Een vordering voor angstschade?

Samenvatting:

Angst is een belangrijke en krachtige emotie die volgt op de dreiging van naderend onheil of gevaar. Het is de vraag of het recht een vergoeding biedt voor de angstschadevordering. Het gaat dan om schade als gevolg van angst die niet zo ernstig is dat deze een erkend psychiatrisch ziektebeeld oplevert. De Rechtbank Noord-Nederland heeft in haar uitspraak van 1 maart 2017[2] een vordering tot vergoeding van zulke angstschade erkend voor de slachtoffers van de aardbevingen in Groningen. Dit vonnis zet aan tot verdere gedachtenvorming.

Juridisch kader

Het schadevergoedingsrecht geeft recht op vergoeding van vermogensschade en van ander nadeel. Dat ander nadeel hoeft slechts te worden vergoed, voor zover de wet daar recht op geeft (art. 6:95 BW). Uit de wet volgt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding als de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast (art. 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW). De vergoeding voor angstschade betreft deze, immateriële schade. Tot een aantasting op andere wijze in zijn persoon behoort geestelijk letsel, waarvoor als vereiste geldt dat het gaat om een erkend psychiatrisch ziektebeeld of letsel dat naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, zo volgt uit jurisprudentie.[3]

Als angst ernstige vormen aanneemt, dan kan deze leiden tot een erkend psychiatrisch ziektebeeld bijvoorbeeld in de vorm van een posttraumatisch stress-syndroom (PTSS). Ook kan de angst overgaan in een angststoornis of in een depressie. Dan is er sprake van letselschade in de zin van aft.6:107 BW. De angst voor een mogelijke manifestatie van een ziekte of van aardbevingen in de toekomst kan ook minder ernstig zijn. Om deze mildere vormen van psychisch onbehagen of angst gaat het nu. In beginsel leveren deze geen aanspraak op vergoeding van immateriële schade.[4] Het is echter mogelijk ook naast een psychiatrisch erkend ziektebeeld een vergoeding te krijgen voor immateriële schade. Dan moet er sprake zijn van een ernstige schending van een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, zo volgt uit jurisprudentie.

Van zo’n ernstige schending van een fundamenteel persoonlijkheidsrecht bleek in het arrest Groningse oudejaarsrellen uit 2004.[5] De woning van een echtpaar wordt belegerd en door een groep van 60 jongeren drie keer aangevallen, terwijl de man en de vrouw aanwezig zijn en doodsangsten uitstaan. Het echtpaar belde de politie meerdere malen, maar die waren pas vijf uur na de eerste melding ter plaatse.

In de zaak van de Groninger oudejaarsrellen overwoog de rechtbank dat er een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer was gemaakt; het ging in het bijzonder om schending van de rechten voortvloeiend uit art. 10 Gw, art. 12 Gw en art. 8 EVRM. Dit werd beschouwd als een aantasting van de persoon op andere wijze, in de zin van art. 6:106 lid 1 onder b BW. Hiertegen werd sprongcassatie ingesteld. De Hoge Raad liet de beslissing op hoofdlijnen in stand. De Hoge Raad casseerde het vonnis voor zover er immateriële schade was toegekend aan de zoon die niet thuis was ten tijde van de belaging. Hij had zich niet zelf in de bedreigde situatie bevonden en had dus geen angstgevoelens doorstaan in de bedreigende situatie zelf.

De vraag komt op welke fundamentele persoonlijkheidsrechten er zijn. Het gaat dan om rechten die fundamentele aspecten van de menselijke persoon proberen te beschermen. Dat kan een groot aantal grondrechten en mensenrechten zijn.[6] Met het oog op angstschade zou ik de volgende fundamentele persoonlijkheidsrechten willen benoemen:

–        het recht op leven (art. 2 EVRM);
–        het recht op lichamelijke integriteit, recht op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer en het gezinsleven (art. 8 EVRM);
–        het recht op onaantastbaarheid van het lichaam (art. 11 Gw);
–        het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 10 Gw);
–        het recht op eigendom (art. 1 Prot. 1 EVRM).

Uit het arrest Groninger oudejaarsrellen blijkt ook dat de inbreuk ernstig van aard moet zijn.[7] Volgens Lindenbergh zijn de volgende gezichtspunten van belang bij het bepalen of een inbreuk ernstig is:[8]

–        de aard van het geschonden belang;
–        de gevolgen voor het slachtoffer;
–        de aard van de nalatigheid;
–        de mate van schuld van de dader.

De gezichtspunten spelen niet altijd allemaal een rol. Zo zal nu eens het ene gezichtspunt, dan weer het andere gezichtspunt belangrijker zijn. De Hoge Raad heeft zich tot nog toe niet verder uitgelaten over de ernst van de inbreuk.

De uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland

De Rechtbank Noord-Nederland deed op 1 maart 2017 uitspraak in de zaak tussen huiseigenaren en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) over een angstschadevordering. De NAM wint sinds de jaren zestig gas uit het Groningenveld. Als gevolg van de gaswinning hebben zich met name de afgelopen jaren, vanaf 2012, veel aardbevingen voorgedaan in Groningen. Huiseigenaren hebben schade aan hun woningen door de aardbevingen. De afwikkeling van de schade door de NAM gaat traag en de inwoners ervaren ongemak van het herstel van schade. De inwoners van Groningen hebben te lijden onder de dreiging van de aardbevingen. Zij hebben angstgevoelens.

Daarom hebben 127 huiseigenaren een proces aangespannen tegen de NAM. Inzet van het geding is een verklaring voor recht dat zij recht hebben op vergoeding van hun immateriële schade, omdat zij niet meer met plezier in hun huis wonen en in angst leven. De huiseigenaren stellen dat de NAM een ernstige inbreuk maakt op fundamentele persoonlijkheidsrechten, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (art. 2 en 8 EVRM). Zij menen dat er recht is op vergoeding van immateriële schade, ook al is er geen sprake van een erkend psychiatrisch ziektebeeld.

De NAM betwist dit. Volgens de NAM is weliswaar sprake van enige overlast door de aardbevingen, maar vormt dat geen ernstige inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank overweegt allereerst dat de NAM de situatie van de woningeigenaren bagatelliseert als zij de gevolgen van de aardbevingen aanmerkt als gewone overlast. De aardbevingen grijpen diep in op het leven van de bewoners van het gaswinningsgebied. Zij ervaren onzekerheid, onvrede, boosheid, verontwaardiging en onveiligheid als gevolg van de aardbevingen. De rechtbank overweegt voorts dat het de vraag is of de NAM inbreuk maakt op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, of die inbreuk ernstig is en of de gevolgen van die inbreuk eisers rechtstreeks treffen. Vervolgens oordeelt de rechtbank:[9]

“De rechtbank is met eisers van oordeel dat het recht op eerbiediging van de integriteit van hun persoon, de veiligheid van hun woning en hun persoonlijke levenssfeer belangrijke fundamentele rechten zijn. De inbreuk die daarop door NAM wordt gemaakt is in veel gevallen ook ernstig, want in een groot deel van het Groningenveld worden inwoners gedurende langere tijd geconfronteerd met aardbevingen en/of de dreiging van (zwaardere) aardbevingen, die hun lijf en goederen kunnen schaden. Dit gaat verder dan een enkele aantasting van het milieu als zodanig. Uit de diverse onderzoeken die zijn overgelegd en de maatregelen die door NAM en de Staat worden getroffen blijkt dat de aardbevingen bij veel inwoners ten koste gaan van hun welzijn, hun levensvreugde en hun toekomstplannen. Mensen vrezen voor hun eigen veiligheid en die van hun dierbaren, hebben financiële zorgen omdat zij zich gevangen voelen in een woning die minder waard wordt en onverkoopbaar is, hebben spanning en frustraties over de schades die ontstaan en over de financiële afwikkeling en het herstel daarvan en hebben in algemene zin verdriet om wat zij kwijt zijn geraakt. De situatie in het aardbevingsgebied is in die zin vergelijkbaar met de zaak van de Groninger Oudejaarsrellen dat gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met betrekking tot lijf en goed aan de orde zijn. Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om een veel langere periode die tot op de dag van vandaag voortduurt en voor onbepaalde tijd blijft voortduren.”

De rechtbank oordeelt dat er fundamentele persoonlijkheidsrechten in het geding zijn en dat de inbreuk ernstig is. Het gaat dan om de huiseigenaren die wonen in het deel van het Groningenveld waar regelmatig aardbevingen worden gevoeld en schade wordt geleden.

Vervolgens kijkt de rechtbank of de huiseigenaren rechtstreeks worden getroffen.[10] Dat blijkt uit de persoonlijke verklaringen die de eigenaren in het geding hebben gebracht waarin wordt beschreven wat de gevolgen zijn voor de persoonlijke veiligheid, voor de verkoopbaarheid van de woning of voor de overlast door de schadeafwikkeling. De verklaring voor recht wordt afgewezen door de rechtbank, wanneer het gaat om iemand die een vakantiewoning in Groningen heeft of iemand die in Nieuw-Zeeland woont.

Na deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland waarin een verklaring voor recht is afgegeven, volgt verwijzing naar de schadestaatprocedure. De rechtbank geeft alvast enige vingerwijzingen mee voor de beoordeling van de hoogte van de schade in het individuele geval. Alle omstandigheden van het geval wegen mee, zoals:[11]

–        de frequentie en zwaarte van de aardbevingen waarmee een eiser wordt geconfronteerd;
–        de periode waarin dat het geval is geweest;
–        de ernst van de schade aan de woning van eiser;
–        de afhandeling van die schade;
–        de gezondheidsklachten waartoe dit heeft geleid.

Verdere aandachtspunten bij angstschade

De gezichtspunten die de rechtbank noemt voor het bepalen van de hoogte van de schade lijken helemaal toegespitst op de situatie in Groningen. Voor andere vormen van angstschade zal vooral het laatste gezichtspunt, de gezondheidsklachten waartoe de inbreuk op het persoonlijkheidsrecht heeft geleid, van belang zijn. Ook zonder dat er sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld kunnen slachtoffers met angstschade gezondheidsklachten hebben. Denk aan hartkloppingen, slapeloosheid, nachtmerries, een opgejaagd gevoel en somberheid.

Dat gezichtspunt sluit ook aan bij het toetsingskader dat de Hoge Raad in 1992 heeft gegeven voor de vaststelling van de hoogte van smartengeld. [12]  De Hoge Raad bepaalde dat enerzijds de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde en anderzijds de aard van de aansprakelijkheid van belang zijn. Die criteria kunnen ook worden toegepast op angst: de aard, de duur en de intensiteit van angst zal nader moeten worden onderzocht. De aard van de aansprakelijkheid legt ook gewicht in de schaal. Dat de NAM veel profijt heeft getrokken van de aardgaswinning zou mee kunnen spelen. Dat geldt ook voor fabrikanten die giftige stoffen uitstoten of voor werkgevers die hun werknemers met gevaarlijke stoffen laten werken.

De hoogte van de vergoeding voor angstschade zal bestaan uit de lagere bedragen die te vinden zijn in het smartengeldboek, nu angstschade minder ernstig is dan angstschade uitmondend in een erkend psychiatrisch ziektebeeld: bedragen zullen fluctueren tussen de € 0,00 en € 7.500,00.[13]

Naast smartengeld zou een slachtoffer aanspraak kunnen maken op vermogensschade: bijvoorbeeld inkomstenverlies, medische zorgkosten of kosten voor kinderopvang of huishoudelijke hulp.

Bij de vergoeding van angstschade zal een keuze moeten worden gemaakt, als de angst nog voortduurt. Bijvoorbeeld als de incubatietijd voor een ziekte nog niet verstreken is. Gekozen kan worden voor een vergoeding ineens of uitstel van de schadebegroting met betrekking tot nog niet ingetreden schade (ingevolge art. 6:105 lid 1 BW). Naast schadevergoeding in geld kan de gedupeerde ook maatregelen vorderen (art. 3:296 BW). De gedupeerde kan zo richting de schadeveroorzaker vorderen nader onderzoek te verrichten ten aanzien van risico’s. Denk bij de NAM aan een vordering om onderzoek te doen naar de risico’s op aardbevingen in de toekomst.

Conclusie

Of de angstschadevordering bestaansrecht heeft, zal moeten blijken uit de procedure die volgt op de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland. Gaat de Hoge Raad mee met het oordeel van de rechtbank, dan zal dat gevolgen hebben, niet alleen voor de huiseigenaren in Groningen, maar voor vele gedupeerden met angstschade na blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Dat heeft consequenties voor wat gevorderd kan worden en op welk moment. Ook zonder lichamelijk letsel of een erkend psychiatrisch ziektebeeld zullen dan succesvol vorderingen voor angstschade kunnen worden aangebracht.

Het is voorlopig nog wachten op de uitspraak van de Hoge Raad over deze vordering. De zaak van de Groningers is nu in de fase van hoger beroep aanbeland. Het is te hopen dat het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad stelt om een einde te maken aan de onzekerheid.

Er zijn argumenten voor en tegen het erkennen van een angstschadevordering te geven.

Vóór pleit dat exploitanten, fabrikanten en werkgevers een afweging maken om hun winst te maximaliseren. Daarbij zouden ze ook de maatschappelijke kosten van hun activiteiten moeten meerekenen. Als angstschade niet vergoed blijft, blijft een deel van de schade onzichtbaar. Waarschijnlijk is het wel nodig een ondergrens te bepalen. De angst zal van voldoende ernst en intensiteit moeten zijn; zo zal deze zich waarschijnlijk moeten manifesteren en onderscheiden in lichamelijke klachten, zoals slapeloosheid, hartkloppingen of concentratieverlies, en erg intens zijn of langere tijd aanhouden.

Tegen pleit het zetten van een vergoeding op een emotie die lastig te objectiveren en aan te tonen is. Vergoeding van angstschade lijkt zich op een hellend vlak te begeven. Lastig bij angstschade is namelijk het aangeven van de ondergrens. Is een klein beetje angst al voldoende? Hoort een bepaalde dosis angst niet bij het leven en is deze niet gewoon functioneel? Moeten straks allerlei lichte vormen van ongemak vergoed worden? Het laatste woord hierover is nog niet gezegd.

[1] Mr. dr. Janet van de Bunt is wetenschappelijk medewerker bij Holla advocaten en universitair docent burgerlijk recht bij de afdeling Moot Court van de Universiteit Leiden.
[2] Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715.
[3] HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606, NJ 2005/168 m. nt. W.D.H. Asser.
[4] Zie HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608, NJ 1997/36 m. net. C.J.H. Brunner (Ontvanger/Bos).
[5] HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005/391 m. nt. J.B.M. Vranken (Groningse oudejaarsrellen).
[6] Vgl. S.D. Lindenbergh, ‘Schending en schade. Over aantasting van fundamentele rechten en eenheid in het schadevergoedingsrecht’, in: Rechtseenheid en vermogensrecht (BW-krant jaarboek), Deventer: Kluwer 2005
[7] HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721, NJ 2005/391 m. nt. J.B.M. Vranken (Groningse oudejaarsrellen), r.o. 3.11.
[8] S.D. Lindenbergh, Smartengeld, (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1998, p. 155-157.
[9] Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, r.o. 4.4.6.
[10] Vgl. Rb. Noord-Nederland 1 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:715, r.o. 4.4.8.
[11] Ibid.
[12] HR 8 juli 1992, NJ 1992, 714.
[13] Vgl. Smartengeldgids, Den Haag: ANWB 2016, nr. 1210 (€ 500 voor angst na bedreiging), nr. 1732 (€ 767 voor angst na werken met asbest), nr. 1224 (€ 1.719 voor angst voor zijn veiligheid), nr. 1240 (€ 7.530 voor angst voor HIV-besmetting).

 

 

 

 

 

  • Vaknieuws

  • Janet van de Bunt, wetenschappelijk medewerker bij Holla Advocaten [1]
  • Bron: PIV-bulletin
  • folder PIV-bulletin, Psychisch letsel

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots