Authentieke of geënsceneerde aanrijding: wie draagt de bewijslast?

Samenvatting:

[…]

Authentieke of geënsceneerde aanrijding: wie draagt de bewijslast? – Fraudeaanpak in de praktijk …

 

Mr. P. van Huizen – Dirkzwager Advocaten

 
Een verzekeraar die wordt geconfronteerd met fraude, zal die fraude over het algemeen moeten bewijzen wil hij dekking onder de polis kunnen weigeren2. Fraude kan ­bestaan uit het opzettelijk veroorzaken van een aanrijding om vervolgens de schade (waaronder mogelijk ook letselschade) te claimen bij de verzekeraar. Het is de vraag of de verzekeraar ook in dergelijke gevallen dient te bewijzen dat de aanrijding opzettelijk is veroorzaakt (geënsceneerd) of dat de verzekeraar kan volstaan met het betwisten dat sprake is van een verzekerde gebeurtenis, te weten een onzeker evenement (een authentieke aanrijding). In de rechtspraak wordt daarover verschillend geoordeeld. In dit artikel zal die rechtspraak worden behandeld, waarbij een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam centraal staat. Ten behoeve daarvan zal eerst kort worden ingegaan op de relevantie van dit onderscheid voor de praktijk in letselschadezaken en op de belangen die daarmee gemoeid kunnen zijn.
 
Van een geënsceneerde aanrijding naar een langlopende letselschadezaak
In letselschadezaken kan het van groot belang zijn een opzettelijk veroorzaakte aanrijding in een vroeg stadium als zodanig te herkennen. Na een relatief lichte aanrijding kunnen al blijvende klachten en beperkingen worden geclaimd, wat kan leiden tot een aanzienlijke letselschade. Whiplashachtige klachten zijn het voorbeeld bij uitstek, omdat die klachten al kunnen ontstaan tijdens een aan­rijding met lage snelheid (wat zonder veel risico valt te ensceneren), terwijl die klachten wel tot een aanzienlijke claim voor verlies van arbeidsvermogen kunnen leiden. Niet-objectiveerbare klachten als gevolg van een aanrijding, zijn dus zowel met betrekking tot het ontstaan daarvan als met betrekking tot het bestaan daarvan zeer fraudegevoelig.
Het is daarnaast voor een fraudeur relatief eenvoudig om een aanspraak op schadevergoeding vanwege een geënsceneerde aanrijding zodanig aan te kleden dat de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de aanrijding door de ver­zekeraar conform de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) wordt erkend3. De volgende bestanddelen kunnen daar aan bijdragen: zichtbare schade aan de motorrijtuigen, een onjuiste verklaring van de verzekerde die een verkeersfout zou hebben gemaakt (bijvoorbeeld op het aanrijdingsformulier), een mutatierapport of proces-verbaal van de politie, een bezoek aan de huisarts of spoedeisende hulp4, een verwijzing naar de fysiotherapeut (of andere behandelaar of specialist5) en een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De fraudeur kan ook samen met een handlanger het bestaan van een arbeidsovereenkomst veinzen door een valse arbeidsovereenkomst op te maken. Een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een proeftijd waarbinnen de geënsceneerde aanrijding heeft plaatsgevonden kan al voldoende zijn. Op die manier kan een handlanger van de fraudeur als ‘werkgever’ het ‘slachtoffer’ tijdens de proeftijd ‘ontslaan’6, maar kan het ‘slachtoffer’ wel aantonen dat hij in de situatie zonder ongeval een dienstverband zou hebben gehad voor onbepaalde tijd, zodat het vereiste causaal verband tussen het ongeval en het gestelde verlies verdienvermogen kan worden onderbouwd.
 
De schadebehandelaar bij de verzekeraar heeft op het eerste gezicht vaak geen reden te constateren dat hiermee slechts sprake is van een papieren werkelijkheid. Dit geldt nog meer als, zoals gezegd, ook de eigen verzekerde beaamt dat hij/zij een verkeersfout heeft gemaakt en het ‘slachtoffer’ daadwerkelijk heeft aangereden. De aansprakelijkheid voor het ongeval zal dan worden erkend. Over het algemeen zal daarna de nadruk komen te liggen op het schaderegelingstraject. Ook dan kunnen er tussen partijen geschillen ontstaan, bijvoorbeeld over de problematiek rond niet-objectiveerbare klachten, maar de fraudeur staat in dat geval wel al met één been binnen. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is immers al erkend. Zo kan een eenvoudig te ensceneren aanrijding leiden tot een mogelijk langlopende letselschadezaak met een omvangrijke schade. De erkenning van aansprakelijkheid heeft ook de voor de fraudeur de zeer gunstige bij­komstigheid dat op kosten van de aansprakelijke verzekeraar de door hem geclaimde schade kan worden verhaald. De verzekeraar die aansprakelijkheid heeft erkend is immers gehouden de kosten ter vaststelling van schade en voldoening buiten rechte te vergoeden7 en voor te schieten8.Verder is het voor een verzekeraar veel moeilijker (en kostbaarder) pas maanden – of zelfs jaren nadat de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is erkend – alsnog terug te komen van die aansprakelijkheid als er ineens toch omstandigheden aan het licht komen op grond waarvan het ongeval niet kan hebben plaats­gevonden (op de wijze zoals door het ‘slachtoffer’ (en de verzekerde) is verklaard).
Als er op het moment van de schademelding redenen zijn om te twijfelen aan de ‘echtheid’ van de aanrijding zelf, is het dus verstandig daar meteen na de schademelding nader onderzoek naar te verrichten. Als de onrechtmatige daad van de aanrijding zelf niet komt vast te staan, is er überhaupt geen sprake van aansprakelijkheid en blijft de fraudeur helemaal buiten de deur.
 
Indien een verzekeraar (eventueel op basis van nader onderzoek) wordt geconfronteerd met omstandigheden die wijzen op een geënsceneerde aanrijding en om die reden weigert aansprakelijkheid te erkennen en dekking te verlenen, zal het kunnen aankomen op een gerechtelijke procedure. In een gerechtelijke procedure spelen de regels over wie wat moet bewijzen een belangrijke rol. Moet de eiser bewijzen dat sprake was van een zogenoemde ‘authentieke’ aanrijding, of moet de verzekeraar bewijzen dat juist sprake was van een zogenoemde ‘geënsceneerde’ aanrijding? Beide stellingen zijn vaak zeer moeilijk te bewijzen, waardoor het van belang is dat de bewijslast bij de wederpartij komt te liggen zodat de wederpartij het risico loopt dat de vordering wordt afgewezen omdat de door hem/haar te bewijzen stelling niet is bewezen. Met een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam lijkt hierover meer duidelijkheid te bestaan. Dit zal hierna worden toegelicht. Daartoe zal eerst kort aan de hand van een voorbeeld de verdeling van de bewijslast worden verklaard.
 
De bewijslastverdeling in het algemeen en die bij aanrijdingen in het bijzonder
Bij de verdeling van de bewijslast is het de vraag wat er wordt gesteld en of dat wordt betwist9. Kort gezegd zal een door B betwiste stelling van A door A moeten worden bewezen. Maar als B de stelling van A niet betwist, maar een zogeheten ‘bevrijdend verweer’ opwerpt, zal B de stelling die aan dat bevrijdende verweer ten grondslag ligt moeten bewijzen (het zogenoemde ja, maar-verweer).Een voorbeeld: als A stelt dat B een fout heeft gemaakt en B dat betwist, moet A bewijzen dat B een fout heeft gemaakt. Als B de fout daarentegen erkent, maar zich beroept op eigen schuld van A, moet B bewijzen dat sprake is van eigen schuld van A (“Ja, ik heb een fout gemaakt, maar …”).
Bij de vraag of sprake is van een authentieke of een geënsceneerde aanrijding wordt in de rechtspraak verschillend geoordeeld over de vraag wat er wordt gesteld. De aanrijding zelf heeft plaatsgevonden. Het staat immers vast dat er twee verkeersdeelnemers tegen elkaar zijn aangereden. Het is echter de vraag of die aanrijding authentiek is, of juist is geënsceneerd. In dat licht zou als volgt kunnen worden geredeneerd: A stelt dat sprake is van een aan­rijding. B erkent dat sprake is van een aanrijding, maar stelt dat die aanrijding opzettelijk door A is veroorzaakt. Het beroep van B zou dan zijn aan te merken als een bevrijdend verweer waardoor B moet bewijzen dat sprake was van opzet. Deze lijn wordt gevolgd in de volgende rechtspraak: Hof Amsterdam 24 februari 200910; Rechtbank Rotterdam 18 augustus 201011, waartegen hoger beroep is ingesteld maar waarvan (nog) geen gepubliceerde uitspraak bekend is; Rechtbank ’s-Hertogenbosch 29 oktober 200912; en Rechtbank ’s-Gravenhage 24 april 200213.
 
Een andere redenering echter, is dat A stelt dat sprake is van een verzekerd evenement, een onzeker voorval waarvoor dekking bestaat onder de polis van de aansprakelijkheidsverzekering, oftewel een ‘authentieke aanrijding’. In dat geval wordt die stelling door B betwist: er is geen sprake van een authentieke aanrijding want de aanrijding is opzettelijk veroorzaakt en dus is er geen sprake van een verzekerd evenement (opzettelijke aanrijdingen zijn ­immers niet onzeker en dus ook niet aan te merken als een verzekerd evenement). De bewijslast rust in dat geval op A. Dit wordt door zowel het Hof Amsterdam (27 december 201114) en de Rechtbank Oost-Brabant (19 februari 201415) gevolgd. Het hof overwoog dat de stelling dat sprake was van een authentiek ongeval door de verzekeraar gemotiveerd was betwist met de stelling dat de aanrijding in scene zou zijn gezet. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv. rustte de bewijslast in die zaak volgens het hof op de partij die stelde dat sprake was van een authentiek ­ongeval. Veel meer overwegingen besteedde het hof echter niet aan dit oordeel. De rechtbank deed dat evenmin. De discussie is daarmee dus nog niet uit de lucht.
 
Het tussenvonnis van de Rechtbank Rotterdam
De Rechtbank Rotterdam heeft hier in een door haar op 10 oktober 2014 gewezen tussenvonnis wél meer overwegingen aan besteed16. De rechtbank oordeelde expliciet dat de partij die schade claimt als gevolg van een aanrijding daarmee stelt dat sprake is van een verzekerd evenement en dus stelt dat sprake is van een authentieke aanrijding. Als de verzekeraar meent dat die aanrijding is geënsceneerd, moet dat worden gezien als een betwisting van de stelling dat sprake zou zijn van een authentieke aanrijding, waardoor de partij die schade claimt dus het bewijs van de ­gestelde authentieke aanrijding moet leveren.
 
Daarnaast oordeelde de Rechtbank Rotterdam dat art. 11 van de WAM hier niet aan in de weg staat. In art. 11 van de WAM staat dat de WAM-verzekeraar bepaalde verweren die hij jegens de verzekerde kan richten, niet tegen een derde benadeelde kan richten (de derde benadeelde is de partij die door de verzekerde is aangereden en dus een eigen recht heeft op vergoeding van de schade door de WAM-verzekeraar). De Rechtbank Rotterdam verwees bij dit oordeel naar de parlementaire geschiedenis van art. 11 van de WAM, waaruit blijkt dat de verzekeraar zich tegenover de claim van de derde benadeelde wel kan verweren als de gestelde schade geen verband houdt met het verzekerde risico17. Volgens de Rechtbank Rotterdam valt het verweer dat sprake is van een geënsceneerde aanrijding in die categorie en is dat verweer dus wel degelijk tegen te werpen aan een derde benadeelde in de zin van de WAM.
 
Conclusie
Het tussenvonnis van de Rechtbank Rotterdam is gunstig voor de verzekeraar die meent dat sprake is van een geënsceneerde aanrijding. Dat neemt echter niet weg dat de verzekeraar nog steeds voldoende moet aanvoeren om de vermeende fraude aan het licht te brengen. De normale bewijsregel van art. 150 Rv verlangt immers dat pas bewijs hoeft te worden geleverd als sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting. De verzekeraar zal de stelling van de wederpartij – dat sprake is van een authentieke aanrijding – dus nog wel voldoende gemotiveerd moeten betwisten, maar de bewijslast (en dus ook het risico dat de vordering wordt afgewezen als het bewijs niet geleverd kan worden) rust (aldus de Rechtbank Rotterdam) vervolgens wel bij de wederpartij.
De wederpartij zal uiteraard getuigen kunnen oproepen in een poging het hem/haar opgedragen bewijs te leveren. Door middel van dit getuigenbewijs is het weliswaar mogelijk dat de wederpartij alsnog slaagt in het leveren van het hem opgedragen bewijs, maar dat wordt wel ­bemoeilijkt aangezien de verzekeraar in een juridisch sterke positie verkeert doordat hij het door de wederpartij geleverde bewijs slechts hoeft te ‘ontzenuwen’ door twijfel te zaaien18. Het wijzen op tegenstrijdigheden of onjuist­heden in afgelegde getuigenverklaringen kan daartoe al voldoende zijn.
De manier waarop de bewijslast moet worden verdeeld blijkt in zaken zoals in dit artikel beschreven dus niet meteen voor de hand te liggen, terwijl het wel van doorslaggevende betekenis kan zijn voor de uitkomst van een ­procedure.
 
1 Zie http://amweb.nl/partners-722743/authentieke-of-geensceneerde-aanrijding-wie-draagt-de-bewijslast.
2 Art. 150 Rv.
3 Op grond van art. 6 van de WAM heeft de benadeelde een eigen recht op schadevergoeding.
4 Waarin vaak staat opgetekend: “nekklachten na ongeval”.
5 Ook de fysiotherapeut of andere behandelaren zullen vaak uitgaan van wat aan hen wordt gemeld, waardoor ook zij iets zullen optekenen in de trant van: “Behandelingen na ongeval. Whiplash.”
6 Art. 7:670b BW bepaalt dat de in art. 7:670 BW en art. 7:670a BW genoemde ontslagverboden niet van toepassing zijn bij een opzegging gedurende de proeftijd (de mogelijkheden van de tijdens de proeftijd ontslagen werknemer om de opzegging tijdens de proeftijd aan te vechten zullen buiten beschouwing worden gelaten omdat die de positie van de voor het ongeval aansprakelijke partij niet aantasten, aangezien ook dan ten opzichte van de aansprakelijke partij kan worden aangetoond dat er in de situatie zonder ongeval sprake zou zijn geweest van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd).
7 Art. 6:96 BW.
8 Zie de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL).
9 Art. 149 en 150 Rv.
10 Hof Amsterdam 24 februari 2009, GHAMS:2009:BK4092 en VR 2009, 105.
11 Rb. Rotterdam 18 augustus 2010, RBROT:2010:BN8629.
12 Rb. Den Bosch 29 oktober 2009, RBSHE:2009:BK3463.
13 Rb. Den Haag 24 april 2002, RBSGR:2002:AE7301.
14 Hof Amsterdam 27 december 2011, GHAMS:2011:BX7902.
15 Deze uitspraak is niet gepubliceerd maar is te raadplegen via een beknopte versie van dit artikel op http://amweb.nl/partners-722743/authentieke-of-geensceneerde-aanrijding-wie-draagt-de-bewijslast.
16 Ook deze uitspraak is niet gepubliceerd maar is te raadplegen via bovenstaande link.
17 Memorie van Toelichting bij art. 11 van de WAM, p. 12.
18 Zie Tekst & Commentaar Burgerlijke Rechtsvordering, Kluwer 2015, commentaar op art.152 Rv, aantekening 4 onder a: “Bij het leveren van tegenbewijs gaat het om het ontzenuwen van (door een) ander (geleverd) bewijs en dient (enkel) voldoende twijfel te worden gezaaid.”

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots