De Hoge Raad spreekt zich uit: medische analyse is geen persoonsgegeven

Samenvatting:

In PIV-Bulletin 2017-2 schreven wij over het medisch advies en de discussie die in de praktijk bestaat over het al dan niet verstrekken van een dergelijk advies door de aansprakelijk gestelde partij aan een benadeelde. Inmiddels heeft ook de Hoge Raad zich uitgesproken over deze discussie en geoordeeld dat noch op grond van artikel 843a Rv noch op grond van artikel 35 Wbp een verplichting bestaat om de wederpartij inzage in of afschrift van een medisch advies te verlenen.[1]

Wij schreven ons artikel naar aanleiding van een procedure waarin door een patiënte op grond van artikel 843a Rv afschrift van, dan wel inzage in de bevindingen van een door (de aansprakelijkheidsverzekeraar van) een ziekenhuis ingeschakelde deskundige werd gevorderd. De patiënte deed daarbij tevens een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Gesteld werd dat het ziekenhuis en de gynaecoloog zich er – gelet op de Wbp – niet op konden beroepen dat het recht op een eerlijk proces mee zou brengen dat inzage moest worden geweigerd. Het Gerechtshof Amsterdam ging hier niet in mee en oordeelde, samengevat, dat een verplichting om inzage te geven in de correspondentie gewisseld tussen een advocaat[2] en een door die advocaat geraadpleegde deskundige in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces.[3]

Tegen het arrest van het gerechtshof werd cassatie ingesteld, waarin onder meer werd geklaagd tegen de afwijzing van de vordering op grond van artikel 843a Rv. Door de patiënte werd betoogd dat de vordering reeds op grond van artikel 35 Wbp had moeten worden toegewezen en dat het oordeel van het gerechtshof, dat inzage in strijd is met het recht op een eerlijk proces, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De patiënte meende dat juist het oordeel van het gerechtshof in strijd was met het uit het recht op een eerlijk proces voortvloeiende beginsel van equality of arms en de waarheidsplicht van artikel 21 Rv.

De A-G, mr. Hartlief, overwoog in zijn conclusie dat het oordeel van het gerechtshof voldoende inzicht had gegeven in de wijze waarop hij de verschillende belangen tegen elkaar heeft afgewogen. De A-G concludeerde dat artikel 35 Wbp niet relevant was voor de afweging die gemaakt moest worden in het kader van artikel 843a Rv. Ook hij meende, net zoals het Hof, dat een parallel kan worden getrokken met de uitspraak van het HvJEU van 17 juli 2014[4] en dat het advies een medische analyse van bestaande gegevens is en geen persoonsgegevens die op juistheid kunnen worden gecontroleerd.

De Hoge Raad heeft de conclusie van de A-G gevolgd en stelde voorop dat het gerechtshof terecht het toetsingskader van artikel 843a Rv heeft toegepast. De Hoge Raad overwoog vervolgens dat, voor zover door de patiënte is betoogd dat het gerechtshof bij de belangenafweging in het kader van 843a Rv doorslaggevende betekenis had moeten toekennen aan de omstandigheid dat de stukken waarvan inzage wordt gevorderd, betrekking hebben op persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De klacht faalt. De patiënte vorderde namelijk geen inzage in persoonsgegevens maar inzage in een medische analyse. Het Gerechtshof Amsterdam had terecht een parallel getrokken met het eerder genoemde arrest van het HvJEU. De Wbp beoogt een betrokkene in staat te stellen om te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt. Die controle kan dan leiden tot rectificatie, uitwissing of afscherming van de gegevens. De vordering van de patiënte was gericht op het verkrijgen van informatie ten behoeve van de procedure en niet op het doel waartoe de Richtlijn 95/46/EG strekt. Er is dan ook geen sprake van persoonsgegevens in de zin van de Wbp, aldus de Hoge Raad, en de patiënte kan aan de Wbp geen recht op verstrekking van de medische analyse ontlenen.

Met dit arrest schept de Hoge Raad duidelijkheid over de discussie of een medisch advies al dan niet moet worden verstrekt. Medische adviezen worden in de praktijk over en weer vaak gedeeld tussen partijen, maar met dit arrest is bevestigd dat de benadeelde geen afdwingbaar recht heeft op inzage of afschrift in het medisch advies op grond van de Wbp. Dit geeft partijen, indien gewenst, de mogelijkheid om in vrijheid en beslotenheid de verdediging voor te bereiden en daarover van gedachten te wisselen met een deskundige.

[1] Hoge Raad 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:365.
[2] In deze zaak ging het om correspondentie gewisseld tussen een advocaat en een door die advocaat geraadpleegde deskundige. Nu aan de overweging van het hof ten grondslag ligt dat iedere partij het recht heeft om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden (voortvloeiend uit art. 6 EVRM), geldt dit wat ons betreft niet alleen voor advocaten, maar ook voor o.a. schadebehandelaars.
[3] Gerechtshof Amsterdam 13 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3739.
[4] Gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, ECLI:EU:C:2014:2081.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots