ABRS: Letseluitkering betrekken bij recht op huurtoeslag

Samenvatting:

De Belastingdienst heeft de letseluitkering, en het daaruit voortvloeiende voordeel uit sparen en beleggen, terecht niet buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag over het jaar 2015. Artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir biedt geen ruimte om naast de in dat artikel genoemde categorieën van gevallen ook in andere gevallen artikel 7, vierde lid, van de Awir buiten toepassing te laten. Verder biedt artikel 5.3 van de Wet IB 2001 anders dan waarvan de rechtbank uitgaat, geen grondslag voor de Belastingdienst de uitkering buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag. Die bevoegdheid is beperkt tot de gevallen genoemd in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 05-09-2018
Datum publicatie 05-09-2018
Zaaknummer 201707328/1/A2
Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:4108, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [wederpartij] voor het jaar 2015 definitief vastgesteld op nihil.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-09-2018
FutD 2018-2387

Verrijkte uitspraak
Uitspraak

201707328/1/A2. datum uitspraak : 5 september 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 augustus 2017 in zaak nr. 17/1468 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [wederpartij] voor het jaar 2015 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 7 februari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 februari 2017 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2018, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, is verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] heeft in 2015 voorschotten huurtoeslag ontvangen. Bij besluit van 2 september 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen besloten haar recht op huurtoeslag voor 2015 definitief vast te stellen op nihil, omdat volgens de dienst het vermogen van [wederpartij] en [persoon], haar medebewoner, op 1 januari 2015 meer is dan het heffingvrije vermogen, waardoor zij geen recht heeft op huurtoeslag. Bij dit besluit heeft de dienst zich gebaseerd op de door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde inkomensgegevens. Als gevolg hiervan moet zij het eerder toegekende voorschot terugbetalen.

[wederpartij] heeft uiteengezet dat [persoon] op 10 december 2014 van de inboedelverzekering een bedrag van € 22.630,00 uitgekeerd heeft gekregen vanwege roet- en rookschade aan de inboedel door een brand in hun woning. Dit vermogen had volgens haar als bijzonder vermogen buiten beschouwing moeten blijven bij de beoordeling van haar recht op huurtoeslag.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard en geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de schade-uitkering op grond van artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) in samenhang met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir buiten beschouwing had moeten laten. Daarbij is volgens de rechtbank van belang dat uit de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:225) kan worden afgeleid dat in uitzonderlijke gevallen ruimte bestaat om een geval gelijk te stellen met de in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir genoemde uitkeringen die op grond van dat artikel buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat de in artikel 47 van de Awir opgenomen hardheidsclausule is ingevoerd voor situaties waarin de vermogenstoets zoals uitgevoerd door de inspecteur, ertoe zou leiden dat in strijd met de bedoeling van de wetgever geen of een lagere tegemoetkoming zou worden toegekend. Volgens de rechtbank is het de bedoeling van de wetgever geweest om een schadevergoeding voor een vermogensonderdeel dat al tot de uitzonderingen behoort, te laten delen in dat karakter. Nu de situatie van [wederpartij] te vergelijken is met de situatie zoals beschreven in artikel 5.3, tweede lid, onder c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2000), waar het gaat om roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt, had de Belastingdienst/Toeslagen naar het oordeel van de rechtbank de schade-uitkering die bedoeld is om de inboedel te vervangen, buiten beschouwing moeten laten.

Het hoger beroep

3. De Belastingdienst/Toeslagen kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de schade-uitkering buiten beschouwing gelaten had moeten worden. Volgens de dienst leidt de rechtbank ten onrechte uit de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 af dat artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir in uitzonderlijke gevallen de ruimte biedt om ook niet in het artikel genoemde gevallen buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8697, volgt volgens de dienst juist dat de lijst zoals opgenomen in artikel 9, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Awir een limitatieve opsomming bevat.

Verder bestrijdt de Belastingdienst/Toeslagen het oordeel van de rechtbank dat de schade-uitkering gelijk is te stellen met ‘inboedel’ als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, onder c, van de Wet IB 2000. Daarbij wijst de dienst erop dat de vraag of een bepaald vermogensbestanddeel wordt vrijgesteld van de inkomstenbelasting, een beoordeling vergt van de inspecteur. Bovendien leidt de omstandigheid dat een bepaald vermogensbestanddeel in het kader van de inkomstenbelasting buiten beschouwing wordt gelaten er niet toe dat het moet worden gezien als een uitzondering als bedoeld in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir. Daarnaast blijkt nergens dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om het vermogen dat bedoeld is ter vervanging van inboedel gelijk te stellen aan de inboedel, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

3.1. Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag moet het vermogen van [persoon] worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en het recht op huurtoeslag. Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de Awir bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij een medebewoner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet IB 2001 in aanmerking wordt genomen. Of een medebewoner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen heeft, wordt vastgesteld aan de hand van de aanslag inkomstenbelasting over dat jaar. De grondslag sparen en beleggen wordt in dat kader door de inspecteur vastgesteld aan het begin van het kalenderjaar. Onder verwijzing naar de uitspraak van 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6322, alsook de uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2937 overweegt de Afdeling dat de Belastingdienst/Toeslagen die aanslag inkomstenbelasting dient te volgen. Indien de inkomensgegevens wijzigen, voorziet artikel 20 van de Awir erin dat de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag herziet.

3.2. Bij besluit van 12 juli 2017 heeft de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting gewijzigd vastgesteld, waarbij het voordeel uit sparen en beleggen is vastgesteld op nihil, gelet op eerder door [persoon] niet opgegeven studiekosten. De Belastingdienst/Toeslagen heeft vervolgens bij besluit van 8 september 2017 overeenkomstig artikel 20 van de Awir het recht van [wederpartij] op huurtoeslag voor het jaar 2015 vastgesteld op een bedrag van € 3.437,00.

Procesbelang

3.3. Het betoog van [wederpartij] dat de Belastingdienst/Toeslagen als gevolg van de onder 3.2 genoemde besluiten geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn hoger beroep, slaagt niet. De Belastingdienst/Toeslagen heeft belang bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, reeds vanwege de precedentwerking die van het oordeel van de rechtbank en de vernietiging van het besluit van 7 februari 2017 kan uitgaan.

Beoordeling gronden

3.4. Op grond van artikel 47 van de Awir kan een regeling worden vastgesteld voor de toepassing van een hardheidsclausule voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, vierde lid, van de Awir, leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Van die bevoegdheid heeft de minister gebruik gemaakt door de vaststelling van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.

3.5. Niet in geschil is dat de bedoelde schade-uitkering niet is genoemd in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraken van 24 maart 2010 en 1 november 2017) volgt uit artikel 47 van de Awir dat de wetgever een gesloten stelsel van categorieën van gevallen heeft beoogd, waarin een afwijkende maatregel kan worden getroffen. In de Uitvoeringsregeling Awir is in overeenstemming daarmee in artikel 9 limitatief opgesomd in welke groepen gevallen toepassing van artikel 7, vierde lid, van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan deze bepaling buiten toepassing wordt gelaten. Artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir biedt dus geen ruimte om naast de in dat artikel genoemde categorieën van gevallen ook in andere gevallen artikel 7, vierde lid, van de Awir buiten toepassing te laten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen kan dat evenmin worden afgeleid uit de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2015. Weliswaar is in de uitspraak overwogen dat het voorliggende geval niet vergelijkbaar is met de gevallen genoemd in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir, maar hieruit volgt enkel dat het geval niet onder de in dat artikel genoemde gevallen begrepen kan worden. Dat in uitzonderlijke gevallen ruimte bestaat om een geval gelijk te stellen met de wel in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir geregelde gevallen, berust dan ook op een verkeerde lezing van de uitspraak .

3.6. Verder biedt artikel 5.3 van de Wet IB 2001 anders dan waarvan de rechtbank uitgaat, geen grondslag voor de Belastingdienst/Toeslagen om de schade-uitkering buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van het recht op huurtoeslag. Zoals hiervoor overwogen bestaat geen aanspraak op huurtoeslag indien sprake is van voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet IB 2001. Uit artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001 volgt dat de grondslag sparen en beleggen wordt bepaald aan de hand van de rendementsgrondslag. De rendementsgrondslag omvat blijkens artikel 5.3, eerste lid, van de Wet IB 2001 de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. In het tweede en derde lid van het artikel is omschreven wat onder bezittingen en schulden moet worden verstaan. Aan de hand van deze artikelen stelt de inspecteur de aanslag inkomstenbelasting vast. Hieruit volgt dat het aan de inspecteur is om te beoordelen of een vermogensbestanddeel gelijk kan worden gesteld aan een vermogensbestanddeel dat op grond van artikel 5.3 van de Wet IB 2001 niet meetelt voor de rendementsgrondslag. Indien een aanvrager van mening is dat een bepaald vermogensbestanddeel niet zou moeten meetellen bij de beoordeling van zijn recht op huurtoeslag, zal hij dan ook de inspecteur moeten verzoeken om te beoordelen of dat vermogensbestanddeel op de waarde van de bezittingen in mindering kan worden gebracht waardoor het geen onderdeel uitmaakt van de rendementsgrondslag op grond waarvan het voordeel uit sparen en beleggen wordt vastgesteld en op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen vervolgens beoordeelt of recht op huurtoeslag bestaat. Anders dan de rechtbank heeft overwogen biedt artikel 5.3 van de Wet IB 2001 geen grondslag voor de Belastingdienst/Toeslagen om bepaalde vermogensbestanddelen buiten beschouwing te laten. Die bevoegdheid is, zoals hiervoor overwogen, beperkt tot de gevallen genoemd in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.

3.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Belastingdienst/Toeslagen de aan [persoon] uitgekeerde schade-uitkering, en het daaruit voortvloeiende voordeel uit sparen en beleggen, terecht niet buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van het recht van [wederpartij] op huurtoeslag over het jaar 2015. De rechtbank heeft dit miskend. Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 februari 2017 alsnog ongegrond verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 augustus 2017 in zaak nr. 17/1468;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Donner-Haan
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 september 2018

674. BIJLAGE

Artikel 1 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir)

1.[..]

e. medebewoner: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende, met dien verstande dat als medebewoner niet wordt aangemerkt:

1°. de partner van de belanghebbende,

2°. de persoon die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende een deel van de woning huurt, tenzij deze een bloed- of aanverwant in de eerste graad is van de belanghebbende of van diens partner,

3°. degene die tot het huishouden van de onder 2° bedoelde persoon behoort;

[..]

Artikel 7 van de Awir

[..]

4.Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen van medebewoners, bestaat tevens geen aanspraak op een tegemoetkoming indien bij een medebewoner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van die wet. Het bepaalde in de eerste volzin geldt alleen ten aanzien van degenen van wie het medebewonerschap het gehele berekeningsjaar heeft geduurd.

Artikel 20 van de Awir

1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

[..]

Artikel 47 van de Awir

Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag of artikel 1, vierde lid, van de Wet op het kindgebonden budget mochten voordoen.

Artikel 7 van de Wet op de huurtoeslag

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

2. Ten aanzien van een bepaalde woning kan slechts aan één huurder een huurtoeslag worden toegekend.

Artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)

1. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen. De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.

2. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebben gehad, wordt in afwijking van het eerste lid, het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op 4% (forfaitair rendement) van het op grond van artikel 2.17 aan hem toegerekende gedeelte van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen is de gezamenlijke rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) van de belastingplichtige en zijn partner voor zover die gezamenlijke rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen van de belastingplichtige en zijn partner.

3. Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig is, of indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaar anders dan door overlijden eindigt, wordt eveneens uitgegaan van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar maar wordt het voordeel uit sparen en beleggen naar tijdsgelang herleid, waarbij gedeelten van kalendermaanden worden verwaarloosd.

Artikel 5.3 van de Wet IB 2001

1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.

2. Bezittingen zijn:

[..]

c. roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen;

[..]

Artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir

1. Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet blijft op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met:

a. bezittingen die zijn opgekomen:

1°. van de zijde van een pleegkind;

2°. van de zijde van een minderjarig kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;

b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar zijn ontvangen:

1°. immateriële schadevergoedingen;

2°. schadevergoedingen die door de overheid, het Nederlandse Rode Kruis, of fabrikanten van farmaceutische producten zijn betaald aan hemofiliepatiënten die met het aids-virus zijn besmet;

3°. vergoedingen ingevolge de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (Stcrt. 2000, 16), die zijn uitgekeerd aan de slachtoffers zelf;

4°. uitkeringen van de Stichting Maror-gelden Overheid, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;

5°. uitkeringen van de Stichting Het Gebaar, opgericht op 19 november 2001, gevestigd te ’s-Gravenhage;

6°. uitkeringen van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, opgericht op 3 november 2000, gevestigd te Tilburg;

7°. uitkeringen van de Stichting Joods Humanitair Fonds, opgericht op 31 januari 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;

8°. uitkeringen van de Stichting Individuele Maror Gelden, opgericht op 1 december 2000, gevestigd te Amsterdam;

9°. uitkeringen van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te ’s-Gravenhage;

10°. uitkeringen van de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa, opgericht op 11 maart 2002, gevestigd te ’s-Gravenhage;

11°. uitkeringen van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa, opgericht op 22 november 1999, gevestigd te ’s-Gravenhage;

12°. uitkeringen uit het DES-Fonds die zijn verstrekt aan slachtoffers van het gebruik van DES-preparaten;

13°. tegemoetkomingen op grond van de Regeling tegemoetkoming financiële gevolgen in verband met functionele invaliditeit nieuwjaarsbrand Volendam (Stcrt. 2003, 42) en bijdragen op grond van de Regeling tegemoetkoming in kosten nieuwjaarsbrand Volendam II (Stcrt. 2004, 188), uitgekeerd aan de getroffenen zelf;

14°. vergoedingen op grond van de compensatieregeling van de Rooms-Katholieke Kerk Nederland voor slachtoffers van seksueel misbruik;

15°. bijzondere uitkeringen van het Ministerie van Defensie op grond van artikel 21a van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen of op grond van artikel 21a van het Besluit bijzondere militaire pensioenen;

16°. uitkeringen op grond van de Tijdelijke regeling uitkeringen seksueel misbruik minderjarigen in instellingen en pleeggezinnen of op grond van de civiele regeling die de Staat voor deze groep van slachtoffers heeft opgesteld;

17°. uitkeringen van een voorschot op een persoonsgebonden budget als bedoeld in paragraaf 2.6 van de Regeling subsidies AWBZ, die betrekking hebben op een in het kalenderjaar 2012 of in het kalenderjaar 2013 gelegen subsidieperiode voor zover deze zijn gedaan vóór 1 januari van het betreffende kalenderjaar.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots