• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Oost-Brabant
  • 4 januari 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:42
  • Zaaknummer: C/01/311082 / HA ZA 16-515

Rb: verzoek om prejudiciële vraag aan Hoge Raad over PIP-implantaten afgewezen

Benadeelde heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft opgelopen door PIP-implantaten. Zij wil een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voorleggen, nl.: ‘Kan de zorgverlener (in casu het ziekenhuis) aansprakelijk worden gehouden voor het gebruik van gebrekkige hulpzaken?’ De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank oordeelt dat deze algemene vraagstelling zoals voorgelegd niet kan bijdragen aan een beslissing op de eis van benadeelde.

ECLI:NL:RBOBR:2017:42

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 04-01-2017
Datum publicatie 09-01-2017
Zaaknummer C/01/311082 / HA ZA 16-515
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 392 Rv. Eiseres verzoekt de rechtbank om een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. Dit verzoek wordt afgewezen. Er is sprake van een algemene vraagstelling en er dienen eerst relevante feiten te worden vastgesteld. Beantwoording van de vraag is niet nodig om op de eis te beslissen.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

  .   .vonnis

 

RECHTBANK OOST-BRABANT

 

 

Civiel Recht

 

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/01/311082 / HA ZA 16-515

 

 

 

 

Vonnis van 4 januari 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. M. Berruezo te Zoetermeer,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de stichting

 

JEROEN BOSCH ZIEKENHUIS,

 

gevestigd te ‘s-Hertogenbosch,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. M.J.J. de Ridder te Utrecht.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en Jeroen Bosch Ziekenhuis genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

 

de conclusie van antwoord

 

de akte verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad ex artikel 392 Rv van [eiseres]

 

de antwoordakte van Jeroen Bosch Ziekenhuis.

 

 

 

2 De beoordeling van het verzoek van [eiseres]

 

2.1.

vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Jeroen Bosch Ziekenhuis veroordeelt tot vaststelling van aansprakelijkheid en voldoening van een voorschot op de schade van € 25.000,00 en overige schade op te maken bij staat, te vermeerderen met rente en kosten.

 

 

2.2.

 

[eiseres] heeft aan haar vordering onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

 

Een bij Jeroen Bosch Ziekenhuis werkzame plastisch chirurg heeft in de linkerborst van [eiseres] een PIP-prothese geplaatst. Als uitvloeisel van een advies van de Inspectie van de gezondheidszorg en van de Plastische Chirurgie Vereniging heeft [eiseres] deze prothese op 7 juni 2012 operatief laten verwijderen. Daarbij is opgemerkt dat de prothese lekte. [eiseres] heeft klachten opgelopen door het lekken van de PIP-prothese in haar linkerborst en heeft nogmaals een operatie en vervanging van de prothese moeten ondergaan. Jeroen Bosch Ziekenhuis is op grond van artikel 7:446 BW e.v., 7:453 en 6:77 BW aansprakelijk en gehouden tot vergoeding van de geleden schade.

 

 

 

2.3.

Jeroen Bosch Ziekenhuis heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

 

 

2.4.

 

[eiseres] heeft bij akte gesteld de volgende vraag aan de Hoge Raad te willen voorleggen:

 

‘Kan de zorgverlener (in casu het ziekenhuis) aansprakelijk worden gehouden voor het gebruik van gebrekkige hulpzaken?’

 

Volgens [eiseres] is beantwoording van deze vraag van belang voor een veelheid van vorderingsrechten die op dezelfde feiten en uit dezelfde samenhangende oorzaken voortkomen.

 

 

 

2.5.

Jeroen Bosch Ziekenhuis heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek om voormelde prejudiciële vraag aan de Hoge Raad voor te leggen. Volgens haar is deze vraag tussen partijen in feite niet in geschil althans draagt deze niet wezenlijk bij tot beslechting daarvan.

 

 

2.6.

 

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 392 Rv.

 

Artikel 6:77 BW houdt het volgende in: ‘Wordt bij de uitvoering van een verbintenis gebruik gemaakt van een zaak die daartoe ongeschikt is, dan wordt de tekortkoming die daardoor ontstaat de schuldenaar toegerekend, tenzij dit, gelet op inhoud en strekking van de rechtshandeling waaruit de verbintenis voortspruit, de in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.’ De vraag die [eiseres] aan de Hoge Raad voorgelegd wenst te zien, vindt in dit artikel in zijn algemeenheid al beantwoording. Die beantwoording komt er immers op neer dat de tekortkoming die ontstaat door gebruikmaking van gebrekkige hulpzaken aan Jeroen Bosch Ziekenhuis kan worden toegerekend tenzij er sprake is van de in die bepaling genoemde omstandigheden die toerekening onredelijk zouden maken. Voor de beslechting van het onderhavige geschil (en soortgelijke geschillen) is derhalve de vraag aan de orde of toerekening onredelijk is. Dat is afhankelijk van omstandigheden als bedoeld in artikel 6:77 BW, waartoe minstens eerst de feiten vastgesteld zullen moeten worden, zoals artikel 392 Rv ook bepaalt. De algemene vraagstelling zoals voorgelegd kan aldus niet bijdragen aan een beslissing op de eis van [eiseres] . Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

 

 

 

2.7.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

 

 

2.8.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.

 

 

2.9.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

 

 

2.10.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

 

 

2.11.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

 

 

 

3 De beslissing

 

 

 

 

De rechtbank

 

 

 

3.1.

wijst af het verzoek van [eiseres] tot het stellen van een vraag aan de Hoge Raad ex artikel 392 Rv,

 

 

3.2.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. O.R.M. van Dam in het gerechtsgebouw te ‘s-Hertogenbosch aan de Leeghwaterlaan 8 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

 

 

3.3.

bepaalt dat [eiseres] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Jeroen Bosch Ziekenhuis dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

 

 

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 januari 2017 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart, april en juni 2017, waarna dag en uur van de zitting zullen worden bepaald,

 

 

3.5.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

 

 

3.6.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

 

 

3.7.

wijst partijen er op, dat voor de zitting een dagdeel zal worden uitgetrokken,

 

 

3.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2017.