Hof: AOV-uitkering mag als schadeverzekering worden verrekend, betaalde premies in mindering gebracht

Samenvatting:

Mag verzekeraar AOV-uitkering in mindering brengen op schade wegens verlies van arbeidsvermogen (art 6:100 BW)? 1. Of de AOV een schadeverzekering of een sommenverzekering is, moet worden bepaald aan de hand van het ‘Haviltex-criterium. 2. Het hof oordeelt dat uit de polisvoorwaarden moet worden afgeleid dat de AOV een schadeverzekering is wat betreft de jaarrentes onder rubriek A en B. 3. Mede gelet op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 oktober 2010 geformuleerde gezichtspunten is het hof van oordeel dat het in dit geval, waar het een schadeverzekering betreft die ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor verzekeraar aansprakelijk is (verlies verdienvermogen), redelijk is om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:100 BW. Wanneer geen verrekening zou plaatsvinden zou benadeelde in een aanmerkelijk voordeligere positie komen. 4. In de omstandigheden van dit geval ziet het hof wel aanleiding om de door benadeelde betaalde premies voor de AOV in aftrek te brengen van de door hem ontvangen uitkering op basis van die AOV.

ECLI:NL:GHARL:2018:4122

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-05-2018
Datum publicatie 24-05-2018
Zaaknummer 200.195.887

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie

 

 

Hoger beroep deelgeschil

 

AOV: schade- of sommenverzekering,

 

Voordeelsverrekening; verrekening betaalde premies over gehele looptijd AOV

VindplaatsenRechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

GERECHTSHOF ARNHEM

 

locatie Arnhem

 

 

 

afdeling civiel recht

 

 

 

 

zaaknummer gerechtshof 200.195.887

 

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda 302773-deelgeschil en rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 415075-bodemzaak)

 

 

 

 

arrest van 1 mei 2018

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

 

gevestigd te Apeldoorn,

 

appellante,

 

hierna: Achmea,

 

advocaat: mr. M.T. Spronck,

 

 

 

 

tegen:

 

 

 

 

[verzekerde] ,

 

wonende te [plaatsnaam] ,

 

geïntimeerde,

 

hierna: [verzekerde] ,

 

advocaat: mr. G. Loman.

 

 

 

 

1 Het geding in eerste aanleg

 

 

 

 

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussenvonnis van 29 juni 2016 dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht tussen Achmea als eiseres en [verzekerde] als gedaagde heeft gewezen. Dit tussenvonnis is gewezen na de beschikking in de deelgeschilprocedure van 27 november 2015 van de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda (de deelbeschikking).

 

 

 

 

2 Het geding in hoger beroep

 

 

 

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 juli 2016,

 

– de memorie van grieven (met producties),

 

– de memorie van antwoord (met producties),

 

– de akte uitlating producties van Achmea.

 

 

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

 

 

 

3 De vaststaande feiten

 

 

 

 

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 3.1 onder a tot en met h van de deelbeschikking van 27 november 2015.

 

 

 

 

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

 

 

 

 

Enige procesrechtelijke opmerkingen vooraf

 

 

 

4.1

 

Achmea vergoedt de schade die [verzekerde] lijdt ten gevolge van twee verkeersongevallen, hem overkomen op 16 januari 2012 en op 24 augustus 2013. [verzekerde] is al ten gevolge van het eerste ongeval volledig arbeidsongeschikt geraakt voor zijn beroep van fysiotherapeut/manueel therapeut. [verzekerde] ontvangt uitkeringen uit een door hem bij de Amersfoortse afgesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) op grond van zijn arbeidsongeschiktheid. Tussen partijen loopt al enige jaren een (buiten)gerechtelijke discussie over de vraag of die uitkeringen voor verrekening ex artikel 6:100 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking komen bij het vaststellen van de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen. [verzekerde] meent dat deze AOV-uitkeringen (uit een sommenverzekering) niet voor verrekening in aanmerking komen, Achmea bestrijdt dat. In de deelbeschikking van 27 november 2015 heeft de rechtbank in het voordeel van [verzekerde] beslist en een verklaring voor recht gegeven dat de AOV-uitkeringen niet verrekend mogen worden. Vervolgens heeft Achmea bij inleidende dagvaarding van 28 april 2016 een bodemprocedure gestart bij de rechtbank Midden-Nederland. Daarin heeft Achmea de rechtbank tevens verzocht verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de beslissing in het deelgeschil. De rechtbank heeft dit verzoek toegestaan in het tussenvonnis van 29 juni 2016 (het tussenvonnis), waarbij de bodemprocedure naar de parkeerrol is verwezen in afwachting van dit hoger beroep.

 

Het hof stelt met de rechtbank in het tussenvonnis vast dat de deelgeschilrechter in de beschikking van 27 november 2015 een bindende eindbeslissing heeft genomen over een geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding. Krachtens artikel 1019cc lid Rv is de bodemrechter daaraan op dezelfde wijze gebonden als wanneer de beslissing zou zijn genomen in een tussenvonnis in die procedure. De bodemrechter kan alleen dan tot heroverweging van een bindende eindbeslissing overgaan indien gebleken is dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Krachtens artikel 1019cc lid 3 Rv kan in de bodemprocedure hoger beroep worden ingesteld tegen de beslissing(en) in deelbeschikking voor zover deze (een) bindende eindbeslissing(en) bevat. Hiervoor dient de bodemrechter wel tussentijds verlof te verlenen op de voet van artikel 337 lid 2 Rv.

 

Het hof constateert dat de beslissing in deelgeschil een bindende eindbeslissing bevat betreffende de materiële rechtsverhouding en dat het hoger beroep tijdig en op de juiste, formele wijze is ingediend, namelijk bij dagvaarding, binnen de termijn van drie maanden vanaf de eerste roldatum (art. 1019cc lid 3 Rv) en na het verlenen van het tussentijds verlof door de rechtbank in het tussenvonnis.

 

 

 

 

De beslissing in eerste aanleg

 

 

 

4.2

De rechtbank heeft in de deelbeschikking kort gezegd geoordeeld (rov. 3.5.11) dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering moet worden aangemerkt als een sommenverzekering die door [verzekerde] zelf is gesloten en betaald, waarbij verrekening in zijn algemeenheid niet in aanmerking komt en dat de verzochte verklaring voor recht kan worden toegewezen.

 

 

 

Bespreking van de grieven

 

 

 

4.3

Achmea is het met die bindende eindbeslissing niet eens en komt daar in dit hoger beroep met drie grieven tegen op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

 

 

4.4

Het gaat in deze zaak om de vraag of toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6:100 BW voor zover het de uitgekeerde en uit te keren jaarrentes (rubriek A op het polisblad) betreft op grond van de AOV-polis. Ten aanzien van de andere (eenmalige) uitkering(en) op basis van de AOV (rubriek B op het polisblad) doet Achmea geen beroep op verrekening. Artikel 6:100 BW bepaalt dat wanneer eenzelfde gebeurtenis voor een benadeelde naast schade tevens voordeel heeft opgeleverd, dit voordeel, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening moet worden gebracht.

 

 

4.5

Partijen verschillen van mening over de vraag of deze AOV een schadeverzekering of een sommenverzekering is. Achmea meent (primair) dat sprake is van een schadeverzekering, waarvoor in de regel geldt dat die voor verrekening in de zin van artikel 6:100 BW in aanmerking komt. [verzekerde] stelt zich daarentegen op het standpunt dat de AOV als een sommenverzekering heeft te gelden, die, mede in het licht van de door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7808) genoemde gezichtspunten, niet voor verrekening in aanmerking komt. Omdat de kwalificatie van de AOV van belang is voor de vraag of en in welke omvang deze voor verrekening in aanmerking komt zal deze vraag eerst beantwoord worden. Het hof oordeelt op dit punt anders dan de rechtbank en komt tot het oordeel dat deze AOV een schadeverzekering is en dat verrekening op grond van artikel 6:100 BW redelijk is. Het hof overweegt daartoe als volgt.

 

 

4.6

 

Voor de beantwoording van de vraag of de AOV een schadeverzekering of een sommenverzekering is, gaat het om uitleg van de verzekeringsovereenkomst aan de hand van het zogeheten ‘Haviltex-criterium’: de rechtsgevolgen van een overeenkomst worden in de eerste plaats bepaald door hetgeen partijen zijn overeengekomen, waarbij het niet alleen aankomt op een (zuiver) taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst maar ook op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vlg. artikelen 3:33 en 3:35 BW). Mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kring partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. Het gaat hier om de inhoud van een verzekeringsovereenkomst waarbij tussen deze partijen niet over de (bijzondere of algemene) voorwaarden is onderhandeld. De uitleg hiervan is met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting. Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (Vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435). Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten en omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht tegen elkaar aan liggen (vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793).

 

Dat betekent in deze zaak dat de uitleg van de polisvoorwaarden meer verschuift naar een objectieve uitleg (ook wel genoemd de uitleg volgens de ‘CAO-norm’). Het hof neemt hierbij alle feiten en omstandigheden in aanmerking, nu de scheidslijn tussen beide uitlegnormen een vloeiende is.

 

 

 

4.7

 

Op het polisblad staat onder ‘’Dekkingen en verzekerde bedragen” het volgende:

 

Periodieke uitkering bij arbeidsongeschiktheid

 

Rubriek A Jaarrente in geval van arbeidsongeschiktheid € 132.037

 

Extra kapitaalsuitkering bij een ongeval:

 

€ 132.037 uitkering bij overlijden

 

€ 264.074 uitkering bij blijvende invaliditeit

 

 

 

 

Rubriek B Jaarrente in geval van arbeidsongeschiktheid € 132.037

 

 

 

 

Periodieke uitkering bij ernstige aandoeningen

 

Rubriek A Jaarrente € 132.037

 

 

 

 

Kapitaalsuitkering bij ernstige aandoeningen € 57.162

 

 

 

 

Kapitaalsuitkering na ongeval € 57.162

 

Uit de polisvoorwaarden volgt dat rubriek A geldt voor het eerste jaar arbeidsongeschiktheid. Rubriek B geldt vanaf het tweede jaar arbeidsongeschiktheid.

 

 

 

4.8

Het te verzekeren bedrag is gebaseerd op het gemiddelde inkomen in de drie jaren voorafgaand aan het afsluiten van de verzekering, waarvan tot maximaal 90% van het gemiddeld inkomen mag worden verzekerd (aanvraag formulier AOV voor zelfstandig ondernemers onder C). Op grond van artikel 34 van de polisvoorwaarden kan de verzekerde onder bepaalde voorwaarden de verzekering verhogen met maximaal 20% van de dan verzekerde jaarrente.

 

 

4.9

 

Onder kopje 2 “Strekking van de verzekering” staat in de polisvoorwaarden opgenomen:

 

“Deze verzekering heeft afhankelijk van de van toepassing zijnde dekking de volgende doelen:

 

2.1

 

Bij de dekking periodieke uitkering bij arbeidsongeschiktheid en arbeidsongeschiktheid door ongeval rubriek A en B (…)

 

Uitkering te verlenen bij derving van inkomen door de verzekerde tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid.

 

(…)

 

2.4

 

Bij de dekking kapitaal bij ongeval

 

Een eenmalige uitkering te verlenen, indien de verzekerde geheel of gedeeltelijk blijvend invalide is geworden door een ongeval.”.

 

 

 

4.10

Artikel 4 van de polisvoorwaarden bepaalt dat van arbeidsongeschiktheid uitsluitend sprake is indien er in relatie tot ziekte of ongeval objectief medisch vast te stellen stoornissen bestaan waardoor de verzekerde beperkt is in zijn functioneren. Verder wordt volgens het artikel arbeidsongeschiktheid aanwezig geacht indien de verzekerde voor ten minste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan zijn op het polisblad vermelde beroep (manueel therapeut), zoals dat voor deze beroepswerkzaamheden in de regel en redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. Aanpassingen van werkzaamheden en werkomstandigheden alsmede taakverschuivingen binnen het eigen bedrijf worden daarbij betrokken.

 

 

4.11

 

Artikel 5 van de polisvoorwaarden – dat voor de uitkering op grond van rubriek B van toepassing is (art. 23.1 polisvoorwaarden) – luidt als volgt :

 

“Onder passende arbeid wordt verstaan beroepswerkzaamheden die voor de krachten en bekwaamheden van verzekerde zijn berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroegere werkzaamheden in redelijkheid van hem kunnen worden verlangd. Met het aldus vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid zal geen rekening worden gehouden met verminderde gelegenheid tot het verkrijgen van arbeid.”

 

 

 

4.12

Onder artikel 25 van de polisvoorwaarden zijn de verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid en/of ongeval voor verzekerde beschreven. De verzekerde dient onder meer al het mogelijke te doen om zijn herstel te bevorderen. Op grond van artikel 25.8 van de polisvoorwaarden is de verzekerde verplicht mee te werken aan het aanpassen van zijn werkzaamheden of werkomstandigheden binnen het eigen bedrijf, die in redelijkheid kunnen worden verlangd ter bevordering van zijn herstel en/of vermindering van de arbeidsongeschiktheid.

 

 

4.13

Op grond van het bepaalde in artikel 31 van de polisvoorwaarden kan verzekeraar (toen nog de Amersfoortse) bij wijziging van beroep of beroepswerkzaamheden van de verzekerde – die hij verplicht is te melden op straffe van weigering van een uitkering bij arbeidsongeschiktheid – het verzekerde bedrag wijzigen. Ook heeft verzekeraar de mogelijkheid de verzekering aan te passen indien sprake is van andere wijzigingen, zoals het verplicht verzekerd worden ingevolge de (destijds nog geldende) WAO (nu WIA) of enige andere verplichte voorziening die recht geeft op uitkering bij arbeidsongeschiktheid (artikel 32.1 polisvoorwaarden). In de daar genoemde gevallen heeft verzekeraar het recht om de premie te wijzigen, verzekerde jaarrente(s) te verlagen of de verzekering te beëindigen (artikel 32.2).

 

4.14

Het hof oordeelt als volgt. Uit de polis en de daarbij behorende polisvoorwaarden, in het bijzonder de in 4.7 tot en met 4.13 genoemde artikelen, in onderlinge samenhang bezien, moet worden afgeleid – en dat heeft ook [verzekerde] redelijkerwijs zo moeten begrijpen – dat de AOV een schadeverzekering is wat betreft de jaarrentes onder rubriek A en B. Zoals ook uit de bewoordingen van artikel 2.1. van de polisvoorwaarden blijkt, heeft de AOV het doel een periodieke uitkering te verlenen ter compensatie van inkomstenderving, waarbij de (hoogte van de) uitkering kan wijzigen of eindigen als de arbeidsongeschiktheid wijzigt of eindigt. Dit betekent dat de AOV dient ter vergoeding van de door [verzekerde] geleden inkomensschade. Dat, zoals [verzekerde] stelt, de AOV niet de feitelijke schade dekt, wat hij meent af te kunnen leiden uit de zinsnede dat recht op schade bestaat bij derving van inkomen in plaats van tegen derving van inkomen, overtuigt in dit verband niet. Ook de stelling van [verzekerde] dat hij persoonlijk een andere bedoeling heeft gehad met het afsluiten van de verzekering – namelijk niet om een terugval in inkomsten op te vangen maar om zijn zakelijke vermogen gedurende de arbeidsongeschiktheid te beschermen (hypothecaire verplichtingen te kunnen blijven voldoen) – kan zo zijn, maar doet evenmin af aan de genoemde strekking van deze AOV. Ook in dat geval immers blijven de uitkeringen zien op schade wegens verlies aan inkomen ten gevolge van arbeidsongeschiktheid. Bij het afsluiten van de AOV heeft het inkomen van [verzekerde] (over de drie daaraan voorafgaande jaren) een duidelijke rol gespeeld bij het vaststellen van de hoogte van de verzekerde som, die niet meer dan 90% van het gemiddelde jaarinkomen over de drie daaraan voorafgaande jaren mag bedragen. Er is aldus sprake van een koppeling tussen het gederfde inkomen als gevolg van de arbeidsongeschiktheid en de hoogte van de uitkering. Dat, zoals [verzekerde] stelt, het feitelijk inkomen ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid uiteindelijk kan afwijken van de verzekerde jaarrente doet daar onvoldoende aan af, te meer nu de verzekerde op grond van artikel 34 van de polisvoorwaarden de mogelijkheid heeft de verzekerde jaarrente tussentijds (aan zijn inkomenssituatie op dat moment) aan te passen. Concluderend is het hof dan ook van oordeel dat de AOV een inkomensvervangend karakter heeft en aldus gekwalificeerd kan worden als een schadeverzekering. Van een zuivere sommenverzekering die volledig abstraheert van de daadwerkelijk geleden schade – zoals wel het geval is bij de kapitaalsuitkering bij overlijden of blijvende invaliditeit en bij ernstige aandoeningen en na ongeval (zie 4.7) – is dus geen sprake. Het enkele feit dat een expliciete anti-cumulatiebepaling ontbreekt, zoals [verzekerde] nog naar voren brengt, maakt dat oordeel niet anders.

 

 

4.15

In de gegeven omstandigheden, mede gelet op de door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7808 geformuleerde gezichtspunten – is het hof van oordeel dat het in dit geval, waar het een schadeverzekering betreft die ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor Achmea aansprakelijk is (verlies verdienvermogen), redelijk is om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:100 BW. Wanneer geen verrekening zou plaatsvinden zou [verzekerde] in een aanmerkelijk voordeligere positie komen: naast de door Achmea te betalen schadevergoeding voor verlies verdienvermogen zou hij dan op grond van de AOV tot zijn 65e jaar (tot 2034) jaarlijks een bedrag van € 132.037,- voor dezelfde inkomensschade ontvangen. Dat verhoudt zich niet goed tot het beginsel dat een benadeelde recht heeft op volledige schadevergoeding, maar ook niet meer dan dat. Het is naar het oordeel van het hof dan ook alleszins redelijk dat het aldus door [verzekerde] genoten voordeel verrekend wordt met de door Achmea te betalen schadevergoeding uit hoofde van verlies van verdienvermogen. De door [verzekerde] genoemde omstandigheid dat het zijn individuele keuze is geweest om (enkel) zijn beroepsarbeidsongeschiktheid te verzekeren en dat Achmea daarvan niet dient te profiteren, is onvoldoende om tot een andere beslissing te komen. Dat de vergoedingsplicht van een aansprakelijke persoon (of diens verzekeraar) door toevallige, persoonlijke omstandigheden aan de kant van de benadeelde (hier [verzekerde] ) lager kan uitvallen is nu eenmaal inherent aan het beginsel van concrete schadeberekening.

 

 

4.16

In de omstandigheden van dit geval ziet het hof wel aanleiding om de door [verzekerde] betaalde premies voor de AOV in aftrek te brengen van de door hem ontvangen uitkering op basis van die AOV. [verzekerde] heeft de persoonlijke keuze gemaakt om een verzekering af te sluiten ter voorkoming van inkomensterugval door arbeidsongeschiktheid (als gevolg van een ongeval) en hij heeft daarvoor gedurende een langere periode – vanaf het sluiten van de verzekering in 2004 – jaarlijks premie betaald. Het hof oordeelt het in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid, anders dan Achmea vordert, dat de door [verzekerde] betaalde premies in zijn geheel – dus over de volledige looptijd van de verzekering – in mindering worden gebracht op het te verrekenen schadebedrag.

 

 

 

5 Slotsom

 

 

 

5.1

De grieven slagen grotendeels en de bestreden deelbeschikking zal worden vernietigd. Het hof zal de door Achmea gevorderde verklaring voor recht dat zij de uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [verzekerde] mag verrekenen met de schade-uitkeringen voor verlies verdienvermogen die zij aan [verzekerde] is verschuldigd, toewijzen, met de bepaling dat op het te verrekenen voordeel de door [verzekerde] betaalde premies in mindering moeten worden gebracht.

 

 

5.2

 

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verzekerde] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

 

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

 

– explootkosten € 79,35

 

– griffierecht € 718

 

subtotaal verschotten € 797,35

 

– salaris advocaat € 1.611 (1,5 punt x tarief II (€ 1.074)

 

Totaal € 2.408,35

 

 

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

 

 

5.4

Nu het hier gaat om vernietiging van een tussenvonnis zal het hof geen gebruik maken van de mogelijkheid de zaak aan zich te houden op grond van artikel 356 Rv. Dat betekent dat het hof de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank om over de bodemzaak verder te beslissen.

 

 

 

6 De beslissing

 

 

 

 

Het hof, recht doende in hoger beroep:

 

 

 

 

vernietigt de deelbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 november 2015 en doet opnieuw recht:

 

 

 

 

verklaart voor recht dat Achmea de uitkeringen uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van [verzekerde] mag verrekenen met de schade-uitkeringen die zij aan [verzekerde] is verschuldigd, waarbij op dat verrekende voordeel de door [verzekerde] over de gehele looptijd van de verzekering betaalde premies in mindering moeten worden gebracht,

 

 

 

 

veroordeelt [verzekerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 797,35 voor verschotten en op € 1.611 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening,

 

 

 

 

veroordeelt [verzekerde] in de nakosten, begroot op € 131,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [verzekerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening,

 

 

 

 

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad,

 

 

 

 

verwijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, voor een verdere beslissing in de bodemprocedure,

 

 

 

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

 

 

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, R.A. Dozy en C.J.H.G. Bronzwaer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2018.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots