CRvB: Werkgever schiet te kort door medisch advies van niet-medicus te volgen

Samenvatting:

Volgens vaste rechtspraak is een werkgever verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3338 en 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1304). In dit geval is door een niet-medicus, verbonden aan de arbodienst waar werkgeefster al enige jaren gebruik van heeft gemaakt, geadviseerd dat werkneemster om medische redenen met rust moest worden gelaten en dat aan werkneemster geen druk moest worden opgelegd. Appellante heeft dit advies opgevolgd en vanaf 19 augustus 2013 tot het einde van het dienstverband in het geheel geen inspanningen verricht gericht op de re-integratie van werkneemster. Nu de adviezen niet zijn gegeven door een bedrijfsarts heeft de kwaliteit van re-integratie, zoals deze op grond van artikel 7:658a van het Burgerlijk Wetboek als verplichting voor appellante geldt, ernstig tekort geschoten, wat voor risico van appellante dient te komen. Daarbij moet de onbekendheid bij appellante over de professionele status van haar adviseur, gelet op haar verantwoordelijkheid voor een adequate re-integratie, voor haar risico worden gelaten. Dat geldt eveneens voor het gegeven dat niet geheel kan worden uitgesloten dat begeleiding door een bedrijfsarts wel of niet tot een ander resultaat zou hebben geleid.

Instantie Centrale Raad van Beroep
datum uitspraak 07-03-2018
datum publicatie 08-03-2018
Zaaknummer 16/4304 ZW
Rechtsgebieden Sociale zekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Onvoldoende re-integratie-inspanningen zonder deugdelijke grond. Werkgever is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen.
vindplaatsen Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2018-0029Uitspraak
16
4304 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
10 mei 2016, 14/7148 (aangevallen uitspraak )

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

datum uitspraak : 7 maart 2018

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2018. Voor appellante is
mr. Labordus verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.F. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij appellante is [naam werkneemster] (werkneemster) werkzaam geweest in de functie van [naam functie] voor 24 uur per week. Werkneemster heeft zich met psychische klachten op 1 mei 2013 ziek gemeld. Het tijdelijk dienstverband tussen appellante en werkneemster is op 31 januari 2014 geëindigd. Vanaf 3 februari 2014 heeft werkneemster recht op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2. Het Uwv heeft beoordeeld of appellante zich voorafgaande aan de beëindiging van het dienstverband voldoende heeft ingespannen om werkneemster in passend werk te re‑integreren. Na onderzoek door een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 1 april 2014 geconcludeerd dat de re-integratie-activiteiten van appellante onvoldoende zijn geweest tijdens het tijdvak van 19 augustus 2013 tot 31 januari 2014 omdat appellante er ten onrechte van is uitgegaan dat werkneemster gedurende die periode niet beschikte over benutbare mogelijkheden om te werken en dat de zogenoemde stagnatieperiode 23 weken bedraagt. Daarom heeft het Uwv de aan werkneemster betaalde uitkering op grond van de ZW, inclusief de verschuldigde werkgeverspremies, over de periode van 3 februari 2014 tot en met 13 juli 2014 op appellante verhaald tot een bedrag van € 6.825,48. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 april 2014 bij besluit van 30 oktober 2014 ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellante geen deugdelijke grond had voor het niet ontwikkelen van re‑integratie-activiteiten. Appellante heeft ten onrechte de visie van haar arbodienst overgenomen dat werkneemster vanaf 19 augustus 2013 om medische redenen niet in staat was om werkzaamheden te verrichten. Appellante is verantwoordelijk voor de adviezen van haar arbodienst, ook als daarbij geadviseerd wordt door iemand die geen bedrijfsarts blijkt te zijn.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte de betaalde ZW‑uitkering op haar heeft verhaald. Appellante is te goeder trouw afgegaan op de adviezen van haar arbodienst waarbij pas later is gebleken dat de adviezen zijn gegeven door een casemanager en niet door een arts. Maar ook als de begeleiding en advisering wel door een gekwalificeerde arbo-arts was gedaan, had het niet tot een ander resultaat geleid, zodat van schade voor het Uwv geen sprake is. Appellante acht zich gesteund door de in april 2014 verrichte eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) door een verzekeringsarts van het Uwv, die heeft geconcludeerd dat werkneemster op dat moment niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden om arbeid te verrichten.

3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een overzicht van het wettelijk kader dat voor dit geschil van belang is, wordt verwezen naar overweging 5 van de aangevallen uitspraak .

4.2. De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht is overgegaan tot verhaal van de aan werkneemster over de genoemde periode verstrekte ZW‑uitkering, omdat er geen deugdelijke grond was voor appellante om geheel af te zien van re-integratie-inspanningen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante terecht verworpen. De betreffende overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

4.3. Volgens vaste rechtspraak is een werkgever verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geleverde diensten van de door hem ingeschakelde deskundigen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 7 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3338 en 29 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1304). In dit geval is door een niet-medicus, verbonden aan de arbodienst waar werkgeefster al enige jaren gebruik van heeft gemaakt, geadviseerd dat werkneemster om medische redenen met rust moest worden gelaten en dat aan werkneemster geen druk moest worden opgelegd. Appellante heeft dit advies opgevolgd en vanaf
19 augustus 2013 tot het einde van het dienstverband in het geheel geen inspanningen verricht gericht op de re‑integratie van werkneemster. Nu de adviezen niet zijn gegeven door een bedrijfsarts heeft de kwaliteit van re-integratie, zoals deze op grond van artikel 7:658a van het Burgerlijk Wetboek als verplichting voor appellante geldt, ernstig tekort geschoten, wat voor risico van appellante dient te komen. Daarbij moet de onbekendheid bij appellante over de professionele status van haar adviseur, gelet op haar verantwoordelijkheid voor een adequate re‑integratie, voor haar risico worden gelaten. Dat geldt eveneens voor het gegeven dat niet geheel kan worden uitgesloten dat begeleiding door een bedrijfsarts wel of niet tot een ander resultaat zou hebben geleid.

4.4. Dat een verzekeringsarts van het Uwv in het kader van een EZWb in april 2014 tot de conclusie is gekomen dat werkneemster op dat moment niet beschikte over benutbare mogelijkheden om te werken, betekent niet dat er tussen 19 augustus 2013 en
31 januari 2014 – de hier van belang zijnde periode – geen mogelijkheden waren om tot enige re‑integratie-inspanning ten aanzien van werkneemster te komen. De beoordeling in april 2014 is verricht op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan aan de orde in het kader van de beoordeling van de re-integratie-inspanningen van een werkgever, zodat daaruit geen conclusies kunnen worden getrokken voor de vraag of appellante aan haar re‑integratieverplichting heeft voldaan.

4.5. Conclusie is dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarvoor geen deugdelijke grond had. Het door de rechtbank gegeven oordeel is juist en het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak .

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2018.
(getekend) M. Greebe

(getekend) M.A.A. Traousis

NW

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots