• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 31 augustus 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:9803
  • Zaaknummer: 5818040 RL EXPL 17-7132

Rb: werkgever niet aansprakelijk voor depressie werknemer

Werknemer stelt werkgever ex art 7:658 en 6:162 BW aansprakelijk voor depressie als gevolg van slechte werkomstandigheden, onder meer door pesten en hoge werkdruk. Werkgever stelt dat werknemer geen bewijs heeft geleverd van de omstandigheden en dat er sprake was van een recidiverende psychische stoornis. De kantonrechter overweegt dat er causaal verband moet bestaan tussen die werkzaamheden en die psychische schade en dat een werkgever pas maatregelen kan nemen als hij bekend is met de klachten van de werknemer. Werkgever heeft onweersproken naar voren gebracht dat werknemer geen klachten heeft geuit. Onder deze omstandigheden was het onmogelijk voor de werkgever om rekening te houden met een bijzondere kwetsbaarheid van werknemer. Werkgever droeg daarvan simpelweg geen kennis. Dat betekent dat werkgever geen maatregelen heeft kunnen treffen om schade te voorkomen.

ECLI:NL:RBDHA:2017:9803

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

31-08-2017

Datum publicatie

04-09-2017

Zaaknummer

5818040 RL EXPL 17-7132

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Psychische klachten. Werkgeversaansprakelijkheid? Artt 7:658 BW en 6:162 BW

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2017-1074

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

 

MN

Rolnummer: 5818040 RL EXPL 17-7132

31 augustus 2017

 

Vonnis

 

in de zaak van:

 

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: eerst mr. M. Bathoorn,

thans mr. A.C.M. van der Voet,

toevoeging verleend met kenmerk 3/W2942

 

tegen

 

de vennootschap onder firma

DESERT EAGLE V.O.F.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P. Drenth.

 

Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en DE.

 

1

Procedure

 

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

– de inleidende dagvaarding van 1 maart 2017 met producties;

– de conclusie van antwoord met producties;

– de brief van 6 juni 2017 van de zijde van [eiser] met producties.

 

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 12 juni 2017. Daar zijn verschenen [eiser] in persoon, vergezeld van zijn toenmalige gemachtigde mr. M. Bathoorn en namens DE: de vennoten [HH] en [EB] , vergezeld van de gemachtigde. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier aantekening gehouden. De aantekeningen bevinden zich in het procesdossier. Vonnis is (nader) bepaald op heden.

 

2

Feiten

 

2.1

[eiser] is op [2014] voor de duur van één jaar en op basis van een zogenaamd nulurencontract in dienst getreden van DE in de functie van [functie] . Op enig moment is hem (tijdig) een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor 6 maanden aangeboden. Dit aanbod is op 4 maart 2015 ingetrokken. [eiser] heeft dit aanbod niet (tijdig) geaccepteerd. De arbeidsovereenkomst met [eiser] is met ingang van 20 april 2015 tot een einde gekomen.

 

2.2

Met ingang van 1 maart 2015 heeft [eiser] zich ziek gemeld.

2.3. Op 27 januari 2015 heeft de huisarts van [eiser] [RR] aan Rivierduinen (gegeneraliseerde basiszorg ggz) aangaande [eiser] geschreven: “Graag uw behandeling in verband met chronische depressieve stoornis nu agv een arbeidsconflict weer toegenomen. Met name somberheid en prikkelbaarheid. Geen suïcidaliteit.

Gebruikt citalopram 30 mg sinds enkele jaren. Geen resultaat.”

2.4. Op 27 maart 2015 heeft [eiser] naar aanleiding van de ziekmelding de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft als “anamnese” het navolgende genoteerd:

“(..) Wn komt met zijn vrouw.

W: [functie] , ft. VD oproepcontract. bijna 1 jr bij deze wg.

M: voll Uitgevallen. Depressie en overspannen. Oogt somber en gespannen.

In verleden al depressie gehad. Nu weer beh bij de GGZ.

Huidige klachten uitgelokt door spanningen met wg, omdat wn geen zwart geld wil aannemen van wg. Wg wil wn sindsdien wegpesten door hem erg veel uren te laten werken. Soms 19 uur achtereen gewerkt. speelt al een jr ongeveer. Wn heeft het steeds gedaan, maar uitgeput geraakt. Ook inmiddels door wg met pistool bedreigd geeft werknemer aan.

Wg heeft wn voor veel uren niet uitbetaald.

Advocaat van wn is op de zaak gezet.

Wg heeft aan wn laten weten dat hij per 19-04-15 uit dienst gaat.”

2.5.

GZ-psycholoog [EvB] heeft op 1 april 2015, nadat hij [eiser] voor een indicatiestelling had gezien, het volgende geschreven:

“Het betreft een 34-jarige man met in de voorgeschiedenis een depressie waarvoor hij een medicamenteuze heeft gehad, en sinds 7 jaar citalopram gebruikt. Nu presenteert hij zich met klachten van somberheid, minder kunnen genieten, verminderde eetlust, slecht slapen, concentratie- en geheugenklachten en prikkelbaarheid. Daarnaast heeft hij last van nachtmerries, herbelevingen, een overmatige waakzaamheid na een conflict en bedreigingen in de werksituatie. Door deze klachten is bij patiënt sprake van psychisch lijden en ernstige beperkingen in sociaal en beroepsmatig functioneren. Er bestaat binnen de relatie met zijn vrouw een meningsverschil over de aanpak van het conflict.

Patiënt voldoet hiermee aan de criteria voor de diagnose recidiverende depressie (…).”

2.6.

Op 1 juni 2015 heeft [eiser] aangifte gedaan van bedreiging met als pleegdatum tussen vrijdag 5 september 2014 te 16.00 uur en maandag 18 mei 2015 te 11.00 uur. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“Op 29 augustus 2014 heb ik een gesprek aangevraagd met [HH] . Uiteindelijk zaten bij dit gesprek ook [SC] en mevouw [K] . Mevrouw [K] deed zich voor als een advocaat, zo stelde zij zich ook voor aan mij. Later ben ik erachter gekomen dat zij een [functie] is van het bedrijf. Ik wilde het hebben over mijn rechten en dat ik met respect behandeld wilde worden. Tijdens dit gesprek vertelde mevrouw [K] mij dat ik gewoon moet doen wat er gezegd wordt door mijn werkgever en dat het mijn taak is. Verder vertelde [HH] mij dat hij zo mijn contract kon beëindigen als hij dat wilde. Hij zei: “Wat probeer je te zeggen over zwart geld, want je snijdt ook in je eigen vingers.” Van dit gesprek heb ik een geluidsopname gemaakt. [HH] wilde mij 7 euro per uur contact uitbetalen. Dit zou zwart geld zijn geweest en dat wilde ik niet.

Begin september 2014 nam [HH] mij mee naar het oude kantoor in de [locatie] . Op zijn telefoon liet hij mij toen twee foto’s zien. Op de ene foto stond een zilveren revolver afgebeeld, ik vermoed dat dit een echt vuurwapen is. Op de andere foto stond een Dessert Eagle afgebeeld, deze was donker grijs of zwart van kleur. Ook hiervan vermoed ik dat die echt is. Ik weet dat dit een Dessert Eagle was omdat ik had uitgezocht wat een Dessert Eagle was toen ik bij het bedrijf ging werken.

[HH] , [SC] en [EB] hebben meerdere keren tegen mij gezegd dat zij de dieven die zij pakken meenemen naar kantoor en dan in elkaar slaan op kantoor. Daarbij zeiden zij ook: “niemand kan ons wat maken, zelfs niet de politie”. Ik had het gevoel dat dit een bedreiging naar mij was.

Ongeveer een week later was ik met [C] en [V] . [C] zei tegen mij: “Als iemand over zwart geld praat kan [HH] diegene doodschieten.” Ik voelde mij hierdoor erg bedreigd.

[HH] ging toen drie maanden op vakantie. Toen [HH] op vakantie was ging het goed op het werk en had ik geen problemen.

Toen [HH] weer terug kwam, ergens in januari 2015, heeft hij weer verhalen over mij verteld tegen mijn collega’s. Zo heeft hij tegen [E] en [V] gezegd dat ik uren van hun wilde afpakken.

Op 1 maart 2015 heb ik mij ziek gemeld. Ik ben ziek geworden van de bedreigingen die ik heb gekregen. Ik ben daarvan depressief geworden. Ik loop bij de GGZ voor een behandeling daarvoor.

(….)

Op 18 mei 2015 ben ik gebeld door [M] van de [locatie] . Hij is eigenaar van de [locatie] . (………) . [M] vertelde mij daarop dat [HH] tegen hem gezegd had dat als ik langs gekomen was of langs zou komen in de [locatie] dat [HH] dan de familie van [EB] zou inschakelen om mij in elkaar te laten slaan.”

 

2.7.

Voormelde aangifte heeft niet tot vervolging geleid.

 

2.8.

Huisarts [RR] heeft op 27 juni 2016 aan een collega geschreven: “Meneer verscheen in januari 2015 op mijn spreekuur met toegenomen depressieve klachten De aanleiding voor deze toename leek een aantal incidenten met de toenmale werkgever. De klachten waren dusdanig dat in overleg met de ggz meneer is heraangemeld voor chronische begeleiding.”

 

2.9.

GZ-psycholoog [EvB] heeft in een brief van 27 december 2016 aan [eiser] als “Medische Informatie” de hiervoor onder 2.5. vermelde informatie herhaald.

 

2.10.

Op 22 februari 2016 is in een arbeidsdeskundig onderzoek geoordeeld dat [eiser] in aanmerking komt voor voortzetting van zijn ziektewetuitkering. Per 27 februari 2017 komt [eiser] niet in aanmerking voor een WIA-uitkering.

 

3

Vorderingen en verweer

 

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(i) verklaart voor recht dat DE jegens [eiser] aansprakelijk is voor door deze geleden en nog te lijden schade en deze op grond van artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) nader te laten opmaken bij staat;

(ii) DE veroordeelt in de proceskosten.

 

3.2.

[eiser] legt daaraan, met een beroep op artikel 7:658 en/of 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) het volgende ten grondslag. [eiser] lijdt aan depressieve en/of spanningsklachten die zijn veroorzaakt door slechte werkomstandigheden, die althans onder werktijd zijn veroorzaakt. Hij is thans nog steeds depressief, piekert veel, keert dag- en nachtritme om en herbeleeft dreigingen en intimidaties die hij heeft meegemaakt gedurende zijn werkzaamheden bij DE. Concreet geeft hij, onder verwijzing naar de hierboven geciteerde stukken van zijn behandelaars en onder verwijzing naar zijn aangifte, aan dat hij gepest werd omdat hij geen zwart geld wilde aannemen, dat men hem weg wilde pesten, dat sprake was van een hoge werkdruk en hij zeer veel overuren gemaakt heeft (die hij ook nog eens niet vergoed kreeg) en, voorts, dat hij bedreigd is met een pistool.

 

3.3.

DE voert gemotiveerd verweer dat zich als volgt laat samenvatten:

-Alle aan DE gemaakte verwijten zijn afkomstig van [eiser] . Objectief bewijs daarvoor is er niet.

-De problemen met [eiser] zijn pas begonnen nadat hij tijdens een gesprek in februari 2014 aanspraak maakte op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Toen hem aan werd gegeven dat daarvoor binnen DE geen plaats was, werd hij verbaal agressief. Het ligt niet voor de hand dat iemand die de door [eiser] thans geuite klachten heeft aanspraak maakt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

-Toen hij nog bij DE werkzaam was heeft [eiser] nooit geklaagd bij DE over nachtmerries, angsten, herbelevingen etc.

-DE legt een rooster/urenstaat over van het jaar waarin [eiser] werkzaam is geweest. Volgens haar volgt daaruit dat van een zeer hoge werkdruk geen sprake was. Er was een enkele keer sprake van piekbelasting maar voor het overige was de werkdruk normaal. Overigens wilde [eiser] zelf graag veel uren maken.

-Er is bij [eiser] , naar nu is gebleken, sprake van een hele lange voorgeschiedenis van een depressieve stoornis met medicijngebruik. De huidige situatie van [eiser] wordt dan ook aangeduid als een recidiverende psychische stoornis

 

4

Beoordeling

 

4.1.

De kantonrechter zal allereerst in te gaan op de vraag of DE aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 BW heeft voldaan.

 

Artikel 7:658 BW

 

4.2.

Voor de vraag wat precies van een werkgever mag worden verwacht in het kader van zijn zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW teneinde psychisch letsel bij een werknemer te voorkomen zoekt de kantonrechter aansluiting bij HR: ECLI:NL:HR:2009:BH2619. In deze zaak is het cassatieberoep op grond van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie verworpen maar in het arrest van het gerechtshof te Den Haag en de conclusie van de Advocaat-Generaal zijn de kaders te vinden voor de beoordeling van een geschil waarin een werknemer stelt psychisch letsel te hebben ondervonden.

 

4.3.

De volgende uitgangspunten moeten bij de beoordeling worden betrokken:

-Voor de toepassing van artikel 7:658 BW is vereist dat het gaat om schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat de werkgever heeft nagelaten die maatregelen te treffen of aanwijzingen te verstrekken die redelijkerwijze nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer die schade lijdt. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen die werkzaamheden en die psychische schade.

-Psychische schade, in dit geval een recidiverende depressie, kan door veel omstandigheden ontstaan en is sterk individueel bepaald. Onder gelijke omstandigheden zal de ene persoon geen klachten krijgen en de ander wel.

-Een werkgever kan pas maatregelen nemen als hij bekend is met de klachten van de werknemer met andere woorden: de werkgever heeft pas een zorgplicht ter voorkoming van psychische klachten, zoals hier een recidiverende depressie, als het risico daarop voor hem kenbaar was of kenbaar had behoren te zijn. Uitgangspunt is dat een werkgever mag veronderstellen dat een werknemer over normale psychische weerstand beschikt en dat dat dit alleen anders is als de werkgever weet dat de bewuste werknemer kwetsbaar is. Er moet dus sprake zijn van een voor de werkgever kenbaar risico. Als er in een concreet geval sprake is van een verhoogd risico moet de werknemer dat op of een andere manier aan de werkgever kenbaar hebben gemaakt.

 

4.4.

DE heeft in deze kwestie onweersproken naar voren gebracht dat zij [eiser] in dienst heeft genomen op voorspraak van de oproeper van de moskee waarvan één van de vennoten van DE bestuurslid is. Eveneens onweersproken heeft zij aangevoerd dat zij bij aanvang van de dienstbetrekking van [eiser] niet op de hoogte is gesteld van bijzondere risicofactoren rond [eiser] , in het bijzonder niet van het feit dat hij aan een depressie lijdt, althans heeft geleden, en daarvoor al 6 jaar medicatie gebruikt. Daarnaast heeft DE onweersproken naar voren gebracht dat [eiser] in de periode waarin hij voor DE werkzaam was geen klachten heeft geuit omtrent nachtmerries, herbelevingen en dergelijke en, ook, dat gelet op de door [eiser] ingevulde, binnen het bedrijf gebruikelijke, rapportage, er zich tijdens zijn diensten geen buitenproportionele situaties hebben voorgedaan.

 

4.5.

Onder deze omstandigheden was het onmogelijk voor DE om rekening te houden met een bijzondere kwetsbaarheid van [eiser] . DE droeg daarvan simpelweg geen kennis. Dat betekent dat DE ook geen maatregelen heeft kunnen treffen om te voorkomen dat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden zoals thans door hem gesteld.

 

4.6.

Mogelijk is tegen de achtergrond van de door [eiser] genoemde incidenten, indien zou komen vast te staan dat deze zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, de bedrijfscultuur binnen DE wat ruw te noemen. Waar andere werknemers daardoor kennelijk niet worden geraakt zoals [eiser] stelt daardoor te worden geraakt, kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat die bedrijfscultuur zodanig is dat een werknemer met een normale psychische weerstand daarin niet kan functioneren. Het beroep van [eiser] op artikel 7:658 BW dient dus te worden verworpen.

 

Artikel 6:162 BW

 

4.7.

Het voorgaande doet er niet aan af dat er sprake zou kunnen zijn van strijd met artikel 6:162 BW. Ook dan dient echter sprake te zijn van causaal verband tussen de verweten gedraging (door [eiser] omschreven als onder druk zetten, veel uren werken, pesten, bedreigen) en de door [eiser] geleden schade. Naar het oordeel van de kantonrechter had het op de weg van [eiser] gelegen om, nu uit zijn medische documentatie uitdrukkelijk volgt dat bij hem sprake is van recidiverende depressie, concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen in welke mate zijn werkzaamheden bij DE aan zijn huidige depressie hebben bijgedragen. Dat heeft hij echter nagelaten. De kantonrechter weegt daarbij mee dat een aantal van de door [eiser] opgevoerde klachten ook niet duiden op onzorgvuldig gedrag aan de kant van de werkgever:

– [eiser] stelt (te) veel uren te hebben gewerkt maar betwist niet dat hij zelf ook om veel uren heeft gevraagd. Weliswaar heeft [eiser] , volgens DE met zijn instemming, één keer heel veel uren gewerkt (extreme piekbelasting) maar voor het overige heeft hij niet weerlegd het gedocumenteerde verweer van DE met als strekking dat van chronische overbelasting geen sprake was.

-het incident rond de pistolen is volstrekt onduidelijk. Niet valt in te zien hoe het enkele tonen van plaatjes (dat overigens is betwist) op zichzelf bedreigend is;

-de mededelingen van de eigenaar van de [locatie] [M] zijn niet afkomstig van de werkgever en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien hoe die mededelingen van [M] de werkgever kunnen worden aangerekend.

-de klacht inhoudende dat [eiser] moest accepteren dat DE bepaalt hoe hij moest werken wordt reeds terzijde geschoven omdat het nu eenmaal het primaat van de werkgever is om te bepalen hoe het werkproces wordt ingericht.

Blijft over wat stoere praat over het in elkaar slaan van dieven en een kennelijk aanbod aan [eiser] om zwart te worden betaald dat hij niet zegt te hebben geaccepteerd. Het causaal verband tussen deze twee gedragingen, indien zij komen vast te staan, en de depressie van [eiser] is, tegen de achtergrond van het recidiverende karakter van de depressie, onvoldoende toegelicht.

 

Slotsom/conclusie

 

4.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen met zijn veroordeling in de proceskosten.

 

5

Beslissing

 

De kantonrechter:

 

5.1.

wijst de vorderingen af;

 

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding tot dusverre begroot op € 300,– aan salaris gemachtigde;

 

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.T. Nijhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2017.