Fictief benaderen of uitgaan van de feitelijke situatie? – Overlijdensschade na overlijden van beide ouders – Fictief, causuïstisch of feitelijk

Samenvatting:

Overlijdensschade, een onderwerp waaraan een trieste gebeurtenis voorafgaat. Dit maakt het voor de betrokkenen emotioneel ­beladen, wat veelal wordt versterkt door het gegeven dat ­dergelijke schade niet eenvoudig te ­berekenen is. Welke componenten moeten wel of niet worden meegenomen en vanuit welk perspectief moet de schade worden benaderd?

De casus die leidde tot de deelgeschilprocedure betreft een ongeval waarbij twee jonge ouders het slachtoffer zijn geworden van het roekeloze rij­gedrag van een 55-jarige man. Agenten in een surveillancewagen zagen deze hardrijder op 19 augustus 2011 op de A2 ­richting Den Bosch, waar hij verschillende ­gevaarlijke manoeuvres uithaalde. Na het negeren van een stopteken, ­hebben de agenten de achtervolging ingezet. Toen de man op het laatste ­moment het stuur omgooide naar een afslag, botste hij op de auto van de twee inzittenden die daarbij om het leven zijn gekomen en twee jonge kinderen hebben achtergelaten2.

Na het ongeval zijn de kinderen opgenomen in het gezin van hun tante en haar echtgenoot, die samen al twee minderjarige kinderen hadden. De tante en oom oefenen gezamenlijk de voogdij uit over de twee achtergebleven kinderen uit. Na het ongeval en als gevolg van de ‘uitbreiding’ van het gezin heeft de voogdes (de tante) haar onder­neming gestaakt. Haar echtgenoot heeft een ­andere functie met een lagere loonwaarde aanvaard, zodat hij niet meer naar het buitenland hoeft te reizen. 

Twee partijen, twee visies

REAAL als WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend en een ­bedrag aan voorschotten op het gederfd levens­onderhoud aan de kinderen voldaan. Evenwel blijven partijen verdeeld over de uitgangspunten die essentieel zijn voor de wijze van schadeberekening. In de deelgeschilprocedure verzoekt de voogdes een verklaring voor recht dat voor de berekening van het gederfd levensonderhoud (zowel in geld als in natura) als uitgangspunt dient te worden genomen dat de kinderen in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen en geabstraheerd moet worden van het gegeven dat de twee kinderen in het gezin van hun oom en tante zijn opgenomen. Volgens de voogdes komt dit er op neer dat het gederfd levensonderhoud van de ­kinderen ex art. 6:108 lid 1 aanhef en onder a BW (het krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud) dient te worden begroot op het netto gezinsinkomen zonder ­ongeval, verminderd met de variabele lasten van de ­overleden ouders. Het gederfd levensonderhoud van de kinderen ex art. 6:108 lid 1 aanhef en onder d BW (na het overlijden moet op een andere wijze in de gang van huishouding worden voorzien) dient te worden begroot op ­basis van de kosten van professionele verzorgers ­gedurende alle dagen en uren. 

REAAL erkent dat de kinderen recht hebben op vergoeding van gederfd levensonderhoud, maar stelt zich daarentegen op het standpunt dat voor de berekening van de over­lijdensschade niet moet worden aangeknoopt bij een ­fictieve situatie die zich in werkelijkheid nooit zou hebben voorgedaan. De kinderen zouden immers nooit in het ­ouderlijk huis zijn blijven wonen met professionele ­verzorgers. In de visie van REAAL mag dus niet volledig worden geabstraheerd van het feit dat de kinderen in het gezin van hun oom en tante zijn opgenomen. Evenmin kan volgens REAAL als uitgangspunt dienen dat het ­gederfd levensonderhoud van de kinderen begroot moet worden op het netto gezinsinkomen verminderd met de variabele lasten van de overleden ouders. REAAL is van oordeel dat 1/6 deel van de vaste lasten per kind kan ­worden toe­gerekend. Tevens stelt REAAL dat bij de ­bepaling van de ­behoeftigheid van de twee kinderen ­rekening dient te ­worden gehouden met de verkoop van het ouderlijk huis en dat de van overheidswege ­gehanteerde pleegouder­vergoeding als instrument kan ­dienen voor de begroting van de schade door het weg­vallen van de verzorging door de ouders. 

Het oordeel van de rechtbank

In r.o. 4.4. overweegt de rechtbank dat de omvang van de schadevergoedingsplicht ex art. 6:108 lid 1 aanhef en ­onder a BW dient te worden bepaald door de bijdrage die de overleden ouder zou hebben geleverd in het levensonderhoud van het achterblijvende kind te vergelijken met de positie waarin de benadeelde door dat overlijden daadwerkelijk is komen te verkeren. De gehele financiële ­positie van de nabestaande dient daarbij in aanmerking te worden genomen3. De rechtbank overweegt dan voorts (met verwijzing naar de MvA II bij art. 6:108, Parl. Gesch. Boek 6, p. 397): “Voor de vaststelling van het schadebedrag dient te worden uitgegaan van hetgeen de overledene aan de nabestaande feitelijk placht te verstrekken, met dien verstande dat in dit verband mede de wijzigingen dienen te worden verdisconteerd – zowel wat betreft de omvang van de bijdrage van de overledene, als van de behoefte van de nabestaande – die op het moment van het overlijden ­redelijkerwijs waren te verwachten (…).

Anderzijds heeft deze verplichting mede een – kort gezegd – alimentatierechtelijk karakter.” 

De rechtbank gaat dan verder en oordeelt dat de kinderen in de situatie moeten worden gebracht die hen in de ­gelegenheid stelt het leven (in materiële zin) te leiden dat zij naar redelijke verwachting zouden hebben geleid ­zonder het overlijden van hun ouders, tot het moment dat zij financieel zelfstandig zijn. Hierbij moet volgens de rechtbank geen rekening worden gehouden met de wijze waarop de voogden de zorg voor de kinderen op zich ­hebben genomen. Volgens de rechtbank zou dat immers tot het onwenselijke resultaat leiden dat de onderhoudslast van de kinderen in plaats van op de aansprakelijke ­persoon op de voogden wordt gelegd. In r.o. 4.8 overweegt de rechtbank dan als volgt: “De situatie waarin de kinderen na het overlijden van hun ouders in het ouderlijk huis ­waren blijven wonen had zich, anders dan REAAL meent, in werkelijkheid kunnen voordoen. De voogden hadden er immers ook voor kunnen kiezen om de kinderen in hun vertrouwde omgeving te laten en met hun gezin in het ­ouderlijk huis van de kinderen te trekken. Voor een bijdrage van de voogden in de woonlasten van het ouderlijk huis bestaat in die situatie geen rechtsgrond, zodat de woonlasten die alsdan door de voogden zouden worden bespaard ten voordele van hen en niet van de kinderen zouden strekken. Het feit dat de voogden om hen ­moverende redenen de kinderen na het over­lijden van hun ouders in huis hebben genomen, is derhalve geen voordeel dat tot vermindering van de schuldplichtigheid van de aansprakelijke persoon lijdt en doet dan ook niet af aan de behoeftigheid van de kinderen.” Volgens de rechtbank geldt dit evenzeer voor het feit dat het ouderlijk huis is ­verkocht. Dat is immers geen gevolg van het overlijden van de ouders, doch een gevolg van de keuze van de ­voogden, aldus de rechtbank.

 De rechtbank komt dan tot de slotsom dat voor de ­berekening van de schade op grond van art. 6:108 lid 1 aanhef en onder a BW als uitgangspunt dient te worden genomen dat de kinderen in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen. 

Het hiervoor genoemde uitgangspunt heeft ook gevolgen voor de wijze waarop de schade krachtens art. 6:108 lid 1 aanhef en onder d BW moet worden vastgesteld. Onder dit artikellid vallen immers niet alleen de kosten voor het verrichten van huishoudelijke taken, maar ook taken in het kader van de verzorging en opvoeding van de kinderen worden hieronder begrepen. Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de begroting van deze schade (zie r.o. 4.9) komt er dan op neer dat het onredelijk zou zijn om de ­onderhoudslast op de voogden te leggen in plaats van op de aansprakelijke partij, zodat in die zin dient te worden geabstraheerd van de concrete omstandigheden waarin de kinderen zich na het overlijden van de beide ouders ­bevinden. Echter, het voert dan volgens de rechtbank te ver om uit te gaan van de situatie dat de kinderen in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen met uitsluitend professionele dienstverleners. Dat zou geen reëel uitgangspunt zijn, omdat daarmee het belang van de kinderen bij een liefdevolle en stabiele omgeving niet zou zijn gediend, aldus de rechtbank. De rechtbank concludeert vervolgens dat als uitgangspunt voor de begroting van de schade ­onder sub d van art. 6:108 lid 1 BW dient te worden ­genomen dat de voogden met hun gezin in het ouderlijk huis van de kinderen zouden zijn getrokken. De concrete begroting van de extra tijd die de voogden vanaf de ­opname van de twee achtergebleven kinderen in hun gezin aan de gemeenschappelijke huishouding dienen te ­besteden, geschiedt dan op basis van bespaarde kosten van vervangende professionele hulp.

Biedt de rechtspraak enige houvast?

Alhoewel zich een dergelijk schrijnende situatie zoals die ten grondslag lag aan de vordering van de voogdes in voornoemde zaak zich vaker zal voldoen, leidden dergelijke zaken (kennelijk) tot nu toe in weinig gevallen tot (gepubliceerde) rechtspraak. In zoverre zijn de uitgangspunten die gehanteerd dienen te worden niet reeds uit­gekristalliseerd en blijft (behoudens de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam) ongewis welke uitgangspunten in een dergelijk geval gelden. Wel is jurisprudentie bekend inzake gevallen waarin één ouder overlijdt. Het prangende verschil is echter dat in dat geval (doorgaans) niet de vraag aan de orde zal zijn wie de verzorging van de achter­gebleven kinderen op zich neemt (alhoewel de gedachte niet is dat de overgebleven ouder de taken van de over­leden ouder overneemt), waar de kinderen gaan wonen en welk uitgangspunt voor de schadeberekening dient te ­worden genomen. Bij verlies van beide ouders doet zich de trieste omstandigheid voor dat de gehele benodigde zorg wegvalt en vervolgens bij derden komt te liggen. De vraag is dan hoe zich dat vertaalt in schade. Desondanks biedt de reeds bestaande rechtspraak wel enkele aanknopings­punten voor de zaak zoals die werd voorgelegd aan de Rechtbank Rotterdam.

 Uit Hoge Raad 4 februari 20004 volgt dat het niet gaat om de schade van de overledene zelf, maar om schade die de nabestaande lijdt door het derven van levensonderhoud dat hij van de overledene ontving. Het recht op schade­vergoeding krachtens dit artikel is in zoverre beperkt, dat geen recht op schadevergoeding bestaat voor zover de ­nabestaande, gezien zijn financiële omstandigheden en de stand waarin hij leeft, ondanks deze schade als niet-­behoeftig kan worden aangemerkt5. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 11 juli 20086 dat in een geval waarin een van de ouders in een gezin met kinderen door een ongeval is overleden, het antwoord op de vraag of en in hoeverre de kinderen behoefte hebben aan een ver­goeding ter zake van gederfd levensonderhoud voor zover dat bestond in het doen van de gemeenschappelijke huishouding door de overleden ouder, afhankelijk is van de concrete omstandigheden waarin zij verkeren, zoals leeftijd, de verdere gezinssamenstelling, de aard van de (huishoudelijke) werkzaamheden van de overledene waarin na diens overlijden op andere wijze moet worden voorzien, en de financiële positie waarin de kinderen na het over­lijden van de ouder verkeren. In een arrest van 10 april 20097 geeft de Hoge Raad aan – hetgeen de Rechtbank Rotterdam zelf overigens ook heeft aangehaald – dat art. 6:108 BW in beginsel strekt tot volledige schadevergoeding, wat betekent dat de omvang van de verplichting tot schadevergoeding allereerst moet worden bepaald door de bijdrage die de overleden echt­genoot van de achterblijvende partij leverde. Dit dient ­vervolgens te worden vergeleken met de positie waarin de nabestaande door het overlijden daadwerkelijk is komen te verkeren. Daarbij moet in beginsel de gehele financiële ­positie van de nabestaanden in aanmerking worden ­genomen en gekeken worden naar hetgeen de overledene feitelijk aan de nabestaanden placht te verstrekken.

De Rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 18 april 20128 overwogen dat het te verwachten netto ­gezinsinkomen na overlijden moet worden vastgesteld en vervolgens aan de afzonderlijke nabestaanden moet ­worden toegerekend. De Hoge Raad heeft daarover in zijn arrest van 21 februari 19929 al overwogen dat het uitgangspunt dient te zijn dat het doorgaans niet tot een juist resultaat leidt om de vaste lasten in gelijke delen aan de (achtergebleven) ouder en elk der kinderen toe te rekenen. De Hoge Raad overweegt vervolgens: “Het hangt van de concrete omstandigheden van het geval af welke verdeel­sleutel de werkelijke schade het meest benadert, maar in ­ieder geval zal moeten worden gelet op de mate waarin enerzijds de weduwe, anderzijds elk der kinderen behoefte heeft aan de voorzieningen waarop de vaste lasten betrekking hebben. Met name voor wat de woonlasten betreft, zal in de regel moeten worden aangenomen dat de weduwe een aanmerkelijk groter gedeelte van de desbetreffende voor­zieningen behoeft dan ieder van de kinderen. Ter wille van een hanteerbare methode van schadebegroting, ligt het voor de hand het aandeel van de weduwe in de vaste lasten te stellen op tweemaal het aandeel van het kind, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die aan­leiding geven tot een andere vergoeding.” 

In eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009 heeft de Hoge Raad ten aanzien van gederfd levensonderhoud voorts aangegeven dat veelal voorkomt dat beide echtelieden zowel in financiële zin als door het ­verrichten van zorgtaken een bijdrage leveren aan de ­gemeenschappelijke huishouding en daardoor mede aan elkaars levensonderhoud. Valt de bijdrage van één van de echtelieden weg door diens overlijden, dan lijdt de achterblijvende echtgenoot daardoor schade. Is dat overlijden veroorzaakt door een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is en beperkt de achterblijvende echtgenoot deze schade door minder te gaan werken om zelf die zorgtaken te gaan verrichten, dan dient in beginsel de gehele inkomensschade die deze daardoor lijdt te worden betrokken bij de berekening van de omvang van de in art. 6:108 BW bedoelde schadevergoedingsplicht. De Hoge Raad geeft in zijn arrest van 12 juni 200910 aan dat in de aanhef van art. 6:108 BW de besloten beperking geldt dat geen aanspraak op vergoeding bestaat voor zover de na­bestaande kort gezegd, gelet op alle omstandigheden
van het geval ondanks zijn schade, niet als behoeftig kan worden aangemerkt. Dit geldt ook voor het in lid 1 onder d omschreven geval waarin de overledene in het levens­onderhoud bijdroeg door het doen van de gemeen­schappelijke huishouding. Het behoeftigheidsvereiste geldt voor iedere op art. 6:108 BW gebaseerde vordering tot ­vergoeding van gederfd levensonderhoud
11. Uit de rechtspraak komt naar voren dat er door de decennia heen geen wijziging in de opvatting binnen de rechtspraak valt te ontdekken, maar een constante lijn te zien is. De behoefte aan levensonderhoud wordt louter bepaald door de ­omstandigheden zoals die tot het overlijden golden en daarna gelden. Uit de rechtspraak is te destilleren dat het levensonderhoud dat in de situatie zonder overlijden werd verstrekt – dan wel zou worden verstrekt – mee mag ­worden genomen naar de situatie na het overlijden. Het levensonderhoud dat wordt overgenomen van de overledene kan ‘niet worden meegenomen’ naar de situatie met overlijden, dus zelfs niet als het de natuurlijke ouder is die de taken overneemt.
 

Overwegingen

Schade als gevolg van het derven van levensonderhoud komt voor vergoeding in aanmerking voor zover daar ­behoefte aan bestaat. In het concrete geval is dan de vraag waar bestaat die behoefte uit? Voor het levensonderhoud kan onderscheid worden ­gemaakt in gederfd en ontvangen levensonderhoud. Het één ziet op het wegvallen van levensonderhoud dat de ouder(s) verstrekte(n) en het ander ziet op de wijze waarop het wordt ingevuld nadat het levensonderhoud is weg­gevallen. In de casus die ter beoordeling voorlag aan de Rechtbank Rotterdam werd zowel voor dit eerste als het laatste als uitgangspunt genomen de fictieve situatie dat de kinderen in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen. Volgens de rechtbank is immers denkbaar dat de kinderen in het ouderlijk huis zouden zijn blijven wonen, omdat de voogden er ook voor hadden kunnen kiezen om met de kinderen in het ouderlijk huis te gaan wonen. Een fictieve situatie vanuit een reële gedachte (althans, volgens de rechtbank). De vraag die zich opdringt is of het dan ook reëel is om het opgekomen voordeel van het ­wegvallen van de woonlasten van het oude huis van de voogden (voor ­zover daarvan sprake is) niet mee te ­nemen. Dat geldt eveneens in de situatie zoals de onder­havige waarin de kinderen niet in het ouderlijk huis blijven en dit ouderlijk huis wordt verkocht, waardoor de woonlasten voor dat huis wegvallen. Kunnen die (weggevallen) woonlasten dan nog wel als schade worden aangemerkt? 

Voor het ontvangen levensonderhoud overweegt de ­rechter weliswaar dat het niet reëel is om uit te gaan van de situatie dat de kinderen in het ouderlijk huis ­zouden zijn blijven wonen met uitsluitend professionele dienst­verleners, maar hanteert wel het uitgangspunt dat de extra tijd die de voogden vanaf de opname van de twee kinderen in hun gezin aan de gemeenschappelijke huishouding dienen te besteden, vergoed dient te worden op basis van bespaarde kosten van vervangende professionele hulp. In zoverre berekent de rechtbank de schade dan, ­anders dan voor het gederfd levensonderhoud, op basis van een fictieve situatie met een irreële component. Is de uitspraak op dit punt dan toch niet innerlijk tegenstrijdig? 

Wanneer gekeken wordt naar het ontvangen levens­onderhoud, zou de schadevaststelling ook naar analogie bezien kunnen worden vanuit de wijze van berekening van letselschade, waar wordt uitgegaan van de concrete omstandigheden waarin het slachtoffer in de situatie met ongeval verkeert. Dat zou dan betekenen dat voor de ­schadevaststelling in geval van opname in het gezin van derden, bezien moet worden welke kosten deze derden maken, bijvoorbeeld in de zin van verminderde inkomsten door de toename van zorgtaken. Dit dient evenwel niet zo beperkt te worden opgevat dat de gedachte zou kunnen ontstaan dat een verschuiving van lasten plaatsvindt van de aansprakelijke persoon naar de schadelijdende partij. In lijn met letselschadezaken dient op het punt van ­abstractie wellicht de maatstaf te worden aangelegd dat de vraag moet zijn of externe (professionele) hulp normaal en gebruikelijk zou zijn. Het Johanna Kruidhof-arrest12 leerde dat abstraheren mogelijk is, als de ouder de taken van een externe hulp overneemt, terwijl externe hulp normaal en gebruikelijk zou zijn. Bij het Krüter/Van de Pol-arrest13 was het daarentegen niet normaal en gebruikelijk dat ­gebruik werd gemaakt van externe hulp en was abstra­heren van de concrete situatie (concrete kosten) niet aan de orde.14 Bovendien werd in het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009 als uitgangspunt genomen dat de schade van de achterblijvende echtgenoot door minder te gaan werken om zelf zorgtaken te gaan verrichten, begroot moet worden op basis van de geleden inkomensschade. De vraag die rijst in geval van twee overleden ouders is of de situatie, waarin een familielid de zorgtaken overneemt, in zoverre overeenkomt met een achterblijvende echt­genoot, dat de extra zorgtaken die dit familielid op zich heeft genomen ook begroot kan worden op basis van weggevallen inkomsten van dat familielid? Of moeten in een dergelijk geval, in lijn met de Rechtbank Rotterdam, ­
de extra zorgtaken begroot worden op basis van het aantal uren maal het tarief van een professioneel verzorger?
 

Lastige vragen die moeilijk te beantwoorden zijn, ook ­omdat de toekomst eenmaal niet valt te voorspellen. Toch dient naar mijn mening zoveel als mogelijk te ­worden aangehaakt bij de concrete situatie en dient op ­basis daarvan de schade te worden begroot. Wel met de kanttekening dat recht moet worden gedaan aan de ­situatie. De wel­willendheid van familie moet immers niet in schril contrast komen te staan met het gegeven dat een derde aansprakelijk is. De wijze waarop en de mate waarin een familielid de verweesde kinderen verzorgt, behoort buiten beschouwing te blijven bij het vaststellen van de schade15.

Kortom, dat er behoefte bestaat aan duidelijkheid omtrent de te nemen uitgangspunten in geval van overlijdensschade, lijkt mij evident. De Notitie Denktank Over­lijdensschade is immers niet voor niets geschreven (de aanbevelingen van de Denktank Overlijdensschade zijn overgenomen door de Letselschade Raad en verwerkt in De Letselschade Richtlijn Rekenmodel Overlijdensschade). Evenwel wordt in de Notitie Denktank Overlijdensschade aangegeven dat er altijd gevallen zullen blijven die vanwege bijzondere omstandigheden niet meer volgens de hoofdregel kunnen worden berekend. In de notitie wordt dan expliciet de situatie genoemd waarbij beide ouders overlijden16. Oftewel, dergelijke schadegevallen zijn te ingewikkeld om daarvoor een algemene richtlijn te geven.

 

M.J. Neeser van het Nederlands Rekencentrum Letsel­schade geeft aan dat uit de praktijk blijkt dat de bij het schaderegelingsproces betrokkenen, waaronder de rechterlijke macht, tot op heden geen uitgangspunten voor relevante aspecten van de berekening van overlijdensschade vaststellen. Daardoor ontstaat de vicieuze cirkel waarin de rekenkundige om de uitgangspunten vraagt en degene die de uitgangspunten dient aan te leveren om een berekening vraagt. Door het gebrek aan duidelijke richtlijnen wordt het berekenen van een overlijdensschade ernstig bemoeilijkt, aldus Neeser17. 

Tot slot

Welke uitgangspunten voor de vaststelling van de schade moeten worden gehanteerd, wordt hopelijk nader uiteengezet in hogere rechtspraak, want de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam roept de nodige vragen op en lijkt te hinken op meerdere gedachten. Niet alleen dringt zich de vraag op of het juist is om uit te gaan van een fictieve ­situatie, ook is het zeer de vraag of de voogden voordeel moeten genieten door hun (fictieve) intrek in het ouderlijk huis (wat overigens geen onderwerp van debat tussen ­partijen is geweest). Dat de last niet verschoven moet ­worden van de aansprakelijke persoon naar de voogden, staat voorop, doch dat is wat anders dan de fictieve situatie als uitgangspunt nemen of bepaalde voordelen niet ­betrekken in de schadeberekening. In zoverre opteer ik voor een volledige, maar reële schadeberekening. Als de berekening te weinig relatie heeft met de werkelijkheid is deze onbegrijpelijk en niet meer uit te leggen. Dat roept bepaalde weerstand op. Het blijft een kwestie van keuzes maken wat redelijk is in de feitelijke situatie, die hoe dan ook casuïstisch van aard is. 

1            Rb. Rotterdam 17 december 2014 ECLI:NL:RBROT:2014:10051.

2            http://www.nu.nl/binnenland/2593608/vluchtende-auto-veroorzaakt-dodelijk-ongeval.html.

3            Vgl. HR 10 april 2009, RvdW 2009, 514 en HR 4 februari 2000,
NJ 2000, 600.

4            NJ 2000, 600, m.nt. M.M. Mendel; VR 2000, 154.

5            Vgl. HR 19 juni 1970, NJ 1970, 380.

6            RvdW 2008, 724 (r.o. 3.4.2).

7            NJ 2009, 386 (r.o. 3.4), m.nt. J.B.M. Vranken; VR 2009, 93;
RAV 2009, 55.

8            JA 2012, 153 (zie ook: HR 21 februari 1992, NJ 1992, 339).

9            NJ 1992, 339 (r.o. 3.4).

10          VR 2009, 109; RAV 2009, 83.

11          Zie daarover ook HR 16 december 2008, NJ 2008, 186, alsmede HR 12 juni 2009, VR 2009, 109.

12          HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564.

13          HR 6 juni 2003, NJ 2003, 504.

14          Zie ook: Mr. R.P. Wijne, TVP 2008/aflevering 4, p. 144.

15          Vgl. HR 5 juni 1981 (Thijssen/Hony), NJ 1982, 221; VR 1981, 78.

16          Notitie Denktank Overlijdensschade, Nieuwe richting benadering en berekening overlijdensschade, november 2014, Uitgeverij Kerckebosch bv, p. 52.

17          M.J. Neeser, Overlijdensschade 21e eeuw, een update, VRA 2009,
p. 361.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey