• Jurisprudentie
  • Bron: Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Gelderland
  • 1 november 2016
  • Publicatie nummer: C/05/304243 / HA RK 16-125 / 546 / 512

Rb: verzoek om verstrekking medisch advies in medische aansprakelijkheidszaak afgewezen

Verzoekster heeft de medisch adviseur (Veduma) verzocht o.g.v. art 35 lid 2 Wbp mededeling te doen van de medische stukken in haar dossier en afschriften te verstrekken. De rechtbank overweegt dat Veduma is ingeschakeld om te adviseren over het handelen van de gynaecoloog in het kader van een aansprakelijkstelling. De rechtbank verwijst naar Hof van Justitie EU, 17 juli 2014, EHRC 2014/248 en oordeelt dat art 35 Wbp slechts ziet
op de feitelijke persoonsgegevens en niet (ook) op de medische analyse die mede op basis van deze feitelijke persoonsgegevens wordt verricht. Maar ook indien het informatierecht zich wel zou uitstrekken over de medische analyse is Veduma niet gehouden daarvan mededeling te doen aan verzoekster. Het gaat hier om gegevens die de kern betreffen van het aan de gynaecoloog en het ziekenhuis in het kader van de aansprakelijkheidsprocedure gemaakte verwijt. Deze procespartijen hebben het recht zich vrijelijk en in beslotenheid op hun positie te beraden. Verzoek afgewezen.

Beschikking

 

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

 

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer/rekestnummer: C/05/304243 / HA RK 16-125 / 546 / 512

 

Beschikking van 1 november 2016 in de zaak van

 [VERZOEKSTER],

optredende voor zichzelf alsmede in hoedanigheid van moeder en wettelijk vertegenwoordigster van haar zoon [ZOON], wonende te Amsterdam, verzoekster,

advocaat mr. J.M. Beer te Amsterdam,

 

tegen

 

de maatschap

VEDUMA MEDISCH ADVISEURS,

gevestigd te Zaltbommel, verweerster,

advocaat mr. O.L. Nunes te Utrecht.

De partijen worden verder [verzoekster] en Veduma genoemd.

 

  1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

–           het verzoekschrift

–           het verweerschrift

–           de mondelinge behandeling. Verschenen zijn [verzoekster], bijgestaan door mr. Beer voornoemd, en B.C.M. Admiraal, lid en bestuurder van Veduma, bijgestaan door mr. Nunes voomoemd. De advocaten van partijen hebben het standpunt van hun cliënten mede aan de hand van pleitnoties uiteengezet.

–           de brief met bijlage van de zijde van [verzoekster] d.d. 7 september 2016.

 

  1. De beoordeling

2.1.      Bij brief van 7 september 2016 heeft [verzoekster] overgelegd een op 5 september 2016 alsnog door de kantonrechter aan R.M. [verzoekster] verleende machtiging om de onderhavige procedure namens [zoon] te voeren. Of een dergelijke machtiging in een zaak als de onderhavige vereist is kan dan in het midden blijven.

2.2.      [verzoekster] is op 29 september 2005 in het Waterlandziekenhuis via een keizersnede bevallen van [zoon]. Na de geboorte is bij [zoon] een hoge dwarslaesie geconstateerd. 

[verzoekster] verschilt met de stichting die het Waterlandziekenhuis exploiteert (hierna: de Stichting) en de dienstdoende gynaecoloog erover of tijdens de geboorte van [zoon] in dat ziekenhuis zorgvuldig is gehandeld.

 

In hoger beroep in de gerechtelijke procedure daarover is inmiddels eindarrest gewezen (uitspraak van 13 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3739). Geoordeeld is dat niet is komen vast te staan dat de gynaecoloog bij de uitvoering van de keizersnede heeft gehandeld in strijd met hetgeen van een redelijk handelend, redelijk bekwaam beroepsgenoot verwacht mocht worden. Daarnaast heeft het gerechtshof beslist dat [verzoekster] niet op de voet van art. 834a Rv recht heeft op de afgifte aan haar van een door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Stichting en de gynaecoloog in deze zaak ingewonnen expertise van een radioloog.

2.3.      Veduma is de medisch adviseur van De Onderlinge Waarborgmaatschappij Centramed B.A., de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Stichting en de dienstdoende gynaecoloog. [verzoekster] heeft het bestuur en het (para)medisch personeel van het ziekenhuis gemachtigd informatie over de bevalling te verstrekken aan de medisch adviseur van

Centramed, dus aan

 

2.4.      Bij brief van 26 april 2016 heeft [verzoekster] Veduma verzocht op de voet van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de in lid 2 van deze bepaling bedoelde mededeling te doen.

 

2.5.      Bij brief van 20 mei 2016 heeft Veduma aan [verzoekster] opgave gedaan van medische gegevens in haar dossier, waaronder het medisch dossier van Centramed en de door [verzoekster] verleende machtiging, een beoordeling van MRI-beelden door radioloog Blomjous, een brief van kinderarts Sprangers en kinderneuroloog Poll-The, medische rapportages van prof. Eskes en een deskundigenbericht van prof. Lotgering. In deze brief is onder het kopje ‘Werkwijze’ vermeld:

“Bij ontvangst van een dossier zit een vraagstelling van de behandelaar van het dossier. In dit geval gaat het om een aansprakelijkheidsstelling en betroffen de vragen het handelen van de aangesproken arts. Er zijn geen vragen gesteld met betrekking tot de gezondheidstoestand van uw cliënten. Voor de vragen van de behandelaar van Centramed en onze reactie daarop verwijs ik graag naar Centramed. Ik heb begrepen dat deze zaak nog “onder de rechter” is en ik voel mij dan ook niet vrij om de communicatie met de ene partij te overleggen aan de andere partij. De medische analyse in deze zaak bevat geen informatie over uw cliënten die door hen gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan, Ik heb begrepen dat alleen die gegevens door de WBP worden beschermd. Ik verwijs ook graag naar onze website onder het tabblad “werkwijze”.”

 

2.6.      Het verzoek, dat op 20 juni 2016 bij de rechtbank is ingediend, strekt ertoe dat de rechtbank op de voet van art. 46 lid 1 Wbp zal bepalen dat Veduma, versterkt met een dwangsom, alsnog voldoet aan het door [verzoekster] gedane verzoek ex artikel 35 lid 2 Wbp, in die zin dat Veduma opgave doet van elke verwerking van [verzoekster] en haar zoon betreffende persoonsgegevens door,

primair een lijst te verstrekken van alle informatiedragers en

voorts aan [verzoekster] kopieën, afschriften of uittreksels te verstrekken van daartoe door haar uit de bedoelde lijst geselecteerde informatiedragers, waarbij Veduma per dossierstuk dient aan te geven of, en zo ja om welke reden, zij van mening is dat een uitzondering als bedoeld in artikel 2 of artikel 43 van de Wbp op dat stuk van toepassing is, 

met veroordeling van Veduma in de proceskosten.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] laten weten dat zij vanwege het eventueel beproeven van cassatie ook bij (toen nog hypothetische) afwijzing van haar vordering door het gerechtshof belang heeft bij het onderhavige verzoek.

 

2.7.      Veduma voert verweer.

 

2.8.      De rechtbank zal hierna voor zover van belang de standpunten van partijen bespreken.

 

2.9.      Veduma is ingeschakeld om te adviseren over het handelen van de dienstdoende gynaecoloog in het kader van een op onzorgvuldigheid van dat handelen gebaseerde aansprakelijkstelling. Veduma verwerkt daarbij noodzakelijkerwijs persoonsgegevens betreffende [verzoekster] in de zin van (art. 1 aanhef en onder a en b van) de Wbp, welke wet de implementatie vormt van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van c ie gegevens (PB L 281, blz. 3 ) verder: de richtlijn. Het betreft immers het handelen tijdens de bevalling van R.M. [verzoekster] c.q. de geboorte van [zoon]. Dit brengt echter niet mee dat [verzoekster] op de voet van art. 35 Wbp recht heeft op inzage, afschrift of afgifte van alle (integrale) bescheiden waarop haar persoonsgegevens voorkomen, waarover Veduma beschikt. In dit verband is het volgende van belang.

 

2.10.    Zoals het Hof van Justitie EU in zijn arrest van 17 juli 2014, EHRC 2014/248, heeft overwogen (punten 42, 43 en 44)

–           beoogt de richtlijn in verband met de verwerking van persoonsgegevens de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, inzonderheid hun persoonlijke levenssfeer, te beschermen en zo het vrije verkeer van deze gegevens tussen de lidstaten mogelijk te maken,

–           komen de in de richtlijn vervatte beginselen van bescherming van natuurlijke personen onder meer tot uiting in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten,

–           impliceert de bescherming van het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met name dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt.

–           en strekt art. 35 Wbp (de implementatie van art. 12 sub a van de richtlijn) ertoe de betrokkene een recht op toegang te bieden tot de hem betreffende gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen, zodat de betrokkene de nodige controles kan verrichten, met name met het oog op eventuele rectificatie, uitwissing of afscherming van zijn gegevens in de zin van art. 36 Wbp (de implementatie van artikel 12 sub b van de richtlijn).

 

2.11.    Het in art. 35 Wbp vervatte en via art. 46 Wbp afdwingbare recht van [verzoekster] om door Veduma te worden geïnformeerd ziet derhalve (slechts) op de feitelijke persoonsgegevens betreffende [verzoekster]. Niet (ook) op de medische analyse die mede op basis van deze feitelijke persoonsgegevens door of in opdracht van Veduma wordt verricht in het kader van haar beoordeling van het handelen van de dienstdoende gynaecoloog. Dan zou worden getreden buiten het doel van de richtlijn en de Wbp, dat ‘slechts’ erin bestaat de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene te waarborgen met betrekking tot de verwerking van hem betreffende gegevens (vgl punt 46 van het hiervoor aangehaalde arrest van het HvJ EU).

 

2.12.    Maar ook indien het informatierecht zich wel zou uitstrekken over de hiervoor bedoelde medische analyse is Veduma niet gehouden daarvan mededeling te doen aan [verzoekster]. Het gaat hier om gegevens die de kern betreffen van het aan de dienstdoende gynaecoloog en de Stichting in het kader van de aansprakelijkheidsprocedure gemaakte verwijt. Deze procespartijen hebben het recht zich vrijelijk en in beslotenheid op hun positie te beraden. Het aannemen van een verplichting tot openbaarmaking van een analyse van die positie door derden aan de wederpartij in de gerechtelijke procedure zou dit recht op onaanvaardbare wijze aantasten. Veduma heeft zich dan ook terecht erop beroepen dat zij in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (art. 43 aanhef en onder e Wbp) genoopt is haar medische analyse aan [verzoekster] te onthouden.

 

2 13. Geconstateerd wordt dat [verzoekster] in het kader van de Wbp hooguit aanspraak heeft op mededeling van haar betreffende feitelijke persoonsgegevens die Veduma verwerkt. Het petitum van het verzoekschrift is mede op het alsnog verkrijgen van een dergelijke mededeling gericht. Betwijfeld kan worden of Veduma met haar brief en bijlagen van 20 mei 2016 in afdoende mate deze aanspraak heeft gehonoreerd. Niet weersproken is immers dat Veduma meer bescheiden bezit waarop feitelijke persoonsgegevens betreffende [verzoekster] voorkomen dan die waarvan zij in haar brief aan [verzoekster] mededeling heeft gedaan. Vast staat in ieder geval dat Veduma beschikt over een rapport van een radioloog dat dergelijke persoonsgegevens bevat en waarover Veduma niet aan [verzoekster] mededeling heeft gedaan. Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank echter genoegzaam duidelijk geworden dat het verzoek van [verzoekster] uiteindelijk niet erop is gericht – met het oog op een controle op juistheid en zo nodig rectificatie – uitputtend te weten te komen welke feitelijke persoonsgegevens betreffende [verzoekster] Veduma (in haar analyse heeft) verwerkt. Zij beoogt de integrale overlegging van door haar geselecteerde informatiedragers (punt 10 spreeknotities mr. Beer). Uit het feit dat [verzoekster], ter zitting gevraagd naar haar belang bij een beslissing op haar verzoek in het geval het gerechtshof haar vordering alsnog zou afwijzen, erop heeft gewezen dat zij dan vanwege de mogelijkheid van cassatie belang bij haar verzoek blijft houden, moet worden afgeleid dat het [verzoekster] uiteindelijk niet gaat om de juistheid van haar betreffende feitelijke persoonsgegevens die op die informatiedragers voorkomen. Het is [verzoekster] te doen om informatie over door Veduma in het kader van de door haar verrichte medische analyse uitgevoerde expertises die zij zo mogelijk tegen de dienstdoende gynaecoloog en de Stichting wil gebruiken in een eventueel vervolg van de aansprakelijkheidsprocedure tegen deze partijen. Uit het voorgaande volgt dat mededeling van dergelijke informatie niet met de onderhavige procedure kan worden afgedwongen. Het verzoek is dan ook niet toewijsbaar.

 

2.14. Gelet op de contentieuze aard van de onderhavige procedure bestaat aanleiding voor een kostenveroordeling. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Veduma worden begroot op:

–           griffierecht      €          619,00

–           salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00)

Totaal  € 1.513,00

  1. De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af,

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van Veduma tot op heden begroot op € 1.513,00, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag der volledige voldoening.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2016.