Hof: BGK in niet-complexe zaak: uurtarief € 250,- en aantal uren niet redelijk (1)

Samenvatting:

Letselschade is afgewikkeld voor € 65.500; belangenbehartiger vordert in totaal € 14.727,45 aan BGK a € 250; hiervan is reeds € 10.000,- betaald. Het hof stelt vast dat de discussie over de medische causaliteit uitsluitend door de medische deskundigen is gevoerd en de werkzaamheden van belangenbehartiger (vrijwel) uitsluitend hebben bestaan in het doorsturen van brieven en het bijstaan van benadeelde bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Niet is komen vast te staan dat sprake was van een complexe zaak met ingewikkelde berekeningen. Tegen deze achtergrond acht het hof het uurtarief van € 250 niet redelijk. Belangenbehartiger heeft, gelet op de betwisting door verzekeraar, onvoldoende (onderbouwd) gesteld dat het aantal uren leidt tot een hoger bedrag aan BGK dan de reeds betaalde € 10.000 .

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.095.990
(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen, 718227)
arrest van de derde kamer van 12 maart 2013

in de zaak van


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [
Belangenbehartiger] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
hierna: [Belangenbehartiger],
advocaat: mr. I.O.D.V. Wetzels,

tegen:


de naamloze vennootschap N.V. Schadeverzekering-Maatschappij Bovemij,

gevestigd te Nijmegen,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
hierna: Bovemij,
advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1.
Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het verloop van de procedure na het tussenarrest van 22 november 2011 blijkt uit:
– de memorie van grieven, met producties,
– de memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
– de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

1.2. Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en
heeft het hof arrest bepaald.

1.3 Gelet op artikel
CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2()2. 313) wordt in deze voor ! januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

2.
De vaststaande feiten

2.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de
rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het (bestreden) vonnis van 29 april 2011. Mede gezien hetgeen overigens enerzijds is gesteld en anderzijds niet is weersproken, gaat het hof uit van de volgende feiten.

2.2 Op 10 maart 2006 heeft [Benadeelde] (hierna:[Benadeelde]) een verkeersongeval gehad. In verband hiermee heeft Bovemij in haar hoedanigheid van WAM-verzekeraar aansprakelijkheid erkend.

2.3 [Benadeelde] werd aanvankelijk bijgestaan door de Stichting Rechtsbijstand (SRK) te
Tilburg, later genaamd Achmea Rechtsbijstand. Vanaf maart 2008 heeft [Belangenbehartiger] aan [Benadeelde] juridische bijstand verleend. In dit kader heeft [Benadeelde] op 20 maart 2008 een machtiging ondertekend. Daarin is onder meer bepaald:
"De ondergetekende (…) machtigt hierbij en komt overeen met [Belangenbehartiger] B. V. (…) het navolgende:
(…)
Het rechtstreeks aan de aansprakelijke wederpartij/verzekeraar declareren van door opdrachtneemster in opdracht en voor rekening van opdrachtgever gemaakte buitengerechtelijke kosten (BGK) via op naam van opdrachtgever gestelde declaraties, een en ander op grond van art. 6:96 BW.
Door ondertekening verklaart opdrachtgever zijn potentiële BGK-claim op de aansprakelijke wederpartij reeds nu voor alsdan aan opdrachtneemster te cederen. "

2.4
Partijen hebben met elkaar onderhandeld over een aan [Benadeelde] toe te kennen schadevergoeding. Dit heeft geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst tussen Bovemij en [Benadeelde], die door hen is ondertekend op 8 en 9 juni 2009. Zij zijn daarin het volgende overeengekomen:
"(…)
alle aanspraken van benadeelde op vergoeding van de ge/eden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade worden door deze vaststellingsovereenkomst vastgesteld op een bedrag van € 65.500,00 (zegge: vijfenzestig duizend en vijfhonderd euro);
verzekeraar betaalt aan benadeelde het onder l. genoemde geldbedrag onder aftrek van reeds verstrekte voorschotten (…);
verzekeraar betaalt de redelijke buitengerechtelijke kosten rechtstreeks aan [Belangenbehartiger] Juristen onder aftrek van reeds verstrekte voorschotten ten bedrage van in totaal €5.000,-.
tegenover het onder 1, 2 en 3 gestelde verleent benadeelde finale kwijting ter zake van alle aanspraken op vergoeding van materiële en immateriële schade (…) ".

2.5
[Belangenbehartiger] heeft voor door haar verrichte werkzaamheden voor een totaalbedrag van 14.727.45 (inch btw) aan op naam van [Benadeelde] gestelde declaraties bij Bovemij ingediend. Bovemij heeft een bedrag van 10.000.- aan [Belangenbehartiger] vergoed. Voorts heeft Bovemij aan [Belangenbehartiger] een bedrag van 1.535,38 aan (medische) verschotten voldaan.

3. De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1 In het tussenarrest heeft het hof een comparitie gelast, welke geen doorgang heeft gevonden. Daarna hebben partijen de onder 2 vermelde proceshandelingen verricht en heeft het hof arrest bepaald.

3.2 In deze procedure vordert [Belangenbehartiger] vergoeding van de volledige door haar gedeclareerde
buitengerechtelijke kosten, hetgeen volgens [Belangenbehartiger] na aftrek van het door Bovemij reeds betaalde bedrag neerkomt op 4.727,45. Bovemij heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank heeft de vorderingen van [Belangenbehartiger] afgewezen, waartegen [Belangenbehartiger] in (principaal) hoger beroep opkomt. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft Bovemij een grief aangevoerd ter aanvulling van de feiten. Onder 2.5 is het desbetreffende – door [Belangenbehartiger] niet betwiste – aanvullende feit opgenomen, zodat Bovemij bij een verdere bespreking van die grief geen belang meer heeft. De grieven in principaal hoger beroep lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3 De grieven leggen aan het hof de vraag voor of de door [Belangenbehartiger] jegens Bovemij gevorderde buitengerechtelijke kosten, in het licht van de daarvoor geldende maatstaf van artikel 6:96 lid 2 sub b BW, toewijsbaar zijn. Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub b BW komen, in het geval een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking, redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Voor toewijsbaarheid van deze kosten is vereist dat de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als gevolg van de (potentieel) schadeveroorzakende gebeurtenis zijn gemaakt en in een zodanig verband met die gebeurtenis staan, dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend (HR 11 juli 2003, LJN AF7423).

3.4 In het onderhavige geval heeft Bovemij aansprakelijkheid erkend en niet betwist dat [Benadeelde] zich (redelijkerwijs) van rechtsbijstand mocht voorzien, noch dat [Benadeelde] de thans gevorderde bedragen aan buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk aan [Belangenbehartiger] verschuldigd is geworden. Bovemij diende derhalve de kosten ter vaststelling van de schade van [Benadeelde] – voor zover redelijk van omvang – te vergoeden. Aldus gaat het erom of de (omvang van de) door [Belangenbehartiger] gevorderde kosten redelijk zijn en of deze het reeds door Bovemij aan [Belangenbehartiger] betaalde bedrag van € 10.000,- (exclusief de door Bovemij betaalde medische verschotten) overstijgen.

3.5 [Belangenbehartiger] heeft ter onderbouwing van haar vordering als productie 3 bij inleidende dagvaarding een aantal declaraties overgelegd, alsmede daaraan ten grondslag liggende specificaties welke zijn voorzien van (summiere) omschrijvingen van de gedeclareerde werkzaamheden. De declaraties betreffen werkzaamheden die [Belangenbehartiger] heeft verricht in de periode maart 2008 tot en met juni 2009. [Belangenbehartiger] heeft gedeclareerd op basis van een uurtarief van € 250,-. Volgens [Belangenbehartiger] is zowel het aantal geschreven uren als het gehanteerde uurtarief gelet op de aard van de zaak en van de werkzaamheden redelijk, nu volgens haar sprake is geweest van intensief overleg, een ingewikkelde claim en gezien de ontstane discussie over de medische causaliteit.

3.6 Bovemij heeft de door [Belangenbehartiger] gestelde aard en omvang van de werkzaamheden
gemotiveerd betwist. Volgens Bovemij is de discussie over medische causaliteit door de medische adviseurs gevoerd, die daarvoor zijn betaald, is met Wiilox nooit inhoudelijke discussie over (hoogte van) schade gevoerd en heeft [Belangenbehartiger] vrijwel uitsluitend reacties van [Benadeelde] doorgestuurd, ter adstructie waarvan Bovemij enkele brieven van [Belangenbehartiger] heeft overgelegd.

3.7
Gelet op dit gemotiveerde en onderbouwde verweer van Bovemij, had het op de weg van [Belangenbehartiger] gelegen zijn desbetreffende stellingen nader toe te lichten en te onderbouwen. Anders dan [Belangenbehartiger] kennelijk meent (memorie van grieven, onder 2) ligt de stelplicht en bewijslast voorde redelijkheid van de gevorderde buitengerechtelijke kosten bij [Belangenbehartiger]. Voor zover [Belangenbehartiger] met de ten behoeve van de comparitie in eerste aanleg overgelegde correspondentie heeft willen onderbouwen dat zijn werkzaamheden voor [Benadeelde] wel een (overwegend) inhoudelijk karakter hadden, bevindt zich daaronder slechts één meer inhoudelijke brief van zijn hand. Nog daargelaten dat Witiox in geen enkel processtuk (concreet) naar deze producties verwijst, kan ook daaruit het door [Belangenbehartiger] gestelde karakter van de zaak en de door haar verrichte werkzaamheden niet worden afgeleid.
Aldus moet het ervoor worden gehouden dat de discussie over de medische causaliteit uitsluitend door de medische deskundigen is gevoerd en de werkzaamheden van [Belangenbehartiger] in de desbetreffende periode (vrijwel) uitsluitend hebben bestaan in het doorsturen van brieven en het bijstaan van [Benadeelde] bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Ook wat dit laatste betreft, geldt dat niet is komen vast te staan dat sprake was van een complexe zaak met ingewikkelde berekeningen. Tegen deze achtergrond acht het hof het door [Belangenbehartiger] voor al haar werkzaamheden gehanteerde uurtarief van € 250,- niet redelijk. Nu [Belangenbehartiger] voorts, gelet op de betwisting daarvan door Bovemij, het urenaantal niet nader heeft toegelicht en de redelijkheid van het gedeclareerde urenaantal ook niet uit de (summier omschreven) specificaties behorende bij de declaraties kan worden afgeleid, heeft [Belangenbehartiger] naar het oordeel van het hof onvoldoende (onderbouwd) gesteld om te kunnen oordelen dat de redelijke buitengerechtelijke kosten voor dit dossier meer hebben bedragen dan het bedrag van €10.000,- dat Bovemij daarvoor reeds heeft betaald. Aan het bewijsaanbod van [Belangenbehartiger] komt het hof dan ook niet toe.

3.8
Op het voorgaande stuiten alle grieven in principaal hoger beroep af. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep behoeft geen verdere bespreking meer.

4.
Slotsom

4.1 De grieven in het principaal hoger beroep falen en het voorwaardelijk incidenteel
hoger beroep behoeft geen bespreking. Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

4.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [Belangenbehartiger] in de kosten van het hoger
beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bovemij zullen worden vastgesteld op:
griffierecht 6 649.-
salaris advocaat 632.- (1 punt x tarief I).

4.3
Als niet betwist zullen ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de gevorderde nakosten worden toegewezen, een en ander zoals hieronder vermeld.

5. De beslissing

Het hof. recht doende in principaal hoger beroep:


bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie
Nijmegen) van 29 april 2011;

veroordeelt [Belangenbehartiger] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van
Bovemij vastgesteld op € 649.- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [Belangenbehartiger] in de nakosten, begroot op € 131.-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Witiox niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde kostenveroordelingen betreft,
uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, B.J. Lenselink en H.M. Wattendorffen is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2013.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey