• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 14 oktober 2015
  • ECLI:NL:RBMNE:2015:7321
  • Zaaknummer: C/16/386662 / HA ZA 15-173

Rb: uitleg ‘nieuwe’ opzetclausule AVP, beroep op opzetclausule na mishandeling verworpen

Eiser, hoofdagent bij de politie, loopt zwaar letsel op als gedaagde hem bij arrestatie in zijn kruis trapt. De rechtbank acht gedaagde en de AVP-verzekeraar hoofdelijk aansprakelijk. AVP-verzekeraar beroep zich op de opzetclausule en stelt daarbij dat sprake is van een ‘nieuwe’ opzetclausule, waarbij opzet is gekoppeld aan de gedraging en niet aan het gevolg van de gedraging. De rechtbank verwerpt het beroep op de opzetclausule. De zin “Veroorzaakt u de schade met opzet? Dan betalen we niet voor de schade.” maakt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig duidelijk dat schade die opzettelijk is veroorzaakt buiten de dekking van de verzekering valt. De uitleg die verzekeraar voorstaat komt er op neer dat ‘met opzet’ hier zo moet worden uitgelegd, dat het gaat om schade die is veroorzaakt door een opzettelijke gedraging. Die uitleg ligt taalkundig niet voor de hand en volgt de rechtbank niet (zie r.o 4.4).

(vervolg samenvatting)

Achmea heeft wellicht beoogd om in artikel 8 van haar voorwaarden onder f een ‘nieuwe’ opzetclausule op te nemen, maar de tekst brengt dat onvoldoende tot uitdrukking. Dat betekent dat, om met succes een beroep te kunnen doen op de opzetclausule moet worden aangetoond dat [gedaagde sub 1] de schade van [eiser] opzettelijk heeft veroorzaakt, dus dat het letsel van [eiser] een voorzienbaar en beoogd gevolg was van zijn handelen, de trap die hij [eiser] gaf.

 

 

ECLI:NL:RBMNE:2015:7321

Instantie Rechtbank Midden-Nederland Datum uitspraak14-10-2015 Datum publicatie28-11-2017 Zaaknummer C/16/386662 / HA ZA 15-173

Rechtsgebieden Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Uitleg van de door Achmea in de voorwaarden van een aansprakelijkheidsverzekering gehanteerde optzetclausule.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .vonnis

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Afdeling Civiel recht

 

handelskamer

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/16/386662 / HA ZA 15-173

 

 

 

 

Vonnis van 14 oktober 2015

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [eiser] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiser,

 

advocaat mr. A. Dregmans te Arnhem,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 [gedaagde sub 1] ,

 

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. T.W. Phea te Arnhem,

 

2. de naamloze vennootschap

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te Apeldoorn,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. M.T. Spronck te Utrecht.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] en Achmea genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met 2 producties,

 

de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ,

 

de conclusie van antwoord van Achmea met 3 producties,

 

de conclusie van repliek,

 

de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 1]

 

de conclusie van dupliek van Achemea.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[eiser] is hoofdagent bij de politie [plaatsnaam] . Hij heeft [gedaagde sub 1] op 29 maart 2014 aangehouden.

 

2.2.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 18 juli 2014 (hierna: het vonnis van 18 juli 2014) bewezen verklaard dat [gedaagde sub 1] op 29 maart 2014, toen de aldaar dienstdoende [eiser] hem had aangehouden, zich met geweld heeft verzet tegen [eiser] door hem opzettelijk gewelddadig met kracht in het kruis te trappen, ten gevolge waarvan [eiser] zwaar lichamelijk letsel bekwam (een scheur in de balzak en/of scheur in de linker teelbal en beschadigde en afgestorven teelbal die operatief moet worden verwijderd).

 

 

2.3.

In het vonnis van 18 juli 2014 is ten aanzien van het bewijs onder meer het volgende overwogen.

 

 

4.3.1

 

Partiele vrijspraak

 

Ten aanzien van feit 1 primair

 

De rechtbank heeft noch uit het onderzoek ter terechtzitting noch door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat het opzet van verdachte – ook in voorwaardelijke zin – gericht was op het teweegbrengen van het gevolg: een beschadigde en afgestorven teelbal. Daarbij zag de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte door het trappen in het kruis daarmee welbewust de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen heeft dat de teelbal van het slachtoffer daarbij gespleten zou raken.

 

Dat het geven van een trap in het kruis zeer pijnlijk is voor een slachtoffer, acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Maar dat daarbij zwaar lichamelijk letsel in de zin van een ruptuur van de teelbal kan ontstaan acht de rechtbank dermate uitzonderlijk dat niet zonder meer gezegd kan worden dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.’

 

De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde “opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [eiser] ”.

 

(…)

 

 

 

2.4.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte ( [gedaagde sub 1] ) is in het vonnis van 18 juli 204 onder meer het volgende overwogen.

 

 

 

De rechtbank oordeelt dat verdachte zich niet kan beroepen op het feit dat hij zijn eigen handelen als gevolg van de grote hoeveelheid genuttigde alcohol niet in de hand had. Verdachte is immers door zijn eigen schuld in deze situatie terechtgekomen waarin hij bewezenverklaarde feiten heeft begaan. (…)

 

 

 

2.5.

In het vonnis van 18 juli 2014 is ten aanzien van de benadeelde partij onder meer het volgende overwogen.

 

 

 

Aangever [eiser] heeft – als voorschot op de vergoeding van immateriële schade – een bedrag van € 1.500,- gevorderd. De rechtbank begrijpt hieruit dat de benadeelde partij zich voor een deel van deze vordering in het strafproces heeft gevoegd, onder voorbehoud van het recht het restant bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken.

 

(…)Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade tot op heden op een bedrag van € 1.500,-. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

 

 

 

2.6.

 

[gedaagde sub 1] had op 29 maart 2014 een aansprakelijkheidsverzekering bij Achmea.

 

In de algemene (bijzondere) voorwaarden bij de aansprakelijkheidsverzekering van [gedaagde sub 1] staat onder meer het volgende.

 

 

 

 

1 Waarvoor bent u verzekerd?

 

Met deze verzekering betalen wij voor schade die u veroorzaakt aan anderen. Of aan zaken van anderen. We betalen alleen als u daarvoor aansprakelijk bent. U bent aansprakelijk als u deze schade volgens de wet moet betalen. In deze voorwaarden leest u wanneer we betalen en ook wanneer we niet betalen. Lees ze daarom goed door.

 

 

 

(…)

 

 

 

 

7 Voor welke schade betalen wij?

 

 

Veroorzaakt u schade aan iemand anders? Dat wil zeggen:

 

– Iemand anders raakt gewond of invalide, wordt ziek of overlijdt.

 

– Zaken van iemand anders beschadigen. Zoals huizen, auto’s spullen of dieren.

 

En moet u volgens de wet voor die schades betalen? Dan bent u aansprakelijk. U bent daarvoor met deze verzekering verzekerd. Wij betalen dan de schade. (…)

 

 

 

 

(…)

 

 

 

 

8 Voor welke schade betalen wij niet?

 

 

In onze Algemene voorwaarden leest u wanneer we niet betalen. Wij betalen ook niet als u schade heeft veroorzaakt in de volgende situaties:

 

(…)

 

f. Als u de schade met opzet heeft veroorzaakt.

 

Veroorzaakt u de schade met opzet? Dan betalen we niet voor de schade. Bijvoorbeeld:

 

– als u met opzet iets deed of juist niet deed;

 

– en als dat gericht is op personen of zaken;

 

– en als dat volgens de wet is verboden.

 

 

 

 

Had u medicijnen, alcohol of drugs gebruikt? En wist u daardoor niet wat u deed? Dan is dat nog steeds opzet. (…)

 

 

 

2.7.

Achmea heeft zich onder meer bij brief van 25 september 2014 aan (de advocaat van) [eiser] beroepen op artikel 8 sub f van de hiervoor weergegeven algemene voorwaarden (hierna: de opzetclausule) en dekking geweigerd voor de schade die [eiser] lijdt ten gevolge van het in het vonnis van 18 juli 2014 bewezenverklaarde feit. Achmea wijst er daarbij op dat bewezen is verklaard dat [gedaagde sub 1] [eiser] opzettelijk gewelddadig met kracht in het kruis heeft getrapt en dat nu de rechtbank de opzettelijke handeling bewezen heeft verklaard, met succes een beroep kan worden gedaan op de opzetclausule.

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 

1. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de gevolgen van de door hem gepleegde onrechtmatige daad;

 

2. [gedaagde sub 1] en Achmea hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van alle (de rechtbank leest: schade) die [eiser] als gevolg van voormelde onrechtmatige daad lijdt en in de toekomst nog zal lijden, deze schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

 

3. [gedaagde sub 1] en Achmea veroordeelt in de kosten van de procedure.

 

 

3.2.

 

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door hem op 29 maart 2014 in zijn kruis te trappen, dat die onrechtmatige daar aan zijn schuld te wijten is en dat hem die kan worden toegerekend. De in het vonnis van 18 juli 2014 bewezen verklaarde feiten bieden voldoende bewijs voor toewijzing van zijn vordering en hetgeen [gedaagde sub 1] nu aanvoert doet daar niets aan af volgens [eiser] .

 

[eiser] stelt dat hij letsel heeft bekomen en aanzienlijke materiële en immateriële schade lijdt waarvan de omgang nog niet duidelijk is, maar het in het vonnis van 18 juli 2014 toegewezen bedrag van € 1.500,00 te boven gaat.

 

Zijn vordering jegens Achmea is gebaseerd op artikel 7:954 BW. [eiser] meent dat Achmea zich in deze zaak niet kan beroepen op de opzetclausule en wijst er op dat Achmea ten onrechte aanhaakt bij overwegingen over de nieuwe opzetclausule van het verbond van verzekeraars waarin de opzet ziet op de gedraging en niet zozeer op de schade, terwijl de formulering van de clausule in de eigen voorwaarden juist wel – in de kop – een verband wordt gelegd tussen de opzet en de schade. Subsidiair doet [eiser] een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zoals neergelegd in artikel 6:248 BW.

 

 

 

3.3.

 

[gedaagde sub 1] heeft als verweer gevoerd dat hij zich niets kan herinneren van de aanhouding op 29 maart 2014 en wat daaraan vooraf ging. Hij was die avond dronken. [gedaagde sub 1] betwist dat hij opzettelijk heeft gehandeld en wijst er op dat hij in het vonnis van 14 juli 2014 is vrijgesproken van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Als hij al getrapt heeft, dan was dat een reflexbeweging omdat hij handhandig werd aangehouden.

 

[gedaagde sub 1] betwist dat [eiser] belang heeft bij de door hem gevorderde verklaring voor recht en stelt dat ‘door het enkel vorderen van een verklaring voor recht met verwijzing naar een schadestaatprocedure extra tijd en kosten gemoeid gaan’. [gedaagde sub 1] betwist ook dat [eiser] meer schade heeft geleden dan het bedrag van € 1.500,00 dat door de strafrechter is toegewezen

 

Als de rechtbank tot het oordeel komt dat hij onrechtmatig heeft gehandeld, dan meent [gedaagde sub 1] dat de verzekeraar, Achmea, dekking moet bieden. Een beroep van Achmea op de opzetclausule kan volgens [gedaagde sub 1] niet slagen omdat die clausule is bedoeld voor gevallen die ook voor de verzekerde als gevallen van welbewust onrechtmatig handelen (her)kenbaar zijn. Een ruimere uitleg, zoals Achmea die voorstaat, is niet beoogd en zou de aansprakelijkheidsverzekering tot een lege huls maken. [gedaagde sub 1] stelt ook dat een beroep op de opzetclausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

 

 

 

3.4.

Achmea beroept zich op de opzetclausule en stelt dat zij op grond van de verzekeringsovereenkomst met [gedaagde sub 1] geen enkele verplichting heeft tot het doen van enige betaling of uitkering. Op grond van het vonnis van 18 juli 2014 staat volgens Achmea vast dat [gedaagde sub 1] met opzet iets heeft gedaan tegen een persoon dat volgens de wet verboden is, namelijk met opzet [eiser] in het kruis trappen, en daar ziet de opzetclausule op. Achmea benadrukt dat het in deze (nieuwe) opzetclausule gaat om opzet ten aanzien van de gedraging en niet ten aanzien van het gevolg daarvan. Achmea verwijst onder meer naar een uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2014 waarin ook is bekrachtigd dat de clausule onderdeel is van de primaire dekkingsomschrijving van de verzekering zodat een beroep op artikel 6:248 BW niet snel zal slagen.

 

 

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

ten aanzien van [gedaagde sub 1]

 

4.1.

 

[eiser] baseert zijn vordering jegens [gedaagde sub 1] op onrechtmatige daad. In artikel 6:162 BW staat dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens een rechtvaardigingsgrond. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

 

In het vonnis van 18 juli 2014 is bewezenverklaard dat [gedaagde sub 1] zich heeft verzet tegen aanhouding door [eiser] door hem opzettelijk in het kruis te trappen met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. [eiser] stelt zich terecht op het standpunt dat deze bewezenverklaring voldoende bewijs oplevert voor zijn stelling dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. [gedaagde sub 1] heeft in deze procedure geen tegenbewijs geleverd of aangeboden van het (bewezenverklaarde) feit dat hij [eiser] in het kruis heeft getrapt. Zijn verweer dat hij dat door zijn dronkenschap niet meer kan herinneren en dat hij dat (dus) niet opzettelijk heeft gedaan, is reeds verworpen door de strafkamer en leidt in het licht van artikel 6:162 BW ook niet tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen. Daarvoor is immers niet vereist dat iemand expres of welbewust verkeerd handelt. Dat er sprake zou zijn van een rechtvaardigingsgrond als bedoeld in artikel 162 lid 2 BW, waardoor het trappen in dit geval niet onrechtmatig zou zijn is niet gesteld of gebleken en voor toerekening is niet nodig dat er sprake is van opzet. Dit betekent dat het verweer van [gedaagde sub 1] verworpen wordt en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] door de trap heeft geleden en nog lijdt.

 

 

 

4.2.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat [eiser] in totaal aan materiële en immateriële méér schade lijdt dan € 1.500,00, het bedrag dat in de strafzaak is toegewezen. [gedaagde sub 1] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat [eiser] geruime tijd pijnklachten heeft gehad, een operatie heeft moeten ondergaan en dat er nog geen medische eindtoestand bestaat zodat de schade nog niet kan worden begroot. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat [eiser] geen belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, veroordeling en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ook aan dit verweer gaat de rechtbank daarom voorbij. Dat maakt dat de vordering jegens [gedaagde sub 1] zal worden toegewezen. Zijn stelling dat de schade door Achmea gedekt dient te worden kan hem ten opzichte van [eiser] niet baten en doet niet af aan zijn aansprakelijkheid. Omdat hij aansprakelijk is voor de schade zal hij worden veroordeeld om die schade te vergoeden. Hieronder zal de rechtbank ingaan op de vraag of ook Achmea moet worden veroordeeld om [eiser] de schade te vergoeden.

 

 

 

ten aanzien van Achmea

 

 

 

4.3.

Op grond van artikel 7:954 BW kan een benadeelde verlangen dat het bedrag dat de verzekeraar op grond van een aansprakelijkheidsverzekering aan de verzekerde moet uitkeren in verband met de door de benadeelde geleden schade, rechtstreeks aan hem wordt betaald. [eiser] kan Achmea dus aanspreken tot betaling als er op grond van de verzekering een uitkering moet worden gedaan voor zijn schade. Dat betekent ook dat als dekking voor deze schade in de verzekeringsovereenkomst is uitgesloten, de vordering jegens Achmea moet worden afgewezen. Tussen partijen is in geschil of in dit geval dekking is uitgesloten door de opzetclausule.

 

 

4.4.

 

De opzetclausule is hiervoor onder 2 weergegeven. Achmea stelt dat sprake is van een ‘nieuwe’ opzetclausule, waarbij opzet is gekoppeld aan de gedraging en niet aan het gevolg van de gedraging. Achmea verwijst naar de nieuwe opzetclausule van het Verbond van Verzekeraars waarin staat “Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen.”. Achmea stelt dat zij met haar huidige opzetclausule daarbij aan heeft gesloten, zij het anders verwoord. Dat de opzet van [gedaagde sub 1] niet gericht was op het toebrengen van ernstig letsel aan [eiser] staat volgens Achmea niet aan een beroep op de opzetclausule in de weg omdat de voorwaarden zo zijn geformuleerd dat daartoe volstaat dat [gedaagde sub 1] [eiser] opzettelijk heeft getrapt (en de schade van [eiser] daar het gevolg van was).

 

Volgens [eiser] stelt Achmea zich ten onrechte op het standpunt dat sprake is van een ‘nieuwe’ opzetclausule als voorgesteld door het Verbond van Verzekeraars en is in de opzetclausule zoals die nu is geformuleerd de vereiste opzet expliciet gekoppeld aan het veroorzaken van de schade. De rechtbank volgt [eiser] hierin. De zin “Veroorzaakt u de schade met opzet? Dan betalen we niet voor de schade.” maakt naar het oordeel van de rechtbank ondubbelzinnig duidelijk dat schade die opzettelijk is veroorzaakt buiten de dekking van de verzekering valt. De uitleg die Achmea voorstaat komt er op neer dat ‘met opzet’ hier zo moet worden uitgelegd, dat het gaat om schade die is veroorzaakt door een opzettelijke gedraging. Die uitleg ligt taalkundig niet voor de hand en volgt de rechtbank niet. Ook het bij de clausule genoemde voorbeeld maakt niet onverkort duidelijk dat niet relevant is of opzet op de veroorzaakte schade was gericht. Daarbij komt dat een voorbeeld naar zijn aard niet zonder meer kan worden begrepen als een nadere uitwerking van de clausule en dat uit de manier waarop het voorbeeld is opgesteld – door een opsomming van drie met gedachtestreepjes en puntkomma’s gescheiden omstandigheden – ook niet zonder meer duidelijk is dat sprake is van een reeks van drie opeenvolgende criteria die, als die vervuld zijn, maken dat er geen dekking is. Achmea heeft wellicht beoogd om in artikel 8 van haar voorwaarden onder f een ‘nieuwe’ opzetclausule op te nemen, maar de tekst brengt dat onvoldoende tot uitdrukking. Dat betekent dat, om met succes een beroep te kunnen doen op de opzetclausule moet worden aangetoond dat [gedaagde sub 1] de schade van [eiser] opzettelijk heeft veroorzaakt, dus dat het letsel van [eiser] een voorzienbaar en beoogd gevolg was van zijn handelen, de trap die hij [eiser] gaf.

 

 

 

4.5.

[eiser] meent dat duidelijk is dat [gedaagde sub 1] de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt en hij wijst daartoe op het vonnis van 18 juli 2014. Achmea heeft terzijde aangevoerd dat het evident is dat [gedaagde sub 1] opzettelijk handelde en dat zijn handelen een voorzienbaar gevolg had in de vorm van het letsel van [eiser] . Achmea wijst er terecht op dat de strafrechtelijke kwalificatie van opzet anders is dan de civielrechtelijke maar naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat het letsel van [eiser] voor [gedaagde sub 1] een te voorzien en beoogd gevolg was van de trap die hij hem gaf. Er zijn immers geen feiten en omstandigheden aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde sub 1] zich, anders dan de strafkamer aannam, bewust was of had kunnen en behoren te zijn van de kans dat door zijn trap niet alleen pijn, maar ook ernstig letsel kon worden veroorzaakt. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1] de schade die [eiser] lijdt opzettelijk heeft veroorzaakt in de zin van de opzetclausule, zodat Achmea zich niet op die clausule kan beroepen.

 

 

4.6.

Nu er geen andere gronden zijn aangevoerd op grond waarvan het beroep van [eiser] op artikel 7:954 BW jegens Achmea niet zou kunnen slagen, moet de vordering ook jegens Achmea worden toegewezen. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] en Achmea zoals [eiser] heeft gevorderd, hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot vergoeding van de schade van [eiser] . Nu de omvang van de schade nog niet vaststaat, zal die schade nader moeten worden begroot in een zogenoemde schadestaatprocedure.

 

 

4.7.

[gedaagde sub 1] en Achmea zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

 

– dagvaarding € 105,23

 

– griffierecht 285,00

 

– salaris advocaat         904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

 

Totaal € 1.294,23

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] jegens [eiser] aansprakelijk is voor de gevolgen van de door hem (op 29 maart 2014) gepleegde onrechtmatige daad;

 

 

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en Achmea hoofdelijk tot vergoeding van alle schade die [eiser] door de door [gedaagde sub 1] gepleegde onrechtmatige daad lijdt en in de toekomst nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

 

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en Achmea in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.294,23,

 

 

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2015.1

 

 

 

1

type: PD/4096 coll: JOZ/4583