De civielrechtelijke aansprakelijkheid van een medisch deskundige – Rb. Midden-Nederland 27 maart 2013

Samenvatting:

[…]

De civielrechtelijke aansprakelijkheid van een medisch deskundige – Rb. Midden-Nederland 27 maart 2013 – Moeilijk te bewijzen …

 

Mevrouw mr. S. Steegmans – KBS Advocaten

 
Aanleiding voor deze bijdrage is het door de Rechtbank Midden-Nederland gewezen vonnis van 27 maart 2013. In dit vonnis komt de vraag aan de orde of een medisch deskundige – die op gezamenlijke voordracht van partijen was benoemd – aansprakelijk is jegens de partij die zich niet in de conclusies van de deskundige kon vinden1. In deze bijdrage zal worden stilgestaan bij de vraag in hoeverre een medisch deskundige civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor een op gezamenlijk verzoek uitgebracht rapport. Allereerst zal een beknopte uiteenzetting volgen over het belang van een medisch deskundige in het letselschadeproces. Daarna zal de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland worden besproken, waarbij de voorwaarden voor aansprakelijkheid van een deskundige, zoals geformuleerd door de rechtbank, aan de orde zullen komen. Tot slot volgt een korte beschouwing van het onderwerp, dat wordt afgesloten met een conclusie.
 
Medisch deskundige in het letselschadeproces
In letselschadezaken wordt met grote regelmaat door partijen (de benadeelde en de – aansprakelijkheidsverzekeraar van de – veroorzaker van het ongeval) gezamenlijk, buiten rechte, een onafhankelijke medisch deskundige aangezocht met het verzoek (onder meer) de (medische) gevolgen van een ongeval in kaart te brengen.
Een dergelijk deskundigenrapport is voor beide partijen van grote waarde. Een medisch oordeel van een onafhankelijk deskundige kan immers uitsluitsel geven over óf en zo ja, welke beperkingen en klachten die door de benadeelde worden ondervonden wél het gevolg zijn van het ongeval waarvoor de andere partij aansprakelijk is2. Het deskundigenrapport stelt partijen daarmee in staat hun geschil af te wikkelen. Mocht de afwikkeling buiten rechte – om wat voor reden dan ook – niet gerealiseerd kunnen worden, dan behoudt het op gezamenlijk verzoek tot stand gekomen deskundigenrapport ook zijn waarde in een civiele procedure. De rechter zal een in onderling overleg tussen partijen tot stand gekomen deskundigenrapportage volgen, tenzij sprake is van steekhoudende en zwaarwegende argumenten tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud van het rapport3.
Het komt in de praktijk meer dan eens voor dat één van de partijen zich niet in het oordeel van de de4skundige kan vinden. Dat is, niet verwonderlijk, vrijwel altijd degene die geconfronteerd wordt met een voor hem ongunstig rapport.
 
Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2013
In deze kwestie diende de Rechtbank Midden-Nederland de vraag te beantwoorden of een door partijen op gezamenlijk verzoek benoemde deskundige (in dit geval een neuroloog) aansprakelijk was voor de schade die verzekeraar REAAL zou hebben geleden als gevolg van een naar haar mening onzorgvuldig opgestelde deskundigenrapportage. Wat was de casus? REAAL – aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van een verkeersongeval – had aansprakelijkheid erkend voor de schade van de benadeelde, X, die uit het verkeersongeval was voortgevloeid. In gezamenlijk overleg tussen partijen werd een neuroloog als onafhankelijke deskundige aangezocht met het verzoek een expertise te verrichten naar de gevolgen van het ongeval.
Het oordeel van de deskundige luidde kort gezegd dat de bij X aanwezige klachten (disfunctie van de linker arm en hand en forse dystonie in de spieren van de arm) als ­ongevalsgevolg dienden te worden aangemerkt. Voor het ongeval waren deze klachten en verschijnselen niet aan­wezig en het was onwaarschijnlijk dat X deze klachten en verschijnselen gekregen zou hebben indien het ongeval hem niet was overkomen, aldus de deskundige. REAAL kon zich in deze conclusies niet vinden en heeft, zonder een inhoudelijke reactie op de rapportage te geven aan de deskundige, de advocaat van X geschreven dat de neuroloog wanprestatie had gepleegd4. Aansluitend heeft REAAL een tuchtklacht tegen de deskundige ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) in Amsterdam. Dit tuchtcollege achtte REAAL niet ontvankelijk en wees de klacht wegens gebrek aan belang af. Deze uitspraak werd in beroep door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) bevestigd5. Vervolgens heeft REAAL een vordering tegen de deskundige ingesteld bij de Rechtbank Midden-Nederland. Volgens REAAL was de deskundige ten onrechte buiten zijn deskundigheidsgebied getreden en zou hij conclusies hebben getrokken die niet konden worden gestoeld op de medische voorgeschiedenis van X.
Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag of de deskundige jegens REAAL wanprestatie had geleverd, geeft hij een uiteenzetting van de taak(vervulling) van een door partijen benoemde deskundige. In dat kader overweegt de rechtbank dat de deskundige is te beschouwen als een opdrachtnemer met een bijzondere positie, ‘nu bij de uit­voering van de opdracht verwacht mag worden dat hij onafhankelijk is en dus niet zijn oren laat hangen naar één van de partijen. Ook komt hem een zekere mate van vrijheid toe indien het gaat om de interpretatie van hem aangereikte gegevens. Dit is passend bij enerzijds het gegeven dat hij te maken heeft met (mogelijk) tegenstrijdige belangen en ­anderzijds het feit dat hij juist vanwege zijn deskundigheid gevraagd wordt te rapporteren. Bij het verrichten van zijn werkzaamheden dient een deskundige voorts zorgvuldig te werk te gaan en dient zijn rapport consistent en duidelijk te zijn. Verder dient de deskundige inzicht te geven in de door hem gevolgde gedachtegang.
Niet ongebruikelijk is dat na het verschijnen van het rapport van een deskundige bij (één van de) partijen behoefte bestaat aan een nadere uitleg of dat zij een deskundige wensen te confronteren met een (mogelijke) tegenstrijdigheid in het rapport. Het behoort bij de taak van een deskundige daarop in te gaan, nu dit kan bijdragen aan de vervulling van het door hem toe te passen beginsel van hoor en wederhoor.’
 
De rechtbank vervolgt in meer algemene zin: ‘Een (in de ogen van één) partij onjuist rapport betekent nog niet dat de deskundige jegens die partij is tekortgeschoten of onrecht­matig heeft gehandeld. Daarvan zal slechts in uitzonderingsgevallen sprake zijn, waarbij met name kan worden gedacht aan de situatie dat sprake is van een flagrante schending van de belangen van één van de partijen of dat het rapport ver blijft beneden de redelijkerwijs te verwachten professionele standaard en de deskundige hiervan ook een verwijt is te maken. Daarnaast kan een rapport (eventueel gedeeltelijk) buiten beschouwing worden gelaten bij de verdere geschil­beslechting tussen partijen. Hiervan kan met name sprake zijn indien de deskundige zich geheel of gedeeltelijk heeft ­begeven op een terrein dat buiten zijn specifieke deskundigheid ligt.’ De rechtbank overweegt dat hiervan geen sprake was in deze zaak en wijst de vordering van REAAL af. Niet onbelangrijk was dat REAAL na het gereedkomen van de rapportage de deskundige niet om een nadere uitleg had gevraagd, waarmee volgens de rechtbank voldoende was komen vast te staan dat de deskundige ‘jegens REAAL niet in verzuim was geraakt, nu hem – zelfs als sprake zou zijn van een tekortkoming of gebrek – hem de mogelijkheid is onthouden die te herstellen’. Daarnaast had REAAL verzuimd haar standpunt dat er sprake was van een tekort­koming, te onderbouwen met ‘bijvoorbeeld een rapportage van een andere deskundige waaruit zou kunnen blijken dat gedaagde op zijn vakgebied ernstig is tekort geschoten.’
 
Hoewel de rechtbank de voorwaarden voor aansprakelijkheid van de deskundige noemt, blijft in het vonnis de vraag onbeantwoord wanneer aan deze voorwaarden is voldaan. Wanneer blijft bijvoorbeeld een rapport beneden de redelijkerwijs te verwachten standaard? En wanneer is bijvoorbeeld sprake is van ‘een flagrante schending’ van de belangen van één partij?
 
Civielrechtelijke aansprakelijkheid van de deskundige – Onzorgvuldigheid
Rapport qua opzet en inhoud ver onder de maat?
Uit de leidraad deskundigen in civiele zaken en de jurisprudentie volgt dat een deskundige die een opdracht van een (medische) expertise uitvoert, (in ieder geval) gehouden is deze onpartijdig en naar beste weten te volbrengen. Van een deskundige wordt voorts verlangd dat het onderzoek wordt uitgevoerd en verslagen met gebruik van de kennis en ervaring van de deskundige op het betreffende vakgebied. Een deskundige wordt aangezocht omdat er vertrouwen bestaat in zijn kennis en ervaring op zijn vakgebied6. Ook dient de deskundige de eventueel op het vakgebied geldende regels, normen of gebruiken in acht te nemen, “de medische professionele standaard”. Ter beantwoording van de vraag of een medisch deskundige civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden, is van belang te weten wat het toetsingskader is. De norm, waaraan een deskundige wordt geacht te voldoen, is die van de redelijk handelend en redelijk bekwaam deskundige7. Dit wordt onder meer ingevuld door hetgeen in de Richtlijn medische specialistische rapportage8 en de Leidraad deskundigen in civiele zaken9 is opgetekend. Voorts zijn de door het CTG geformuleerde criteria ter beoordeling van een deskundigenrapport van belang. Deze criteria zijn10:
a) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
b) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
c) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
d) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de ­geconsulteerde personen;
e) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn ­deskundigheid; en
f) en wanneer een deskundigenrapportage (qua inhoud of vorm) tuchtrechtelijk ondermaats is, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.
Ter illustratie het volgende voorbeeld. Een psychiater die een rijbewijskeuring moest afnemen kreeg een waarschuwing omdat zijn rapportage niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Zo had de psychiater geen anamnese afgenomen en een niet afdoende methode toegepast waarin geen rekening was gehouden met contra-indicaties11. Ook het (niet onderbouwd) afwijken van de conclusies van behandelaars kan een beroepsbeoefenaar een tuchtrechtelijke maatregel opleveren12.
 
Dat tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van een deskundige kan leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid blijkt bijvoorbeeld uit het vonnis van de Rechtbank Roermond van 27 juni 200213. De rechtbank overwoog dat een deskundige die de eiseres psychiatrisch had gekeurd in opdracht van haar arbeidsongeschiktheidsverzekering, onrechtmatig jegens haar had gehandeld. Nadat door het CTG was geoordeeld dat de deskundige in zijn rapportage de grenzen van zijn deskundigheid had overschreden, waarbij teveel ruimte was gelaten voor speculatieve en subjectieve opvattingen, zag de rechtbank voldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de deskundige ook in civielrechtelijke zin onrechtmatig jegens eiseres had gehandeld en daarmee schadeplichtig was.
 
Wanneer een rapport ondermaats is en kan leiden tot civielrechtelijke aansprakelijkheid, zal afhankelijk zijn van alle omstandigheden van het geval. In elk geval kan worden aangenomen dat de door de tuchtrechter geformuleerde vereisten waaraan een deskundigenrapportage moet voldoen, hierbij geen onbelangrijke rol spelen.
 
Flagrante schending de belangen van een der partijen
Als het rapport qua opzet en inhoud wel aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoet, kan de deskundige jegens een van de partijen ook civiel aansprakelijk zijn indien hij bij het uitvoeren van zijn opdracht overduidelijk de­belangen van een van hen heeft geschonden. Bij ‘flagrante schending’ van de belangen van een van de partijen zou kunnen worden gedacht aan het niet toepassen van (als daarom gevraagd is) hoor en wederhoor. Te denken valt ook aan een deskundige die zich onprofessioneel en onheus opstelt jegens één van de partijen, door bijvoorbeeld blijk te geven van vooringenomenheid of partijdigheid.
Een eerder dienstverband in combinatie met een zakelijke relatie tussen de deskundige en een van de partijen, kan op gespannen voet met de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de deskundige komen te staan. In een recent ­arrest van de Hoge Raad was dit aan de orde14. Een van de partijen, C, had vooraf al bezwaren tegen de door het hof benoemde deskundige. Na het gereed komen van het rapport bleek dat de deskundige in het verleden bij de wederpartij van C – Hallmark – in dienst was geweest. Daarnaast had Hallmark wel eens zaken gedaan met het bedrijf van de deskundige. Hoewel het hof overwoog dat deze omstandigheden niet gelukkig waren, zag het geen aanleiding het gehele rapport buiten beschouwing te laten. C heeft vervolgens cassatie aangetekend. De Hoge Raad meende – anders dan het hof – dat C “voldoende omstandigheden heeft gesteld die, objectief beschouwd, twijfel kunnen rechtvaardigen aan de onpartijdigheid van de deskundige in de zin van art. 198 lid 1 Rv”. Het is echter wel de vraag of bovenstaande ook zou leiden tot civielrechtelijke aan­sprakelijkheid van de deskundige.
 
Beide door de rechter aangegeven mogelijkheden waarop civielrechtelijke aansprakelijkheid kan worden aan­genomen, kunnen worden gezien als open normen, die nadere invulling behoeven.
 
Mocht al kunnen worden vastgesteld dat een deskundige in de uitvoering van zijn opdracht toerekenbaar tekort is geschoten jegens een van de partijen of onrechtmatig heeft gehandeld, is de vervolgvraag of het ondeugdelijke rapport – dan wel de vastgesteld schending van de belangen – leidt tot op geld waardeerbare schade15. Bovendien is het maar de vraag of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde heeft geleden.
 
Relativiteit, causaal verband en schade
Voor civielrechtelijke aansprakelijkheid zijn de voorwaarden relativiteit, causaal verband en schade vereist.
De vraag of aan het relativiteitsvereiste ex art. 6:163 BW is voldaan, speelt in het volgende voorbeeld. Een benadeelde komt met de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van een ongeval tot een regeling nadat partijen gezamenlijk een deskundige hebben ingeschakeld over de gevolgen van het ongeval. Enige tijd later meent de benadeelde dat de deskundige ten onrechte minder blijvende beperkingen heeft vastgesteld dan daadwerkelijk het geval was. De benadeelde stelt dat zij door een fout van de eerste deskundige schade lijdt. Zij heeft namelijk voor een lager bedrag een schikking getroffen dan dat zij zou hebben gedaan, indien zij had geweten van de blijvende beperkingen. In dit voorbeeld is het echter zeer de vraag of (indien gesproken kan worden van onzorgvuldig handelen) of de geschonden norm – van redelijk handelend expertiserend arts – wel strekt tot bescherming van de vermogensschade (een lagere schadevergoeding) die de benadeelde stelt te hebben geleden.
 
Een ondeugdelijk rapport zal niet snel of slechts in beperkte mate tot (vermogensschade) van de benadeelde partij leiden. Een verzekeraar die (initieel geleden) schade moet uitkeren op basis van een ongunstig rapport zal – ook al zal achteraf komen vast te staan dat de rapportage ondeugdelijk is – niet snel met succes het causaal verband tussen het handelen van de deskundige en de uit te keren schade kunnen bewijzen16. Andersom geldt dit ook. Bij het Hof Den Bosch speelde de zaak van X, die de deskundigen (een forensisch jeugdpsychiater en een psycholoog/neuroloog) die onderzoek deden naar zijn verstandelijke vermogens in het kader van strafrechtelijke vervolging, civielrechtelijk aansprakelijk hield voor de door hem geleden schade als gevolg van de (in zijn ogen) ondeugdelijke rapportages. Uit de rapportages bleek dat X licht verstandelijk beperkt was en op zwakbegaafd niveau functioneerde. De Rechtbank Maastricht overwoog in eerste aanleg dat X niet aan zijn stelplicht had voldaan ten aanzien van het ­beweerdelijk onrechtmatig handelen, de schade en het causaal verband tussen het beweerdelijk onrechtmatig handelen en de gestelde schade17.In hoger beroep kwam het hof niet tot een ander oordeel en overwoog dat X onvoldoende feiten en omstandig­heden had gesteld omtrent inhoudelijk onzorgvuldig ­handelen van de deskundigen, alsook omtrent het causaal verband en de schade18.
Dat het verband tussen het gestelde onzorgvuldig handelen en de schade lastig te bewijzen is, blijkt ook uit de uitspraak van de Rechtbank Den Bosch van 22 augustus 201219. In die zaak was een psychiater aansprakelijk gesteld die als deskundige op verzoek van het USZO (nadien UWV) een verzekerde had gekeurd. De aansprakelijk­stelling vond plaats nadat de psychiater eerder de maat­regel van waarschuwing had opgelegd gekregen van het CTG, als gevolg van de tegen hem ingediende klacht. Het college had (onder meer) overwogen dat de psychiater buiten zijn deskundigheidsgebied constateringen had gedaan met betrekking tot het bewegingsapparaat van de betrokkene. Hoewel in deze zaak dus net als in de eerder besproken zaak een tuchtrechtelijke veroordeling was uitgesproken, was de rechtbank van oordeel dat de gestelde wanprestatie van de psychiater niet was onderbouwd “vanwege het ontbreken van stellingen waaruit valt af te leiden dat er sprake was van een contractuele relatie tussen [eiser] en [gedaagde]. Voor zover [eiser] een onrechtmatige daad aan zijn vorderingen ten grondslag heeft willen leggen, is de rechtbank van oordeel dat het daarvoor vereiste causale verband tussen het door [gedaagde] opgestelde deskundigen­rapport en de door [eiser] gestelde schade onvoldoende is gesteld. In de eerder aangehaalde uitspraak van 27 juni 2002 werd door de rechtbank overigens wel een causaal verband aangenomen: “de beslissing van Interpolis om de uitkering te beëindigen staat derhalve naar het oordeel van de rechtbank in voldoende causaal verband met door gedaagde uitgebrachte rapport om de gevolgen van die beslissing voor eiseres, en de maatregelen die zij heeft genomen om die gevolgen ongedaan te maken, aan gedaagde toe te rekenen.” De deskundige werd veroordeeld tot het voldoen van de kosten van de procedure bij de tuchtrechter, alsmede de kosten van de procedure bij de Raad van Toezicht Verzekeringen20. Overigens is in hoger beroep door het Hof ’s-Hertogenbosch in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad21 geoordeeld dat de kosten van die procedures niet konden worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid22.
De jurisprudentie op het gebied van civielrechtelijke aansprakelijkheid van deskundigen is schaars23. Een verklaring daarvoor kan zijn dat partijen andere (en meer voor de hand liggende) middelen tot hun beschikking hebben om een onwelgevallig oordeel van een deskundige te attaqueren. Zo zal een ontevreden partij doorgaans eerst nadere vragen stellen aan de deskundige of aanvullende opmerkingen maken ten aanzien van de inhoud van het (concept)rapport. Daarnaast kan de ontevreden partij eenzijdig een expertise vragen om hiermee te pogen de gezamenlijke expertise bij de rechter (met succes) te bestrijden24. Indien de gezamenlijke rapportage niet voldoet aan wat ervan verwacht mag worden, kan het met een eenzijdige rapportage succesvol worden bestreden25. Bovendien kan de partij die meent in zijn belangen geschaad te zijn, (in de meeste gevallen) appel instellen.
 
Conclusie
De medisch deskundige neemt een belangrijke plaats in binnen het letselschadeproces. Indien de deskundige door partijen gezamenlijk wordt aangezocht een oordeel te geven over de gevolgen van een ongeval, wordt ook door rechters veel waarde gehecht aan dat oordeel. Het komt regelmatig voor dat de partij die een onwelgevallig rapport ontvangt zich niet in het oordeel van de deskundige kan vinden. Of een deskundige jegens de ontevreden partij civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden en wat de voorwaarden voor civielrechtelijke aansprakelijkheid zijn kwam aan de orde in de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2013. De rechtbank overwoog dat een (in de ogen van één partij) onjuist rapport nog niet betekent dat de deskundige jegens die partij onrechtmatig heeft ­gehandeld. Daarvan kan pas sprake zijn, indien een rapport ver beneden de daaraan te stellen eisen blijft of sprake is van een flagrante schending van de belangen van één van de partijen. De twee door de Rechtbank Midden-Nederland genoemde mogelijkheden voor civielrechtelijke aansprakelijkheid van de deskundige kunnen worden aangemerkt als open ­normen die wellicht in de toekomst nadere invulling krijgen.
 
Het civielrechtelijk aansprakelijk stellen van deskundigen lijkt (tot op dit moment) weinig soelaas te bieden voor de partij die zich geconfronteerd ziet met een hem onwelgevallige rapportage. Partijen kunnen zich beter richten op de instrumenten die hen wel ter beschikking staan na gereedkomen van een ongunstige rapportage. De uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 27 maart 2013 geeft (te meer) aan dat het enkel niet eens zijn met de uitkomst van de rapportage niet voldoende is voor het aan­nemen van civielrechtelijke aansprakelijkheid van de ­deskundige. Mocht een rechter al zover willen gaan en overwegen dat door een deskundige onrechtmatig is gehandeld dan wel toerekenbaar tekort is geschoten, dan rest nog het obstakel van het causaal verband tussen de rapportage en de schade. Bovendien moet in alle gevallen zijn voldaan aan het relativiteitsvereiste ex art. 6:163 BW.
 
Tot slot merk ik op dat het naar mijn mening voor de praktijk zeer onwenselijk is als het aansprakelijk stellen van medisch deskundigen een vlucht zou nemen. Omdat de rol van de medisch deskundige van groot belang en zeer waardevol is voor beide partijen (en uiteraard ook voor de rechters) in het letselschadeproces, dient terughoudend met het aansprakelijk stellen te worden omgegaan, want ‘welke deskundige zou nog bereid zijn, een verklaring af te geven, als hij gevaar zou lopen, door de in het ongelijk ­gestelde partij om schadeverschuldiging te worden aangesproken (…)’26.
 
1. Rb. Midden-Nederland, 27 maart 2013, RAV 2013, 89, NJF 2013, 314.
2. In het geval van medische aansprakelijkheid kan een onafhankelijk deskundige tevens een oordeel geven over het handelen van de beroepsbeoefenaar. Dit laat ik hier verder buiten beschouwing.
3 . Vgl. Hof ‘s-Hertogenbosch 25 maart 1999, VR 1999, 181; HR 19 oktober 2007, LJN: BB5172; Rb. Amsterdam 6 november 2008, zaaknr. 401107/HA RK 08-364; Rb. Amsterdam 23 september 2009, RAV 2010, 28; en Hof Amsterdam 6 maart 2010, LJN BM9228.Voor een overzicht vgl. A. de Hoogh, ‘Zwaarwegende en steekhoudende bezwaren en het buiten rechte tot stand gekomen deskundigenrapport’, PIV-Bulletin 2014, 5, p. 1-5. In algemene zin: G. de Groot, Het deskundigenadvies in de civiele procedure (diss. VU Amsterdam), Deventer: Kluwer 2008. Vgl. ook HR 19 december 2014 HR:2014:3654. De Hoge Raad overwoog dat het aan de rechter is om te oordelen of hij een partijrapport tot uitgangspunt neemt, ook als er bezwaren zijn geuit.
4. Uit het vonnis blijkt niet of hier het definitieve rapport of het conceptrapport wordt bedoeld.
5. RTG Amsterdam 10 mei 2011, zaaknr. 11/003 en CTG 26 juni C2011.306 (ongepubliceerd), vgl. ook C. Visser, ‘Verzekeraars ­mogen niet klagen’, PIV-Bulletin 2012, 6.
6. Vgl. Leidraad deskundigen in civiele zaken, alinea’s 52 en 53 en HR 5 december 2003, NJ 2004, 74, r.o. 3.6.
7. D. de Groot, ‘Aansprakelijkheid van deskundige: regulier beroepsrisico of chilling factor? NTBR 2011, afl. 8, p. 408-418. Vgl. HR 24 december 2004, LJN AR7387.
8. Via: [www.knmg.artsennet.publicaties.nl].
9. Zie noot 1.
10. Vgl. CTG 30 januari 2014, GJ 2014, 65. Het tuchtcollege heeft de aan een rapportage te stellen criteria in deze uitspraak aangescherpt.
11. RTG Zwolle 5 december 2014, TGZRZWO:2014:151.
12. RTG Amsterdam 5 juli 2014, TGZRAMS:2014:68.
13. Rb. Roermond 27 juni 2002, zaaknummer: 46669 /HA ZA 01-729 (ongepubliceerd).
14. Vgl. Hoge Raad 2 mei 2014, RAV 2014/71.
15. A. Van, ‘De tuchtrechtelijke en civielrechtelijke aansprakelijkheid van medisch deskundigen, TvGR 2004, nr. 7, p. 505-516.
16. C. Klaassen, ‘De rechter als contractant? De rechtsverhouding ­tussen de deskundige, de rechter en de procespartijen bezien vanuit het materiele recht’, TCR 2002, nr. 4, p. 93-102.
17. Rb. Maastricht 23 juni 2010, zaaknr. 145576/ HA ZA 09-1395 (ongepubliceerd).
18. Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2011, GHSHE:2011:BU5261.
19. Rb. ’s-Hertogenbosch 22 augustus 2012, zaaknr.242807/HA ZA 12-135 (ongepubliceerd).
20. Rb. Roermond 27 juni 2002, zaaknummer: 46669 /HA ZA 01-729 (ongepubliceerd).
21. HR 3 juni 2005, JOL 2005/322.
22. Hof ’s-Hertogenbosch, 25 november 2003, LJN: AN9553.
23. Dit geldt zowel in het geval van buiten rechte tot stand gekomen rapporten, als in opdracht van de rechter tot stand gekomen ­rapporten. Zie voor deze laatste categorie HR 24 december 2004, JOL 2004, 720.
24. Dit was aan de orde in de beschikking van Gerechtshof Arnhem, 31 juli 2012, zaaknummer: 200.100.740 (ongepubliceerd). Hoewel hieruit niet blijkt dat de conclusies uit de eenzijdige expertise van doorslaggevende aard zijn geweest om opnieuw een deskundigenbericht te gelasten, was het door de benadeelde gestelde gebrek aan vertrouwen in de persoon van de deskundige dit wel. In Rb. Oost-Nederland, 28 februari 2013 (LJN: BZ3464), oordeelde de deelgeschilrechter dat – naast toewijzing van het verzoek van de benadeelde dat partijen gebonden waren aan de rapportage van de gezamenlijk aangezochte deskundige – dat het de arts vrij stond om een eenzijdige opinie in te winnen. De Rb. Rotterdam overwoog in zijn vonnis van 7 november 2012, LJN BY2564, JA 2013, 17 dat de verzekeraar eerst de rapporten van de gezamenlijke deskundigen aan eigen deskundige mag voorleggen voordat deze als uitgangspunt in de verdere schadeafwikkeling tussen partijen hebben te gelden.
25. Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, RAV 2015/95.
26. NTvG 73.II.31, 1929.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots

hey