• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Rotterdam
  • 18 augustus 2017
  • ECLI:NL:RBROT:2017:6371
  • Zaaknummer: 4887115

Rb: uitkering uit ongevallenverzekering mag worden verrekend

Werkgeversaansprakelijkheid voor letsel aan hand. Diverse schadeposten. 1. Toekomstige huishoudelijke hulp tot aan het 70ste levensjaar onaannemelijk. 2. Smartengeld: € 5000,- beperkingen aan hand, grijpfunctie beperkt). 3. Voordeelsverrekening. De kantonrechter oordeelt dat, uitgaande van de nieuwe maatstaf die de Hoge Raad hanteert, het beroep op voordeelstoerekening slaagt. Werknemer heeft uit hoofde van ongevallenverzekering (sommenverzekering), die de werkgever vrijwillig) heeft afgesloten, een bedrag van € 5.708,06 ontvangen. Dit bedrag zou werknemer niet hebben ontvangen, indien er geen bedrijfsongeval zou hebben plaatsgevonden. Thans vordert werknemer schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW. Dit betekent dat er zowel sprake is van conditio sine qua non-verband als van voordeel, omdat dezelfde schade (door de verzekeraar én de werkgever) wordt vergoed. Nu vaststaat dat er een bedrag van € 5.708,06 aan sommenverzekering reeds is uitgekeerd, dient dit bedrag in mindering te komen op het toewijsbare schadebedrag.

 

ECLI:NL:RBROT:2017:6371

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak

18-08-2017

Datum publicatie

19-10-2017

Zaaknummer

4887115

Rechtsgebieden

Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

schadevergoeding ogv 7:658 BW – toepassing voordeelstoerekening

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4887115 \ CV EXPL 16-10754

 

uitspraak: 18 augustus 2017

 

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

wonende te [plaatsnaam],

eiser bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2016,

gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

 

tegen

 

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Johann Rohrer Netherlands B.V.,

gevestigd te Beverwijk, kantoorhoudende te Stellendam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. van Gastel te Hellevoetsluis.

 

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “Rohrer”.

1

Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

het vonnis van 11 november 2016 en de daarin genoemde processtukken;

de brief van 23 december 2016 van [eiser], met producties;

het proces-verbaal van de op 10 januari 2017 gehouden comparitie van partijen;

de brief van 13 januari 2017 van [eiser], met één productie;

de conclusie na comparitie, tevens akte houdende wijziging en vermeerdering van eis, met producties;

de conclusie na comparitie, tevens bezwaar vermeerdering eis, met producties;

de akte houdende uitlating productie.

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

 

2

De gewijzigde vordering

2.1

[eiser] heeft na – wijziging van eis – gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar, Rohrer te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 75.111,00, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te berekenen vanaf 23 december 2016 tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van Rohrer in de proceskosten.

 

2.2

[eiser] heeft aangevoerd dat met het vaststellen van de aansprakelijkheid van Rohrer in het tussenvonnis het voornaamste deel van de vorderingen van [eiser] is toegewezen, zodat Rohrer in de proceskosten dient te worden veroordeeld. [eiser] vordert thans geen bevoorschotting en verwijzing naar de schadestaat meer, maar een schadevergoeding zoals begroot in de schade-inventarisatie van 23 december 2016:

– Kosten voor behandeling en genezing € 1.388,00

– Kosten voor huishoudelijke hulp € 28.880,00

– Schade wegens verlies zelfredzaamheid € 6.423,00

– Schade wegens verlies van arbeidsvermogen € 11.700,00

– Buitengerechtelijke kosten € 6.349,00

– Immateriële schade € 10.000,00

– Wettelijke rente € 10.371,00

__________

Totaal € 75.111,00

 

3

De verdere beoordeling van de vordering

3.1

Bij vonnis van 11 november 2016 heeft de kantonrechter reeds overwogen dat Rohrer op grond van artikel 7:658 lid 2 BW aansprakelijk is en dat zij de door [eiser] geleden schade aan hem dient te vergoeden.

3.2

Ook heeft de kantonrechter overwogen dat de schade in beginsel concreet dient te worden berekend en dat het inschakelen van een arbeidsdeskundige voor een nader onderzoek dan wel enig ander onderzoek voor de vaststelling van de schade niet noodzakelijk is.

3.3.

De kantonrechter volhardt bij hetgeen zij in voormeld tussenvonnis heeft vastgesteld, overwogen en beslist.

3.4

Ter comparitie van partijen heeft de kantonrechter de schadeposten aan de hand van de schadestaat van [eiser], opgemaakt op 5 december 2012 en aangepast op 29 april 2013, met partijen besproken.

 

3.5

Op de comparitie van partijen heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat het verweer van Rohrer dat de schade door [eiser] onvoldoende is onderbouwd te laat is opgeworpen. Er is sprake van rechtsverwerking. Ten aanzien hiervan overweegt de kantonrechter als volgt.

 

3.6

Uitgangspunt is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtswerking. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Niet gesteld of gebleken is dat er in het onderhavige geval sprake is van dergelijke omstandigheden. Het enkele feit dat Rohrer nooit inhoudelijk tegen de gevorderde schadeposten en de hoogte daarvan heeft geprotesteerd maakt dat niet anders. Het beroep op rechtsverwerking wordt dan ook verworpen.

 

3.7

[eiser] had bij dagvaarding aanvankelijk een voorschot op de schade van

€ 25.000,00 gevorderd, thans vordert hij schadevergoeding zoals begroot in de schade-inventarisatie van 23 december 2016. Deze vermeerdering c.q. wijziging van eis acht de kantonrechter niet in strijd met de goede procesorde, aangezien de begroting van de schadevergoeding reeds bij dagvaarding was overgelegd en de diverse posten ter comparitie van partijen zijn besproken. Rohrer is derhalve niet in haar verdediging geschaad. Het bezwaar van Rohrer tegen de vermeerdering van eis zal dan ook ongegrond worden verklaard. De kantonrechter zal hierna overgaan tot beoordeling van de diverse gevorderde schadeposten.

 

Kosten voor behandeling en genezing 3.8 Hoewel [eiser] niet met nadere stukken de kosten voor behandeling en genezing heeft onderbouwd, acht de kantonrechter het aannemelijk dat [eiser] vanwege het ongeval wel extra kosten voor behandeling en genezing heeft moeten maken. De kantonrechter begroot deze schadepost dan ex aeqeo et bono op € 750,00.

Kosten huishoudelijke hulp 3.9 Uit diverse rapportages blijkt dat [eiser] blijvende beperkingen heeft aan zijn rechterhand door het ongeval. Met name zijn de fijn-motorische handelingen afgenomen. Het is derhalve aannemelijk dat [eiser] de eerste periode na het ongeval geen huishoudelijke werkzaamheden kon verrichten en dat hij hulp nodig had bij zijn eigen verzorging en bij huishoudelijke werkzaamheden.

 

3.10

Dat [eiser] – nadat hij per 23 november 2010 weer fulltime aan het werk is gegaan – nog beperkt is in zijn huishouden, acht de kantonrechter niet aannemelijk. Althans, [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij zijn eigen deel van het huishouden niet meer kon uitvoeren en dat hij tenminste twee uren per week derden heeft moeten inschakelen voor het verlenen van huishoudelijke hulp. De berekening van de toekomstige schade, doorgerekend tot aan het 70ste levensjaar, is eveneens onaannemelijk én zonder enige toelichting, die overigens ontbreekt, onbegrijpelijk.

3.11

Voor de berekening van de schade zal aansluiting worden gezocht bij de Richtlijn Huishoudelijk hulp van de Letselschaderaad. Uitgegaan wordt van een normbedrag van € 120,00, zodat er over de periode 9 augustus 2010 tot 23 november 2010 een bedrag van (15 x 120,00) = € 1.800,00 toewijsbaar is.

Schade wegens verlies zelfredzaamheid

3.12

Dat [eiser] door het ongeval enige beperkingen ondervindt bij werkzaamheden in zijn eigen woning is aannemelijk. [eiser] heeft echter nagelaten aan te geven bij welke specifieke taken hij beperkingen ondervindt en dat hij die betreffende werkzaamheden zonder ongeval zelf zou hebben uitgevoerd.

 

3.13

Ten aanzien van de zelfwerkzaamheid geldt hetzelfde als bij de kosten voor huishoudelijke hulp. Uitgaande van het normbedrag van de Letselschaderaad is een bedrag van € 189,00 (0,7 x normbedrag van € 270,00) over de eerste periode na het ongeval toewijsbaar.

 

Schade wegens verlies van arbeidsvermogen

3.14

Vanaf 23 november 2010 heeft [eiser] weer zijn werkzaamheden als hogedrukspuiter/ machinist opgepakt. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden voor gemiste overuren. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

 

Immateriële schade

3.15

Immateriële schade of smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, (lichamelijk) letsel heeft opgelopen (artikel 6:106 BW). Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel, de aard van de verweten gedraging, de aard van de aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Er is thans sprake van een medische eindsituatie en van blijvend letsel. [eiser] heeft beperkingen aan zijn hand. [eiser] houdt mobiliteitsbeperkingen aan de hand en de vingers waarbij het maken van een vuist en de grijpfunctie beperkt blijven. Ook blijft er sprake van krachtsvermindering van de aangetaste hand. De wijs- en middelvinger kunnen niet volledig buigen en de toppen van deze vingers zijn pijnlijk en gevoelig. [eiser] is overigens rechts dominant. Rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval acht de kantonrechter een smartengeld van € 5.000,00 toewijsbaar.

 

buitengerechtelijke kosten

3.16

[eiser] vordert bij dagvaarding een bedrag van € 6.348,87 aan buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter is van oordeel dat de opgegeven 20 uren aan werkzaamheden van de (voormalige) gemachtigde van [eiser] en het gehanteerde uurtarief niet onredelijk kunnen worden geacht. Dit betekent dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar zijn.

 

het reeds ontvangen bedrag van de verzekeraar – voordeelstoerekening

3.17

Als onweersproken staat vast dat [eiser] uit hoofde van de ongevallenverzekering een bedrag van Rohrer heeft ontvangen. Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van dat bedrag en het antwoord op de vraag of dit bedrag al dan niet in aanmerking komt voor verrekening.

 

3.18

Bij conclusie van antwoord heeft Rohrer stukken overgelegd waaruit blijkt dat [eiser] een bedrag van € 5.708,06 netto van de verzekeraar heeft ontvangen. Rohrer stelt dat zij een collectieve ongevallenverzekering heeft afgesloten en de verzekeringspremie heeft voldaan. Aangezien het hier om een sommenverzekering gaat dient de uitkering te worden verrekend met de schade van [eiser]. [eiser] heeft het standpunt van Rohrer onvoldoende gemotiveerd weersproken. Derhalve zal worden uitgegaan van een bedrag van € 5.708,06 netto en van een uitkering van een sommenverzekering.

 

3.19

In het op 8 juli 2016 gewezen arrest TenneT/ABB (ECLI:NL:HR:2016:1483) formuleert de Hoge Raad een nieuwe maatstaf voor de beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening, zoals neergelegd in artikel 6:100 BW. De nieuwe maatstaf houdt in dat primair moet worden vastgesteld dat er een conditio sine qua non tussen de normschending en de gestelde voordelen bestaat en dat vervolgens aan de hand van de maatstaf van artikel 6:98 BW moet worden beoordeeld of het redelijk is om de voordelen te verrekenen. Volgens de Hoge Raad zijn dus twee stappen nodig om te beoordelen of een beroep op voordeelstoerekening slaagt. Voor verrekening van voordelen en vermindering van de omvang van de schadevergoedingsplicht is in de eerste plaats vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een conditio sine qua non wordt vastgesteld, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Daarna volgt de tweede stap. Niet alle voordelen die in sine qua non-verband met de normschending staan, zijn toerekenbaar. Volgens de Hoge Raad dient het naar de maatstaf van artikel 6:98 BW ook redelijk te zijn dat de desbetreffende voordelen in mindering worden gebracht op de te vergoeden schade. Dit brengt mee dat voordeelstoerekening slechts redelijk is, als het voordeel in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat dit voordeel mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade redelijkerwijs als een gevolg van deze gebeurtenis aan de benadeelde kan worden toegerekend.

 

3.20

Uitgaande van de nieuwe maatstaf die de Hoge Raad hanteert, is de kantonrechter van oordeel dat het beroep op voordeelstoerekening van Rohrer slaagt. [eiser] heeft uit hoofde van de ongevallenverzekering, die Rohrer vrijwillig (onverplicht) heeft afgesloten ten behoeve van haar personeel, een bedrag van € 5.708,06 netto in 2012 ontvangen. Dit bedrag zou [eiser] niet hebben ontvangen, indien er geen bedrijfsongeval zou hebben plaatsgevonden. Thans vordert [eiser] schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW. Dit betekent dat er zowel sprake is van conditio sine qua non-verband als van voordeel, omdat dezelfde schade (door de verzekeraar én de werkgever) wordt vergoed. Nu vaststaat dat er een bedrag van € 5.708,06 aan sommenverzekering reeds aan [eiser] is uitgekeerd, dient dit bedrag in mindering te komen op het toewijsbare schadebedrag.

 

3.21

Uit het vorenstaande volgt dat de kantonrechter de volgende schadebedragen toewijsbaar acht:

 

 

kosten voor behandeling en genezing

€ 750,00

kosten voor huishoudelijke hulp

€ 1.800,00

schade wegens verlies zelfwerkzaamheid

€ 189,00

schade wegens verlies arbeidsvermogen

immateriële schade

€ 5.000,00

buitengerechtelijke kosten

€ 6.348,87

 

 

totaal

€ 14.087,87

voordeelstoerekening

-/- € 5.708,06

 

 

toewijsbare schadebedrag

€ 8.379,81

wettelijke rente

3.22

De kantonrechter is van oordeel dat wettelijke rente over de schade is verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat wettelijke rente over het smartengeld verschuldigd is vanaf het moment van het ongeval en over geleden schade vanaf het moment dat die schade is ontstaan.

 

proceskosten

3.23

Partijen zullen, nu zij over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, worden veroordeeld in de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

 

4

De beslissing

De kantonrechter,

 

veroordeelt Rohrer om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.379,81, te vermeerderen met de wettelijke rente – over het toegekende smartengeld verschuldigd vanaf het moment van het ongeval, over de vergoeding van de overige geleden schade vanaf het moment dat die schade is ontstaan en over de buitengerechtelijke kosten vanaf de dag der dagvaarding;

 

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

821