ABRS: Belastingdienst dient deel smartengeld van lumpsum aannemelijk te maken

Samenvatting:

Uit de toelichting bij artikel 9 van het Uitvoeringsbesluit Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van 29 augustus 2005 vloeit voort dat immateriële schadevergoedingen alleen voor zover het gedeelte dat daadwerkelijk als smartengeld is verstrekt voor de vermogenstoets op de rendementsgrondslag in mindering mag worden gebracht. Op grond van de vaststellingsovereenkomst is een schadevergoeding betaald van € 320.000,00 voor de geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade. Het blijkt echter niet welk deel vergoeding van de immateriële schade is. Het was aan de Belastingdienst/Toeslagen om vast te stellen, welk deel materiële schade en welk deel immateriële schade betrof. Voor wat betreft de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1792 is niet van belang dat die uitspraak betrekking heeft op een sommenverzekering. Ook hier gaat het om een uitkering naar aanleiding van een ongeval die mede strekt tot vergoeding van immateriële schade. De Afdeling laat de rechtsgevolgen in stand. Het is niet aannemelijk dat het bedrag voor de immateriële schade zo groot is dat appellante recht op huurtoeslag en zorgtoeslag heeft.

(Redactie PIV:
Het is gebruikelijk om de eindregeling af te ronden in een lumpsum zonder nadere specificatie. Benadeelden vragen regelmatig om een uitsplitsing, omdat de Belastingdienst het deel aan smartengeld wenst vast te stellen. Betalen wij smartengeld, dan verhoogt dat de bankrekening van de benadeelde zonder dat zichtbaar is wat de oorzaak is. 

Voor de op het vermogen in Box III drukkende belasting is de titel niet van belang, maar wel voor toeslagen, eigen bijdragen en bijstand van de gemeente. Benadeelden kunnen voor eigen bijdragen op verzoek vermindering van de vermogensinkomensbijteling krijgen i.v.m. het bedrag aan smartengeld dat deel uitmaakt van Box III. Ook voor toeslagen geldt dat smartegeld niet meegerekend mag worden. Gemeenten hebben individuele beleidsvrijheid om (een deel) van het smartengeld buiten beoordeling te laten bij bepaling van de bijstand.

Het is aannemelijk dat de bewijslast voor de hoogte van het smartengeld niet alleen bij de Belastingdienst ligt, maar dat de visie van ABRS waarschijnlijk ook bepalend zal zijn voor het CAK en de gemeenten, waardoor de onderhavige uitspraak mede belangrijk is. Wordt ons gevraagd om opgave van het deel van smartengeld dan rust op ons de taak dat zo goed mogelijk op te geven. De overheid zal onze opgave als zwaarwegend zien, mogelijk zelf als bepalend, mede waardoor wij zeer zorgvuldig moeten zijn. Vaak kunnen wij geen nauwkeurig bedrag opgeven. Is dat het geval, dan lijkt het prudent toch de marges op te geven waarbinnen het smartengeld ligt. Het verdient vaak de voorkeur al in de vaststellingsovereenkomst een specificatie van de samenstellende delen te geven. Helaas is dat niet altijd mogelijk.

Maakt vergoeding van toekomstige verplichtingen van de benadeelde deel uit van de schadevergoeding dan is niet uit te sluiten dat zulks zelfs buiten Box III moet blijven omdat toekomstige verplichtingen een schuld betreffen waarbij de vergoeding daarvan wegvalt tegen de schuld zelf. Dat zou dan impliceren dat dit deel van de schadevergoeding buiten de kapitalisatieberekening moet blijven voor wat belastingnadeel betreft).

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-11-2017
Datum publicatie 15-11-2017
Zaaknummer 201700061/1/A2
Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:7995, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [appellante] over 2014 herzien en vastgesteld op nihil. Tevens is € 884,00 en € 2.562,00 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak 201700061/1/A2. Datum uitspraak: 15 november 2017

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/5027 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [appellante] over 2014 herzien en vastgesteld op nihil. Tevens is € 884,00 en € 2.562,00 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 27 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om een deel van haar vermogen bij de berekening van de zorg- en huurtoeslag over 2014 buiten beschouwing te laten, afgewezen.

Bij besluit van 4 juli 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] tegen voormelde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2017, waar [appellante], vergezeld van [persoon], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2. [appellante] heeft op grond van een vaststellingsovereenkomst met Achmea Schadeverzekeringen N.V. van 12 juli 2013 een schadevergoeding van € 320.000,00 ontvangen wegens een haar overkomen gasexplosie waarbij zij letsel heeft opgelopen. Vervolgens heeft de inspecteur van de Belastingdienst in de aanslag inkomstenbelasting van [appellante] over 2014 een grondslag sparen en beleggen van € 196.258,00 en een voordeel uit sparen en beleggen van € 7.850,00 in aanmerking genomen.

3. [appellante] heeft over 2014 voorschotten zorg- en huurtoeslag ontvangen. Bij besluit van 4 september 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag van [appellante] over 2014 definitief vastgesteld op onderscheidenlijk € 865,00 en € 2.505,00.

Bij de in bezwaar gehandhaafde besluiten van 28 januari 2016 en 27 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze toeslagen herzien en vastgesteld op nihil, de betaalde voorschotten teruggevorderd en het verzoek van [appellante] om een deel van het vermogen bij de berekening van de toeslagen buiten beschouwing te laten, afgewezen. De dienst heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling) om immateriële schadevergoedingen buiten beschouwing te laten, omdat in de vaststellingsovereenkomst het bedrag van de schadevergoeding niet is opgesplitst in materiële en immateriële schade. Nu uit de aanslag inkomstenbelasting van [appellante] over 2014 volgt dat zij een voordeel uit sparen en beleggen van € 7.850,00 heeft, heeft zij over 2014 geen recht op huurtoeslag. Ook volgt uit die aanslag inkomstenbelasting dat een grondslag sparen en beleggen in aanmerking is genomen dat de inkomensgrens voor de zorgtoeslag van € 81.360,00 te boven gaat, zodat [appellante] daarom over 2014 evenmin recht op zorgtoeslag heeft, aldus de dienst.

De rechtbank heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.

Hoger beroep

4. [appellante] betoogt – samengevat – dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen op goede gronden het verzoek om een deel van het vermogen van [appellante] buiten beschouwing te laten, heeft afgewezen en terecht de huur- en zorgtoeslag over 2014 op nihil heeft gesteld. Volgens [appellante] had de dienst de schadevergoeding op grond van artikel 9 van de Uitvoeringsregeling buiten beschouwing moeten laten. Dat in de vaststellingsovereenkomst geen onderscheid is gemaakt tussen materiële en immateriële schadevergoeding, had voor de dienst aanleiding moeten zijn om daar nader onderzoek naar te doen alvorens tot besluitvorming over te gaan, aldus [appellante].

4.1. Gelet op artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: Wht) en artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: Wzt) moet het vermogen van [appellante] worden betrokken bij de berekening van de draagkracht en het recht op huur- en zorgtoeslag. Voor de huurtoeslag is van belang dat in artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) is bepaald dat geen aanspraak op een tegemoetkoming bestaat, indien bij de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in aanmerking wordt genomen. Voorts is in artikel 2a, eerste lid, van de Wzt bepaald dat, in afwijking van artikel 7, derde lid, van de Awir, geen aanspraak op een zorgtoeslag bestaat indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet IB 2001, van de belanghebbende in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 81.360,00.

Op grond van artikel 47 van de Awir kan een regeling worden gemaakt voor de toepassing van een hardheidsclausule voor groepen van gevallen waarin toepassing van artikel 7, derde lid, van de Awir en artikel 2a, eerste lid, van de Wzt leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze regeling is neergelegd in de Uitvoeringsregeling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 24 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL8697), bestaat buiten de in de Uitvoeringsregeling opgesomde gevallen geen bevoegdheid tot het buiten toepassing laten van bezittingen en uitkeringen.

4.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 1o, van de Uitvoeringsregeling blijft op verzoek van de belanghebbende artikel 7, derde lid, van de Awir buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet IB 2001 zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de in het berekeningsjaar of in enig eerder jaar ontvangen immateriële schadevergoedingen. Ingevolge het vijfde lid kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid eveneens worden gedaan met betrekking tot het buiten toepassing laten van artikel 2a, eerste lid, van de Wzt indien de belanghebbende wel aanspraak op zorgtoeslag zou hebben indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet IB 2001, zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de eenmalige uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

In de toelichting bij artikel 9 van de Uitvoeringsregeling (Stcrt. 27 december 2005, nr. 251, p. 31) staat dat immateriële schadevergoedingen een rol spelen in situaties, waarbij naar aanleiding van een ongeval een schadevergoeding is uitgekeerd. Alleen het gedeelte dat daadwerkelijk als smartengeld is verstrekt mag dan voor de vermogenstoets op de rendementsgrondslag in mindering worden gebracht, aldus de toelichting.

4.3. Uit de onder 4.2 vermelde regeling en de toelichting daarop volgt niet dat alleen vergoedingen van immateriële schade die als zodanig zijn benoemd onder het bereik van de in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling geregelde uitzondering vallen. Ook anderszins kan blijken dat een uitkering ter vergoeding van immateriële schade is gedaan.

In dit geval is aan [appellante] op grond van de vaststellingsovereenkomst een schadevergoeding betaald van € 320.000,00 voor de geleden en in de toekomst nog te lijden materiële en immateriële schade wegens een haar overkomen gasexplosie waarbij zij letsel heeft opgelopen. Hiermee staat vast dat een deel van de schadevergoeding betrekking heeft op immateriële schade. Uit de overeenkomst blijkt echter niet welk deel van de uitkering geacht moet worden te dienen als vergoeding van de immateriële schade ten gevolge van het ongeval. Uit de persoonlijke omstandigheden van [appellante] blijkt dit evenmin. Gelet hierop was het aan de Belastingdienst/Toeslagen om vast te stellen, welk deel van het aan [appellante] uitgekeerde bedrag als vergoeding voor materiële schade en welk deel voor immateriële schade heeft te gelden en had de dienst bij twijfel in het voordeel van [appellante] dienen te beslissen. Ter vergelijking wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1792. Anders dan de Belastingdienst/Toeslagen ter zitting heeft betoogd, is niet van belang dat die uitspraak betrekking heeft op een sommenverzekering en het hier om een lumpsum vergoeding gaat. In beide gevallen gaat het om een uitkering naar aanleiding van een ongeval die mede strekt tot vergoeding van immateriële schade. Gelet op het voorgaande is het besluit van 4 juli 2016 onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt. Hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

Slotoverwegingen

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 4 juli 2016 alsnog gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts ziet de Afdeling op basis van het onderzoek ter zitting aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. Ter zitting is gebleken dat het aan [appellante] uitgekeerde schadebedrag van € 320.000,00 betrekking heeft op inkomensschade en letselschade. Op grond van een redelijke inschatting van de verdeling van dit bedrag over deze twee schadesoorten is het naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat het bedrag voor de immateriële schade zo groot is, dat toepassing van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, onder 1o, en het vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling ertoe leidt dat [appellante] over 2014 recht op huurtoeslag en zorgtoeslag heeft.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

7. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2016 in zaak nr. 16/5027;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 4 juli 2016, kenmerk BOB O BB33;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. G. Snijders en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.

w.g. Polak
voorzitter De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2017

609. BIJLAGE

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

(…).

Artikel 7

1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

(…).

Wet op de zorgtoeslag

Artikel 1

(…)

2. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

Artikel 2a

1. In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op een zorgtoeslag indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 81.360,00 (…). Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
(…).

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 7

(…)

3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende (…) over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van die wet.

(…).

Artikel 47

Onze Minister is bevoegd in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat bij ministeriële regeling voor groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de toepassing van artikel 7, derde of vierde lid, artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag (…) mochten voordoen.

Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 9

1. Artikel 7, derde en vierde lid, van de wet blijft op verzoek van de belanghebbende buiten toepassing ten aanzien van degene bij wie over het berekeningsjaar geen voordeel uit sparen en beleggen in aanmerking zou worden genomen indien de rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou worden verminderd met:

(…)

b. een bedrag ter grootte van de navolgende eenmalige uitkeringen die in het berekeningsjaar of in enig eerder zijn ontvangen:

1o. immateriële schadevergoedingen;

(…).

5. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan, met overeenkomstige toepassing van het tweede, derde en vierde lid, eveneens worden gedaan met betrekking tot het buiten toepassing laten van artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag (…) indien de belanghebbende wel aanspraak op zorgtoeslag (…) zou hebben indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zou worden verminderd met een bedrag ter grootte van de eenmalige uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

Bent u deelnemer van het PIV? Vergeet dan niet om in te loggen Inloggen

Website by Webroots

Website by Webroots