Hof: eerste belangenbehartiger heeft geen recht op 25% van schadebedrag in misbruikzaak nu hij geen succes heeft geboekt

Samenvatting:

Misbruik Rooms-Katholieke kerk; no cure no pay overeenkomst. Eerste belangenbehartiger (appellant) vordert van benadeelde (geïntimeerde) 25% van schadebedrag dat uiteindelijk aan benadeelde is betaald door de inspanningen van de tweede belangenbehartiger. Vast staat dat de eerste belangenbehartiger geen resultaat had geboekt, nu de door hem ingediende klacht ongegrond was verklaard. Het hof wijst evenals de kantonrechter de vordering af. Het hof overweegt daarbij onder meer dat de eerste belangenbehartiger niet heeft aangevoerd dat hij aan de tweede belangenbehartiger stukken heeft verstrekt die hebben geleid tot of ten minste hebben bijgedragen aan het uiteindelijk door laatstgenoemde behaalde resultaat.

ECLI:NL:GHAMS:2018:2115

 

Instantie

   Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak

   26-06-2018

Datum publicatie

   29-06-2018

Zaaknummer

   200.213.378/01

Rechtsgebieden

   Civiel recht

Bijzondere kenmerken

   Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

   Overeenkomst van opdracht. No cure, no pay.

 

   Resultaat behaald door advocaat.

 

   Toeschrijving resultaat. Uitleg overeenkomst.

Vindplaatsen

   Rechtspraak.nl

   Verrijkte uitspraak

 

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

 

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

 

zaaknummer : 200.213.378/01

 

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 5363774 \ CV EXPL 16-7380

 

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 juni 2018

 

inzake

 

[appellant] ,

 

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

 

appellant,

 

advocaat: mr. R.P. Groot te Alkmaar,

 

tegen

 

[geïntimeerde] ,

 

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

 

geïntimeerde,

 

advocaat: mr. F. Westenberg te Hoorn.

1 Het geding in hoger beroep

 

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

 

[appellant] is bij dagvaarding van 29 maart 2017 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (verder: de kantonrechter) van 15 februari 2017, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [geïntimeerde] , tezamen met [X] (verder: [X] ) als gedaagden in conventie, [geïntimeerde] tevens eiser in reconventie.

 

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

 

– memorie van grieven, met producties;

 

– memorie van antwoord, met een productie.

 

Partijen hebben de zaak ter zitting van 24 januari 2018 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

 

Ten slotte is arrest gevraagd.

 

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zijn vorderingen zoals in hoger beroep opnieuw geformuleerd zal toewijzen, de vordering van [geïntimeerde] (alsnog) zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

 

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

 

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

 

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

 

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

 

[geïntimeerde] is op last van de overheid in 1940 op driejarige leeftijd uit huis geplaatst en heeft sindsdien nagenoeg zijn gehele jeugd doorgebracht in verschillende internaten die alle onder toezicht van de Rooms-Katholieke kerk stonden.

3.1.2

 

Op 4 maart 2013 is tussen [appellant] als opdrachtnemer en [geïntimeerde] als opdrachtgever een schriftelijke overeenkomst van opdracht tot stand gekomen (verder: de overeenkomst). In deze overeenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

 

‘De opdrachtnemer zal voor de opdrachtgever de hieronder beschreven werkzaamheden uitvoeren:

 

In- en buiten rechte optreden in de zaak […] (hof: [geïntimeerde] ) versus R.K. KERK (Bisdom UTRECHT)

 

De opdrachtnemer is bij het uitvoeren van de afgesproken werkzaamheden geheel zelfstandig. Binnen de gemaakte afspraken bepaalt de opdrachtnemer zelf hoe hij het overeengekomen resultaat zal verwezenlijken.

 

De opdrachtnemer zal voor zijn werkzaamheden onder meer onderzoek, onderhandelen en correspondentie met de tegenpartij 25% van het bruto bedrag (Zegge:VIJF EN TWINTIG PROCENT) van eventueel te ontvangen genoegdoening (smartengeld) en schadevergoeding ontvangen.’

3.1.3

 

Op 13 maart 2013 heeft [appellant] bij het Meldpunt Seksueel Misbruik Rooms-Katholieke Kerk (verder: het meldpunt) een klaagschrift ingediend waarin hij de Rooms-Katholieke kerk aansprakelijk stelt voor het seksueel misbruik dat [geïntimeerde] tijdens zijn jeugd heeft ondergaan en daarvoor een schadevergoeding gevorderd. De behandeling van de klacht door de klachtencommissie van het Meldpunt is in maart 2014 gesloten. De klachtencommissie heeft op 25 maart 2014 geadviseerd om de klachten van [geïntimeerde] niet gegrond te verklaren. Voor [geïntimeerde] bestond de mogelijkheid om tegen dit advies, binnen twee weken na ontvangst daarvan, schriftelijk bezwaar in te dienen. Op 1 augustus 2014 heeft het Meldpunt in een brief aan [geïntimeerde] medegedeeld dat zij de behandeling van de klacht van [geïntimeerde] in formele zin beëindigde omdat niet tijdig (uiterlijk 30 juni 2014) een klaagschrift was ingediend.

3.1.4

 

Bij verzoekschrift van 21 augustus 2015 aan de rechtbank Den Haag heeft mr. M.J. de Witte, advocaat, verzocht om een voorlopig getuigenverhoor in de zaak van [geïntimeerde] tegen de Rooms-Katholieke Kerk. Het verzoek is bij beschikking van 10 december 2015 toegewezen. Er is vervolgens een vaststellingsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en de Rooms-Katholieke kerk tot stand gekomen in verband waarmee de kerk een zeker bedrag aan schadevergoeding aan [geïntimeerde] heeft betaald.

3.2

 

[appellant] heeft in eerste aanleg jegens [geïntimeerde] gevorderd, zakelijk weergegeven:

 

  1. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 23.000,-;

 

  1. voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] zich heeft schuldig gemaakt aan zowel onrechtmatige daad als wanprestatie jegens [appellant] ;

 

  1. te bepalen dat [geïntimeerde] gehouden is tot overlegging van de geheime overeenkomsten met de Rooms-Katholieke kerk en de overeenkomst via notaris Mantel te Andijk,

 

een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

 

Hij stelde daartoe dat [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst gehouden is een percentage van 25% van de door de Rooms-Katholieke kerk aan [geïntimeerde] uitgekeerde schadevergoeding aan hem te voldoen. [appellant] was uit coulance bereid akkoord te gaan met betaling van een bedrag van € 20.000,-, maar omdat betaling uitbleef vordert hij tevens een vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden van € 3.000,-. [geïntimeerde] heeft de vordering betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [appellant] zich niet op de overeenkomst kan beroepen omdat hij, [geïntimeerde] , tijdens het sluiten van de overeenkomst onder beschermingsbewind stond, omdat de overeenkomst vernietigbaar is wegens bedrog althans dwaling en omdat de bemoeienissen van [appellant] zijn geëindigd in een afwijzing van de namens [geïntimeerde] ingediende klacht. [geïntimeerde] heeft van zijn zijde gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 600,- dat hij reeds uit hoofde van de overeenkomst aan [appellant] had betaald.

3.3

 

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] jegens [geïntimeerde] afgewezen omdat, kort gezegd, [appellant] voor [geïntimeerde] geen gunstig resultaat had behaald en hem daarom op grond van de overeenkomst geen beloning toekwam. De vordering van [geïntimeerde] is toegewezen omdat hij het bedrag van € 600,- onverschuldigd, want in strijd met de ‘no cure, no pay’ afspraak uit de overeenkomst, had betaald. De kantonrechter heeft [appellant] voorts in de proceskosten in conventie en in reconventie veroordeeld.

3.4

 

[appellant] komt met zijn grieven op tegen deze beslissingen en tegen de overwegingen die daartoe hebben geleid. [appellant] formuleert zijn vorderingen in dit hoger beroep opnieuw en vordert thans, zakelijk weergegeven:

 

  1. te verklaren voor recht dat hij een gunstig resultaat heeft behaald voor [geïntimeerde] en dat hij op grond van de overeenkomst recht heeft op betaling van zijn honorarium;

 

  1. [geïntimeerde] te veroordelen tot het overleggen van een afschrift van de schikkingsovereenkomst met de Rooms-Katholieke kerk en de overeenkomst die via notaris Mantel te Andijk is vastgelegd;

 

  1. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van 25% van het bedrag dat hij van de Rooms-katholieke kerk heeft ontvangen, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente,

 

en, voor het geval dat het hof zal bepalen dat de overeenkomst door [geïntimeerde] is opgezegd:

 

– [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van bij staat op te maken loon op grond van artikel 7:411 lid 1 BW.

 

Het hof overweegt naar aanleiding van de grieven en de in hoger beroep opnieuw geformuleerde vorderingen als volgt.

3.5

 

In dit geding staat tussen partijen vast dat zij zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] aan [appellant] alleen een honorarium verschuldigd is als [appellant] een voor [geïntimeerde] positief resultaat zou hebben behaald in de vorm van een door de Rooms-Katholieke kerk betaalde schadevergoeding. [appellant] heeft geen grief gericht tegen de daartoe strekkende overweging van de kantonrechter. Tussen partijen is evenmin in geschil dat de door [appellant] in het kader van zijn opdracht namens [geïntimeerde] bij het meldpunt ingediende klacht niet tot het bedoelde resultaat heeft geleid. De klacht is immers afgewezen, waarna [appellant] niet tijdig namens [geïntimeerde] een schriftelijk bezwaar bij het meldpunt heeft ingediend.

3.6

 

In dit geschil staat dan ook slechts ter beoordeling of het nadien met behulp van mr. De Witte behaalde resultaat, te weten de onder 3.1.4 genoemde met de Rooms-Katholieke kerk overeengekomen schadevergoeding, tot gevolg heeft dat [geïntimeerde] alsnog het overeengekomen percentage van die schadevergoeding als honorarium aan [appellant] verschuldigd is. [appellant] heeft daartoe gesteld dat hij de advocaat mr. De Witte heeft uitgezocht en ingeschakeld en aan deze advocaat heeft geadviseerd een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken. [appellant] stelt voorts dat de advocaat gebruik heeft kunnen maken van het omvangrijke dossier dat door hem was aangelegd en dat de advocaat hem op de hoogte heeft gehouden van het verloop van de procedure. [geïntimeerde] heeft daar tegenover gesteld dat hij zelf de opdrachtgever van mr. De Witte was en dat het resultaat niet is behaald door de inspanningen van [appellant] .

3.7

 

Het hof overweegt dat vast staat dat aan [geïntimeerde] een toevoeging is verleend in verband met de door mr. De Witte aan hem verleende rechtsbijstand. Ook heeft [geïntimeerde] onbetwist gesteld dat hij de in dit verband door de Raad voor de Rechtsbijstand aan hem opgelegde eigen bijdrage heeft betaald. Een en ander past niet bij – en laat zich niet verenigen met – de stelling van [appellant] dat hij de opdrachtgever is geweest van mr. De Witte. In dat geval zou immers geen toevoeging aan [geïntimeerde] zijn verleend en zou [geïntimeerde] geen betalingsverplichtingen jegens mr. De Witte hebben gehad. Uit de door [appellant] als productie 15E bij zijn inleidende dagvaarding overgelegde brief van mr. De Witte aan [appellant] , gedateerd 5 oktober 2016, blijkt evenmin dat [appellant] de opdrachtgever van mr. De Witte is geweest. Laatstgenoemde deelt [appellant] immers mee dat het hem niet vrij staat aan [appellant] mededelingen over de zaak van [geïntimeerde] te doen. Het hof leidt daaruit af dat mr. De Witte [geïntimeerde] als zijn cliënt beschouwde en niet [appellant] . Dat [appellant] mr. De Witte heeft uitgekozen dan wel hem opdracht heeft gegeven, blijkt evenmin uit de op 9 maart 2013 en 6 maart 2015 door [appellant] aan mr. De Witte verzonden e-mails. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van [appellant] dat hij mr. De Witte heeft ingeschakeld, nu hij deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd en uit de genoemde toevoeging en verdere feiten juist blijkt dat [geïntimeerde] zelf de opdrachtgever van mr. De Witte is geweest.

3.8

 

[appellant] heeft evenmin onderbouwd dat hij mr. De Witte heeft geadviseerd een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken zodat het hof ook aan deze stelling van [appellant] voorbij gaat. Dat [appellant] , telkens op zijn verzoek, door het kantoor van mr. De Witte op de hoogte werd gehouden van datum en tijdstip van de mondelinge behandeling van dat verzoek, en daarna van datum en tijdstip van het getuigenverhoor, is in dit verband niet van betekenis. Uit de door [appellant] overgelegde correspondentie blijkt voorts niet dat hij op enige wijze heeft bijgedragen aan het tot stand komen van het verzoek tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor of de behandeling daarvan en evenmin aan het houden van de getuigenverhoren of het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst. Uit die correspondentie valt eerder af te leiden dat mr. De Witte juist geen inhoudelijke inbreng of andere diensten van de zijde van [appellant] verlangde. Aan [appellant] werd immers meegedeeld dat zijn aanwezigheid bij het getuigenverhoor niet noodzakelijk was. Evenmin blijkt daaruit dat mr. De Witte hem over de gang van zaken inhoudelijke informatie heeft verstrekt. [X] heeft [appellant] kennelijk wel inhoudelijke informatie verstrekt, zo volgt uit diverse e-mails, maar [appellant] heeft niet toegelicht waarom dat in dit verband van betekenis is.

3.9

 

[appellant] heeft ten slotte nog gesteld dat mr. De Witte het omvangrijke door hem opgebouwde dossier heeft kunnen gebruiken. Hij heeft echter niet aangevoerd dat hij aan mr. De Witte stukken heeft verstrekt die hebben geleid tot of ten minste hebben bijgedragen aan het uiteindelijk door laatstgenoemde behaalde resultaat, te weten de onder 3.1.4 genoemde schadevergoeding. Dat had wel op de weg van [appellant] gelegen, te meer omdat [appellant] kennelijk niet in staat is geweest met het door hem verzamelde materiaal het meldpunt te overtuigen dat de klacht van [geïntimeerde] gegrond was en tot een schadevergoeding diende te leiden. [geïntimeerde] verwijt [appellant] juist dat hij in die klachtprocedure niet met voldoende steunbewijs is gekomen, zoals volgens hem ook blijkt uit het advies van de klachtencommissie. De door hem ingeschakelde advocaat mr. De Witte heeft uiteindelijk wel het beoogde resultaat kunnen bereiken, aldus [geïntimeerde] . Het hof concludeert uit de brief van de vertegenwoordiger van de Broedercongregatie OLV van Zeven Smarten aan het meldpunt, gedateerd 19 mei 2016 en door [appellant] bij zijn inleidende dagvaarding overgelegd als productie 9E, dat het inderdaad aan de inspanningen van mr. De Witte is te danken dat de kerk de zaak heeft willen schikken. In die brief is immers als reden om te willen schikken aangegeven het verloop van het (door mr. De Witte aangevraagde) voorlopig getuigenverhoor en met name de inhoud van het strafvonnis uit 1961 betreffende één van de betrokken broeders, welk strafvonnis door mr. De Witte tijdens dit voorlopige getuigenverhoor is overgelegd. Uit niets blijkt dat mr. De Witte dit strafvonnis van [appellant] heeft verkregen of daarvoor van deze afhankelijk is geweest.

3.10

 

Het voert te ver, ook als acht wordt geslagen op de verdere omstandigheden van het geval, om de tussen partijen gesloten overeenkomst zo uit te leggen dat [appellant] onder de gegeven omstandigheden toch een beloning toekomt van 25% van het bedrag dat [geïntimeerde] van de Rooms-Katholieke kerk heeft ontvangen. [appellant] heeft, nadat de door hem ingediende klacht ongegrond was verklaard, geen werkzaamheden meer verricht ten behoeve van [geïntimeerde] . Dat hij door het voeren van correspondentie met het kantoor van mr. De Witte en met [X] op de hoogte bleef van de door Mr. De Witte verrichte werkzaamheden, valt niet als zodanig aan te merken, maar lijkt eerder ingegeven door de wens van [appellant] zelf om de voortgang van de zaak in de gaten te houden. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [appellant] zijn werkzaamheden in het kader van de overeenkomst tussen partijen heeft beëindigd en zich niet heeft verzet tegen het voortzetten van de belangenbehartiging door mr. De Witte. Voor zover mr. De Witte daarbij gebruik heeft gemaakt van het door [appellant] eerder samengestelde dossier valt niet te ontwaren wat het belang daarvan is geweest voor het behaalde resultaat. Niets wijst erop dat partijen hebben bedoeld overeen te komen dat [appellant] in dat geval toch een beloning voor zijn werkzaamheden zoals door hem gevorderd, toekomt. Partijen hebben voor een dergelijke situatie ook geen uitdrukkelijke afspraken gemaakt.

3.11

 

[appellant] heeft bij zijn grieven nog aangevoerd dat hij, in het geval dat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft opgezegd, op grond van artikel 7:411 lid 1 BW recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Het hof overweegt dat niet blijkt dat [geïntimeerde] de overeenkomst heeft opgezegd. Het komt erop neer dat [appellant] zijn werkzaamheden ten behoeve van [geïntimeerde] heeft gestaakt terwijl [geïntimeerde] (nog) geen schadevergoeding had ontvangen. De afspraak die partijen over de beloning hebben gemaakt, neerkomend op ‘no cure no pay’, staat bij een dergelijke feitelijke beëindiging van de werkzaamheden eraan in de weg dat [appellant] toch een naar redelijkheid vast te stellen deel van de toegezegde beloning toekomt. [appellant] heeft nog aangevoerd dat hij zeer veel tijd heeft besteed aan correspondentie, studie en vergaren van bewijsstukken. Dat maakt echter niet dat het hof tot een ander oordeel komt. Het risico van het niet behalen van resultaat, ongeacht de daartoe verrichte inspanningen, lag binnen het kader van de overeenkomst tussen partijen immers bij [appellant] .

3.12

 

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven 1 tot en met 6, die ertoe strekken dat [appellant] ingevolge de overeenkomst een beloning toekomt, falen. Gelet op het voorgaande kan onbesproken blijven of het [appellant] ingevolge de overeenkomst vrij stond om derden in te schakelen.

3.13

 

De grieven 7, 8 en 11 tot en met 14 bouwen voort op de hiervoor besproken grieven en delen dan ook het lot daarvan. Grief 9 betreft het door [geïntimeerde] gestelde beschermingsbewind en grief 10 de door [geïntimeerde] gestelde dwaling en bedrog. De grieven richten zich tegen niet dragende overwegingen van de rechtbank en kunnen alleen al daarom buiten behandeling blijven.

3.14

 

De slotsom is dat alle grieven falen dan wel buiten behandeling kunnen blijven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

3 Beslissing

 

Het hof:

 

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

 

wijst af de vorderingen van [appellant] zoals in hoger beroep opnieuw geformuleerd;

 

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, W.H.F.M. Cortenraad en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots