Hof: collectieve actie FNV tegen werkgever wegens blootstelling aan gevaarlijke stoffen afgewezen

Samenvatting:

FNV heeft collectieve actie (ex art 3:305a BW) tegen werkgever (producent van koperwikkeldraad) ingesteld namens een aantal werknemers. FNV vordert o.m. verklaring voor recht dat werkgever onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en aansprakelijk is voor de schade (art 7:658 BW). Het hof oordeelt dat een collectieve actie zich niet leent voor de vaststelling dat werkgever aansprakelijk is voor de schade die voor elk van de werknemers door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is ontstaan, nu daarvoor de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele gelaedeerde relevant zijn. Per werknemer zal de individuele (gezondheids)schade moeten vastgesteld. Vordering afgewezen.

 

ECLI:NL:GHARL:2019:2624

Uitspraak delen

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

26-03-2019

Datum publicatie

11-04-2019

Zaaknummer

200.202.912

Formele relaties

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4141

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Collectieve actie wegens arbeidsomstandigheden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2019-0404

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.202.912

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 4929105)

 

arrest van 26 maart 2019

 

in de zaak van

 

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV),

gevestigd te Amsterdam,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,

hierna: FNV,

advocaat: mr. W.A. van Veen,

 

tegen:

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Draad Nijmegen B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde partij in de hoofdzaak en in het incident,

hierna: Smit Draad,

advocaat: mr. H. Lebbing.

 

1

Het geding in eerste aanleg

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 maart 2016, 25 maart 2016 en 29 juli 2016 die de rechtbank Gelderland, respectievelijk de kantonrechter (rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen) hebben gewezen.

 

2

Het geding in hoger beroep

 

2.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

– het arrest in incident van 11 april 2017

– de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in het incidenteel appel

– de memorie van antwoord in het incidenteel appel

– de bij H12-formulier van 3 december 2018 door mr. Van Veen overgelegde producties B en C

– de bij H12-formulier van 4 december 2018 door mr. Lebbing overgelegde productie 11

– het pleidooi van 19 december 2018 waarop beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

 

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof nader arrest bepaald op heden.

 

2.3

FNV heeft in het principaal hoger beroep haar eis gewijzigd en vordert om:

  1. te verklaren voor recht dat Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en aansprakelijk is voor de daarmee (juridisch) samenhangende schade;
  2. subsidiair te verklaren voor recht dat Smit Draad over de periode 1991 tot aan het uitbrengen van dagvaarding, dat wil zeggen tot eind 2015, onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en aansprakelijk is voor de daarmee (juridisch) samenhangende schade;
  3. Smit Draad te veroordelen tot het treffen van onderstaande maatregelen:
  4. het aanbrengen van puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn, gereed binnen zeven dagen na datum arrest op straffe en verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat Smit Draad in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
  5. goedwerkende ventilatie in de laktoren, gereed binnen veertien dagen na datum arrest op straffe en verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat Smit Draad in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
  6. Smit Draad te veroordelen tot de kosten van dit geding.

 

2.4

Smit Draad voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering in principaal hoger beroep onder veroordeling van FNV in de kosten daarvan. Voorts vordert FNV in het incidenteel hoger beroep – samengevat – bij arrest de bestreden vonnissen, voor zover daarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  1. de vordering van FNV tot het beschikbaar stellen van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen voor de laktoren en de productielijn alsnog af te wijzen, zo nodig met verbetering van gronden;
  2. FNV te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, zowel in de hoofdzaak als het incident;
  3. FNV te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente;

een en ander voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

 

3

De vaststaande feiten

 

Het hof gaat in hoger beroep uit van de door de kantonrechter vastgestelde en hierna vermelde feiten en vult deze als volgt aan.

 

3.1

Smit Draad houdt zich sinds 1991 bezig met de productie van koperwikkeldraad voor industriële toepassingen, waaronder zeer grote transformatoren en generators. Tijdens het productieproces worden koperdraden bewerkt tot een rechthoekige draad in allerlei maten en uitvoeringen. Deze draden worden vervolgens gelakt (dat wil zeggen voorzien van chemicaliën die na verhitting polymeriseren tot een kunststof) of van andere isolatie voorzien. Smit Draad heeft ongeveer 120 werknemers in dienst.

 

3.2

Binnen (het gebouw/de gebouwen van) Smit Draad zijn onder meer te onderscheiden de afdelingen lakhal, glaslijnen, Rekab, solderen en blanke draad. Er is tevens een – van de productieruimtes afgescheiden – kantoorgedeelte.

 

3.3

Smit Draad heeft de “werkomgeving” binnen haar bedrijf een aantal malen laten onderzoeken en wel door:

  1. “Arbo Unie” (studenten van de opleiding Biomedische Wetenschappen) in 2002, waarvan een rapport is opgemaakt op 18 juni 2002;
  2. “UMC St Radboud Epidemiologie, Biostatistiek en HTA” in 2009, waarvan een rapport is opgemaakt op 26 januari 2010;
  3. “UMC St Radboud Epidemiologie, Biostatistiek en HTA” in 2011, waarvan een rapport is opgemaakt op 26 april 2012;
  4. “Radboud university medical center Health Evidence” in 2015, waarvan een rapport is opgemaakt op 14 januari 2016;
  5. “Protect arboadvies in 2015, waarvan een rapport is opgemaakt op 29 december 2015;
  6. “Caesar Consult”, waarvan een rapport, getiteld “Retrospectieve beoordeling van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de lakhal van Smit Draad te Nijmegen (periode 1991-2015)”, is opgemaakt op 23 januari 2016.

De rapporten a t/m d bevinden zich als producties 2 t/m 5 en de rapporten e en f als producties 26 en 27 bij de conclusie van antwoord in het incident in eerste aanleg bij de stukken.

 

3.4

FNV behartigt de belangen van werknemers waaronder die van Smit Draad.

FNV wordt bij Smit Draad vertegenwoordigd door haar bestuurders [bestuurder 1] en [bestuurder 2] .

 

3.5

FNV heeft eind 2014 of begin 2015 een onderzoek geïnitieerd naar de blootstelling van werknemers van Smit Draad aan organische oplosmiddelen. Zij heeft daartoe metingen verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een rapport van Arbode Consultancy van 15 januari 2015. De conclusie van dat rapport luidt:

“De individuele stoffen overschrijden niet de grenswaarde. Echter, toepassing van de additieregel leidt tot ruimschootse overschrijding van de grenswaarde van 100%.

Van enkele stoffen die in ruime mate in het monster voorkomen is geen grenswaarde vastgesteld. Het betreft de stoffen 2-ethyltolueen, 3-ethyltolueen en 4-ethyltolueen. Gezien de aanmerkelijke hoeveelheden van deze stoffen in het monster is sprake van een onderschatting van de berekende additiewaarde.

Overschrijding van grenswaarden is niet toegestaan, tenzij het om een kortdurende blootstelling gaat en kunnen tot gezondheidsschade leiden. Derhalve is nodig om beschermende maatregelen te treffen.”

 

De “meettijd” bedroeg volgens het bij het rapport gevoegde analyse certificaat 20 minuten.

 

3.6

Bij brief van 9 april 2015 heeft FNV ( [bestuurder 2] voornoemd) aan haar leden bij Smit Draad geschreven, voor zover van belang:

“Naar aanleiding van een onderzoek, uitgevoerd door FNV, is vastgesteld dat binnen Smit Draad een aantal van jullie worden blootgesteld aan een of meerdere schadelijke stoffen waaronder oplosmiddelen. Hierbij worden de macwaarden ruimschoots overschreden, en is er naar onze mening sprake van een gevaar zettende situatie.

Dit is wat ons betreft onaanvaardbaar.

Ik heb hierover overleg met [persoon 1] .

(…)

Heb je lichamelijke klachten en wil je die bij de FNV melden dan kun je bij mij terecht via (…)”

 

3.7

Nadien heeft Smit Draad verschillende individuele aansprakelijkstellingen van werknemers ontvangen omdat zij gezondheidsklachten ervaren en deze toeschrijven aan werkomstandigheden binnen Smit Draad.

 

3.8

FNV heeft in de periode van (globaal) september 2014 t/m september 2015 onderzoeken laten doen door Expertise Centrum Environmental Medicine (ECEMed) naar zowel de blootstelling aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen bij Smit Draad als de individuele gezondheidseffecten van deze blootstelling op de werknemers. De van die onderzoeken opgemaakte rapporten bevinden zich (als producties 3, 5a en b, 7a t/m c en 19 bij de inleidende dagvaarding) bij de stukken.

 

3.9

In een e-mail van 8 oktober 2015 heeft [medewerker ECEMed] (werkzaam bij ECEMed) naar aanleiding van de onderzoeken door ECEMed aan FNV geschreven:

“Hierbij wil ik bij ons de stand van zaken toelichten. We hebben nu gezamenlijk met de eerste groep van SD [hof: Smit Draad], 14 mensen gezien. Op 1 na hebben ze allemaal werkgerelateerde gezondheidsproblemen. Belangrijkste problemen, luchtwegen (tot zeer ernstig), CNS, bewegingsapparaat en vermoeidheidsklachten.

De spreekuren zijn niet om vrolijk van te worden.

(…)

De medewerker die in het hok met 8000 liter brandbare chemicaliën werkt, heeft ernstige huidproblemen op zijn benen. Als hij s’morgens in het hok stapt ligt er op de grond een laag damp met fenol (…)”.

 

3.10

Eerder, medio 2015, hebben partijen meerdere gesprekken met elkaar gevoerd over de arbeidsomstandigheden binnen het bedrijf van Smit Draad. Naar aanleiding daarvan heeft FNV bij brief van 23 juli 2015 aan Smit Draad geschreven dat in die gesprekken door FNV is aangegeven dat de volgende (zeven) zaken per direct planmatig en met een tijdschema moeten worden aangepakt. Het gaat daarbij, zo staat in die brief, om de volgende punten:

 er dient direct een onderzoek te starten naar mogelijk vervangende stoffen, die minder of niet gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

 Waar niet volledig gesloten bakken staan met oplosmiddelhoudende vloeistoffen, dienen deze door goed sluitende bakken vervangen te worden. Deze gesloten bakken dienen aan een gesloten systeem te worden gekoppeld voor vullen en legen, zodat dit niet meer handmatig hoeft te gebeuren met emmertjes.

 Waar mensen in aanraking kunnen komen met uitdampende gevaarlijke stoffen in de productie zoals bijvoorbeeld:

  1. in de lakhal waar de koperdraad door de lakbakken langs de afstrijkers gaat,
  2. bij het openen van de bakken K13 en NMP,
  3. aan de glaslijnen bij bijvoorbeeld het openen van de oven,
  4. bij het lassen en solderen, enz enz, dient goede puntafzuiging geplaatst te worden.

 In de laktoren moet de natuurlijke ventilatie vervangen worden door mechanische ventilatie zodat er geen rook of residuen vrij in de hal kunnen komen.

 Ten aanzien van de fysieke belasting dient in ieder geval het wisselen en verplaatsen van de kabelhaspels aan de machines zo veel als mogelijk gemechaniseerd te worden.

 Het afsluiten en omkapselen van het systeem moet maximaal worden gerealiseerd zodat er geen risico van vrijkomende dampen meer bestaat.

 Er moet een adequate oplossing gevonden worden voor de blootstelling aan koperstof, o.a. op de afdeling blanke draad en waar dit verder van toepassing is.

Verder staat in die brief dat bovenstaande maatregelen in elk geval voor 1 november 2015 moeten zijn afgerond of, indien er redenen buiten de macht van Smit Draad liggen en die leiden tot vertraging, uiterlijk voor het einde van het jaar 2015, en dat de commissaris van Smit Draad ( [commissaris Smit Draad] ) heeft toegezegd binnen veertien dagen met een plan van aanpak te zullen komen.

 

3.11

Bedoeld plan van aanpak is door Smit Draad in overleg met FNV kort nadien opgesteld. In dat plan komen de hiervoor genoemde zeven verbeterpunten terug en wordt per punt concreet aangegeven welke actie door Smit Draad ondernomen zal worden. Er is ook een tijdschema opgenomen.

 

3.12

Op 4 augustus 2015, 8 september 2015 en 25 september 2015 heeft de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna te noemen: Inspectie) inspecties uitgevoerd naar de werkomstandigheden en de werkomgeving binnen Smit Draad. Naar aanleiding daarvan heeft de Inspectie op 16 oktober 2015 een brief aan Smit Draad gestuurd. In die brief heeft de Inspectie geschreven dat zij heeft geconstateerd dat Smit Draad een aantal artikelen van het Arbeidsomstandighedenbesluit overtreedt, waarvoor waarschuwingen worden gegeven. In de bij die brief gevoegde “kennisgeving van de voorgenomen eisen” heeft de Inspectie de eisen geformuleerd waaraan Smit Draad (binnen een daarbij gestelde periode) moet voldoen. In de brief heeft de inspectie ten aanzien van het geïnspecteerde onderdeel “Blootstelling Gevaarlijke Stoffen”, na te hebben geconstateerd dat binnen het bedrijf wordt gewerkt met gevaarlijke (kankerverwekkende) stoffen, onder meer het volgende geschreven:

  1. Inventarisatie van de aanwezige stoffen en hun grenswaarden.

(…)

2.2.

Tijdens het eerste inspectiebezoek op 4 augustus is geconstateerd dat er werd gewerkt met kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen (CMR stoffen). Op dat moment waren de CMR stoffen niet als zodanig geïnventariseerd. Inmiddels is deze inventarisatie wel uitgevoerd en zijn weergegeven op een excellbestand (ReportCmrProductsExport). Uit het verstrekte overzicht van de aanwezige CMR stoffen blijkt dat er 15 producten aanwezig zijn die geclassificeerd zijn als CMR stof.

Naast het beoordelen van de blootstelling gelden voor deze stoffen aanvullende registratieverplichtingen.

Er is nog geen invulling gegeven aan de nadere inventarisatieverplichtingen voor de aanwezige kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting vergiftige stoffen in het kader van de RI&E.

Dit is een overtreding van artikel 4.2a en artikel 4.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

>Dit is de waarschuwing die u voor deze overtreding krijgt.

  1. Beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

‘Uit de inspectie bleek dat de volgende blootstellingsrapporten opgesteld waren:

2009 Werkplekonderzoek isocyanaten en VOS

2011 Briefrapport onderzoek VOS en isocyanaten

2012 Aanvulling briefrapport ademluchtanalyse methyleenchloride

2015 Concept rapportage werkplekonderzoek isocyanaten en VOS

Al deze onderzoeken hebben alleen betrekking op blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de lakhal. In de aanwezige blootstellingsbeoordelingen is de gecombineerde blootstelling aan vluchtige organische stoffen (VOS) en isocyanaten beoordeeld.

Voor de andere afdelingen, taken en bewerkingen is nog geen blootstellingsbeoordeling Gevaarlijke Stoffen gemaakt. Blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij de glaslijnen is niet uitgevoerd terwijl dit in de RI&E in 2013 reeds werd gerapporteerd en in het huidige plan van aanpak klachten over de luchthuishouding bij de glaslijnen gerapporteerd worden waardoor werknemers luchtwegklachten ondervinden.

Ditzelfde geldt voor de luchthuishouding in de [hof: afdeling] blanke draad. Het plan van aanpak meldt dat de afdeling soms onder de rook staat waardoor de machinevoerder last heeft van pijnlijke ogen en benauwdheid. Op de soldeer-/laswerkplekken vindt blootstelling plaats aan lasrook. Ook deze blootstelling is nog niet beoordeeld.

2.3

Naar aanleiding van de inspectie werd geconstateerd dat werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen dient u, in het kader van de risico-inventarisatie en evaluatie (artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet), de aard, mate en de duur van die blootstelling te beoordelen.

Uit de inspectie is gebleken dat (behoudens de blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de lakhal) met betrekking tot de mate van blootstelling aan gevaarlijke stoffen nog niet is vastgesteld wat het blootstellingsniveau is.

Dit is een overtreding van artikel 4.2 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

> Dit is de waarschuwing die u voor deze overtreding krijgt.

Blootstelling aan gevaarlijke stoffen kan mogelijk optreden bij:

– Werkzaamheden in de opslag gevaarlijke stoffen

– Werkzaamheden aan de walslijnen in de afdeling blanke draad

– Werkzaamheden in de lakhal en laktoren

– Schoonmaakwerkzaamheden in de gereedschapsmakerij

– Onderhoud en schoonmaak productielijnen/machines

– Storingen productieproces”.

 

3.13

FNV heeft bij brief van 29 oktober 2015 haar zienswijze omtrent de voorgenomen eisen in voormelde kennisgeving aan de Inspectie uiteengezet. Smit Draad heeft dat bij brief van 30 oktober 2015 gedaan. Bij brief van 20 november 2015 heeft Smit Draad nog inhoudelijk gereageerd op “enkele overige onderwerpen, in het bijzonder enkele waarschuwingen, uit de Inspectiebrief”. Over de aanwezige (gevaarlijke) stoffen heeft zij in § 2.2 van die brief geschreven:

“Wij hebben de actueel aanwezige CMR stoffen geïnventariseerd en geregistreerd en het eerder aan u verstrekte overzicht geactualiseerd. De stoffen die nog ontbraken zijn toegevoegd aan het overzicht. Inmiddels hebben we ook bepaalde CMR stoffen vervangen, die wij tot voor kort nog gebruikten. Daarmee komt het actuele overzicht op 20 stoffen. Wij gaan verder met het voor zover mogelijk vervangen van deze stoffen en verzorgen een nadere registratie conform art. 4.2a en 4.13 Arbeidsomstandighedenbesluit.”

 

3.14

Naar aanleiding van de zienswijze van Smit Draad en een herinspectie door de Inspectie op 12 november 2015, heeft laatstgenoemde bij brief van 16 november 2015 aan Smit Draad geschreven dat een aantal voorgenomen eisen worden ingetrokken, een aantal eisen worden geherformuleerd en één eis wordt gehandhaafd.

 

3.15

Kort daarvoor heeft (de advocaat van) FNV Smit Draad bij brief van 5 november 2015 gesommeerd een aantal in die brief genoemde kwesties betreffende de arbeidsomstandigheden binnen het bedrijf “met de grootste mogelijke voortvarendheid te behandelen” en dat bij gebreke van een positieve reactie tot dagvaarding zal worden overgegaan. Bij brief van 20 november 2015 heeft Smit Draad daarop inhoudelijk gereageerd.

 

3.16

In opdracht van Smit Draad heeft Protect arboadvies in de periode van ongeveer november 2015 tot en met mei 2016 blootstellingsonderzoeken uitgevoerd op de afdelingen algemene dienst, blanke draad, glaslijnen, houtstof magazijn, lakhal, solderen en Rekab. Voorts is een dergelijk onderzoek uitgevoerd in/aan de GAP kast en machine en is op de afdeling lakhal een piekmeting verricht door Protect arboadvies.

Verder zijn in de periode nadien tot en met juli 2018 herhalingsmetingen naar de blootstelling aan vluchtig organische stoffen en isocyanaten in de lakhal uitgevoerd.

Van deze onderzoeken zijn telkens rapporten opgemaakt (door [arbeidshygiënist] , arbeidshygiënist RAH en hoger veiligheidsdeskundige van Protect arboadvies). In elk van deze rapporten worden aanbevelingen gedaan om blootstelling aan dampen en/of stoffen verder te beheersen en om de situatie te optimaliseren danwel om blootstelling verder te reduceren of te verlagen.

 

3.17

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de Inspectie aan Smit Draad een last onder dwangsom opgelegd, omdat:

( a) bij inspectie weliswaar was gebleken dat het (bij het schoonmaken van de zogenoemde afstrijkers gebruikte) dichloormethaanhoudende verfafbijtmiddel wordt gebruikt in een ultrasoonbad dat zich in een GAP-kast bevindt die is voorzien van bronafzuiging, maar dat de zich in de GAP-kast bevindende afbijtbaden zijn voorzien van deksels die niet volledig afsluiten en dat er zich kieren en openingen aan de zijkanten bevinden met als gevolg dat verdamping uit het afbijtbad niet tot een minimum beperkt is en

( b) bij inspectie was gebleken dat het vullen of legen van de afbijtbaden niet plaatsvindt door middel van pompen en leidingen als onderdelen van een gesloten systeem.

Alvorens Smit Draad een dwangsom verbeurt, is aan haar een termijn gegund van vier weken om de in de beslissing genoemde maatregelen te treffen.

Herinspectie heeft op 3 februari 2016 en 2 maart 2016 plaatsgevonden.

 

3.18

Het Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen (hierna: NKAL) heeft een blootstellingsonderzoek naar de werksituatie van één van de werknemers van Smit Draad verricht en hierover gerapporteerd in een rapport van 4 februari 2016. De betreffende werknemer heeft volgens pagina 4 van dit rapport van 2007 tot juni 2014 op de afdeling glaslijnen gewerkt en in de periode 2009-2013 twee extra diensten bij de afdeling Rekab gewerkt.

 

3.19

Bij brief van 11 april 2016 heeft de Inspectie aan Smit Draad meegedeeld dat zij binnen de begunstigingstermijn aan de last onder dwangsom heeft voldaan, zodat zij geen dwangsommen zal verbeuren. In de brief wordt onder meer vermeld:

“(…) tijdens de controle op 2 maart 2016 constateerde [hof: de arbeidsinspecteur] dat deksels op de afbijtbaden waren aangebracht die voldeden aan de gestelde eis. Verder zag de arbeidsinspecteur dat de leidingen ten behoeve van de afvoer waren aangebracht. Zij was aanwezig bij het legen en opnieuw vullen van de afbijtbaden. De arbeidsinspecteur constateerde dat voor het vullen van de baden jerrycans in gebruik waren genomen. Ten slotte heeft zij met betrekking tot het vervangen van de afbijtbaden de registratie ingezien. Op grond van het voorgaande concludeerde de arbeidsinspecteur dat Draad (…) aan de in de beschikking opgelegde last onder dwangsom voldeed. (…)”

 

3.20

Bij de stukken bevindt zich (als productie 29 bij de conclusie van antwoord in het incident) een brief van 23 januari 2016 van [persoon 2] , werkzaam bij Caesar Consult, aan de advocaat van Smit Draad. Aan de brief is een bijlage gehecht. Daarin geeft [persoon 2] , op verzoek van de advocaat van Smit Draad, zijn reactie op het hiervoor onder 3.5 weergegeven rapport van Arbode Consultancy van 15 januari 2015. De samenvatting van die reactie luidt:

“Samenvattend kan aan de hand van het rapport van Arbode niet worden gesteld dat er bij Smit Draad sprake is van overmatige blootstelling aan oplosmiddelendampen. Daarvoor is het door Arbode gerapporteerde onderzoek veel te beperkt. Het betreft slechts één plaatsgebonden meting van 20 minuten op een niet nader gespecificeerde locatie, waarvan de resultaten bovendien op onjuiste wijze worden getoetst aan de grenswaarde.”

 

3.21

Bij brief van diezelfde datum heeft [persoon 2] voornoemd, eveneens op verzoek van de advocaat van Smit Draad, zijn reactie gegeven op de hiervoor onder 3.8 genoemde rapporten van ECEMed die door FNV als producties 5a en 5b bij de dagvaarding waren overgelegd.

 

3.22

In opdracht van FNV heeft arbodeskundige [arbodeskundige] van [bedrijf X] een rapport ‘Onderzoek naar en beoordeling van de relevante informatie in verband met de blootstelling aan gevaarlijke stoffen lakhal bij Smit Draad te Nijmegen’ daterend van januari 2018 opgemaakt.

 

4

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

 

4.1

FNV heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd een verklaring voor recht dat Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en aansprakelijk is voor de daarmee (juridisch) samenhangende schade. Verder heeft FNV – zowel in de hoofdzaak, als in het incident – gevorderd dat Smit Draad een aantal veiligheidsmaatregelen zal treffen, op welk punt zij haar eis in de loop van het geding in eerste aanleg heeft herzien naar aanleiding van reeds door Smit Draad genomen maatregelen.

 

4.2

Smit Draad heeft verweer gevoerd.

 

4.3

FNV heeft Smit Draad gedagvaard om te verschijnen bij de rechtbank. In het tussenvonnis van 16 maart 2016 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen en heeft de rechtbank de zaak op grond van artikel 93 aanhef en sub c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 juli 2016 in het incident de vorderingen afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. In de hoofdzaak heeft de kantonrechter FNV niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot het geven van de verklaring voor recht. Voorts heeft de kantonrechter Smit Draad veroordeeld om een persoonlijk gelaatsmasker voor de laktoren ter beschikking te stellen, gereed binnen dertig dagen na datum van het vonnis op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat Smit Draad in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 15.000,-, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten gecompenseerd.

 

5

De motivering van de beslissing in hoger beroep

 

in de hoofdzaak

 

5.1

FNV heeft één algemene grief tegen het vonnis van 16 maart 2016 gericht. Met deze grief beoogt FNV dat de rechtbank de zaak niet had mogen verwijzen en dat dit er uiteindelijk toe heeft geleid dat de kantonrechter innerlijk tegenstrijdige vonnissen heeft gewezen. FNV heeft verder zeven (romeins genummerde) grieven gericht tegen de door haar bestreden vonnissen in incident – welke grieven voor wat betreft de incidentele procedure reeds zijn afgedaan bij arrest in incident van 11 april 2017 – en in de hoofdzaak van 25 maart 2016 en 29 juli 2016. De grieven hebben betrekking op de verklaring voor recht (grieven I t/m III), de maatregel ‘het aanbrengen van puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn’ (grieven IV en V), de ventilatie in de laktoren (grief VI) en de proceskostenveroordeling (grief VII).

Smit Draad heeft twee grieven gericht tegen het door haar bestreden vonnis van 29 juli 2016 die betrekking hebben op het ter beschikking stellen van adequate persoonlijke beschermingsmiddelen (hierna: PBM’s) voor de laktoren en productielijn (grief 1) en de compensatie van proceskosten (grief 2).

 

Verklaring voor recht

5.2

Met haar grieven I tot en met III komt FNV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door FNV gevorderde verklaring voor recht te algemeen is geformuleerd omdat deze niet in tijd is beperkt en de ‘gevaarlijke omstandigheden’ niet nader zijn uitgewerkt door FNV. Ook komt zij op tegen de conclusie van de kantonrechter dat de gevorderde verklaring voor recht niet strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen als bedoeld in artikel 3:305a BW.

 

5.3

Het hof overweegt als volgt.

In het onderhavige geval heeft FNV een collectieve actie in de zin van artikel 3:305a BW ingesteld met het oog op het aansprakelijk stellen van Smit Draad voor door haar werknemers geleden gezondheidsschade als gevolg van ziekmakende arbeidsomstandigheden.

 

5.4

Op grond van artikel 3:305a BW kan een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen voor zover zij deze ingevolge haar statuten behartigt. Zo’n vereniging is niet-ontvankelijk indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn en een dergelijke rechtsvordering kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.

In hoger beroep is niet meer in geding of FNV als vereniging (met volledige rechtsbevoegdheid) een dergelijke collectieve actie kan instellen, zodat het hof daarvan uitgaat. Wel is ook in hoger beroep onduidelijk gebleven of FNV de collectieve actie nu ten behoeve van alle werknemers van Smit Draad heeft ingesteld, dan wel ten behoeve van het deel van de werknemers van Smit Draad dat stelt gezondheidsschade te hebben opgelopen. Tijdens het pleidooi heeft FNV betoogd dat voor zover de vordering het treffen van maatregelen betreft, deze betrekking heeft op alle werknemers en dat de verklaring voor recht is gevorderd voor werknemers met (potentiële) gezondheidsschade. Met name gelet op het potentiële aspect is niet goed bepaalbaar welke werknemers FNV hier bedoelt. Daarom zal het hof er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat FNV beoogt de belangen van alle (ex-)werknemers bij Smit Draad te behartigen.

 

5.5

Aan de in artikel 3:305a BW bedoelde eis van ‘gelijksoortige belangen’ is voldaan indien de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Aldus kan immers in één procedure geoordeeld worden over de door de rechtsvordering aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken behoeven te worden (vergelijk HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5756).

 

5.6

Een procedure waarbij een werknemer een werkgever aansprakelijk wil stellen voor zijn (gezondheids)schade wegens ziekmakende arbeidsomstandigheden, zal doorgaans worden gebaseerd op artikel 7:658 BW. FNV heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat dit in het onderhavige geval anders is.

De regel van bewijslastverdeling die volgt uit artikel 7:658, lid 2 BW houdt in dat als de werknemer bewijst dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden het in beginsel aan de werkgever is om – voor zover in dit geschil van belang – te bewijzen dat hij zijn zorgplicht is nagekomen. Voorts is in het kader van artikel 7:658 BW in de jurisprudentie de ook wel genoemde ‘(arbeidsrechtelijke) omkeringsregel’ ontwikkeld voor – kort gezegd – (beroeps)ziekten die zich geleidelijk manifesteren. Verwezen wordt naar de arresten van de Hoge Raad van 17 november 2000 (Unilever/Dikmans ECLI:NL:HR:2000:AA8369) en 9 januari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BF8875). Op grond hiervan geldt als regel dat, wanneer een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden en schade aan zijn gezondheid heeft opgelopen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden en die schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden dergelijke schade lijdt. Deze regel drukt het vermoeden uit dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Voor de toepassing van deze regel is nodig dat (1) de werknemer niet alleen stelt en zo nodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat (2) hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt (zie HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721 (blootstelling aan gevaarlijke stoffen) en HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 (RSI-klachten)).

 

5.7

Het hof acht het in beginsel niet ondenkbaar dat ten behoeve van een of meer (bewijs)stappen in een artikel 7:658 BW-procedure een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW wordt geëntameerd, bestaande in – zoals in dit geschil aan de orde – een verklaring voor recht ter vaststelling van bepaalde arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van de werknemers en/of de schending van een zorgplicht door de werkgever. Een dergelijke collectieve actie kan in een concrete situatie voordelen bieden boven het procederen in individuele gevallen, omdat dan niet telkens die(zelfde) arbeidsomstandigheden behoeven te worden vastgesteld. Voor zo’n collectieve actie is dan wel nodig dat een dergelijke verklaring voor recht voldoende concreet en bepaald is, zodat wordt voldaan aan de door artikel 3:305a BW gestelde ontvankelijkheidseis dat de gevorderde verklaring voor recht strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (in dit geval dus de werknemers van Smit Draad), omdat die belangen zich lenen voor bundeling en daarmee een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de werknemers kan worden bevorderd.

In een dergelijk geval zal dus voldoende moeten komen vast te staan dat bij een specifieke werkgever sprake is van voor een specifieke groep werknemers min of meer identieke arbeidsomstandigheden, die – in zijn algemeenheid – schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn. Het overige arbeidsverleden en de medische toestand van de individuele werknemer kunnen dan vervolgens aan de orde komen bij de in 5.6 genoemde stap (2) in een individuele procedure op grond van artikel 7:658 BW.

 

5.8

De collectieve actie van FNV is er primair op gericht een verklaring voor recht te verkrijgen ten aanzien van de in 5.6 genoemde stap (1). FNV heeft in dit verband echter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van in het kader van een collectieve actie vereiste gelijksoortige belangen van alle daarbij betrokken werknemers. De gevorderde verklaring voor recht is in het licht van het hiervoor geschetste kader te algemeen, dat wil zeggen onvoldoende concreet en bepaald geformuleerd. Weliswaar heeft FNV in hoger beroep de gevorderde verklaring voor recht subsidiair in tijd beperkt, maar ‘de arbeidsomstandigheden die voor de gezondheid van de werknemer schadelijk kunnen zijn’ heeft zij ook na het eindvonnis van de kantonrechter onvoldoende nader onderbouwd. Om de gevraagde verklaring voor recht voldoende concreet en bepaald te maken, had FNV moeten toelichten welke arbeidsomstandigheden op welke wijze voor welke groep werknemers schadelijk voor de gezondheid zijn. FNV heeft onvoldoende onderbouwd dat voor alle werknemers van Smit Draad sprake is van een blootstelling aan gevaarlijke stoffen die schadelijk is voor de gezondheid, ongeacht welke functie een werknemer heeft verricht en gedurende welke periode hij dat heeft gedaan. In plaats daarvan heeft FNV in hoger beroep verwezen naar haar in eerste aanleg ingenomen stellingen in de dagvaarding op pagina’s 3 tot en met 10 en de in eerste aanleg overgelegde producties, betreffende het door Smit Draad als productie 27 bij conclusie van antwoord in incident overgelegde (retrospectieve) rapport van Ceasar Consult (zie 3.3 onder f.) en de door FNV als productie 21 bij brief van 23 mei 2016 van mr. Van Doorn overgelegde rapportage van NKAL inzake een blootstellingsonderzoek naar de werksituatie van één van de werknemers (zie 3.18). Dit kan gelet op het navolgende echter niet als een voldoende concrete onderbouwing worden aangemerkt.

 

5.9

Volgens FNV is er over de gehele productieperiode van 1991 tot en met 2015 met dezelfde gevaarlijke (grond)stoffen gewerkt. Zij baseert dit op het door Smit Draad overgelegde rapport van Ceasar Consult en de daarbij gevoegde bijlage 2, dat een overzicht van de door Smit Draad ingekochte stoffen betreft. Terecht heeft Smit Draad hier echter tegenover gesteld dat dit rapport enkel betrekking heeft op een onderzoek naar blootstelling op de afdeling lakhal. Dit volgt alleen al uit de (sub)titel van het rapport: ‘Retrospectieve beoordeling van blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de lakhal van Smit Draad te Nijmegen’. FNV heeft niet betwist dat op de verschillende afdelingen (lakhal, glaslijnen, Rekab, blanke draad, kantoor) met verschillende producten en (lak)stoffen wordt gewerkt, met ieder hun product specifieke eigenschappen en verschillende grenswaarden, zodat de arbeidsomstandigheden op die verschillende afdelingen niet zonder meer op één lijn te stellen zijn, laat staan dat op grond daarvan geconcludeerd kan worden dat de arbeidsomstandigheden op al die afdelingen schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn.

Met betrekking tot de werknemers die werkzaam zijn (geweest) in de lakhal geldt voorts dat FNV niet heeft onderbouwd dat over de gehele productieperiode van 1991 tot en met 2015 sprake is geweest van blootstelling (in dezelfde mate) aan dezelfde (lak)stoffen, op een wijze dat dit schadelijk voor de gezondheid van de werknemers in de lakhal kan zijn geweest. Dit volgt in ieder geval niet uit het rapport van Ceasar Consult voormeld, waarin de periode 1991-2015 is opgesplitst in vier tijdsperioden (1991 tot en met 2005, 2006 tot en met augustus 2011, september 2011 tot en met augustus 2015 en september 2015 tot en met december 2015) omdat, blijkens pagina 6 van dit rapport:

“Bij de inventarisatie van de aard en de duur van de werkzaamheden en –omstandigheden in de lakhal is gebleken dat zich in de periode 1991-2015 een aantal wijzigingen heeft voorgedaan die mogelijk van invloed zijn geweest op de blootstelling van gevaarlijke stoffen in de lakhal:”

Uit dit rapport volgt dat de blootstelling aan schadelijke stoffen per onderscheiden periode verschilt, zodat niet duidelijk is dat steeds sprake is geweest van een mate van blootstelling die schadelijk kan zijn geweest voor de gezondheid.

 

5.10

FNV stelt dat zij in de dagvaarding in eerste aanleg heeft uitgeschreven op welke manier de werknemers van Smit Draad worden blootgesteld aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid, waarbij zij onderscheid heeft gemaakt tussen blootstelling aan verbrandingsgassen en blootstelling aan chemische, toxische stoffen. Zij heeft daarbij de stoffen benoemd, hun werking toegelicht en de onderbouwing daarvan geleverd door middel van veiligheidsbladen en deskundigenberichten, aldus FNV, die daarnaast stelt dat in de dagvaarding is beschreven hoe en over welke periode de werknemers niet dan wel onvoldoende beschermd zijn (geweest) tegen de gezondheidsrisico’s van deze blootstelling. Het hof stelt evenwel vast dat – daargelaten de gemotiveerde betwisting door Smit Draad – FNV niet voldoende heeft onderbouwd dat de blootstelling aan verbrandingsgassen en aan chemische, toxische stoffen voor alle werknemers wier belangen zij door middel van de collectieve actie beoogt te beschermen in min of meer dezelfde mate schadelijk kan zijn voor hun gezondheid, gegeven dat zij op verschillende afdelingen met verschillende stoffen werken dan wel hebben gewerkt, en bovendien niet is gebleken dat de werknemers die op een bepaalde afdeling hebben gewerkt, in een bepaalde periode in min of meer dezelfde mate aan gevaarlijke stoffen zijn blootgesteld. De door FNV in eerste aanleg overgelegde rapportage van NKAL heeft betrekking op slechts één enkele werknemer die werkzaam was op de afdeling Glaslijnen. FNV heeft niet onderbouwd dat de arbeidsomstandigheden op die afdeling identiek waren aan de arbeidsomstandigheden in de lakhal, terwijl vast staat dat op die afdelingen gewerkt wordt met verschillende (lak)stoffen, zodat ook daaruit niet kan worden afgeleid dat sprake is (geweest) van gelijksoortige belangen van werknemers omdat zij in dezelfde arbeidsomstandigheden, die schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn, hebben gewerkt. Hier komt nog bij dat op basis van deze rapporten geen conclusies kunnen worden getrokken over de blootstelling aan schadelijke stoffen op de afdelingen Rekab, solderen, blanke draad en kantoren.

Uit het in hoger beroep door FNV overgelegde ‘Onderzoek naar en beoordeling van de relevante informatie in verband met de blootstelling aan gevaarlijke stoffen lakhal bij Smit Draad te Nijmegen’ van januari 2018 van arbodeskundige [arbodeskundige] kan evenmin worden afgeleid dat voor alle werknemers op de verschillende afdelingen van Smit Draad sprake is (geweest) van de door FNV gestelde identieke en zodanige mate van blootstelling aan chemische en toxische stoffen alsmede verbrandingsgassen dat dit schadelijk voor de gezondheid kan zijn. Redengevend hiervoor is dat dit rapport niet is gebaseerd op metingen en eigen feitelijk onderzoek daarnaar, maar voornamelijk bestaat uit een theoretische beschouwing van de gehanteerde methoden in de blootstellingsonderzoeken en rapportages die in de loop der tijd zijn uitgevoerd en opgemaakt. Voor zover Salentijn constateert dat de samengestelde blootstelling aan stoffen ten onrechte niet is gemeten geldt dat – ook al zou dat juist zijn – daarmee niet kan worden vastgesteld dat over de gehele productieperiode van 1991 tot en met 2015 sprake is geweest van blootstelling in min of meer dezelfde mate aan dezelfde (lak)stoffen, op een wijze dat dit schadelijk voor de gezondheid van de werknemers in de lakhal kan zijn geweest.

Het moge zo zijn dat, zoals FNV heeft betoogd, uit de rechtspraak over artikel 7:658 BW volgt dat de werknemer niet verplicht is heel specifiek te bewijzen met welke gevaarlijke stoffen en/of onder welke gevaarlijke omstandigheden hij heeft gewerkt, maar daarmee ziet zij er ten onrechte aan voorbij dat in het kader van een collectieve actie wel zal moeten komen vast te staan dat sprake is van ‘gelijksoortige belangen’ (bij een artikel 7:658-procedure: van alle daarbij betrokken werknemers) en dat daarom de gevorderde verklaring voor recht voldoende concreet en bepaald moet zijn.

 

5.11

Uit hetgeen is overwogen in 5.5 en het bepaalde in artikel 7:658 BW in samenhang met de hiervoor vermelde jurisprudentie hierover volgt dat een collectieve actie zich niet leent voor de vaststelling dat Smit Draad aansprakelijk is voor de schade die voor elk van de werknemers door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen is ontstaan, nu daarvoor de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele gelaedeerde relevant zijn. Daaraan doet niet af dat een collectieve actie de voordelen kan hebben die FNV in haar memorie van grieven heeft genoemd en dat ter voorkoming van ondermijning daarvan de rechter een meer abstracte toets kan hanteren. Ten aanzien van het onderdeel van de in deze procedure gevorderde verklaring voor recht, dat er op ziet om de aansprakelijkheid van Smit Draad vast te stellen voor de met de blootstelling aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid (juridisch) samenhangende schade, miskent FNV dat de in 5.6 genoemde stap (2), die betrekking heeft op de individuele (gezondheids)schade, per werknemer zal moeten worden vastgesteld, zodat deze stap uit de aard ervan geen betrekking kan hebben op gelijksoortige – en daarmee te bundelen – belangen van andere personen als bedoeld in artikel 3:305a BW.

Voorts miskent FNV daarmee dat op grond van de hiervoor geschetste bewijslastverdeling de werkgever, indien een (condicio sine qua non-)verband moet worden aangenomen tussen de (in een 7:658 BW-procedure gevorderde) schade en de uitoefening van werkzaamheden omdat is vast komen te staan dat de werkgever de werknemer heeft blootgesteld aan een risico op bepaalde schade en die schade zich vervolgens heeft verwezenlijkt, vervolgens mag bewijzen dat hij die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig waren om de schade van de individuele werknemer te voorkomen. Dit kan, maar hoeft niet betrekking te hebben op gelijksoortige belangen van andere personen als bedoeld in artikel 3:305a BW. FNV heeft ook op dit punt onvoldoende gesteld met betrekking tot de groep werknemers waarvan zij de belangen collectief behartigt in deze procedure. Voor zover zij althans in dit verband bedoeld heeft te stellen dat, zoals in randnummer 7 van de inleidende dagvaarding vermeld, Smit Draad tot 2012 geen PBM’s ter beschikking heeft gesteld, gaat het hof hieraan voorbij gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Smit Draad en onder verwijzing naar hetgeen het hof in dit arrest overweegt met betrekking tot de gelaatsmaskers (zie 5.26 en volgende). Deze stelling is in het licht van vorenstaande onvoldoende onderbouwd.

 

5.12

Het door FNV in de toelichting op haar grief III opgemerkte verschil in ontvankelijkheidsbeoordeling ten aanzien van de verklaring voor recht en de ontvankelijkheidsbeoordeling met betrekking tot de gevorderde maatregelen, is juist, maar dit brengt niet met zich dat het oordeel van de kantonrechter innerlijk tegenstrijdig is, zoals FNV betoogt. Dit verschil is immers terug te voeren op de vaststelling van de kantonrechter dat, anders dan bij de gevorderde verklaring voor recht, bij de gevorderde maatregelen duidelijk is dat (subgroepen) van werknemers van Smit Draad een collectief belang daarbij kunnen hebben en bij toewijzing van die vordering niet ieder een daartoe strekkende procedure aanhangig hoeven te maken (zie rov 3.6. van het vonnis van 29 juli 2016).

 

5.13

Op grond van het vorenstaande falen de grieven I tot en met III van FNV. Ook de algemene grief van FNV faalt op grond van het oordeel van het hof als vermeld in 5.12. Die algemene grief kan overigens ook niet tot een andere beslissing leiden, zodat die algemene grief ook geen verdere beoordeling behoeft. Door Smit Draad is eerst ter zitting in hoger beroep nog betoogd dat alleen al de formulering van de gevorderde verklaringen voor recht aan toewijzing ervan in de weg staat, maar gelet op het vorenstaande blijft dit buiten behandeling.

 

Aanbrengen puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn

 

5.14

Met haar grief IV komt FNV op tegen het oordeel van de kantonrechter dat dit deel van haar vordering te onduidelijk is geformuleerd en eerst ter comparitie tot klaarheid is gekomen. FNV verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat deze vordering rechtstreeks voortvloeit uit afspraken die tussen partijen zijn gemaakt naar punt drie van haar brief van 23 juli 2015 aan Smit Draad (zie 3.10) en het als productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde plan van aanpak, pagina’s drie, derde punt, zeven en veertien. Volgens FNV wordt niet alleen aangegeven op welke termijn de puntafzuiging zal worden geplaatst, maar ook waar, namelijk boven de lasplaatsen, bij lakbakken en op andere plaatsen in de lakafdeling waar nodig. Na het treffen van maatregelen door Smit Draad gaat het thans alleen nog om het aanbrengen van puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn, aldus nog steeds FNV.

 

5.15

Het hof stelt vast dat niet in geding is dat FNV op de comparitie van partijen in eerste aanleg haar vordering op dit punt heeft aangepast. In de dagvaarding in eerste aanleg heeft FNV op dit punt de volgende maatregel gevorderd: “puntafzuiging bij de bakken met gevaarlijke stoffen en bij werkzaamheden als lassen en solderen, gereed binnen zeven dagen na datum vonnis”. Omdat Smit Draad na uitbrengen van de dagvaarding in het aanbrengen van puntafzuiging heeft voorzien heeft FNV vervolgens ter comparitie van partijen in eerste aanleg haar vordering op dit punt herzien aldus dat zij op straffe van een dwangsom de navolgende maatregel vorderde: “aanbrengen van puntafzuiging bij de afstrijkers in de machines op de lakafdeling, gereed binnen 14 dagen na datum vonnis”.

In hoger beroep heeft FNV haar vordering op dit punt wederom gewijzigd, nu zij op straffe van een dwangsom als maatregel vordert: “het aanbrengen van puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn, gereed binnen zeven dagen na datum arrest”. Gelet op deze wijziging van eis, waarop het hof moet beslissen, heeft FNV geen belang meer bij haar grief IV, voor zover deze opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat dit deel van haar vordering te onduidelijk is geformuleerd en eerst ter comparitie tot klaarheid is gekomen. Grief IV faalt dan ook.

 

5.16

De kantonrechter heeft in een overweging ten overvloede geoordeeld dat de vordering met betrekking tot het aanbrengen van puntafzuiging ook op inhoudelijke gronden niet voor toewijzing in aanmerking komt omdat niet is gebleken dat de gebruikte lakstoffen kankerverwekkend zijn en dat FNV onvoldoende heeft onderbouwd dat de stoffen dermate gevaarlijk zijn dat puntafzuiging noodzakelijk is.

Met haar grief V komt FNV op tegen dit oordeel in rov 3.7 (c) van het vonnis van 29 juli 2016. Hoewel uit de als productie 2 bij inleidende dagvaarding overgelegde veiligheidsbladen, waarop de kantonrechter zijn oordeel heeft gebaseerd, niet blijkt dat de lakken Deatherm oftewel SLT en Deamelt (ook wel Kleeflak genoemd) kankerverwekkend zijn, zijn dit niet de enige lakstoffen die door Smit Draad in het productieproces worden gebruikt, aldus FNV. Volgens haar blijkt uit het door Smit Draad als productie 16 bij conclusie van antwoord in de hoofdzaak overgelegde rapport van Protect, in het bijzonder bijlage 5 van deze productie, dat er met negen verschillende soorten lak wordt gewerkt, te weten: SLN, SLT (Deatherm), SLW, Keeflak (Deamelt), Haftlak, Ecoatex, MEK, NMP en K13, en er daarmee blootstelling is aan CMR (carcinogeen, mutageen en reprotoxisch) stoffen. En ook ECEMed (productie 7a bij dagvaarding in eerste aanleg, pagina’s 14-24) komt tot de conclusie dat er bij Smit Draad wordt gewerkt met CMR stoffen en waarschuwt voornamelijk voor de stof K13 die moet worden aangemerkt als mogelijk kankerverwekkend en de stof N-methyl-2-purrolidone (NMP), die is opgenomen in de Zeer Zorgwekkende Stoffenlijst van de EG Verordening nr. 1907/2006, aldus FNV. Zij stelt dat zij dan ook voldoende heeft onderbouwd dat de stoffen dermate gevaarlijk zijn dat puntafzuiging noodzakelijk is. Voorts is volgens FNV Smit Draad als werkgever op grond van afdeling 2 van het Arbobesluit verplicht blootstelling aan CMR stoffen zoveel als mogelijk bij de bron te voorkomen of beperken.

 

5.17

Smit Draad brengt het volgende hier tegenin.

De door FNV genoemde negen lakstoffen betreffen niet alleen lakstoffen. De middelen MEK, NMP, K13 en Ecoatex betreffen verdunners en reinigingsmiddelen en zijn geen lakstoffen. Bij de lakbakken onder de afstrijkers wordt niet met deze stoffen gewerkt.

Bij eindvonnis is op basis van de veiligheidsbladen beslist dat Deatherm en Deamelt niet kankerverwekkend zijn en dat FNV niet (voldoende duidelijk) heeft onderbouwd waarom puntafzuiging hiervoor noodzakelijk is. FNV is daar niet tegen opgekomen. FNV heeft niet gesteld en onderbouwd dat (componenten van) de lakstoffen Formvar (door FNV ‘SLN’ genoemd), Voltatex (door FNV ‘Haftlak’ genoemd) en Terebec (door FNV ‘SLW’ genoemd) kankerverwekkend zouden zijn. Deze lakstoffen hebben vergelijkbare eigenschappen als de lakstoffen Deatherm en Deamelt en zijn evenmin geclassificeerd als kankerverwekkend.

Voorts heeft geen van de door FNV genoemde (lak)stoffen een H350-classificatie zoals voorgeschreven door EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en de veiligheidsinformatiebladen van deze stoffen vermelden dan ook niet de gevaarzin H350: “Kan kanker veroorzaken”.

Ten slotte leidt het aanbrengen van de gevorderde puntafzuiging tot een zeer ingrijpende en kostbare wijziging van het productieproces terwijl van mogelijk schadelijke arbeidsomstandigheden geen sprake is omdat – onder andere – de blootstelling onder de vigerende grenswaarden blijft.

 

5.18

Het hof zal de stellingen van FNV beoordelen tegen de achtergrond van de in hoger beroep gewijzigde eis, die enkel ziet op het aanbrengen van puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn, en overweegt als volgt.

Vastgesteld wordt dat FNV in hoger beroep niet is opgekomen tegen de navolgende overweging van de kantonrechter in 3.7. (c) van het vonnis van 29 juli 2016, zodat het hof hiervan zal uitgaan:

“(…) dat er deurtjes voor de afstrijkers zitten en dat Smit Draad gemotiveerd heeft betwist dat het vervangen van een afstrijkers een uur zou duren. Bovendien heeft Smit Draad in de conclusie van antwoord (randnummer 6.17) gesteld dat de bakjes onder de afstrijkers klein zijn en dat de via een gesloten buizensysteem de opgevangen lak vanuit die bakjes wordt teruggeleid naar de gesloten laktank die achter de lakmachine staat. (…)”

 

5.19

Nu daar niet tegen is opgekomen moet in dit hoger beroep voorts als vaststaand worden aangenomen dat Deatherm (SLT) en Deamelt (Kleeflak) niet kankerverwekkend zijn en dat FNV niet (voldoende duidelijk) heeft onderbouwd waarom, gelet op de eigenschappen van deze stoffen zoals beschreven in de als productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde veiligheidsbladen, puntafzuiging hiervoor noodzakelijk is.

Verder heeft FNV onvoldoende gemotiveerd betwist dat de lakstoffen Formvar (door FNV ‘SLN’ genoemd), Voltatex (door FNV ‘Haftlak’ genoemd) en Terebec (door FNV ‘SLW’ genoemd) kankerverwekkend zouden zijn. FNV heeft niet gemotiveerd betwist dat deze lakstoffen vergelijkbare eigenschappen hebben als de lakstoffen Deatherm en Deamelt en ook niet zijn geclassificeerd als kankerverwekkend. Evenmin heeft zij gemotiveerd betwist dat deze lakstoffen geen H350-classificatie hebben.

Dat de middelen MEK, NMP, K13 en Ecoatex verdunners en reinigingsmiddelen zijn, waarmee niet wordt gewerkt bij de lakbakken onder de afstrijkers heeft FNV ook niet betwist. De eigenschappen van deze middelen kunnen dan ook niet bijdragen aan de afweging of een puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers noodzakelijk is. Dit wordt niet anders door de stelling van FNV ter zitting in hoger beroep dat NMP als hoofdbestanddeel in de lak SLT en Haftlak aanwezig is. Verwezen wordt daartoe naar hetgeen hiervoor is vastgesteld ten aanzien van Deatherm en Voltatex. Het hof komt op grond daarvan tot de vaststelling dat de aanwezigheid van NMP als component in de betreffende lakken – kennelijk – niet leidt tot een classificatie als kankerverwekkende stof.

 

5.20

Gezien de omstandigheden van het werkproces zoals in het bestreden vonnis beschreven en hiervoor geciteerd en de eigenschappen van de lakstoffen die bij de lakbakken met afstrijkers worden gebruikt, heeft FNV niet voldoende duidelijk onderbouwd dat puntafzuiging bij de lakbakken onder de afstrijkers in iedere productielijn noodzakelijk is gelet op de classificatie van de lakstoffen. Evenmin heeft FNV voldoende duidelijk onderbouwd dat bedoelde puntafzuiging noodzakelijk is op grond van andere eigenschappen van de bij de lakbakken gebruikte lakstoffen. Grief V faalt dan ook.

 

Ventilatie in de laktoren

 

5.21

Met grief VI komt FNV op tegen het oordeel over en de afwijzing van haar vordering tot het installeren van mechanische ventilatie in de laktoren. De kantonrechter heeft daarover overwogen dat FNV niet voldoende heeft onderbouwd dat de klaarblijkelijk door haar bedoelde maatregelen de werkomstandigheden (veiligheid) van de werknemer vergroot of dat Smit Draad daar op grond van de op haar rustende zorgplicht ex artikel 7:658 BW toe is gehouden.

 

5.22

FNV heeft in hoger beroep haar vordering gewijzigd en gevorderd dat Smit Draad wordt veroordeeld tot het treffen van een goedwerkende ventilatie in de laktoren. FNV heeft daartoe aangevoerd dat op de videobeelden die als productie 6 bij inleidende dagvaarding zijn overgelegd is te zien dat er een regen van gele stofjes, zijnde isocyanaten in de fabriek ontstaat als gevolg van de slechte ventilatie in de laktoren. Deze regen daalt op een gegeven moment neer, niet alleen in de toren maar ook lager in de fabriek en om dit te stoppen is een goedwerkende ventilatie in de laktoren noodzakelijk, aldus nog steeds FNV.

 

5.23

De vordering van FNV is naar het oordeel van het hof te algemeen geformuleerd om tot toewijzing te kunnen leiden. Dit klemt te meer nu Smit Draad vóór deze wijziging van eis telkens onderbouwd heeft aangevoerd dat zich diverse mechanische ventilatoren bevinden rondom de lakmachines, de laktoren geen reguliere werkplek is en werknemers die incidenteel werkzaamheden verrichten in de laktoren, daar voor korte duur met PBM’s aanwezig zijn. Verder heeft Smit Draad telkens aangevoerd dat de ventilatie in de laktoren al jaren haar aandacht heeft en zij enkele jaren geleden – naar het hof uit productie 4 bij conclusie van antwoord in het incident houdende verzoek tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv afleidt: in 2011 – grote dakluiken heeft laten plaatsen bovenin de toren. Volgens Smit Draad hebben deze dakluiken de ventilatie aanzienlijk verbeterd. Zij leidt dit af uit de vergelijking van meetresultaten van het RadboudUMC over de jaren heen en verwijst daartoe naar de producties 2 tot en met 5 bij conclusie van antwoord in het incident houdende verzoek tot voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv. FNV heeft dit in eerste aanleg niet weerlegd.

 

5.24

Tegenover deze gemotiveerde en onderbouwde stellingen, waarnaar Smit Draad in hoger beroep nadrukkelijk heeft verwezen, heeft FNV niet onderbouwd wat onder een goedwerkende ventilatie moet worden verstaan, welke eigenschappen deze moet hebben, dan wel welke eisen daaraan (minimaal) moeten worden gesteld ten behoeve van de veiligheid van de werknemers. De enkele stelling van FNV dat een goedwerkende ventilatie moet voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan isocyanaten, is daarvoor niet voldoende, nu Smit Draad onder verwijzing naar pagina 14 van de rapportage van Ceasar Consult (productie 27 bij conclusie van antwoord in incident) en de hiervoor vermelde meetresultaten van RadboudUMC gemotiveerd heeft betwist dat de huidige ventilatievoorzieningen onvoldoende werken om te bereiken dat werknemers veilig in de fabriek kunnen werken.

 

5.25

Gelet op de algemene formulering van de vordering is bovendien niet duidelijk hoe Smit Draad daaraan bij toewijzing zou kunnen voldoen. Ook dit staat aan toewijzing van de vordering in de weg en grief VI faalt dan ook.

 

Gelaatsmaskers

 

5.26

FNV heeft in eerste aanleg gevorderd dat Smit Draad wordt veroordeeld tot het binnen zeven dagen na datum vonnis beschikbaar stellen van adequate PBM’s voor de laktoren en de productielijn, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft Smit Draad in het eindvonnis veroordeeld om binnen dertig dagen na datum vonnis een persoonlijk gelaatsmasker voor de laktoren ter beschikking te stellen, op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft daartoe onder meer overwogen:

“Het staat vast dat een vijftal sets met persoonlijke beschermingsmiddelen voor dit werk beschikbaar is gesteld (onder meer bestaande uit een overal, handschoenen en een gelaatsmasker). Ter zitting heeft FNV opgemerkt dat dit geen persoonlijke beschermingsmiddelen zijn omdat meer dan vijf verschillende mensen werkzaamheden in de laktoren (moeten) verrichten. Dit deel van de vordering wordt, voor wat betreft het gelaatsmasker, toegewezen. Niet in geschil is dat persoonlijke beschermingsmiddelen voor het werken in de laktoren beschikbaar moeten zijn. Voldoende staat vast dat dit, zowel om gezondheids- als om hygiënische redenen, persoonlijke (niet door anderen gebruikte) beschermingsmiddelen moeten zijn. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat de overall en handschoenen na gebruik gewassen en/of gereinigd kunnen worden.”

 

5.27

Grief 1 in incidenteel hoger beroep heeft hierop betrekking. De kantonrechter heeft deze veroordeling gebaseerd op de volgens Smit Draad feitelijk onjuiste aanname dat zij slechts een vijftal sets met PBM’s (onder meer bestaande uit een overall, handschoenen en een gelaatsmasker) beschikbaar gesteld zou hebben voor het verrichten van sporadische werkzaamheden in de laktoren. Smit Draad voert aan dat in eerste aanleg het aantal ter beschikking gestelde gelaatsmaskers nooit onderwerp van discussie tussen partijen is geweest of onderwerp van het aan de kantonrechter voorgelegde geschil, maar dat Smit Draad over de vordering van de FNV heeft aangevoerd dat deze onvoldoende duidelijk is.

Voorts voert zij in hoger beroep onderbouwd met een schriftelijke verklaring van 18 mei 2017 met bijlagen aan dat er ten tijde van de comparitie in eerste aanleg binnen Smit Draad 63 volgelaatsmaskers – die persoonsgebonden zijn en door werknemers in de persoonlijke kledingkasten worden bewaard – beschikbaar waren voor en in gebruik door werknemers die sporadisch de laktoren dien(d)en te betreden en dat zij vanaf 2010 in totaal 71 persoonlijke gelaatsmaskers heeft aangekocht en ter beschikking gesteld. De volgelaatsmaskers werden en worden gebruikt door medewerkers die zich sporadisch in de laktoren moeten ophouden en voor dergelijke werkzaamheden heeft Smit Draad bovendien in totaal 18 ‘verse luchtsystemen’ aangeschaft, aldus nog steeds Smit Draad, die nog toelicht dat FNV in eerste aanleg alleen ter discussie heeft gesteld of de beschikbare PBM’s wel als adequaat kwalificeren.

 

5.28

Het hof stelt vast dat FNV op de comparitie van partijen in eerste aanleg haar eis naar aanleiding van door Smit Draad genomen maatregelen heeft herzien. Ook heeft zij toen op papier toegelicht welke maatregelen Smit Draad heeft genomen. Onder andere wordt vermeld:

“Wel is er nu sprake van een volledig pakket aan pbm’s voor werkzaamheden in de laktoren (volgelaatsmaskers, overalls en handschoenen)”

In de herziene eis wordt niet langer gevorderd dat Smit Draad adequate PBM’s voor de laktoren en de productielijn ter beschikking stelt.

Het hof leidt hieruit af dat FNV ten tijde van de comparitie van partijen in eerste aanleg van mening was dat er voldoende PBM’s, waaronder voldoende persoonsgebonden volgelaatsmaskers voor werknemers die arbeid moeten verrichten in de laktoren, beschikbaar waren.

Uit pagina’s 4 en 5 het proces-verbaal van de comparitie van partijen volgt voorts dat het aantal van vijf, dat door de kantonrechter in het eindvonnis wordt vermeld betrekking heeft op pakken die zijn aangeschaft voor de laktoren. Namens FNV is daarover toen opgemerkt dat zij uit oogpunt van hygiëne wil dat iedereen zo’n pak krijgt, omdat het gaat om persoonsgebonden beschermingsmiddelen. Smit Draad heeft blijkens het proces-verbaal gereageerd met de opmerking dat dit niets met de zaak te maken heeft maar dat ze daar echt wel een oplossing voor vinden. Uit de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep leidt het hof af dat partijen op de comparitie van partijen in dit verband kennelijk ook hebben gesproken over het ter beschikking stellen van nog meer volgelaatsmaskers, maar dit is niet gerelateerd in het proces-verbaal en doet er niet aan af dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de herziene eis van FNV niet gebleken is dat het aantal van 63 persoonsgebonden volgelaatsmaskers op dat moment niet toereikend was.

 

5.29

Voor zover FNV in hoger beroep het aantal van 63 volgelaatsmaskers betwist, oordeelt het hof dat Smit Draad met de door haar overgelegde schriftelijke verklaring van 18 mei 2017, en met name bijlage 4 daarbij voldoende heeft onderbouwd dat zij in de periode tussen 2010 en 8 juni 2016 (de dag waarop de comparitie van partijen in eerste aanleg plaatsvond) 63 volgelaatsmaskers heeft aangeschaft. Bijlage 4 betreft een historisch overzicht van de ontvangen inkopen van artikelnummer 251227 dat volgens de ‘Artikelstamgegevens onderhoud’ in diezelfde bijlage betrekking heeft op het artikel ‘3M volgelaatsmasker’. Uit dit overzicht volgt dat Smit Draad in 2010 (5+5+4+7=) 21, in 2011 (2+3=) 5, in 2012 1, in 2014 (10+8=) 18, in 2015 8 en tot 8 juni in 2016 (5+5=) 10 van dergelijke maskers heeft ontvangen. Het door FNV op pagina 3 van haar memorie van antwoord in incidenteel appel genoemde aantal van 38 aangekochte gelaatsmaskers, gebaseerd op dezelfde bijlage 4, is gebaseerd op de periode 10 maart 2010 tot en met 4 november 2010 en op de periode 13 juli 2011 tot en met 2014. Dit betreft dus maar een deel van het historische overzicht en kan dan ook niet dienen als een voldoende betwisting van het door Smit Draad gestelde.

 

5.30

Het vorenstaande brengt met zich dat grief 1 van Smit Draad slaagt en de veroordeling op dit punt niet in stand kan blijven. Gezien de in eerste aanleg herziene eis, die FNV in hoger beroep niet heeft gewijzigd op dit punt, ligt een oordeel over het ter beschikking stellen van adequate PBM’s voor de laktoren en de productielijn thans niet meer voor, zodat de stellingen en verweren daarover buiten behandeling kunnen blijven.

 

5.31

Uit het slagen van grief 1 in incidenteel hoger beroep volgt dat ook grief 2 van Smit Draad, die betrekking heeft op de in eerste aanleg uitgesproken compensatie van proceskosten, naar het hof begrijpt zowel in het incident als in de hoofdzaak, slaagt. Op grond van het bepaalde in artikel 237 Rv wordt de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld veroordeeld in de kosten. In het geval van een familie/bloedverwantenband tussen partijen of in het geval partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld mogen de kosten geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd. Nu FNV volledig in het ongelijk wordt gesteld, dient zij op de voet van dit artikel te worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Daaraan doet niet af dat, zoals door FNV betoogd en door Smit Draad betwist, het uitbrengen van de dagvaarding ertoe heeft geleid dat het uitvoeren van het plan van aanpak (zie 3.10 en 3.11) weer op gang kwam en Smit Draad lopende de procedure een aantal maatregelen zoals door FNV in de procedure gevorderd, heeft genomen. Volgens FNV rechtvaardigt dit resultaat ten behoeve van de werknemers het oordeel van de kantonrechter over de kostenveroordeling, maar naar het oordeel van het hof kan hiervoor geen grondslag worden gevonden in artikel 237 Rv.

 

Voorts

 

5.32

Gezien de voorgaande overwegingen van het hof bestaat er geen aanleiding voor een bewijsopdracht in principaal en/of incidenteel hoger beroep, zodat aan het bewijsaanbod van FNV voorbij wordt gegaan.

 

6

De slotsom

 

6.1

De grieven in principaal hoger beroep falen. De grieven in incidenteel hoger beroep slagen. Het bestreden vonnis van 29 juli 2016 zal worden vernietigd voor zover het betreft de bestreden beslissingen in 4.2., 4.4. tot en met 4.7 en voor het overige worden bekrachtigd.

 

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof FNV in de kosten van het geding in eerste aanleg veroordelen, waaronder begrepen de kosten van het incident. De kosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van Smit Draad zullen voor wat betreft het incident worden vastgesteld op € 300,- voor salaris gemachtigde (1 punt, tarief II) en voor wat betreft de hoofdzaak worden vastgesteld op € 600,- voor salaris gemachtigde (2 punten, tarief II).

FNV zal, als de in het ongelijk te stellen partij, tevens worden veroordeeld in de kosten van het principaal hoger beroep, waaronder begrepen de kosten van het incident, aan de zijde van Smit Draad te bepalen op € 718,- aan griffierecht en € 4.696,- voor salaris advocaat volgens liquidatietarief (4 punten, tarief II). Ook zal zij, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van Smit Draad te bepalen op € 1.611,- voor salaris advocaat volgens liquidatietarief (3 punten x 0,5, tarief II).

 

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals hierna vermeld.

 

7

De beslissing

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Nijmegen, van 29 juli 2016, voor wat betreft de beslissing onder 4.2., 4.4., 4.5., 4.6. en 4.7., en doet in zoverre opnieuw recht:

 

wijst de vordering van FNV tot het treffen van maatregelen af;

 

veroordeelt FNV in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van Smit Draad voor wat betreft het incident vastgesteld op € 300,- voor salaris gemachtigde en voor wat betreft de hoofdzaak vastgesteld op € 600,- voor salaris gemachtigde;

 

bekrachtigt de bestreden vonnissen van 25 maart 2016 en 29 juli 2016 van de kantonrechter voor het overige;

 

veroordeelt FNV in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Smit Draad vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en op € 4.696,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

 

veroordeelt FNV in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze beschikking aan de zijde van Smit Draad vastgesteld op € 1.611,- voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

 

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst af wat meer of anders is verzocht.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, W.C. Haasnoot en C. Hoogland en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots