Het ‘voorrisico’ van een RDW geregistreerde WAM-verzekering

Samenvatting:

In het RDW-register staat aangegeven of, en bij wie, een auto WAM-verzekerd is. Een benadeelde mag in beginsel vertrouwen op de gegevens in het RDW-register en kan zodoende na een ongeval de betreffende verzekeraar aanspreken. In het register wordt echter geen tijdstip van het ingangsmoment van de WAM-verzekering vermeld. Wie moet het risico dekken indien een ongeval plaatsvindt op dezelfde dag als de inschrijving van de WAM-verzekering in het register, maar vóór het eigenlijke ingangsmoment van de verzekering? Is dit de verzekeraar of juist het Waarborgfonds? De Hoge Raad geeft in haar arrest van 22 december 2017 een helder en eenduidig antwoord.[1] Dit arrest zal ik bespreken door eerst in te gaan op de bescherming die de WAM biedt aan verkeersslachtoffers. Vervolgens wordt toegelicht welke leemte in het systeem wordt veroorzaakt door het voorrisico en wat de standpunten van partijen daartoe waren. Tot slot volgt een bespreking van het oordeel van de Hoge Raad en een conclusie.

De vierledige bescherming van de WAM

Verkeersslachtoffers zijn een bijzondere categorie slachtoffers die door de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) op vier manieren beschermd worden. Een aantal van deze beschermingsmiddelen geldt, op bijna gelijke wijze, ook voor andere benadeelden. De combinatie van maatregelen die de wetgever in de WAM heeft genomen zorgt echter voor een uniek en effectief verhaalstelsel.

Ten eerste zijn bezitters en kentekenhouders van motorrijtuigen verplicht om een WAM-verzekering af te sluiten op basis van art. 2 lid 1 WAM. Deze verplichting vloeit voort uit twee Benelux-overeenkomsten.[2] De ratio van deze verplichte verzekering is dat het rijden met een motorrijtuig tot aanzienlijke schade kan leiden bij slachtoffers. Zonder verzekering is het goed mogelijk dat een groot deel van deze schade niet vergoed wordt. Om deze overtuiging kracht bij te zetten, en effectief af te kunnen dwingen, is het niet hebben van een verzekering strafbaar gesteld in art. 30 WAM.

Het op een dergelijke manier zo goed mogelijk garanderen van het bestaan van een WAM-verzekering is niet de enige wijze waarop de wetgever verkeersslachtoffers bijstaat. Het is immers mogelijk dat de dader na een ongeval weigert mede te delen waar hij verzekerd is, of sterker nog, na het ongeval doorrijdt waardoor de benadeelde slechts (met geluk) beschikt over een kentekennummer. Voor die gevallen biedt de WAM een tweede oplossing. Op basis van art. 13 lid 1 WAM is iedere verzekeraar verplicht de bij haar afgesloten WAM-verzekeringen te melden bij de Rijksdienst Wegverkeer (RDW). De RDW houdt op haar beurt een register bij waarin alle WAM-verzekeringen geregistreerd staan (art. 13 lid 2 WAM). De bewijskracht van de gegevens in dit register is groot. Zo groot zelfs dat de benadeelde mag afgaan op de gegevens in dit register en het aan de verzekeraar is om aan te tonen dat deze gegevens mogelijk onjuist zijn (art. 13 lid 7 WAM).

Wat nu als een dader wel verzekerd is en de benadeelde heeft achterhaald waar het motorvoertuig verzekerd is, maar de dader weigert het ongeval bij zijn verzekeraar te melden? Ondanks het hebben van een verzekering zal een dergelijk ongeval invloed hebben op de schadevrije jaren en  kan een eigen risico van toepassing zijn. De aansprakelijke partij heeft er zodoende enig belang bij om het ongeval niet te melden bij zijn verzekeraar. Voor dergelijke gevallen is, ten derde, het eigen recht van verkeersslachtoffers in het leven geroepen. Art. 6 WAM bepaalt dat een benadeelde een zelfstandige vordering verkrijgt tot schadevergoeding jegens de betreffende verzekeraar. Dit eigen recht gaat daarmee verder dan de directe actie die volgt uit art. 7:954 BW.[3] Bij de directe actie maakt de benadeelde immers de vordering van de verzekerde jegens diens verzekeraar te gelde, maar ontstaat er geen eigen schadevergoedingsrecht. Dit lijkt in eerste oogopslag wellicht slechts een theoretisch verschil, maar de gevolgen voor de praktijk zijn groot. Zo mag de verzekeraar op basis van de WAM niet de uit de met de verzekeringnemer gesloten verzekeringsovereenkomst gronden voor nietigheid, verweren of verval van recht tegenwerpen aan de benadeelde. Dit is nogmaals expliciet verwoord in art. 11 lid 1 WAM. Het gaat de benadeelde daarmee niet aan of de verzekeringspremies tijdig zijn betaald of zelfs of de verzekeringnemer mogelijk onder invloed achter het stuur zat. De verzekeraar zal de benadeelde schadeloos moeten stellen en kan slechts trachten om het uitgekeerde bedrag te verhalen op de verzekeringnemer. Het grote voordeel voor de benadeelde is dat zijn schade wordt voldaan, alsof de schade onder de voorwaarden van de verzekering viel, en dat de verhaalbaarheid van de schade op de verzekeringnemer hem niet regardeert.

Tot slot is het uiteraard mogelijk dat, ondanks alle bovengenoemde beschermingsmiddelen, de dader geen WAM-verzekering afgesloten heeft of, na een hit-and-run, het in het geheel niet mogelijk is te achterhalen wie de dader was. Ook voor dergelijke gevallen biedt de WAM een oplossing. In dat geval kan de benadeelde zich richten tot het Waarborgfonds op grond van art. 25 WAM. Het Waarborgfonds krijgt op haar beurt een recht van verhaal op de aansprakelijke persoon en/of degene die zijn verzekeringsplicht niet is nagekomen.[4] Verhaal zal lang niet altijd effectief zijn. Om de vangnetfunctie van het Waarborgfonds te kunnen laten bestaan, financieren zowel de staat als de WAM-verzekeraars dit fonds. Deze bijdrage wordt, wat betreft de WAM-verzekeraars, berekend op basis van het aantal en de aard van de door die verzekeraar verzekerde motorrijtuigen. Het Waarborgfonds vormt daarmee een soort collectieve verzekering van WAM-verzekeraars en de staat, voor onverzekerde schade.

Toch nog een leemte: het ‘voorrisico’

Het voorgaande laat een goed uitgedacht stelsel zien, waarbij het altijd duidelijk is dát een benadeelde zich tot iemand kan richten, en wie dit is. Toch bleek niet aan alles te zijn gedacht. Dit maakten de zaken die ten grondslag lagen aan de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 22 december 2017 duidelijk. Deze twee zaken gingen om de volgende situaties.

Ongeval 3 augustus 2010

Op 3 augustus 2010 veroorzaakte een automobilist om 13.56 uur een ongeval met zijn auto die hij, in tegenstelling tot een andere auto die hij bezat, niet WAM-verzekerd had. De politie constateerde dit kort na het ongeval. Om 14.07 uur nam de automobilist contact op met de WAM-verzekeraar voor zijn andere auto, en verzocht de WAM-dekking over te laten plaatsen naar de auto waarmee het ongeval had plaatsgevonden, zonder daarbij melding te maken van het ongeval. De verzekeraar was akkoord en bood dekking voor de betreffende auto vanaf 3 augustus 2010 om 14.07 uur. De benadeelde wendde zich vervolgens voor zijn schade tot de kersverse WAM-verzekeraar. De verzekeraar weigerde echter dekking, omdat het ongeval plaats had gevonden vóórdat de verzekering in werking was getreden, en verwees de benadeelde door naar het Waarborgfonds. Het Waarborgfonds meende eveneens de schade niet te hoeven vergoeden nu immers bij de RDW een WAM-verzekeraar stond geregistreerd. Wel pakte zij de schaderegeling op en startte voor verhaal een procedure tegen de verzekeraar.

Ongeval 11 juli 2013

Op 11 juli 2013 vond rond het middaguur een ongeval plaats tussen een bromfietser en een minderjarige fietser. De politie heeft kort na het ongeval de RDW geraadpleegd, en moeten constateren dat er geen WAM-verzekering was afgesloten. Rond acht uur ’s avonds heeft de echtgenote van de bestuurder van de bromfiets alsnog een WAM-verzekering aangevraagd. De verzekeraar liet de volgende dag weten dat de aanvraag in goede orde was ontvangen en dat de bromfiets ‘vanaf dit moment’ in voorlopige dekking was genomen. ‘Dit moment’ werd gedefinieerd als 11 juli 2013 om 20.06 uur. Deze verzekering werd in het RDW-register geregistreerd met als ingangsdatum 11 juli 2013. Op basis van deze gegevens wendde de benadeelde zich tot de betreffende verzekeraar. De verzekeraar wees aansprakelijkheid af omdat de verzekering pas was ingegaan ná het ongeval, en verwees de benadeelde door naar het Waarborgfonds. Het Waarborgfonds nam daarentegen het standpunt in dat uit het RDW-register bleek dat de WAM-verzekeraar aansprakelijk was voor schade ontstaan vanaf 11 juli 2013, dus zodoende ook op het moment van het ongeval. De verzekeraar pakte de schade tegen cessie op en startte een procedure tegen het Waarborgfonds.

In beide zaken staat voorop dat bij de RDW, vooralsnog, geen tijdstip wordt geregistreerd ten aanzien van het ingangsmoment van de verzekering.

De standpunten

De verzekeraars namen in de procedures de volgende standpunten in. Primair zou sprake zijn van een ‘registratie ten onrechte’. Art. 13 lid 7 WAM biedt de verzekeraar de mogelijkheid om aan te tonen dat de registratie bij de RDW (ten dele) onjuist is. De registratie was in deze gevallen onjuist wat betreft de indruk die werd gewekt dat er al sprake was van een verzekering ten tijde van het ongeval. Subsidiair stelden zij dat geen sprake was van een ‘onzeker voorval’ in de zin van art. 7:925 lid 1 BW. Zelfs indien het voorrisico gedekt was, gold de dekking volgens de verzekeraars daarmee niet voor de betreffende ongevallen. Tot slot anticipeerden de verzekeraars met hun laatste argument op het mogelijk oordeel van de rechtbank dat het vereiste van een onzeker voorval niet aan de benadeelde zou kunnen worden tegengeworpen in verband met art. 11 lid 1 WAM. De verzekeraars stelden in dat kader dat het Waarborgfonds, anders dan de benadeelde, geen beroep kan doen op art. 11 lid 1 WAM. Dit betekent volgens de verzekeraars dat het Waarborgfonds wél tegengeworpen kan krijgen dat er sprake dient te zijn van een onzeker voorval.

Het standpunt van het Waarborgfonds kwam in beide procedures op het volgende neer. Primair geldt art. 11 lid 1 WAM ook jegens het Waarborgfonds en kan de verzekeraar geen beroep doen op het feit dat de dekking op een later tijdstip is ingegaan dan het ongeval. Subsidiair is een verzekeraar zich ervan bewust dat, wanneer een WAM-verzekering bij de RDW geregistreerd wordt, daar geen tijdstip bij vermeld wordt. Door deze wetenschap accepteert een verzekeraar het voorrisco van die registratiedag vanaf 0.00 uur. Er was daarmee geen sprake van een registratie ten onrechte. Tot slot benadrukte het Waarborgfonds haar subsidiaire functie ten opzichte van WAM-verzekeraars. De mogelijkheden voor WAM-verzekeraars om zich aan dekking te onttrekken dienen naar het oordeel van het Waarborgfonds restrictief te worden geïnterpreteerd.[5]

De beoordeling

De rechtbank oordeelde in beide zaken in het voordeel van de verzekeraar. Het Waarborgfonds diende de geleden schade te dragen, omdat er volgens de rechtbank sprake was van een registratie ten onrechte. Hoewel het in het RDW-register leek alsof er een WAM-verzekeraar voor de gehele dag was, was dat feitelijk niet het geval. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat van een registratie ten onrechte slechts sprake kan zijn bij, bijvoorbeeld, een administratieve fout. Art. 11 lid 1 WAM staat er niet aan in de weg dat de verzekeraars dit verweer inroepen tegen het Waarborgfonds.

Het Waarborgfonds stelde in beide zaken hoger beroep in bij het Hof Den Haag. Het Hof besloot eerst een comparitie na aanbrengen te houden. Daarbij zijn partijen overeengekomen om de hen verdeeld houdende rechtsvraag via een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen.

De Hoge Raad oordeelt als volgt. Allereerst stelt de Hoge Raad vast dat art. 11 lid 1 WAM niet van toepassing is op het onderhavige geval. Op basis van de toelichting van de eerder genoemde Benelux-overeenkomsten kan niet worden geconcludeerd dat het gegeven dat er in het geheel geen verzekeringsovereenkomst van kracht was, tot de rechtsfeiten behoort die de benadeelde niet kan worden tegengeworpen. Vervolgens gaat de Hoge Raad in op art. 13 lid 7 WAM. De Hoge Raad is van mening dat er inderdaad sprake is van een onterechte registratie. Dit geldt niet voor de vermelding dat de betreffende verzekeraar de WAM-verzekeraar is geworden, maar wel voor zover uit de registratie wordt afgeleid dat zij die hoedanigheid al vanaf 0.00 uur zou hebben bezeten. De Hoge Raad overweegt ten overvloede dat niet hoeft te worden gevreesd dat een benadeelde door deze onzekerheid ten aanzien van de RDW gegevens van het kastje naar de muur zal worden gestuurd.[6] Art. 25 lid 4 WAM blijft immers als volgt luiden:

Indien het fonds en een verzekeraar het niet eens zijn over de vraag wie van hen de schade moet vergoeden, dient degene die als eerste werd aangesproken, tot vergoeding van de schade over te gaan. Indien mocht blijken dat de ander geheel of gedeeltelijk tot vergoeding van de schade gehouden is, zal deze tot verrekening overgaan.”

De benadeelde zal zodoende nooit tussen wal en schip belanden, zelfs niet in het geval het Waarborgfonds en een verzekeraar na dit heldere arrest nog besluiten in discussie te gaan.

Conclusie

De uitspraak van de Hoge Raad geeft een helder oordeel over wie het voorrisico draagt dat uit een RDW registratie kan volgen. Een WAM-verzekeraar hoeft pas dekking te verlenen vanaf het tijdstip dat de verzekering is ingegaan. Daaraan doet niet af dat de verzekeraar bij het RDW staat geregistreerd op een bepaalde dag, zonder dat dit tijdstip is genoemd.

Een andersluidende conclusie zou ook onbevredigend zijn geweest. In dat geval zou een aansprakelijke partij na een ongeval achteraf een verzekeraar kunnen betrekken bij de gevolgen van het ongeval. Daarmee zou de verzekeraar worden opgezadeld met (i) de bewijslast dat het ongeval niet verzekerd was en (ii) het risico dat zijn regresvordering onverhaalbaar blijkt. Een nog veel eenvoudigere oplossing lijkt overigens het toevoegen van de functionaliteit in het RDW-register om een tijdstip te kunnen vermelden. Daar heeft de Hoge Raad uiteraard geen invloed op.

[1] HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3268.
[2] 24 mei 1966, Trb. 1966, 178 en Richtlijn 270/166/EEG van de Raad van 24 april 1792, PbEG, L 103/1).
[3] Dit artikel mist overigens toepassing zodra gebruik wordt gemaakt van art. 6 WAM.
[4] De Vereende, ‘Verhaal: de andere kant van het Waarborgfonds’, am: 30 oktober 2017.
[5] P.E. Bloemendal, ‘Hoge Raad: WAM-verzekeraars dragen geen ‘voorrisico’ op de dag van registratie in het RDW-register’, www.dirkzwagerasv.nl, december 2017.
[6] HR 22 december 2017, ECLI:NLHR:2017:3268, r.o. 3.4.3.

 

 

 

 

 

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots