [appellant] op de vork van een stapvoets rijdende vorkheftruck is gestapt of gesprongen. In die gedraging, mede bezien tegen de achtergrond van de verklaring van [directeur van handels- en transportbedrijf] , directeur van [geïntimeerde] omtrent het gebruik van de vork in strijd met veiligheidsvoorschriften (rov. 6.4.2 tussenarrest van 4 september 2018), is naar het oordeel van het hof geen opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [appellant] in de zin van artikel 7:658 lid 2 BW te zien.

 

8.1.6. Het hof kan pas tot het oordeel komen dat [appellant] bewust roekeloos heeft gehandeld indien [appellant] zich onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust was van de roekeloosheid van zijn gedrag. Ook indien [appellant] zou zijn komen aanrennen en geroepen zou hebben ‘ik ga hem laten schrikken’, rechtvaardigt dat niet zonder meer de conclusie dat sprake is geweest van een zodanig gevaarlijke gedraging dat [appellant] onmiddellijk voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk besefte dat hij zich daarvan in verband met de aanmerkelijke kans op verwezenlijking van het daardoor in het leven geroepen gevaar (van het oplopen van letsel) had behoren te onthouden (vgl. ook HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6175). Dat geldt te meer nu het kennelijk gebruikelijk was dat de vorkheftruck in strijd met veiligheidsvoorschriften werd gebruikt (zie hiervoor rov. 8.1.5). Weliswaar hebben [de bestuurder van de vorkheftruck ten tijde van het ongeval] , [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] en [voorman ten tijde van het ongeval] verklaard dat zij niet eerder hebben gezien dat medewerkers meeliften op de vork van een vorkheftruck, maar volgens [voorman ten tijde van het ongeval] en [collega van appellant en aanwezig bij het ongeval] werd de vork van de heftruck wel als trap gebruikt om in de vrachtwagen te klimmen. Ook dat is in strijd met de veiligheidsvoorschriften. Daarnaast heeft, zoals overwogen, de directeur van [geïntimeerde] ter zitting verklaard omtrent gebruik van de vorkheftruck in strijd met de geldende regelgeving.

Ten slotte doet aan het vorenstaande niet af dat [appellant] , zoals enkele getuigen verklaren en [appellant] ontkent, vaker onvoorzichtig gedrag zou hebben vertoond, noch dat [appellant] direct na het ongeval zou hebben gezegd dat hij stom is geweest en dat het zijn fout was. Een dergelijke uitlating wijst eerder op een besef achteraf, niet op een bewust roekeloze actie.

 

8.1.7. Dat het ongeval (in belangrijke mate) het gevolg is van opzet of bewust roekeloos handelen van [appellant] is dus niet vast komen te staan.

 

Slotsom

 

9.1.1. Aangezien het ongeval en de daardoor veroorzaakte schade plaatsvonden in de uitoefening van [appellant] ’s werkzaamheden voor [geïntimeerde] , [geïntimeerde] haar zorgplicht niet is nagekomen (rov. 6.4.3 tussenarrest van 4 september 2018) en niet is komen vast te staan dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van [appellant] , is [geïntimeerde] aansprakelijk voor de schade die is ontstaan door het ongeval. Dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van het ongeval staat niet ter discussie.

 

9.1.2. De grieven slagen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen.

In zijn memorie van grieven (26) heeft [appellant] gesteld niet langer vast te houden aan zijn standpunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Tijdens de comparitie bij het hof op 4 juli 2018 heeft de advocaat van [appellant] laten weten dat het hof in verband met deze gewijzigde proceshouding de vorderingen 2 tot en met 6 als ingetrokken kan beschouwen (rov. 6.3.1 tussenarrest van 4 september 2018). Daarmee heeft [appellant] naar het oordeel van het hof ook voor [geïntimeerde] voldoende kenbaar tot uitdrukking gebracht dat hij enkel zijn vorderingen voor zover gegrond op zijn stelling dat sprake was van een arbeidsovereenkomst introk. De overgebleven vorderingen, een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade van [appellant] als gevolg van het ongeval en veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, zullen worden toegewezen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties. De proceskostenveroordeling van de eerste aanleg zal het hof uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat dat bij inleidende dagvaarding is gevorderd. Ten aanzien van de proceskosten in hoger beroep kan bij gebreke van een daartoe strekkende vordering geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring worden uitgesproken.

 

10

De uitspraak

 

Het hof:

 

– vernietigt het bestreden vonnis van 3 november 2016, voor zover aan het oordeel van

het hof onderworpen;

 

en opnieuw rechtdoende:

 

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade van [appellant] als gevolg van het ongeval;

 

veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat;

– veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 94,08 aan dagvaardingskosten, op

€ 471,00 aan griffierecht en op € 500,00 aan salaris advocaat en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 

– veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 97,31 aan dagvaardingskosten, op

€ 716,00 aan griffierecht en op € 4.296,00 aan salaris advocaat.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Wabeke, M.E. Smorenburg en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 april 2019.

 

griffier rolraadsheer

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots