• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Limburg
  • 9 augustus 2017
  • ECLI:NL:RBLIM:2017:7743
  • Zaaknummer: 04 5648784

Rb: werkgever aansprakelijk wegens onvoldoende instructies aan werknemer die geen Nederlands spreekt

Ingeleende werknemer loopt tijdens werkzaamheden bij betonbedrijf letsel op, doordat één of meer betonmatten op hem vallen. Hij stelt het betonbedrijf als materiele werkgever aansprakelijk. 1. De kantonrechter oordeelt dat wanneer die toedracht onduidelijk blijkt, dat niet voor rekening en risico van de werknemer komt, maar van de werkgever. 2. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. Op het betonbedrijf rust namelijk de verplichting om haar werknemers te voorzien van goede instructies. Niet blijkt dat werknemer is gewezen op veiligheidsrisico’s alsmede dat hem is gewezen hoe hij zijn werkzaamheden op een zo veilig mogelijke manier diende te verrichten. Dat werknemer de Nederlandse taal niet machtig is en het inwerken door een Poolse medewerker is gedaan, is een omstandigheid die voor rekening en risico van betonbedrijf dient te komen. Zij kiest er immers voor om een buitenlandse werknemer te werk te stellen, zodat een taalbarrière niet aan die werknemer mag worden tegengeworpen.

ECLI:NL:RBLIM:2017:7743

 

Instantie

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak

09-08-2017

Datum publicatie

11-08-2017

Zaaknummer

04 5648784

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Werknemer is een arbeidsongeval overkomen en stelt werkgever aansprakelijk. De kantonrechter is van oordeel dat werkgever in strijd heeft gehandeld met zijn zorgplicht door onvoldoende instructies aan werknemer te verlenen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2017-1006

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

 

Zittingsplaats Roermond

 

Zaaknummer: 5648784 \ CV EXPL 17-509

 

Vonnis van de kantonrechter van 9 augustus 2017

 

in de zaak van:

 

[eiser] ,

wonend [adres eiser]

,

eisende partij,

gemachtigde mr. P. Kowalczyk,

 

tegen:

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[betonbedrijf],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M. Bouman.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en [betonbedrijf] worden genoemd.

 

1

De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding, met producties

de conclusie van antwoord, met producties

de conclusie van repliek, met producties

de conclusie van dupliek, met producties

de akte uitlating producties namens [eiser]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2

De feiten

 

2.1.

[eiser] werkte op basis van een uitzendovereenkomst voor People Work Service en werd uitgeleend aan [betonbedrijf] .

 

2.2.

[betonbedrijf] is een gespecialiseerd bedrijf op het gebied van beton- en vlechtwerk voor de betonindustrie.

 

2.3.

In oktober 2016 is [eiser] gestart met het verrichten van werkzaamheden voor [betonbedrijf] . Deze werkzaamheden bestonden hoofdzakelijk uit het hechten van betondraden.

 

2.4.

[eiser] was op 14 november 2016 aan het werk bij [betonbedrijf] . Hem is toen een ongeval overkomen waarbij één of meer betonmatten op hem zijn gevallen. Als gevolg van dit ongeval heeft [eiser] letsel opgelopen.

 

2.5.

Op 8 december 2016 is [betonbedrijf] aansprakelijk gesteld voor het ongeval dat [eiser] op 14 november 2016 is overkomen. [betonbedrijf] heeft op die aansprakelijkheidstelling niet gereageerd.

 

2.6.

Van het ongeval is op 1 februari 2017 een expertiserapport opgesteld.

 

3

Het geschil

 

3.1.

[eiser] vordert – samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad een verklaring voor recht dat [betonbedrijf] jegens [eiser] aansprakelijk is voor het door [eiser] opgelopen letsel bij [betonbedrijf] als gevolg van het ongeval dat op of omstreeks

14 november 2016 heeft plaatsgevonden, met veroordeling van [betonbedrijf] in de proceskosten.

 

3.2.

[betonbedrijf] voert verweer.

 

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

 

4

De beoordeling

 

4.1.

Aan de orde is de vraag of [betonbedrijf] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] stelt te hebben geleden en nog te lijden als gevolg van een ongeval dat hem is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden op 14 november 2016.

4.2.

Tussen partijen staat vast dat People Work Service de formele werkgever van [eiser] was ten tijde van het ongeval en [betonbedrijf] de materiële werkgever (inlener). In artikel 7:658 lid 4 BW is bepaald dat – naast de formele werkgever – ook de inlener aansprakelijk is voor de door werknemer geleden schade. Derhalve kan [betonbedrijf] in rechte worden aangesproken.

 

Aansprakelijkheid

 

4.3.

Ingevolge artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Artikel 7:658 BW beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar, maar een werkgever dient ingevolge dit artikel wel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de erkgever in redelijkheid verwacht mag worden, hangt af van de omstandigheden van het geval.

4.4.

De kantonrechter stelt vast dat [betonbedrijf] bij conclusie van dupliek niet langer verweer voert tegen de stelling van [eiser] dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Niettemin concludeert [betonbedrijf] tot afwijzing van de aansprakelijkheidstelling, primair omdat zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht en subsidiair omdat naleving van de zorgplicht de schade zoals [eiser] stelt te hebben geleden, niet zou hebben voorkomen.

 

Toedracht

 

4.5.

De kantonrechter overweegt allereerst dat tussen partijen discussie bestaat over de exacte toedracht van het ongeval. [eiser] stelt dat hij met een collega, [betrokkene 1] , een betonmat verplaatste. Op enig moment vielen andere matten op [eiser] , zonder dat daar enige aanleiding voor bestond.

[betonbedrijf] stelt hiertegenover dat [eiser] en zijn collega inderdaad doende waren met het verplaatsen van een betonmat en dat in de gang waar zij toen liepen een (transport)kar stond waar zij langs zijn gemanoeuvreerd. Tegenover die (transport)kar stonden betonmatten rechtop tegen de muur. Tijdens het manoeuvreren langs de (transport)kar is de betonmat die [eiser] en zijn collega vast had blijven steken achter de rechtopstaande betonmatten dan wel hebben zij hier tegenaan gestoten. Als gevolg hiervan zijn de rechtopstaande betonmatten bovenop [eiser] gevallen.

4.6.

Ingevolge vaste jurisprudentie (zie HR 4 mei 2011, ECLI:NL:HR2001:AB1430 en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2432) geldt dat op de werknemer aan wie een bedrijfsongeval is overkomen, niet de gemotiveerde stelplicht rust betreffende de precieze toedracht van het ongeval. Wanneer die toedracht onduidelijk blijkt, komt dat niet voor rekening en risico van de werknemer, maar van de werkgever.

 

4.7.

Door [betonbedrijf] is ter onderbouwing van de stelling dat er een (transport)kar in de gang stond een verklaring overgelegd van dhr. [eigenaar betonbedrijf] . Die verklaring maakt deel uit van het expertiserapport van de schaderegelaar. Uit die verklaring blijkt dat er in het gangpad een kar stond die niet aan de kant is gezet. Dat dit rapport, waar [eiser] niet bij is betrokken, pas drie maanden na het ongeval is opgemaakt geeft de kantonrechter geen aanleiding geen waarde toe te kennen aan dit rapport. Immers, het rapport bevat enkel de verklaring van dhr. [eigenaar betonbedrijf] en geen beoordeling van de situatie door een derde. Daarbij heeft [eiser] in deze procedure de gelegenheid gehad om op dit rapport te reageren. Derhalve is [eiser] niet in zijn (proces)belangen geschaad. Naast voornoemde verklaring heeft [betonbedrijf] ook nog een verklaring overgelegd van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Uit zowel de verklaring van [betonbedrijf] en van [betrokkene 2] wordt melding gemaakt van de aanwezigheid van een (transport)kar. Bovendien onderschrijven de verklaringen van [betonbedrijf] en [betrokkene 2] de stelling dat de betonmatten zijn gevallen doordat de betonmat die [eiser] en zijn collega vast hadden achter de rechtopstaande matten is blijven haken. Deze verklaringen zijn door [eiser] ongemotiveerd weersproken. Door [eiser] is bovendien geen alternatieve oorzaak aangedragen die ertoe geleid kan hebben dat de rechtopstaande matten zijn omgevallen. Aldus is de kantonrechter van oordeel dat [betonbedrijf] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat het ongeval heeft plaatsgevonden doordat tegen de rechtopstaande betonmatten is gestoten hetzij dat de betonmat die [eiser] en zijn collega droegen achter de rechtopstaande betonmatten is blijven steken. Daarnaast staat voldoende onderbouwd vast dat in het gangpad een (transport)kar stond.

 

Zorgplicht

4.8.

De kantonrechter komt vervolgens toe aan de vraag of [betonbedrijf] heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. [eiser] stelt dat [betonbedrijf] heeft toegelaten dat de matten verkeerd tegen de muur leunden. Niet valt in te zien waarom de matten niet op een andere wijze werden gepositioneerd, bijvoorbeeld plat op de grond. Op [betonbedrijf] rustte een instructieplicht alsmede de verplichting voldoende toezicht te houden. Deze verplichtingen heeft [betonbedrijf] veronachtzaamd. Bovendien had aan de wijze waarop de matten moeten worden neergezet aandacht moeten worden besteed in het bedrijfsreglement. Nu zijn geen risico’s in kaart gebracht en is het onderhavige reglement niet getoetst. Tot slot stelt [eiser] dat er onvoldoende toezicht op de werkvloer aanwezig was.

 

4.9.

[betonbedrijf] stelt dat het verplaatsen van betonmatten eenvoudig werk is, waar geen bijzondere aandacht, concentratie of kennis voor is vereist, louter de normale oplettendheid die van een werknemer mag worden verwacht. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat bij hard stoten tegen betonmatten, deze kunnen omvallen. Aldus behoeft het personeel daar niet extra voor te worden gewaarschuwd. Evenmin hadden instructies moeten worden gegeven om het risico te beperken. Daarbij komt nog dat het werken met een rek waar betonmatten tegenaan worden geplaatst gebruikelijk is bij betonvlechters. Daarnaast is er een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) uitgevoerd, waarbij het risico dat betonmatten vallen indien men hier (hard) tegen aan stoot of achter blijft haken, niet wordt benoemd. Om die reden behoeft daar dan ook geen nadere aandacht aan te worden besteed.

 

4.10.

Allereerst overweegt de kantonrechter dat in het midden kan blijven waar de litigieuze betonmatten tegenaan stonden. Door geen van partijen is immers betoogd dat de betonmatten die op [eiser] zijn gevallen, niet mochten staan waar ze stonden. En bovendien is door [betonbedrijf] onbetwist gesteld dat de wijze van plaatsing van een betonmat tegen een muur of een rek aan elkaar gelijk is en dat een rek alleen wordt gebruikt omdat zich in het midden van een gangpad geen muur bevindt. Aldus blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat een rek een extra veiligheidswaarborg met zich brengt, zodat, als een dergelijk rek zou hebben ontbroken, dit als een schending van de zorgplicht moet worden gezien.

 

4.11.

Voor zover [eiser] stelt dat niet valt in te zien waarom de matten niet liggend worden opgeslagen, is de kantonrechter van oordeel dat [betonbedrijf] voldoende onderbouwd heeft dat dit geen optie is. Het door [betonbedrijf] gebezigde argument dat de betonmatten anders teveel ruimte in beslag nemen, wordt in dit verband niet doorslaggevend geacht. Dit is echter anders voor wat betreft de stelling dat, indien werknemers een 38 kilogram zware mat vanuit hurkende positie moeten optillen, de kans groot is dat werknemers rugklachten ontwikkelen. In dit verband komt [betonbedrijf] de vrijheid toe om de werkzaamheden voor haar werknemers zodanig in te richten dat dit voor hen lichamelijk gezien het minst belastend is. Bovendien heeft [betonbedrijf] de kantonrechter ervan overtuigd dat het alternatief, namelijk dat een mat telkens met een (kraan)machine moet worden opgetild en verplaatst, nieuwe gevaren met zich brengt. Daarbij komt dat op geen enkele wijze is komen vast te staan dat de bij [betonbedrijf] gebruikelijke werkwijze eerder tot schade heeft geleid. Dit neemt echter niet weg dat [betonbedrijf] mogelijk aansprakelijk zou kunnen zijn voor de door [eiser] geleden schade.

 

4.12.

Op [betonbedrijf] rust namelijk de verplichting om haar werknemers te voorzien van goede instructies, zodat de werknemers weten hoe zij op een veilige manier dienen te werken. [betonbedrijf] stelt dat het aan [eiser] opgedragen werk, met name het verplaatsen van betonmatten, zodanig eenvoudig is en het bovendien evident is dat rechtopstaande matten kunnen vallen indien hier tegenaan wordt gestoten dat ze kunnen omvallen, dat hier geen aparte instructies of waarschuwingen voor gegeven hoeven worden. De kantonrechter volgt [betonbedrijf] hier niet in. Ieder werk, hoe ogenschijnlijk eenvoudig van aard dit werk ook moge zijn, kent risico’s en het behoort tot de zorgplicht van de werkgever om zijn werknemers op die risico’s te wijzen. Daarbij dient [betonbedrijf] er rekening mee te houden dat juist bij ogenschijnlijk eenvoudig werk, de van de werknemer te verwachten oplettendheid en voorzichtigheid uit het oog wordt verloren.

 

4.13.

De plicht tot het verlenen van goede instructies geldt te meer nu niet blijkt dat [eiser] enige ervaring had met de werkzaamheden. Door [betonbedrijf] is weliswaar gesteld dat bij aanvang van de werkzaamheden instructies zijn verstrekt aan [eiser] over de werkwijze van de heftruck, de takel en de inhoud van de werkzaamheden. Niet blijkt dat [eiser] is gewezen op veiligheidsrisico’s alsmede dat hem is gewezen hoe hij zijn werkzaamheden op een zo veilig mogelijke manier diende te verrichten. Dat [eiser] de Nederlandse taal niet machtig is en het inwerken door een Poolse medewerker is gedaan, is een omstandigheid die voor rekening en risico van [betonbedrijf] dient te komen. Zij kiest er immers voor om een buitenlandse werknemer te werk te stellen, zodat een taalbarrière niet aan die werknemer mag worden tegengeworpen. Zeker niet indien het gaat om verplichtingen die op een werkgever rusten in het kader van zijn zorgplicht.

 

4.14.

Voor wat betreft de omstandigheid dat er in het gangpad een (transport)kar stond waar [eiser] en zijn collega langs zijn gemanoeuvreerd, overweegt de kantonrechter dat niet blijkt dat [eiser] er op enig moment op is gewezen door [betonbedrijf] of een aldaar werkzaam persoon, dat het de bedoeling was dat die kar door [eiser] of zijn collega aan de kant werd gezet. Niet blijkt dat aan [eiser] de instructie is gegeven dat hij ervoor dient te zorgen dat het gangpad vrij is van (transport)karren alvorens met een betonmat te lopen. Dat het een feit van algemene bekendheid is dat rechtopstaande betonmatten kunnen vallen indien hiertegen gestoten wordt of indien er iets achter blijft haken, doet aan de verplichtingen die op [betonbedrijf] rustten, niet af.

4.15.

Voor zover [betonbedrijf] nog heeft betoogd dat het vallen van betonmatten niet als risico is aangemerkt in de uitgevoerde Risico Inventarisatie & Evaluatie, zodat hier ook geen nadere instructies over hoeven te worden gegeven, passeert de kantonrechter dit betoog. De omstandigheid dat een bepaald risico niet is voorzien in een RI&E brengt immers niet met zich dat er dus geen sprake kan zijn van aansprakelijkheid indien zich een gevaar verwezenlijkt, met schade tot gevolg. Een RI&E helpt een werkgever met het treffen van veiligheidsmaatregelen, maar pretendeert niet uitputtend te zijn.

 

4.16.

Aldus is de kantonrechter van oordeel dat [betonbedrijf] niet heeft voldaan aan de op haar rustende instructieplicht, hetgeen een schending oplevert van de zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW.

 

4.17.

Hetgeen partijen overigens hebben besproken aangaande het al dan niet inschakelen van de arbeidsinspectie, het bedrijfsreglement en het ontbreken van toezicht op de werkvloer, kan onbesproken blijven.

 

Causaal verband schending zorgplicht en ongeval

 

4.18.

De kantonrechter komt dan toe aan de stelling van [betonbedrijf] dat, ook al had zij voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, het ongeval niettemin zou zijn gebeurd. [betonbedrijf] stelt dat niet valt in te zien hoe het houden van meer toezicht of het verstrekken van (nadere) instructies het ongeval had kunnen voorkomen.

 

4.19.

De kantonrechter volgt [betonbedrijf] niet in haar stelling. Indien was gebleken dat [betonbedrijf] [eiser] had gewezen op de gevaren met het lopen van een betonmat terwijl er ook een (transport)kar in de gang staat, was [eiser] gewezen op het gevaar. Een gewaarschuwd mens telt voor twee. Het had voor [eiser] dan in ieder geval duidelijk kunnen en moeten zijn dat hij die kar had moeten verplaatsen, teneinde meer ruimte te krijgen. Aldus kan niet zonder meer worden aangenomen dat het ongeval ook zou zijn gebeurd, indien [eiser] vooraf wél goed was geïnstrueerd.

 

4.20.

Gelet op het voorgaande kan ook in dit verband de vraag of er meer toezicht nodig was geweest, onbesproken blijven.

 

Conclusie

 

4.21.

De slotsom van het voorgaande is dat de gevorderde verklaring voor recht op de in het dictum omschreven wijze toewijsbaar is.

 

4.22.

[betonbedrijf] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden bepaald op:

– dagvaarding € 102,10

– griffierecht € 78,00

– salaris gemachtigde € 500,00 (2,5 punt x € 200,00 tarief)

Totaal € 680,10.

 

5

De beslissing

De kantonrechter

 

5.1.

verklaart voor recht dat [betonbedrijf] jegens [eiser] aansprakelijk is ter zake het door [eiser] op 14 november 2016 overkomen arbeidsongeval,

 

5.2.

veroordeelt [betonbedrijf] in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot op

€ 680,10,

 

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

 

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.

 

type: SM

coll: