Hof: eigenaar paard aansprakelijk, geen eigen schuld benadeelde vanwege aanwezigheid in wei

Samenvatting:

Appellante wordt, bij het vullen van waterbakken in de wei, omver gelopen door een paard. De kantonrechter achtte de eigenaar van het paard aansprakelijk ex art 6:179 BW, maar oordeelde dat 70% van de schade voor haar eigen rekening blijft, omdat zij heeft ervoor had gekozen de wei in te gaan terwijl daar paarden stonden. Het hof oordeelt acht de eigenaar van het paard volledig aansprakelijk. Het hof stelt voorop dat art.6:179 BW een risicoaansprakelijkheid in het leven roept. De enkele aanwezigheid van appellante in de wei is daarvan uitgaande in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht om een deel van de schade aan haar toe te rekenen. Ook de billijkheid leidt niet tot een andere schadeverdeling. Dit betekent dat de kantonrechter ten onrechte een aftrek van 70% heeft toegepast.

ECLI:NL:GHAMS:2017:4170

 

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak

10-10-2017

Datum publicatie

28-02-2018

Zaaknummer

200.204.230/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Paard loopt vrouw omver waardoor letsel wordt toegebracht. Voldoende aannemelijk geworden is dat daardoor schade is veroorzaakt. Artikel 6:179 BW roept een risicoaansprakelijkheid in het leven. Anders dan de eerste rechter ziet het Hof geen reden om een deel van de schade voor rekening van de gelaedeerde te laten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

zaaknummer : 200.204.230/01

 

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4065579\CV EXPL 15-9786

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 oktober 2017

 

inzake

 

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.Y. Oranje te Amsterdam,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen.

 

1

Het geding in hoger beroep

 

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

 

[appellante] is bij dagvaarding van 21 oktober 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 22 juli 2016 onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en (onder andere) [geïntimeerde] als gedaagde.

 

Aan [geïntimeerde] is verstek verleend.

 

[appellante] heeft daarna een memorie van grieven met producties ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van een voorschot op de definitieve schadevergoeding ten bedrage van € 8.883,38,-, alsmede tot volledige vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 18 mei 2014, zowel vermogensschade als het nadeel in niet-vermogensschade op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

 

[appellante] heeft bewijs van haar stellingen aangeboden.

 

2

Feiten

 

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.15 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende.

[appellante] heeft vanaf eind april 2014 haar twee paarden, waaronder een schimmel, gestald bij pensionstalling Stal Droomdiemertjes (hierna: de stalling). Ook het paard van [geïntimeerde] , een bruin paard (vos) was sinds 2011 bij de stalling gestald. Op 18 mei 2014 stonden zowel de schimmel van [appellante] als de vos van [geïntimeerde] in een wei van de stalling, die is omheind met een hek. De paarden konden daarin vrij rondlopen. [appellante] stond in de wei bij de waterbakken toen zij omver gelopen werd door een paard. Haar linkervoet bleef daarbij achter de waterbakken haken en zij is tegen de waterbakken gevallen. Als gevolg hiervan heeft [appellante] letsel aan haar linkerbeen opgelopen.

 

3

Beoordeling

 

3.1

[appellante] vorderde in de eerste aanleg van deze procedure – kort samengevat – een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de door haar geleden schade als gevolg van het hierboven beschreven ongeval met schadestaatverwijzing en tevens vorderde zij een voorschot op die schadevergoeding. De kantonrechter heeft, na getuigen te hebben gehoord, in het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellante] is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat zij door het paard van [geïntimeerde] is omvergelopen waardoor zij ten val is gebracht. [geïntimeerde] is daarmee aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW. De kantonrechter heeft de reeds geleden schade als gevolg van het ongeval becijferd op € 2.937,90. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat aan [appellante] toe te rekenen omstandigheden voor 70% aan de schade hebben bijgedragen, zodat [geïntimeerde] 30% van de schade dient te dragen, ofwel € 881,37. Dat bedrag is als voorschot toegekend. Voorts is de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure. De proceskosten zijn gecompenseerd.

 

3.2

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met vijf grieven op.

Grieven 1 tot en met 4 zien op de berekening van de schade door de kantonrechter. Grief 5 klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan [appellante] kunnen worden toegerekend. Zij komt bij memorie van grieven tot de slotsom dat een voorschot van € 8.883,38 moet worden toegewezen.

 

3.3

Het hof ziet aanleiding eerst grief 5 te bespreken. De kantonrechter heeft op grond van de afgelegde getuigenverklaringen geconcludeerd dat [appellante] door het paard van [geïntimeerde] omver gelopen is terwijl zij in de wei stond te praten na het vullen van de waterbakken. De kantonrechter heeft tevens overwogen dat het mogelijk was om de waterbakken te vullen zonder de wei in te gaan. [appellante] heeft er echter voor gekozen voor dat doel de wei in te gaan terwijl daar paarden stonden. Bovendien bleef zij na het vullen van de waterbakken zonder noodzaak in de wei staan praten en lette daarbij niet op de paarden die achter haar stonden. De kantonrechter oordeelt dat bij [appellante] , als ervaren ruiter, het risico dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare gedrag van paarden bekend verondersteld mag worden. Op grond hiervan wordt het aandeel in de schade dat voor rekening van [appellante] moet blijven door de kantonrechter op 70% bepaald.

 

3.4

[appellante] stelt dat zij niet alleen de bakken bijvulde maar dat zij deze tevens schoonmaakte, hetgeen niet mogelijk was zonder in de wei te staan. Evenmin stond zij na te praten in de wei; dat praten vond plaats terwijl zij de bakken schoonmaakte. Aldus stond zij niet onnodig in de wei. [appellante] betwist bovendien dat zij onoplettend zou zijn geweest. De paarden stonden niet bij haar in de buurt maar een eind verderop. Zij is steeds alert geweest, maar het bewuste paard is naar haar toe komen rennen en heeft haar verwond. Dat kan [appellante] niet worden toegerekend. Het onberekenbare gedrag dient voor rekening van de eigenaar van het dier te komen.

 

3.5

Deze grief slaagt. Het hof stelt voorop dat artikel 6:179 BW een risicoaansprakelijkheid in het leven roept. Grondslag van deze aansprakelijkheid is het gevaar dat in de eigen energie van het dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. In het onderhavige geval zijn het precies die eigen energie en onberekenbaarheid van het paard, die hebben geleid tot het toebrengen van schade aan [appellante] . De redenering van de kantonrechter komt erop neer dat nu [appellante] , als ervaren ruiter, bekend verondersteld mocht worden met die onberekenbaarheid, een (groot) deel van het risico dat daarin schuilt voor haar rekening zou komen. Het hof volgt die redenering niet, omdat de wet dat risico nu juist bij de eigenaar heeft willen laten. De enkele aanwezigheid van [appellante] in de wei is daarvan uitgaande in de gegeven omstandigheden van onvoldoende gewicht om een deel van de schade aan haar toe te rekenen. Evenmin eist de billijkheid vanwege de uiteenlopende ernst van de wederzijdse omstandigheden die tot de schade hebben bijgedragen of de andere omstandigheden van het geval een andere schadeverdeling. Dit leidt tot de conclusie dat er geen reden is om enig percentage van de schade voor rekening van [appellante] te laten komen. Dit betekent dat de kantonrechter ten onrechte een aftrek van 70% heeft toegepast op het door hem in overweging 17 van het bestreden vonnis genoemde schadebedrag van € 2.937,90.

 

3.6

De grieven 1 tot en met 4 zijn gericht tegen een aantal overwegingen van de kantonrechter ten aanzien van verschillende schadeposten en leiden tot de conclusie dat een hoger bedrag aan voorschot moet worden toegewezen.

Daarover overweegt het hof als volgt. In eerste aanleg heeft het partijdebat zich toegespitst op de aansprakelijkheidsvraag. Dit debat heeft geleid tot een bewijsopdracht. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, na de bewijswaardering en vaststelling van aansprakelijkheid, in het kader van de vaststelling van het voorschotbedrag, de verschillende schadeposten besproken. Het hof stelt vast dat op dat moment het debat over de omvang van de schade tussen partijen nog niet was gevoerd. [geïntimeerde] , die in persoon procedeerde, had in het geheel nog niet gereageerd op de door [appellante] gestelde schadebedragen. Zij is daartoe door de kantonrechter na de bewijslevering ook niet meer uitgenodigd.

 

3.7

Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] schade heeft geleden als gevolg van het ongeval op 18 mei 2014. Nu evenwel het debat over de hoogte van de geleden schade nog niet behoorlijk is gevoerd, kunnen de door [appellante] aan de orde gestelde schadeposten ook thans niet volledig worden vastgesteld en dient de vaststelling van de gehele schade, waaronder de reeds geleden schade, in de schadestaatprocedure te geschieden. Voor zover de kantonrechter heeft beoogd de zaak naar de schadestaat te verwijzen voor uitsluitend de toekomstige schade (overweging 19) komt het hof aldus tot een andere afweging. In zoverre is grief 4 doeltreffend. In het dictum van het bestreden vonnis is evenwel geen beperking opgenomen. Het hierboven vermelde oordeel van het hof dat in de schadestaatprocedure de gehele schade moet worden vastgesteld, leidt dan ook niet tot een wijziging in het dictum. Wel is op dit punt sprake van verandering van gronden.

 

3.8

De grieven 1 tot en met 3 falen. Het gedeeltelijk slagen van grief 4 leidt niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

 

3.9

De slotsom luidt dat het slagen van grief 5 leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 881,37 in plaats van € 2.937,90. Voor het overige wordt het bestreden vonnis bekrachtigd, zij het met verbetering van gronden als hiervoor overwogen. [geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, nu het hof tot het oordeel komt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor 100% van de schade. De vernietiging van het bestreden vonnis brengt mee dat het hof de proceskostenveroordeling in eerste aanleg opnieuw dient te vast te stellen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg.

 

4

Beslissing

 

Het hof:

 

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [geïntimeerde] daarbij is veroordeeld tot betaling van een voorschot aan [appellante] van € 881,37 in plaats van € 2.937,90 en voor zover daarbij de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd,

 

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

 

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een voorschot van € 2.937,90, alsmede tot volledige vergoeding van de schade die [appellante] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 18 mei 2014, zowel vermogensschade als het nadeel bestaande uit niet-vermogensschade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

 

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] begroot op € 449,32 aan verschotten en € 2.800,- voor salaris gemachtigde;

 

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 410,- aan verschotten en € 894,- voor salaris advocaat;

 

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, C. Uriot en J.F. Aalders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots