• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 16 augustus 2017
  • ECLI:NL:RBMNE:2017:4180
  • Zaaknummer: 2568518 UC EXPL 13-19141 LH/1040

Rb: vaststelling schade door CTE na blootstelling aan oplosmiddelen

Blootstelling aan oplosmiddelen; in eerder tussenvonnis is de werkgever ex art 7:658 BW door de kantonrechter aansprakelijk geacht voor schade door CTE (chronische toxische encephalopathie). 1. Schatting gevolgen CTE. 2. Geen verlies verdienvermogen na vergoedingen in ontslagzaak. 3. Smartengeld: € 20.000,- (ingrijpende cognitieve beperkingen tzv geheugen, oriëntatie en concentratie, pijn, vermoeidheid en psychische klachten; gevorderd : € 75.000,-). 4. Zelfwerkzaamheid naar billijkheid begroot op 60% van het normbedrag van de Letselschade Richtlijn voor duur van 10 jaar. 5. Eigen bijdrage PGB vastgesteld op € 36.720,- ( 10 jaar x € 306,- per maand).

ECLI:NL:RBMNE:2017:4180

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-08-2017
Datum publicatie 18-08-2017
Zaaknummer 2568518 UC EXPL 13-19141 LH/1040

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

 

Vaststelling van de schade die een werknemer heeft geleden doordat hij in zijn werk aan oplosmiddelen is blootgesteld. Verband tussen schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd, en de blootstelling.

 

Smartengeld. Vergoeding voor verlies aan zelfwerkzaamheid. Schade vanwege eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget.

VindplaatsenRechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2017-1016

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Civiel recht

 

kantonrechter

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer: 2568518 UC EXPL 13-19141 LH/1040

 

 

 

 

Vonnis van 16 augustus 2017

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

[eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verder ook te noemen [eiser] ,

 

eisende partij,

 

gemachtigde: mr. J.L.A. de Waard,

 

 

 

 

tegen:

 

 

 

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

[gedaagde] B.V.,

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

verder ook te noemen [gedaagde] ,

 

gedaagde partij,

 

gemachtigde: mr. H.C.J. Coumou.

 

 

 

 

1 Het verloop van de procedure

 

1.1.

Verwezen wordt naar het tussenvonnis van 22 februari 2017, waarin een comparitie van partijen is gelast.

 

 

1.2.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 23 juni 2017. Partijen hebben ter zitting geantwoord op door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

 

 

1.3.

Daarna is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De verdere beoordeling van het geschil

 

 

 

2.1.

Op de comparitie van 23 juni 2017 is onder meer gebleken dat [gedaagde] volhardt in haar standpunt dat (ook) in de periode van maart 1980 tot omstreeks 1995 van een relevante blootstelling van [eiser] aan oplosmiddelen – en daarmee van een schending van de zorgplicht in de zin van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) – geen sprake is geweest en dat neuroloog [X] in 2013 de diagnose CTE (chronische toxische encephalopathie) niet heeft kunnen stellen omdat het daarvoor geldende protocol niet is nageleefd. Namens [eiser] is ter zitting volhard in zijn standpunt dat alle schade die hij door zijn arbeidsongeschiktheid heeft geleden is veroorzaakt door de CTE en – daarmee – in oorzakelijk verband staat met de blootstelling aan oplosmiddelen gedurende zijn dienstverband met (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] .

 

 

2.2.

De kantonrechter ziet geen reden om terug te komen op de eerder in de loop van deze procedure genomen beslissingen, ook niet op het tussenvonnis van 31 augustus 2016 waarin voor recht is verklaard dat [gedaagde] op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW jegens [eiser] aansprakelijk is en dat zij gehouden is aan hem de schade te vergoeden die hij door zijn encephalopathie heeft geleden en nog zal lijden. In reactie op hetgeen [gedaagde] bij haar akte van 7 december 2016 nog heeft aangevoerd tegen de wijze waarop [X] in 2013 tot zijn bevindingen is gekomen, wijst de kantonrechter er op dat aan het oordeel van deze neuroloog niet wordt getwijfeld nu hij ervan heeft afgezien een arbeidshygiënist in te schakelen om een blootstellingsanamnese te verrichten. Omdat de vraag naar de (mate van) blootstelling tussen partijen volop in geschil was, heeft [X] in zijn conclusie onderscheiden tussen de situatie dat wordt uitgegaan van een relevante blootstelling enerzijds (in dat geval is volgens [X] sprake van chronische toxische encephalopathie) en de situatie zonder relevante blootstelling anderzijds (in dat geval is volgens [X] sprake zijn van ernstige encephalopathie). Bij tussenvonnis van 31 augustus 2016 is op grond van hetgeen in dit geding omtrent de (mate van) blootstelling aan oplosmiddelen is komen vast te staan, geoordeeld dat [eiser] , gezien de bevindingen van [X] en die eerdere blootstelling, geacht moet worden te lijden aan ernstige chronische toxische encephalopathie.

 

 

2.3.

In reactie op hetgeen [eiser] bij akte van 9 november 2016 heeft gesteld en namens hem ter zitting is aangevoerd, benadrukt de kantonrechter dat bij tussenvonnis van 31 augustus 2016 (onder meer in rechtsoverweging 2.4.), in het kader van de vraag naar de aansprakelijkheid en op basis van de voorhanden gegevens, niet meer of anders is geconcludeerd dan dat voor de door [X] gediagnosticeerde encephalopathie en het daarmee samenhangende klachtenpatroon geen andere oorzaken dan een blootstelling aan oplosmiddelen is gevonden en dat de mogelijkheid dat de encephalopathie niet-werkgerelateerde oorzaken heeft is uitgesloten. Hierop sluit de verklaring voor recht in dat tussenvonnis aan, waar deze inhoudt dat [gedaagde] de door de encephalopatie veroorzaakte schade moet vergoeden. Voor zover [eiser] , naast de met de encephalopathie verband houdende gezondheidsklachten, aan andere ziekten heeft geleden, lijdt of zal lijden, dienen deze bij de bepaling van de schade buiten beschouwing te blijven, omdat deze geacht moeten worden niet door de blootstelling aan oplosmiddelen te zijn veroorzaakt en daarom niet aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Op de comparitie van 23 juni 2017 heeft [eiser] een verdergaand standpunt ingenomen, namelijk dat al zijn gezondheidsklachten zijn terug te voeren op de blootstelling aan oplosmiddelen. Die interpretatie van het rapport van [X] is niet juist.

 

 

2.4.

Bij deze processuele stand van zaken, ruim 3½ jaar nadat [eiser] [gedaagde] heeft doen dagvaarden, mogen geen hoge verwachtingen worden gekoesterd omtrent het nut van nadere deskundigenberichten. De kans is groot dat aanvullende – kostbare – medische expertise geen relevante nieuwe inzichten zal opleveren (een eindtoestand is inmiddels bereikt), terwijl daarmee opnieuw veel tijd gemoeid zou zijn, tijd waarin [eiser] verstoken blijft van een schadevergoeding waarop hij ingevolge het laatste tussenvonnis aanspraak heeft (een voorschot is niet gevorderd). Voorts neemt de kantonrechter in aanmerking dat partijen van mening zullen blijven verschillen over de uitgangspunten die bij de uiteindelijke schadebegroting in acht moeten worden genomen en daarover mogelijk het oordeel van de appelrechter zullen willen inroepen. Er moet rekening mee worden gehouden dat dan ook de aansprakelijkheidskwestie aan hernieuwde rechterlijke beoordeling wordt onderworpen. Tegelijkertijd stelt de kantonrechter vast dat [eiser] , ongeveer drie jaar nadat – ter comparitie van 18 juli 2014 – aan partijen is meegedeeld dat op de schadevordering zoveel mogelijk in dit geding zal worden beslist, en bijna een jaar nadat [eiser] bij tussenvonnis van 31 augustus 2016 in de gelegenheid is gesteld zijn schade te onderbouwen, nog altijd slechts de brief van zijn gemachtigde van 9 juli 2014 (en de daarbij in het geding gebrachte stukken) en de akte van 9 november 2016 (met de daarbij behorende producties) voorliggen. Daarmee wordt de gestelde schade slechts ten dele onderbouwd. Voor zover daardoor thans nog steeds niet duidelijk is welke schade [eiser] van [gedaagde] vordert, moet deze onduidelijkheid voor zijn rekening blijven. De kantonrechter ziet geen reden om [eiser] nader de gelegenheid te bieden om zijn schade te onderbouwen. De schade zal worden begroot op basis van het gevoerde partijdebat en de over en weer overgelegde stukken.

 

 

2.5.

 

Op grond van de beschikbare medische informatie moet worden geconcludeerd dat [eiser] niet alleen al geruime tijd kampt met de gezondheidsklachten die uiteindelijk met CTE in verband zijn gebracht, maar ook dat hij bekend is met andersoortige, niet werk-gerelateerde gezondheidsklachten. Overwogen wordt als volgt.

 

Uit de rapportage die tot de diagnose CTE heeft geleid, blijkt dat een deel van de gezondheidsklachten van [eiser] met de blootstelling aan oplosmiddelen in verband kan worden gebracht. [X] heeft in zijn rapport van 6 juni 2013 gewezen op geheugen-, oriëntatie- en concentratieklachten. Zijn bevindingen moeten aldus worden verstaan dat ook de gerapporteerde hoofdpijn, vermoeidheid, slaapproblemen en reuk- en smaakvermindering met de CTE in verband kunnen worden gebracht. Op grond van de beschikbare neuropsychologische rapportage neemt de kantonrechter aan dat de psychische klachten van [eiser] , te weten de depressie, de stemmingswisselingen en de karakterverandering, zijn voortgekomen uit, en een reactie zijn op, de met de CTE verband houdende cognitieve gezondheidsproblemen en de daarmee verbonden sociale gevolgen. Ook deze gevolgen worden daarom toegerekend aan de vastgestelde blootstelling.

 

Uit de medische gegevens blijkt eveneens dat [eiser] ook veel andere gezondheidsproblemen had en heeft, die met de eerdere blootstelling aan oplosmiddelen niet van doen hebben en waarvoor hij in de loop der tijd artsen van uiteenlopende specialismen heeft bezocht, daaronder – zoals bij dagvaarding gesteld – een internist, oogarts, cardioloog en maag-lever-darmspecialist. Uit het huisartsjournaal blijkt dat [eiser] vanaf medio jaren ’80 rugklachten heeft, dat hij zich herhaaldelijk met nek- en voetklachten tot zijn huisarts heeft gewend en dat hij zich met nierklachten onder behandeling heeft gesteld. Verder is zijn bloeddruk vanaf 2002 verhoogd, naar aanleiding waarvan de internist [Y] heeft geconcludeerd tot essentiële hypertensie. Op dat vlak is sprake van een familiaire belasting. Dat deze andersoortige gezondheidsproblemen, in het kader van de beoordeling van het causaal verband tussen de zorgplichtschending door [gedaagde] en de gezondheidsschade van [eiser] , niet geacht mogen worden volledig weg te vallen tegen de met de eerdere blootstelling verband houdende cognitieve (en daaraan te relateren) beperkingen, kan worden opgemaakt uit de diverse rapportages waarin is geconstateerd dat de klachten van [eiser] ernstiger zijn dan gewoonlijk wordt gezien bij het ziektebeeld CTE. Neuropsycholoog [Z] heeft hieruit geconcludeerd dat ook andere factoren dan de gevolgen van de eerdere blootstelling een rol spelen, waarbij onder meer op de hypertensie is gewezen. Omgekeerd volgt uit de beschikbare medische gegevens niet dat de CTE geacht moet worden bij de gezondheidsschade een ondergeschikte rol te hebben gespeeld en speelt. Daarvoor springen de met de blootstelling aan oplosmiddelen in verband gebrachte cognitieve beperkingen te zeer in het oog.

 

De kantonrechter zal dan ook rekening houden met de klachten die behoren bij CTE, óók als die ernstiger zijn dan gebruikelijk. Klachten die normaliter niet met CTE in verband gebracht worden, worden echter niet aan de blootstelling toegerekend. Bij de bepaling van de toe te kennen schadevergoeding blijven daarom gezondheidsklachten die los staan van de CTE voor rekening van [eiser] zelf.

 

 

 

2.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat bij de begroting van de schade de omvang van de aan de CTE te relateren gevolgen niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zodat deze moet worden geschat. De belangrijkste schadepost is die welke verband houdt met het verlies aan verdienvermogen. Waar [eiser] claimt door de CTE tot de pensioengerechtigde leeftijd geen inkomen uit arbeid meer te (hebben) kunnen verwerven, wijst [gedaagde] er terecht op dat de arbeidsovereenkomst met hem tegen 1 juli 2009 met toestemming van het UWV is opgezegd om bedrijfseconomische redenen. In zijn tegenwerping, dat bij de ontslagvolgorde zijn arbeidsongeschiktheid een rol heeft gespeeld, wordt [eiser] niet gevolgd. In de UWV-ontslagprocedure en de daarna gevoerde procedure wegens de kennelijke onredelijkheid van het ontslag is niet vastgesteld dat [gedaagde] het afspiegelingsbeginsel niet juist heeft toegepast. Daartegen is geen hoger beroep ingesteld. Er is destijds geen reden gezien reflexwerking toe te kennen aan het opzegverbod bij ziekte (voor zover dat toen nog gold). Het moet er daarom voor worden gehouden dat [eiser] bij de reorganisatie in 2009 ook zou zijn ontslagen als hij geen gezondheidsklachten of CTE had gehad. Aan het dienstverband is destijds dus terecht een einde gekomen. Met de ontslagvergoedingen die [gedaagde] aan [eiser] heeft betaald (€ 10.021,68 bruto aan RFR-uitkering en € 25.000,– bruto aan schadevergoeding in de zin van artikel 7:681 (oud) BW) zijn de negatieve inkomensgevolgen van dit ontslag gecompenseerd. Bij de toekenning van de schadevergoeding wegens de kennelijke onredelijkheid van het ontslag is de arbeidsmarktpositie van [eiser] , ook voor zover deze door de met de eerdere blootstelling aan oplosmiddelen samenhangende gezondheidsklachten ongunstig werd beïnvloed, verdisconteerd. De kantonrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van inkomensschade die door de eerder betaalde bedragen nog niet gecompenseerd is. Daarbij weegt mee dat [eiser] niet wegens zijn ziekte is ontslagen en zijn terugkeer naar werk – de ziekte weggedacht – ook niet gegeven is. Hierbij wordt rekening gehouden met de stand van zaken in de grafimedia-branche, de leeftijd van [eiser] bij ontslag (53 jaar), zijn opleidingsniveau, het eenzijdige arbeidsverleden en de niet aan de CTE gerelateerde gezondheidsklachten. Het door [eiser] opgevoerde verlies van verdienvermogen en de pensioenschade kunnen daarmee niet worden toegerekend aan de eerdere blootstelling aan oplosmiddelen.

 

 

2.7.

[eiser] vordert voorts een vergoeding van immateriële schade van € 75.000,–. Hij voert daartoe aan dat zijn beroepsziekte een grote impact op zijn leven heeft en de kwaliteit ervan zeer heeft aangetast. De kantonrechter stelt voorop dat smartengeld een naar billijkheid vast te stellen vergoeding vormt voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW lid 1 en onder b BW). Bij de begroting ervan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waarbij voor de omvang van de vergoeding in het bijzonder bepalend is de aard, ernst en duur van het letsel, de pijn, de intensiteit van het verdriet en de gederfde levensvreugde en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De rechter moet de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn en het gemis aan levensvreugde afleiden uit min of meer objectieve factoren en concrete aanwijzingen, zoals de aard van het letsel en de (meer subjectief te duiden) gevolgen daarvan voor de concrete benadeelde. Bij de begroting moet de rechter daarnaast ook meewegen de aard van aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, rekening houdend met een eventueel opgetreden geldontwaarding.

 

 

2.8.

Toegespitst op de onderhavige zaak brengt dit mee dat in aanmerking wordt genomen dat [eiser] in dienst van (de rechtsvoorganger van) [gedaagde] de beroepsziekte CTE heeft opgelopen doordat [gedaagde] jegens hem haar zorgplicht heeft geschonden. Hieruit zijn ingrijpende cognitieve beperkingen op het gebied van geheugen, oriëntatie en concentratie voortgevloeid die tot pijn, vermoeidheid en psychische klachten hebben geleid. Hierdoor heeft [eiser] zijn leven niet kunnen voortzetten zoals hij anders zou hebben gekund. Daarbij moet worden gecorrigeerd voor de andersoortige gezondheidsklachten, die los staan van de eerdere blootstelling aan oplosmiddelen, daaronder de hypertensie en de daarmee samenhangende gezondheidsschade. Mede met het oog op hetgeen hierboven, onder 2.5. is overwogen, en gezien de bedragen die in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters zijn toegekend (vgl. nr. 205 uit de Smartengeldgids 2017), begroot de kantonrechter het smartengeld op € 20.000,–. Hierbij speelt een rol dat de cognitieve (en daaraan te relateren) beperkingen [eiser] in zijn deelname aan het gezinsleven en het maatschappelijke verkeer aanzienlijk moeten hebben geïnvalideerd. In dit geval is een wat hoger bedrag aangewezen (dan in het genoemde vergelijkingsgeval) in verband met de ontstane depressieve klachten.

 

 

2.9.

Ter onderbouwing van het verlies van zelfwerkzaamheid heeft [eiser] gesteld dat hij zijn koopwoning en tuin niet meer kan onderhouden, zoals hij gewoon was te doen. Aannemelijk is dat [eiser] door de CTE een deel van het huis- en tuinonderhoud niet meer zelf heeft kunnen doen, maar tevens moet er rekening mee worden gehouden dat zijn andersoortige gezondheidsklachten hem op dat gebied eveneens hebben beperkt. Het verlies van zelfwerkzaamheid wordt billijkheidshalve begroot op afgerond € 685,– per jaar (zijnde 60% van het betreffende normbedrag van de Letselschade Richtlijn Zelfwerkzaamheid) en de duur ervan wordt – mede gezien de leeftijd van [eiser] en die andere gezondheidsklachten – gesteld op 10 jaar, zodat toewijsbaar is een vergoeding voor verlies van zelfwerkzaamheden van € 6.850,–.

 

 

2.10.

[eiser] heeft gesteld dat hem vanwege zijn gezondheidssituatie vanaf 24 november 2011 een persoonsgebonden budget (PGB) is toegekend voor vervoer en verzorging, waarbij de eigen bijdrage € 306,– per maand bedraagt. Nu uit de betreffende beschikking van 24 november 2011 blijkt dat bij de indicatiestelling onder meer rekening is gehouden met het ‘Psychisch functioneren’, ‘geheugenstoornissen’ en ‘oriëntatie’ moet worden geconcludeerd dat vooral de aan de CTE gerelateerde cognitieve, en de daaruit voortgekomen psychische problematiek tot de PGB-toekenning hebben geleid. Tegelijkertijd moet, ter bepaling van de in de schadebegroting te verdisconteren duur van (de eigen bijdrage voor) deze voorziening, rekening worden gehouden met de reëel te achten kans dat [eiser] na verloop van tijd ook vanwege zijn andersoortige gezondheidsklachten PGB-afhankelijk zou zijn geworden. De kantonrechter schat aldus de bedoelde schade op € 36.720,–, zijnde 10 jaar maal € 306,– per maand.

 

 

2.11.

De vergoeding die [eiser] vordert voor zijn medische kosten en voor de reiskosten die met artsenbezoek gepaard gaan is uiterst summier onderbouwd. Aannemelijk is dat de CTE tot medische en reiskosten heeft geleid, maar daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat [eiser] ook voor zijn andersoortige gezondheidsklachten vergelijkbare kosten (gehad) heeft. De kantonrechter schat bedoelde kosten op € 100,– per jaar, te rekenen over 10 jaar, dus op € 1.000,–. Het eigen risico voor de zorgverzekering moet geacht worden reeds door de andere (dan de CTE-)klachten te zijn en worden verbruikt.

 

 

2.13.

Op grond van het voorgaande is toewijsbaar een bedrag van € 64.570,– aan materiële en immateriële schadevergoeding. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf de dag van dagvaarding (22 november 2013) tot de voldoening.

 

 

2.14.

[gedaagde] wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] . Deze proceskosten worden tot dit vonnis begroot op € 2.574,81, bestaande uit € 99,81 aan explootkosten, € 75,– aan vast recht en € 2.400,– (6 punten à € 400,–) aan salaris gemachtigde.

 

 

 

3 De beslissing

 

 

 

 

De kantonrechter:

 

 

 

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 64.570,–, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 22 november 2013 tot de voldoening;

 

 

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.574,81, waarin begrepen € 2.400,– aan salaris gemachtigde;

 

 

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2017.