Hof: benadeelde heeft onvoldoende meegewerkt aan schadevaststelling, BGK daarom voor 50% niet redelijk

Samenvatting:

Het hof volgt verzekeraar gedeeltelijk in haar verweer dat de in rekening gebrachte werkzaamheden niet alle van toegevoegde waarde zijn geweest voor de schadeafwikkeling. Het hof oordeelt dat appellant het oordeel van de kantonrechter dat hij onvoldoende medewerking heeft verleend om binnen redelijke termijn tot schadevaststelling te komen onvoldoende bestreden. Uit correspondentie blijkt dat verzekeraar herhaaldelijk om informatie gevraagd en dat belangenbehartiger een voorstel van verzekeraar om appellant gezamenlijk te bezoeken heeft afgewezen. (zie r.o 4.8). Het hof schat, aangezien aan de hand van de stellingen van partijen niet exact kan worden vastgesteld welk deel van de kosten redelijk is, de omvang daarvan op de voet van art. 6:97 BW, en wel op 50 % van het honorarium over die periode en wijst een bedrag van € 2.452,97,- toe. (zie r.o 4.9)

 

ECLI:NL:GHARL:2019:10136

 

Instantie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak

26-11-2019

Datum publicatie

28-11-2019

Zaaknummer

200.239.555/01

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Hoger beroep

Inhoudsindicatie

Geschil over buitengerechtelijke kosten in letselschadezaak. Hof oordeelt dat 50% van de kosten in een bepaalde periode voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

 

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

 

locatie Leeuwarden

 

afdeling civiel recht, handel

 

zaaknummer gerechtshof 200.239.555/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 6209337)

 

arrest van 26 november 2019

 

in de zaak van

 

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. F.C. Schirmeister, kantoorhoudend te Maastricht,

 

tegen

 

Unigarant N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Unigarant,

advocaat: mr. D.D. Markvoort, kantoorhoudend te Hoogeveen.

 

1

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

 

1.1

Voor het verloop van de procedure tot 30 juli 2019 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 14 oktober 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij zijn aan de zijde van Unigarant de spreeknotities van haar advocaat (waarnemend: mr. J.F. Koorevaar) overgelegd.

 

1.2

Partijen hebben arrest gevraagd op het voorafgaand aan de zitting toegezonden procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

 

2

De vaststaande feiten

 

2.1

Als gesteld en niet weersproken staan de volgende feiten tussen partijen vast.

 

2.2

Op 23 maart 2015 is [appellant] te Huizen het slachtoffer geworden van een verkeersongeval. De door hem bestuurde auto werd door een bij Unigarant voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerde auto aangereden.

 

2.3

Unigarant heeft bij brief van 7 april 2015 de aansprakelijkheid erkend voor de door [appellant] als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade.

 

2.4

De auto van [appellant] was, in verband met de incomplete dwarslaesie van [appellant] als gevolg van een mislukte trampolinesprong op 6 juni 1998, uitgerust met een handvat waarmee rem en gas werden bediend.

 

2.5

Als gevolg van het ongeval ervaart [appellant] polsklachten, schouderklachten, rechterarmklachten, tintelingen in de rechterhand, pijnklachten aan de rechterduim, nekklachten, hoofdpijnklachten en concentratieproblemen.

 

2.6

Aanvankelijk trad mr. Keizer van SAP Advocaten op als belangenbehartiger van [appellant] . Vervolgens is Van Dort Letselschade (hierna: Van Dort) de belangen van [appellant] gaan behartigen. Unigarant heeft drie nota’s van SAP (totaal € 3.857,59) vergoed en zij heeft een nota van Van Dort van € 3.193,22 voldaan.

 

2.7

Bij brief van 5 oktober 2016 heeft Van Dort haar factuur van 5 oktober 2016 (productie 17 bij dagvaarding) aan Unigarant doen toekomen. Het factuurbedrag is € 6.196,92 en heeft betrekking op de periode vanaf 25 april 2016 tot en met 5 oktober 2016. Een deel groot € 3.825 excl. 6% kantoorkosten en excl. btw heeft betrekking op kosten voor de werkzaamheden van Van Dort (hierna: BGK) en een deel groot € 1.066,90 excl. btw op verschotten (medische kosten).

 

2.8

Unigarant heeft in reactie hierop in een brief van 13 oktober 2016 (productie 10 bij dagvaarding) laten weten:

“Het lijkt me niet zinvol op dit moment in te gaan op brief anders dan te verwijzen naar het advies van mijn medisch adviseur. Voor mijn medisch adviseur staat een verband tussen het ongeval en de beperkingen allerminst vast. Ik heb op dit moment dan ook geen reden om nader te bevoorschotten. Of u in redelijkheid de aanzienlijke kosten maakt kan ik op dit moment niet onderkennen. Deze zullen zodra er duidelijkheid bestaat over de aanspraken van uw cliënt worden beoordeeld. ”

 

2.9

Vervolgens heeft de huidige advocaat van [appellant] bij brief van 16 november 2016 (productie 11 bij dagvaarding) Unigarant verzocht om “een redelijk en fatsoenlijk voorschot” naar aanleiding van een door Van Dort aan Unigarant gestuurde schadestaat, die zag op de verschenen schade.

 

2.10

In reactie daarop heeft Unigarant laten weten dat de discussie over de medische causaliteit en onduidelijkheden over de schadestaat aan het betalen van een voorschot in de weg staat. Daarop volgende correspondentie heeft partijen niet dichter tot elkaar gebracht.

 

2.11

Van Dort heeft bij factuur van 22 juni 2017 aan Unigarant de kosten van

11 oktober 2016 tot en met 22 juni 2017 in rekening gebracht: € 2.437,50 excl. btw en kantoorkosten voor BGK en € 420,24 excl. btw voor verschotten.

 

2.12

Unigarant heeft de medische verschotten als vermeld op de facturen van

5 oktober 2016 en 22 juni 2017 voldaan. Wat betreft de BGK heeft Unigarant € 3.126,- voldaan. Dit bedrag is gelijk aan de BGK die in rekening zijn gebracht in de factuur van

22 juni 2017, vermeerderd met kantoorkosten en btw. Een bedrag van € 4.905,97 is onbetaald gebleven. Dit bedrag is gelijk aan de BGK die in rekening zijn gebracht in de factuur van 5 oktober 2016, vermeerderd met kantoorkosten en btw. Ter toelichting heeft Unigarant in haar brief aan Van Dort van 11 juli 2017 geschreven:

” (…)Aangaande de redelijkheid van de in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten breng ik het volgende onder uw aandacht. In de brief van 31 mei 2016 werd verzocht om de benodigde informatie over de preexistentie medische situatie. Bij brief van 6 oktober 2016 werd hierop nogmaals aangedrongen. Eerst bij brief van 11 april 2017 werd de gevraagde informatie verstrekt. Ook het tot stand komen van een gezamenlijk bezoek bij uw cliënt thuis verliep niet zonder de nodige schermutselingen. De dossier behandeling in de tussenliggende periode heeft dan ook geen inhoudelijke bijdrage opgeleverd. Ik kan de buitengerechtelijke kosten in de periode van juni 2016 tot en met januari 2017 dan ook niet aanmerken als in redelijkheid noodzakelijke kosten nu de verrichtingen in deze periode geen inhoudelijke bijdrage hebben geleverd. Met deze betaling beschouw ik de in het verleden gedane kosten als afgedaan. Uw komende nota zal ik nu de schaderegeling weer op de rails staat voldoen.”

 

2.13

Partijen zijn vervolgens een gezamenlijke expertise bij de orthopedisch chirurg

  1. [B] (hierna: de deskundige) overeengekomen. Deze heeft op 6 mei 2018 zijn (definitieve) rapport uitgebracht. De deskundige schat de invaliditeit van de bovenste extremiteit op 18% en de mate van invaliditeit van de gehele persoon op 11%. De deskundige heeft geen orthopedische afwijkingen gevonden en verwacht algeheel herstel, mogelijk binnen een half jaar tot een jaar. In verband met de “forse discrepantie tussen de klachten en de afwijkingen en de afwezigheid van orthopedische afwijkingen, valt een neuropsychologische expertise te overwegen” aldus de deskundige.

 

2.14

Unigarant heeft vervolgens in een brief van 5 september 2018 laten weten dat zij de behandeling van het dossier staakt.

 

3

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

 

3.1

[appellant] heeft Unigarant gedagvaard en gevorderd, samengevat, dat de kantonrechter, Unigarant zal veroordelen tot betaling van € 5.680,84 (hoofdsom van € 4.905,97 en buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 774,87) vermeerderd met rente en kosten.

 

3.2

Unigarant heeft verweer gevoerd.

 

3.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 11 april 2018 de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de kosten van het geding.

 

4

De motivering van de beslissing

 

4.1

Het hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van 11 april 2018 en het alsnog toewijzen van de vordering van [appellant] , met veroordeling van Unigarant in de kosten van beide instanties, vermeerderd met rente.

 

4.2

De eerste grief is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Aangezien het hof zelf de feiten heeft vastgesteld en daarbij rekening heeft gehouden met wat in grief 1 is aangevoerd (en het verweer daartegen van Unigarant) bestaat geen belang bij afzonderlijke bespreking van deze grief. Als zodanig kan de grief niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

 

4.3

De grieven 2 tot en met 4 zal het hof gezamenlijk bespreken. In de kern komt het geschil erop neer dat Unigarant heeft geweigerd een deel van de in rekening gebrachte BGK te voldoen. Alvorens daarop in te gaan, zal het hof eerst bepalen welke nota(‘s) er op dit moment gedeeltelijk onvoldaan is (zijn) gebleven. Volgens [appellant] heeft Unigarant op de nota’s van 5 oktober 2016 en 22 juni 2017 willekeurig een bedrag van € 3.126,- voldaan en staan van beide nota’s dus nog gedeelten open als niet betaald. Het hof kan [appellant] daarin niet volgen. Aangezien het betaalde bedrag exact gelijk is aan de BGK vermeerderd met kantoorkosten en btw als vermeld op de nota van 22 juni 2017 is evident dat bedoeld is de BGK van die nota te betalen. Daarmee staan alleen de BGK op de nota van 5 oktober 2016 open. Die hebben betrekking op de periode 25 april 2016 tot en met 5 oktober 2016.

 

4.4

De reden voor de weigering van Unigarant deze BGK te voldoen is dat volgens haar deze niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets.

Daartoe heeft zij betoogd (samengevat):

( i) dat bijna 12 mille aan buitengerechtelijke kosten is betaald terwijl er onvoldoende onderbouwing is op het punt van de medische causaliteit en de door [appellant] gestelde schade;

(ii) dat gestelde vragen en verzoeken om informatie niet (tijdig of adequaat ) of pas na herhaling zijn beantwoord;

(iii) dat [appellant] gebruik maakt van een professionele belangenbehartiger die een uurtarief van € 225,- rekent en voor dit uurtarief mag worden verwacht dat efficiënt wordt gewerkt, dat aan reële verzoeken om informatie wordt voldaan en dat constructief werk wordt gemaakt van een goede onderbouwing van de aanspraak op schadevergoeding, hetgeen niet is gebeurd;

(iv) dat de verhouding tussen de gevorderde kosten en de schade zoek is;

( v) dat de onderbouwing van de claim onvolledig en ongeloofwaardig is en uit de medische expertise blijkt dat [appellant] klachten voorwendt;

(vi) dat in de kern het bezwaar inhoudt dat niet is gebleken dat de in rekening gebrachte werkzaamheden van nut of toegevoegde waarde zijn geweest.

 

4.5

Het hof overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW, vereist dat:

( a) condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423 en HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586).

 

4.6

Het hof is van oordeel dat Unigarant op zichzelf niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de in genoemde nota van 5 oktober 2016 in rekening gebrachte BGK betrekking hebben op werkzaamheden die daadwerkelijk zijn verricht (zoals gespecificeerd in de bij die nota behorende specificaties). Evenmin is voldoende betwist dat de in rekening gebrachte kosten in zodanig verband staan met de aanrijding dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend en dat het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van de aanrijding deskundige bijstand in te roepen. Ook het in rekening gebrachte uurtarief is door Unigarant niet ter discussie gesteld. Een en ander dient dan ook tot uitgangspunt.

 

4.7

De beantwoording van de vraag in hoeverre [appellant] schade heeft geleden en zal lijden als gevolg van de aanrijding is als zodanig niet ter beantwoording aan het hof voorgelegd. [appellant] vordert die schade niet in deze procedure en Unigarant heeft geen verklaring voor recht gevorderd dat geen schade is geleden. Hoewel de deskundige geen orthopedische afwijkingen heeft vastgesteld, heeft hij wel geconcludeerd tot een behoorlijk percentage invaliditeit, met uitzicht op herstel. De vraagtekens die Unigarant plaatst bij deze rapportage zullen onderwerp van verder debat tussen partijen zijn over de (omvang van de) schade, maar zijn niet van dien aard dat zonder verder debat hierover nu al door het hof geconcludeerd kan worden dat er geen schade is dan wel dat de omvang daarvan in geen verhouding staat tot de BGK. Bovendien zijn de onderhavige kosten gemaakt in een periode dat het rapport van [B] er nog niet was en Unigarant het dossier nog niet had gesloten. Ook al zou de uiteindelijke conclusie zijn dat [appellant] geen schade heeft geleden of veel minder dan hij in de bewuste periode dacht, dan hoeft dat nog niet te betekenen dat de kosten destijds niet in redelijkheid zijn gemaakt. Dat zou anders zijn in geval van fraude, maar dat daarvan sprake is, is door [appellant] betwist en een bewijsaanbod ter zake daarvan is door Unigarant niet gedaan. Het hof kan daarom in dit stadium niet van fraude uitgaan.

In zoverre volgt het hof de kantonrechter en neemt het diens overwegingen onder 4.1 en 4.2 over.

 

4.8

Wel volgt het hof Unigarant gedeeltelijk in haar verweer dat de in rekening gebrachte werkzaamheden niet alle van toegevoegde waarde zijn geweest voor de schadeafwikkeling. [appellant] heeft in zijn grieven onvoldoende concreet bestreden wat de kantonrechter ter zake heeft overwogen in rechtsoverweging 4.3 van zijn vonnis:

“(…) Uit de door partijen overgelegde correspondentie volgt dat de schadeafwikkeling op zijn minst moeizaam verloopt, wat (groten)deels is toe te rekenen aan het uitblijven van de door [appellant] aan Unigarant te leveren informatie. Unigarant heeft herhaaldelijk om informatie gevraagd. De overgelegde brieven van 1 mei 2015, 1 juni 2015, 20 augustus 2015. 2 november 2015. 21 maart 2016, 29 april 2016, 31 mei 2016, 1 augustus 2016, en 6 oktober 2016 maken duidelijk dat Unigarant steeds maar weer heeft gevraagd aan [appellant] om openheid van zaken te geven zodat het medisch causaal verband en schade kunnen worden beoordeeld. Daarnaast heeft Unigarant onder meer gevraagd om informatie van de huisarts en fysiotherapeut, de aangiften inkomstenbelasting 2013/2014 en aanslagen inkomstenbelasting vanaf 2010, gegevens van de AOV-verzekeraar in verband met re-integratie, de medische informatie aansluitend op de aanrijding en overige vragen ten aanzien van zijn woonsituatie etc. Bij brief van 24 oktober 2016 van Van Dordt wordt zelfs een voorstel van Unigarant om [appellant] gezamenlijk te bezoeken afgewezen, omdat het bezoek geen toegevoegde waarde zou hebben. Aldus moet naar het oordeel van de kantonrechter worden aangenomen dat [appellant] onvoldoende medewerking heeft verleend om binnen redelijke termijn tot schadevaststelling te komen.”

4.9

Het (klaarblijkelijke) standpunt van Unigarant dat alle werkzaamheden over de periode 25 april 2016 tot en met 5 oktober 2016 geen enkele toegevoegde waarde hebben gehad volgt het hof echter niet. Ter zitting van het hof heeft de schadebehandelaar van Unigarant dat standpunt desgevraagd niet kunnen toelichten. Ook is opmerkelijk dat hij in zijn brief van 11 juli 2017 (zie rov. 2.12) aangeeft dat Unigarant de werkzaamheden over de periode van juni 2016 tot en met januari 2017 niet zal vergoeden. Dat strookt niet met het feit dat uiteindelijk de werkzaamheden over april-oktober 2016 niet zijn vergoed. Het hof zal, aangezien aan de hand van de stellingen van partijen niet exact kan worden vastgesteld welk deel van de kosten over genoemde periode redelijk is, de omvang daarvan op de voet van artikel 6:97 BW schatten, en wel op 50 % van het honorarium over die periode, te weten € 1.912,50. Vermeerderd met 6% kantoorkosten en het totaal vermeerderd met 21% btw is dat € 2.452,97. Dat bedrag is toewijsbaar.

 

4.10

[appellant] vordert aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. Dat daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en tot welk bedrag is verder niet onderbouwd, nog daargelaten dat de hoofdsom voor een deel niet toewijsbaar is. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten wordt dus afgewezen. De wettelijke rente is als gevorderd en niet bestreden vanaf 20 oktober 2016 toewijsbaar.

 

4.11

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en overeenkomstig het bovenstaande opnieuw recht doen. De kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep zullen, nu beide partijen in ongeveer gelijke mate in het (on)gelijk zijn gesteld worden gecompenseerd als hierna vermeld.

 

5

De beslissing

 

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

 

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (civiel, kanton) van 11 april 2018 en opnieuw recht doende:

 

veroordeelt Unigarant om aan [appellant] te betalen € 2.452,97,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2016 tot aan de voldoening;

 

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

 

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

 

wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. I. Tubben en mr. G. Kattenberg en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

26 november 2019.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey