• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 20 april 2016
  • ECLI:NL:RBZWB:2016:2452
  • Zaaknummer: 2723322 CV EXPL 14-510

Rb: werkgever aansprakelijk voor mesothelioom, smartengeld € 65.000

Werkgever aansprakelijk voor mesothelioom? 1. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer is geslaagd in de bewijslevering van zijn stelling dat er in de koorden van de kijkluikjes van de oven van werkgever asbest zat en dat hij tijdens zijn dienstverband bij werkgever aan die asbest is blootgesteld. Dit betekent dat werkgever ex art. 7:658 lid 2 BW aansprakelijk is, tenzij zij aantoont dat zij haar zorgplicht is nagekomen. 2. De kantonrechter oordeelt dat werkgever haar stelling dat zij m.b.t. tot de blootstelling aan asbest door de koorden veiligheidsmaatregelen heeft onvoldoende heeft onderbouwd. Zo stelt zij niet dat zij de koorden zo frequent verving dat van slijtage geen sprake kon zijn. Ook stelt zij niet wat zij mogelijk verder concreet aan veiligheidsmaatregelen met betrekking tot onderhavige blootstelling aan asbest heeft genomen. 3. Smartengeld: € 65.000,- (gevorderd € 75.000,-).

ECLI:NL:RBZWB:2016:2452 

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak: 20-04-2016

Datum publicatie: 21-04-2016

Zaaknummer: 2723322 CV EXPL 14-510

Rechtsgebieden: Civiel recht

Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie: Asbest, mesothelioom, werkgeversaansprakelijkheid, zorgplicht, causaliteit, immateriële en materiële schadevergoeding.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

 

Uitspraak RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton Breda

zaak/rolnr.: 2723322 CV EXPL 14-510

 

vonnis d.d. 20 april 2016

 

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. dr. R.F. Ruers, advocaat te Utrecht,

 

tegen

 

[gedaagde],

gevestigd en kantoorhoudende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Meyst-Michels, advocaat te Utrecht.

 

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”. 1 Het verdere verloop van het geding De verdere procesgang blijkt uit de volgende stukken: a. het tussenvonnis van 13 augustus 2014 en de daarin genoemde processtukken; b. het tussenvonnis van 23 december 2015; c. de aktes van partijen.

 

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij tussenvonnis van 23 december 2015 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij een nieuwe mondelinge behandeling willen in verband met de verschoning van de eerder behandelend kantonrechter, mr. C. Wallis. Partijen hebben vervolgens bij aktes aangegeven geen nieuwe mondelinge behandeling te willen. De nieuw behandeld kantonrechter, mr. M.P. Tilman-Knoester, zal dan ook vonnis wijzen.

2.2 In geschil is of [gedaagde] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van de bij hem vastgestelde ziekte maligne mesothelioom. Daarbij is het allereerst de vraag of [eiser] tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] is blootgesteld aan asbest. [eiser] stelt dat in de koorden van de kijkluikjes van de oven van het merk “ [naam oven] ” bij [gedaagde] destijds asbest zat en dat daardoor al blootstelling plaatsvond, subsidiair dat blootstelling heeft plaatsgevonden doordat de koorden niet tijdig (voor het moment van slijtage) werden vervangen. [gedaagde] betwist dat rondom de kijkluikjes asbesthoudend materiaal is aangebracht, laat staan dat dit materiaal broos en beschadigd zou zijn geweest. [eiser] is toegelaten om zijn stelling te bewijzen.

2.3 Met betrekking tot de vraag of [eiser] is geslaagd in zijn bewijslevering wordt het volgende overwogen.

 

Afdichtingskoorden?

2.4 Partijgetuige [eiser] verklaart blijkens het proces-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor van 2 april 2013: “(…) in de ovens (toevoeging ktr: de [naam oven] ) waren ook koorden verwerkt (afdichtingskoorden) waarvan bekend is dat daar soms asbest in verwerkt was.”(…) U vraagt mij waar in de [naam oven] zich de koorden bevinden. Dat is aan de binnenkant van de klep; deze koorden zijn altijd zichtbaar.” Deze verklaring van [eiser] wordt ondersteund door de verklaringen van de heer [x] (hierna: [x] ) en de heer [xx] (hierna: [xx] ) die destijds bij [gedaagde] in dienst waren. Getuige [x] verklaart blijkens het proces-verbaal van het voorlopige getuigenverhoor van 2 april 2013:“Ik was van augustus 1983 tot augustus 2000 in dienst van [gedaagde]. (…) Bij het bedienen van de grote oven vertoonden de koorden van de luikjes slijtage. (…) U vraagt mij de koorden te beschrijven waar ik het net over had, die zich rond de luikjes bevinden. Dat waren koorden van katoen, twee centimeter dik, in elkaar gevlochten. (…) Ik had destijds geen vermoeden dat zich hier mogelijk asbest in zou bevinden.” Getuige [xx] verklaart blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 juni 2015: “Ik ben in 1988, naar ik meen op 1 maart, in dienst getreden bij wat toen nog [naam] heette. (…)Ik begrijp dat u het met mij wilt hebben over de grootbroodoven, gebouwd door bakovenbouw [naam oven]. (…) Die oven had 5 kijkluikjes, (…) Het luikje, dat wil zeggen het bewegende deel, was aan de achterzijde, dat wil zeggen de zijde die in gesloten stand tegen de eigenlijke oven aanzat, voorzien van een afdichtingskoord. (…) Of dat koord al bij de fabricage door [naam oven] is aangebracht of dat dat later bij [naam] is gebeurd zou ik u niet kunnen zeggen. Ik weet zeker dat die luikjes aan de achterzijde zo’n koord hadden.(…)” 

2.5 Tegen de voormelde verklaringen staat de verklaring van de heer [xxx] (hierna: [xxx] ) die blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 oktober 2014 verklaart: “Ik ben in 1984 bij [naam oven] in [adres] begonnen. (…) Ik heb bij mijn archiefonderzoek gevonden dat de aan [naam] geleverde directe gestookte oven van het type X was en een voorloper was van het type [y]. Ik heb gekeken naar de kijkluikjes. (…) De kijkluikjes van het type X hadden geen afdichting. Daar sloot het gietijzer van de luikjes rechtstreeks op het gietijzer van de achterplaat van het luiksysteem. (…) Ik voeg (…) nog toe dat ik zelf nooit, zo ver ik me kan herinneren bij het [naam] in [adres] ben geweest.” [xxx] verwijst naar tekeningen en foto’s van oven X die door [gedaagde] zijn overgelegd. Blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 januari 2015 verklaart [xxx] :“ Op foto 7 is het luik eigenlijk het beste te zien. (…) Op deze foto 7 staat geen afdichtingsmateriaal vermeld. Ik leid daaruit af dat dat er ook niet was. Ik merk op dat op foto 1 en 2 wel afdichtingsmateriaal is vermeld en het zou mij logisch lijken dat als het er op deze plek ook was het ook vermeld zou zijn. Daarnaast is het naar mijn mening zo dat er bij deze constructie eenvoudig geen plaats is voor afdichtingsmateriaal. (…) Ik acht het buitengewoon onwaarschijnlijk dat later door [naam] als afnemer van deze machine alsnog op deze plek afdichtingsmateriaal is aangebracht dan wel daartoe opdracht is gegeven aan een ander bedrijf of aan [naam oven].”

2.6 Nu [xxx] niet bij [gedaagde] is geweest, terwijl [eiser], [x] en [xx] de [naam oven] bij [gedaagde] gedurende langere periode hebben gezien en/of daarmee hebben gewerkt, ziet de kantonrechter aanleiding om aan hun verklaringen meer waarde te hechten dan aan de verklaring van [xxx]. [gedaagde] heeft weliswaar tekeningen en foto’s van een oven overgelegd, maar daarvan is onvoldoende aangetoond dat die van de [naam oven] bij [gedaagde] zijn. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de afdichtingskoorden er door [gedaagde] later op zijn aangebracht of dat zij die erop heeft laten aanbrengen. De verklaring van [xxx] sluit dat ook niet helemaal uit omdat hij enkel aangeeft dat het later aanbrengen van afdichtingsmateriaal hem zeer onwaarschijnlijk lijkt. De tekeningen kunnen naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet als leidend worden beschouwd. Op basis van de verklaringen van [eiser], [x] en [xx] neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat er afdichtingskoorden aanwezig waren op de luikjes van de [naam oven] bij [gedaagde]. Asbesthoudende koorden?

2.7 [naam] en de heer [naam] (hierna: [naam] ) verklaren dat asbestkoorden destijds gebruikelijk waren in de luikjes van ovens. [naam] verklaart blijkens het proces-verbaal van 2 april 2013: “Ik kan u verklaren dat ik veel onderzoek heb verricht aan [naam oven] -ovens van het type zoals destijds in gebruik bij [gedaagde]. Ik deed dat uit hoofde van mijn adviseurschap en onderzoekerschap bij [naam]. (…) In een eerdere verklaring heb ik inderdaad weergegeven dat ongebonden asbest voorkomt in koorden die worden gebruikt als hittebestendig afdichtingsmateriaal voor onder andere de inspectieluikjes. (…) Dergelijk materiaal was standaard in die ovens aanwezig, maar wordt sinds een jaar of 10 vervangen door ander materiaal.” Voorts verklaart [naam] in het proces-verbaal van 13 oktober 2014:“Ik heb in veel bedrijven die luikjes gezien en er zat daar materiaal dat ik niet anders kende dan asbestkoord. (…) Dat asbestkoord was 1 geheel en dat lag dus als 1 geheel rond het vierkant van de opening. Ik ben ervan overtuigd dat wat met asbestkoord werd aangeduid daadwerkelijk asbest bevatte, omdat het er kort gezegd ook zo uitzag (…) Daar komt bij dat in die tijd, voor zover ik weet, ook geen alternatief bestond voor dat asbestkoord. (…) De praktijk is nu dat er glasvezelkoord wordt gebruikt in plaats van het vroegere asbestkoord.” [naam] verklaart blijkens het proces-verbaal van 13 oktober 2014: “Sinds 1978 ben ik bij [naam] (…) werkzaam. (…) Ik ben zowel voor als na 1996 voor mijn werk in veel industriële bakkerijen geweest voor allerlei soorten onderzoek (…) Bij (…) metingen zag ik in de meeste ovens, met name de oudere, afdichtingsmateriaal tussen het luikje en de eigenlijke oven. Ik heb daar geen onderzoek naar gedaan, maar ik ging er van uit dat het afdichtingsmateriaal asbestkoord was. (…) Wat ik mij van die koorden herinner dat ze in elkaar gevlochten waren, een grovere structuur dan katoen en 1 a 1,5 cm dik ” [gedaagde] heeft het algemeen gebruik van asbestkoorden in oude ovens als de [naam oven] in haar conclusie na enquête niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken. Uit de door [eiser] overgelegde lijst van de Arbeidsinspectie van 1980 (als productie 18 bij conclusie na enquête) blijkt ook dat asbestkoord onder meer in ovens werd gebruikt. Gelet op het voorgaande, de uitvoerige verklaringen van [naam] en [naam] en nu er geen enkele aanwijzing is dat de koorden van ander materiaal waren dan van asbest neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat de koorden van asbest waren.

Blootstelling?

2.8 [x] verklaart blijkens het proces-verbaal van 2 april 2013: “Bij het bedienen van de grote oven vertoonden de koorden van de luikjes slijtage. (…) Wij als medewerkers van de bakkerij keken wel zo’n 15 à 20 keer per uur door de luikjes, waarbij wij de klep iedere keer open en dicht deden. Het staat mij bij dat ik weleens gezien heb dat zo’n koord door onze eigen technische dienst werd vervangen.” [naam] verklaart blijkens het proces-verbaal van 2 april 2013: “Bij het openen en sluiten van de luiken zal niemand aan het asbest zitten maar door de hitte kan er asbest in de lucht terecht komen en dus in aanraking met een bakker die met zijn hoofd vlak voor de oven aanwezig is. Dat laatste gebeurt overigens als de koorden oud en broos zijn (bij ovens van twintig à dertig jaar oud) en niet bij nieuwe ovens. In de praktijk zal een dergelijk koord eens in de vijf jaar vervangen worden. De koorden worden dus alleen broos en oud als er onvoldoende onderhoud wordt gepleegd. U vraagt mij nog wanneer het koord volgens het reguliere onderhoud vervangen zou worden: dat zal gebeuren wanneer het zodanig versleten is dat het te oud en te broos is voor verder gebruik. De asbest is dan al gedeeltelijk verdwenen.” Daarnaast verklaart [naam] blijkens het proces-verbaal van 13 oktober 2014: “Er was asbestkoord in veel van de magazijnen van die bakkerijen. Dat weet ik omdat ik nog wel eens als ik dan een onderzoek begon stuitte op een beschadigde afdichting. Ik zei dan dat mij leek dat dat wel vervangen moest worden en in de praktijk gebeurde dat ook.(…) Wat ik net zei over het vervangen van dat verpulverde of vergane asbestkoord in sommige gevallen heb ik niet waargenomen die keren dat ik bij [naam] was.” [xx] verklaart blijkens het proces-verbaal van 1 juni 2015: “Ik ben in 1988 in dienst getreden bij wat toen nog [naam] was. Ik heb weleens gezien dat een koord stuk was en dat er stoom vrijkwam, maar ik kan u niet zeggen of dat specifiek bij [naam] het geval was of bij een van de andere bakkerijen. Door de technische dienst werd genoemd koord vervangen, kortgezegd als daar aanleiding voor was. Dat kon gewone slijtage zijn, maar ook wel een beschadiging op een specifieke plek. Er was niet een, wat je zou kunnen noemen, een koordvervangingsprogramma. Koorden werden vervangen als er kortgezegd wat mee was. Dat deden onze eigen monteurs. Mij staat bij dat de monteurs daarvoor dat koord bestelden. Ik kan mij niet herinneren dat er een koordvoorraad was.” Op basis van de verklaring van [x] in combinatie met de verklaringen van [naam] en [xx] is naar het oordeel van de kantonrechter vast komen te staan dat het bij [gedaagde] voorkwam dat de koorden van de luikjes door veelvuldig gebruik beschadigd waren. De kantonrechter is van oordeel dat door de beschadigde koorden met het oog niet waarneembare vezels in de lucht worden verspreid en daardoor het risico er was dat deze werden ingeademd. Gelet op het voorgaande en nu [eiser] uit hoofde van zijn functie bij [gedaagde] het bakproces diende te controleren door gebruik van de inspectieluikjes met asbestkoorden is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] daardoor aan asbest is blootgesteld.

2.9 Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] is geslaagd in de bewijslevering van zijn stelling dat er in de koorden van de kijkluikjes van de oven van het merk [naam oven] bij [gedaagde] asbest zat en dat hij tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] aan die asbest is blootgesteld. Dit betekent dat [gedaagde] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW in beginsel aansprakelijk is voor de schade die [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, tenzij [gedaagde] aantoont dat zij de in lid 1 van voormeld artikel genoemde zorgplicht jegens [eiser] is nagekomen. [gedaagde] voert aan dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, hetgeen [eiser] betwist.

Aan zorgplicht voldaan?

2.10 Voorop gesteld wordt dat de schending van de zorgplicht van [gedaagde] moet worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de aan [gedaagde] verweten gedragingen of nalatigheden. Daarbij heeft, vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe [gedaagde] behoort bekend moest worden geacht dat aan het werken met asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, een verhoogde zorgvuldigheidsnorm te gelden met het oog op de belangen van de werknemers. Welke maatregelen vanaf dat moment van [gedaagde] konden worden verwacht, is afhankelijk van het geval en van de toentertijd bestaande kennis en inzichten. In dat verband zijn mede van belang de mate van zekerheid dat het werken met asbest gezondheidsrisico’s meebracht en de aard en de ernst van die risico’s.

2.11 [eiser] heeft vanaf 2 juni 1984 tot 6 september 2008 bij [gedaagde] gewerkt. [gedaagde] heeft onweersproken aangevoerd dat de [naam oven] zich tot 1993 bij haar bevond. Dit betekent dat [eiser] van juni 1984 tot 1993 is blootgesteld aan asbest en dat de blootstelling aan asbest vanaf 1993 is geëindigd. Bij de verdere beoordeling dient derhalve tot uitgangspunt te worden genomen dat de werkwijze met asbestkoorden tot 1993 heeft geduurd.

2.12 [eiser] stelt dat [gedaagde] haar zorgplicht jegens hem heeft geschonden nu zij destijds geen passende veiligheidsmaatregelen heeft genomen om [eiser] te beschermen tegen het gevaar van asbest. [gedaagde] stelt dat zij de veiligheid en gezondheid van haar medewerkers altijd voorop heeft gesteld en zeer serieus heeft genomen; dat zij toen bekend werd dat het asbest dat zich in bepaalde (oudere) ovens bevond mogelijk gezondheidsrisico’s voor medewerkers kon meebrengen heeft gewerkt conform de op dat moment geldende arbonormen en de op dat moment verlangde veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, alsmede een proces in gang heeft gezet om oude(re) ovens te vervangen. [gedaagde] concretiseert haar stelling dat zij met betrekking tot de blootstelling aan asbest door de koorden veiligheidsmaatregelen heeft genomen echter niet. Zo stelt zij niet, en dit is ook niet gebleken, dat zij de koorden zo frequent verving dat van slijtage geen sprake kon zijn. Ook stelt zij niet wat zij mogelijk verder concreet aan veiligheidsmaatregelen met betrekking tot onderhavige blootstelling aan asbest heeft genomen. Gelet hierop heeft [gedaagde] haar stelling dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht onvoldoende onderbouwd en wordt hieraan voorbij gegaan. Blootstelling asbest bij andere werkgever of eigen bedrijf

2.13 [gedaagde] voert aan dat het zeer goed mogelijk is dat [eiser] toen hij in de periode 1979 tot 1983 werkzaam was bij [naam] is blootgesteld aan asbest. Zij wijst erop dat in de rapportage van het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) van januari 2010 is vermeld dat zijn werkzaamheden bij [naam] bestonden uit het bakken van brood en banket en dat hij niet weet of de ovens bij [naam] asbesthoudende materialen bevatten. Bovendien is het volgens [gedaagde] zeer goed mogelijk dat [eiser] tijdens de uitoefening van werkzaamheden voor zijn montagebedrijf in aanraking is gekomen met asbest. Hierbij heeft hij zich immers beziggehouden met het plaatsen van keukens, leggen van vloeren en afbouwwerkzaamheden, waarbij hij geconfronteerd kan zijn geweest met de aanwezigheid van asbest. [eiser] heeft hierover in de rapportage bij het Instituut Asbestslachtoffers aangegeven dat hij die asbest door gespecialiseerde bedrijven liet verwijderen.

2.14 Voor zover [gedaagde] met het voorgaande bedoeld heeft te stellen dat [naam] jegens hem (mede) aansprakelijk zou zijn voor de schade van [eiser], omdat zijn ziekte ook kan zijn veroorzaakt door die gebeurtenis, kan dit haar niet baten. Immers, op de voet van artikel 6:99 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft te gelden dat als de schade het gevolg is van twee of meer gebeurtenissen voor elk waarvan een andere persoon aansprakelijk is en vast staat dat de schade door tenminste één van deze gebeurtenissen is ontstaan, op ieder van deze personen de verplichting rust om de schade te vergoeden, tenzij hij bewijst dat deze niet het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor hij aansprakelijk is. Dat betekent dat nu vast staat dat [eiser] tijdens zijn dienstverband bij [gedaagde] is blootgesteld aan asbest en de ziekte maligne mesothelioom daardoor bij [eiser] kan zijn veroorzaakt, [gedaagde] ter afwering van haar aansprakelijkheid [eiser] niet kan tegenwerpen dat de ziekte ook een andere oorzaak (te weten het werk bij [naam], waar mogelijk [eiser] ook aan asbest is blootgesteld) kan hebben. Daarbij komt dat [gedaagde] haar stelling dat [eiser] bij [naam] werd blootgesteld aan asbest niet verder heeft onderbouwd. Zij stelt niet dat de ovens, die [naam] gebruikte asbest bevatte, maar slechts dat dit mogelijk zou kunnen zijn.

2.15 Dan is nog de vraag aan de orde of [eiser] ook tijdens de werkzaamheden voor zijn montagebedrijf aan asbest is blootgesteld. Hierover wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [eiser] vanaf 1997 werkzaamheden heeft verricht voor zijn eigen bedrijf. Gesteld noch gebleken is dat hij bij die werkzaamheden zelf asbest toepaste. [gedaagde] heeft gesteld dat hij bij die werkzaamheden wel met asbest in aanraking is gekomen. Die stelling heeft [gedaagde] niet voldoende concreet onderbouwd. Zij heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat [eiser] als hij asbest aantrof dit door een gespecialiseerd bedrijf liet verwijderen. In beginsel is het aan [gedaagde] om (tegen)bewijs te leveren tegen het in beginsel aan te nemen causale verband tussen de blootstelling aan asbest door haar en de ziekte. Zij heeft onvoldoende gesteld waaruit, indien bewezen, dat (tegen)bewijs zou kunnen worden afgeleid. Ook dit verweer wordt verworpen. In het voorgaande ligt tevens besloten dat, voor zover [gedaagde] beoogt een beroep te doen op “eigen schuld” als bedoeld in artikel 6:101 BW dit eveneens faalt.

 

Schade

2.16 De slotsom van het voorgaande is dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn ziekte maligne mesothelioom heeft geleden.

2.17 [eiser] vordert een bedrag van € 75.000,00 aan immateriële schadevergoeding. Hij heeft daarbij gewezen op een aantal rechterlijke uitspraken, op nr. 693 uit de Smartengeldgids 2009 en op de bijzondere omstandigheden dat de diagnose mesothelioom op relatief jeugdige leeftijd, 45 jaar, bij [eiser] is gesteld en dat hij inmiddels reeds ruim zes jaar aan deze ziekte lijdt.

2.18 Volgens [gedaagde] is dit bedrag van € 75.000,00 te hoog. Zij heeft aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schade het normbedrag heeft te gelden dat wordt gehanteerd door het IAS van € 62.124,00 (in 2014).

2.19 De kantonrechter overweegt dat bij de begroting van immateriële schade rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden, in een geval als het onderhavige in het bijzonder met de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Daarbij dient tevens gelet te worden op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaardering (Hoge Raad 17 november 2000 ECLI:NL:HR:AA8358). In dit verband is het volgende van belang. [eiser] is op zijn 45ste levensjaar getroffen door een ernstige ziekte, maligne mesothelioom. Op 22 februari 2010 is hij geopereerd, waarbij de gehele rechterlong is verwijderd evenals het borstvlies, anderhalve rib en een derde van het middenrif. Hij heeft twee chemokuren ondergaan. Op de comparitiezitting heeft hij gesteld alleen met overleven bezig te zijn, zeer beperkt te zijn met alles wat met lichamelijke inspanning te maken heeft en één keer per jaar gecontroleerd te worden. Onbetwist is dat zijn prognose infaust blijft, zoals hij heeft gesteld in zijn akte van 31 oktober 2014. Daarnaast heeft de kantonrechter voor de begroting van de immateriële schade acht geslagen op het normbedrag dat het IAS hanteert, hoewel zij daaraan niet gebonden is, maar dat wel een gezichtspunt vormt bij de begroting van de immateriële schade, maar ook op diverse uitspraken van rechters in vergelijkbare zaken. Gelet hierop wordt een bedrag van € 65.000,00 redelijk en passend geacht.

2.20 Daarnaast vordert [eiser] een bedrag van € 223.398,84 als materiële schadevergoeding. Voorts vordert [eiser] vergoeding van de nog te verwachten materiële schade. Ter onderbouwing legt [eiser] een rapport over van [naam] van 29 november 2013. Tevens vordert [eiser] vergoeding van de kosten van dit rapport van € 5.521,47.

2.21 [gedaagde] heeft tegen dit rapport inhoudelijk verweer gevoerd. Zij stelt dat bij de berekening van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen voor het jaar 2009 van een irreële aanname is uitgegaan, namelijk dat een bedrag van € 33.384,00 aan kosten uitbesteed werk betrekking heeft op de vervangen van [eiser] in de periode vanaf 17 november 2009 dat hij niet kon werken. Als er van wordt uitgegaan dat ingehuurde derden net zoveel kostten als [eiser] zelf, namelijk € 35,00 per uur, dan zou dat betekenen dat de ‘vervangende krachten’ vanaf 17 november 2009 tot het einde van het jaar 2009 ruim 953 uur hebben gewerkt. Bij een tarief van € 30,00 per uur zou dat zelfs ruim 1.112 uur zijn. Het is onmogelijk dat [eiser] zelf in een periode van vijf tot maximaal zeven weken, een dergelijk aantal facturabele uren zou hebben gewerkt. Wat voor 2009 geldt, geldt deels ook voor de jaren 2010 en later. Voor die jaren is immers uitgegaan van de aanname dat 2009 als een startjaar zou moeten worden beschouwd. Daarnaast is ten aanzien van de gevorderde premies inzake de arbeidsongeschiktheid een deel van de schade ten onrechte dubbel gevorderd. Het betreft de premies voor de verzekering die in 2009 en 2010 zijn betaald. Die zijn niet alleen separaat gevorderd, maar ook verwerkt in de berekening van het rapport. Reeds daarom dient op het bedrag van € 67.160,00 in het rapport een bedrag van € 14.710,00 in mindering te worden gebracht. Bovendien geldt met betrekking tot de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering dat deze – over de periode 2002 tot en met 2010 – bruto worden gevorderd. In die periode zijn zij echter als fiscale aftrekpost op de aangifte IB van [eiser] opgevoerd, waardoor een besparing is opgetreden op de af te dragen belastingen en sociale premies. Netto zullen deze premies [eiser] waarschijnlijk hooguit 60 tot 70% van het bruto bedrag hebben gekost. Tot slot wijst [gedaagde] er op dat zij over onvoldoende stukken beschikt om de gevorderde schade goed te kunnen beoordelen. Zij beschikt immers niet over de volledige jaarrekening, grootboekmutaties, verkoopfacturen en facturen uitbesteed werk 2007 tot en met 2010, stukken met betrekking tot de verbouwing van het kinderdagverblijf in Vught, aangiftes en aanslagen IB, uitkeringsbeschikkingen en jaaropgaven arbeidsongeschiktheidsverzekering en polisblad en polisvoorwaarden van die verzekering.

2.22 [eiser] is nog niet in de gelegenheid geweest te reageren op deze punten van kritiek op het rapport van [naam]. De hoogte van de schadevergoeding en het rapport is immers niet op de comparitie na antwoord of in de aktes besproken. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld door het nemen van een conclusie te reageren op deze kritiek en (eventueel) zijn vordering daarop kunnen aanpassen en van documentatie kunnen voorzien.

2.23 Daarna zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld op deze door [eiser] te nemen conclusie te reageren. 2.24 Vervolgens zal beoordeeld moeten worden welke schade [eiser] heeft geleden wegens verlies van arbeidsvermogen als gevolg van zijn ziekte maligne mesothelioom. De kantonrechter overweegt reeds thans dat zij niet uitsluit dat benoeming van een onafhankelijke deskundige noodzakelijk zou kunnen zijn om duidelijkheid over deze schade van [eiser] te krijgen.

2.25 De kantonrechter adviseert partijen, gelet op hetgeen in dit vonnis is overwogen, om in overleg te treden over de hoogte van de materiële schade van [eiser].

2.26 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de terechtzitting van woensdag 18 mei 2016 te 9.00 uur, voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door [eiser] zoals bedoeld in overweging onder 2.22;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2016.