• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Noord-Holland
  • 20 januari 2016
  • ECLI:NL:RBNHO:2016:966
  • Zaaknummer: C/15/221812 / HA ZA 15-93

Rb: stuiting verjaring door benadeelde geldt ook jegens regresnemer met zelfstandig vorderingsrecht; causaal verband whiplash en ongeval

Whiplash, regres door overheidswerkgever (VOA) voor doorbetaald salaris. 1. Verjaring. In de jurisprudentie is aanvaard dat stuiting door de benadeelde ook de verjaring stuit
t.b.v. de regresnemer krachtens subrogatie. Nu de Hoge Raad ten aanzien van de verjaringstermijn kennelijk geen moeilijk te verklaren verschil wenst te maken tussen regres krachtens subrogatie en regres krachtens zelfstandig recht, is de rechtbank van oordeel dat evenmin een verschil gemaakt dient te worden ten aanzien van de vraag of een stuiting door de getroffene tevens werkt ten behoeve van de regresnemer. 2. Causaal verband. De rechtbank gaat van uit dat benadeelde als gevolg van de achterop aanrijding klachten heeft ondervonden die in elk geval enige tijd tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid. De rechtbank laat de verzekeraar toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat het ongevalsletsel is veroorzaakt door de achterop aanrijding.

ECLI:NL:RBNHO:2016:966

 

 

Instantie Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak 20-01-2016

Datum publicatie30-03-2016

Zaaknummer C/15/221812 / HA ZA 15-93

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Bodemzaak

Eerste aanleg – meervoudig

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

 

letselschade. Stuiting door de getroffene werkt tevens ten behoeve van de regresnemer krachtens eigen recht. Voorhands bewezen dat gezondheidsschade is veroorzaakt door achterop aanrijding.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

 

..vonnis

 

..RECHTBANK NOORD-HOLLAND

 

Afdeling privaatrecht

 

Zittingsplaats Alkmaar

 

MAB/ED/SJ/SV

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/15/221812 / HA ZA 15-93

 

 

 

 

Vonnis van 20 januari 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

de stichting

 

STICHTING [eiseres],

 

gevestigd te Amsterdam ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. J.P. Barth te Amsterdam ,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 [voorletters gedaagde 1] [gedaagde 1] ,

 

 

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

 

2. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

 

ALLIANZ BENELUX N.V.,

 

statutair gevestigd te Brussel, België, gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam, als rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap London Verzekeringen N.V.,

 

gedaagden,

 

advocaat mr. R. A. M. Schram te Haarlem.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden. Gedaagden afzonderlijk zullen worden aangeduid als [gedaagde 1] en London.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaardingen van 21 en 23 januari 2015;

 

de akte indiening producties bij aanbrengen zaak met producties A1 tot en met A7 en B1 tot en met B17;

 

de conclusie van antwoord;

 

het tussenvonnis van 20 mei 2015;

 

het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 22 mei 2008 is [voorletters naam 1] [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als bestuurder van een grijze Toyota Yaris betrokken geweest bij een verkeersongeval op de [straat 1] te [plaats] . Op de rijstrook waar links voorgesorteerd moest worden voor de [straat 2] is [naam 1] terwijl zij als vierde in de rij stilstond voor een rood stoplicht, van achteren aangereden door [gedaagde 1] , die een grijze Kia bestuurde. Tussen partijen is in geschil of [naam 1] daaraan voorafgaand al zelfstandig was gebotst op haar [voorganger] [naam 2] (hierna: [naam 2] ), die een rode Nissan bestuurde. [naam 1] is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht, waar zij is onderzocht en een nacht heeft doorgebracht.

 

 

2.2.

 

Over de toedracht van het ongeval is door [getuige 1] bij de politie verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Toen ik hier reed zag ik dat een grote auto, een jeep achtige [rechtbank: de auto van [gedaagde 1] ], vol in de remmen ging. Ik hoorde de auto slippen en ik zag veel rook van de weg afkomen. Ik zag tevens slipsporen op het wegdek liggen. Ik zag dat de auto’s elkaar raakten en in elkaar schoven Ik zag dat een rode auto hierbij omhoog kwam en op een andere auto lag.(…)”

 

 

 

2.3.

 

[naam 1] heeft bij de politie verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Ik stond nog maar net stil en toen kwam er opeens een klap. Iemand reed vanachter op mij. (…) Het was echt heel plotseling en met grote kracht. Na de klap van achteren zijn twee airbags uit geklapt.”

 

Tijdens een getuigenverhoor op 12 november 2012 bij de rechtbank Rotterdam in het kader van een procedure tussen Menzis – de ziektekostenverzekeraar van [naam 1] – en [gedaagde 1] c.s. heeft [naam 1] verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Toen kwam er plotseling een hele harde klap. (…) Mijn autogordel had ik wel om. Na de botsing heb ik de motor uitgezet, de radio heb ik uitgezet en mijn autogordel heb ik afgedaan. Ik dacht toen nog, ik wil er niet over struikelen bij het uitstappen, niet wetende dat de linkerportier helemaal niet meer open kon. Ook belemmerde de riem mij.”

 

 

 

2.4.

 

[gedaagde 1] heeft bij de politie verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Ik (..) ben toen vol op mijn remmen gaan staan. Ik reed toen denk ik ongeveer 40 kilometer per uur. Helaas kon ik het niet meer beremmen en reed tegen de auto welke voor mij reed.”

 

Tijdens een getuigenverhoor op 13 januari 2013 bij de rechtbank Rotterdam in het kader van de in 2.3. bedoelde procedure heeft [gedaagde 1] verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Ik zag voor mij op de rijbaan een rode auto omhoog komen. Ik schrok daarvan en remde af, maar was te laat, zodat ik op de grijze auto ben gebotst.(…) Ik heb niet zoveel van mijn botsing gezien, wel zag ik dat daardoor de rode auto nog meer omhoog ging.”

 

 

 

2.5.

 

[getuige 2] heeft bij de politie verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Ik hoorde op een gegeven moment een gierende banden. Ik keek hierop naar links en zag een grijze auto vol op zijn voorligger aanrijden. Ik bedoel hiermee het laatste voertuig van de aanrijding, een grijze Kia.”

 

 

 

2.6.

 

[getuige 3] heeft bij de politie verklaard, voor zover hier van belang:

 

“Ik zag dat er recht van mij (…) drie voertuigen stil stonden. Ik zag dat de laatste van deze die een rode Nissan was. Ik zag dat er met hoge snelheid een voertuig aan kwam rijden. (…) hij had wel de kleur grijs. Ik zag en hoorde dat hij met piepende banden aan het remmen was (…). Ik zag dat deze grijze auto achter op deze rode Nissan botste. Ik zag dat de rode Nissan omhoog kwam. Daar achter kwam een MPV aangereden, vermoedelijk een Kia. Deze reed ook hard, maar ik hoorde geen piepende banden. Ik zag dat deze MPV ook niet op tijd kon remmen en botste vervolgens op de grijze auto. Ik zag dat de roden Nissan helemaal werd opgetild.”

 

Tijdens een verhoor op 17 januari 2013 bij de rechtbank Rotterdam in het kader van de in 2.4. bedoelde procedure heeft [getuige 3] verklaard, voor zover hier van belang:

 

“U leest mij mijn verklaring tegenover de politie d.d. 22 mei 2008 voor. Ik blijf bij die verklaring maar ik heb nog wel een opmerking. In de verklaring staat dat ik zou hebben gezien dat de zilvergrijze auto [rechtbank: de auto van [naam 1] ] met hoge snelheid aan kwam rijden. Dat heb ik echter niet gezien, dat is een interpretatie geweest van de politie. Mijn aandacht werd getrokken door heftig remmen. Ik hoorde “bof”, een botsinggeluid. Ik zag een zilvergrijze auto tegen een rode auto (…) aanrijden. Hierdoor ging de rode auto omhoog. De grijze auto dook er als het ware onder. Hierna kwam de donkere MPV aanrijden die tegen de grijze auto aanbotste.”

 

 

 

2.7.

 

De politie heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. In het “Proces-verbaal Opname en interpretatie plaats ongeval” van 10 juli 2008 (hierna: het proces-verbaal), waarin de auto’s van [gedaagde 1] en [naam 1] worden aangeduid als respectievelijk “voertuig 1” en “voertuig 2” en de auto van [naam 2a] als “voertuig 3”, is opgenomen, voor zover hier van belang:

 

“[p.9]Aan de voorzijde van voertuig 1 was ernstige schade ontstaan. (…)

 

[p.10]Wij zagen met betrekking tot het voertuig [2] dat (…) deze gordels strak gespannen stonden langs de B stijl van het voertuig. Door de bestuurder en de daarnaast zittende passagier was ten tijde van het ongeval geen gebruik gemaakt van de (…) autogordel(s) (…)

 

Aan de voor – en achterzijde van voertuig 2 was ernstige schade ontstaan (…)”

 

Op pagina 14 onder “oorzaak, toedracht en gevolg” wordt geconcludeerd:

 

“Door de bestuurster van voertuig 1 werd een aanrijding veroorzaakt met voertuig 2. De bestuurster van voertuig 1 was niet in staat om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. De bestuurster van voertuig 1 raakte met de voorzijde van haar voertuig de achterzijde van voertuig 2. Hierdoor ontstond een ernstige schade en ernstige vervorming van voertuig 2. Door deze aanrijding werd voertuig 2 met grote kracht vooruit gedrukt en kwam voertuig 2 met de voorzijde tegen de achterzijde van voertuig 3 aan. Hierdoor werd voertuig 3 omhoog gedrukt en kwam voertuig 3 boven op voertuig 2 terecht. (…)”

 

 

 

2.8.

 

Uit het huisartsjournaal blijkt dat [naam 1] op 30 augustus 2008 de huisarts heeft bezocht. Bij die datum is opgenomen, voor zover hier van belang:

 

“Diagnose: Hersenschudding

 

S heeft zwaar auto-ongeval gehad 1 wk geleden. In het ZH onderzocht, geen grote dingen. Nu licht in het hoofd, en last van licht en geluid. Rugpijn en pijn aan de ribben. (…)

 

O nekbewegingen in orde. Rug in orde. (…)”

 

Op 20 juni 2008 schrijft de huisarts in het huisartsjournaal:

 

“Last van evenwichtsproblemen, verder met horen en zien overprikkelbaarheid. (…)”

 

Op 8 augustus 2008 schrijft de huisarts in het huisartsjournaal:

 

“Probleem met prikkelverwerking, verhoogd prikkelbaar, dagelijks hoofdpijn direct gerelateerd met prikkels, snel duizelig. Was voor ongeval ook al wel verhoogd gevoelig. (…)”

 

Op 15 september 2008 schrijft de huisarts in het huisartsjournaal:

 

“Sinds vorige bezoek pijn in nek. (…)”

 

 

 

2.9.

 

[naam 1] is behandeld door een fysiotherapeut, die in een brief van 16 december 2008 schrijft:

 

“Mw [naam 1] kwam in juni 2008 bij mij met whiplash-achtige klachten na een auto-ongeluk op 22 mei 2008. Zij had evenwichtsproblemen bij lopen, concentratieproblemen, moeite met harde/veel geluiden, gauw moe, duizelig, pijn in de linker schouder en nek”

 

 

 

2.10.

 

In september 2008 heeft [naam 1] revalidatiearts [naam RA] bezocht met persisterende klachten na een achterop aanrijding. Er was sprake van prikkelbaarheid, hoofdpijn, concentratiestoornissen en geheugenstoornissen. Ook was er sprake van een stijve nek. Zondervan schrijft onder meer:

 

“ik heb gegevens opgevraagd uit het Waterland Ziekenhuis. Daarbij bleek bij nadere diagnostiek dat er geen inwendige letsels of fracturen weden vastgesteld (…) wel wat degeneratieve afwijkingen (…). “

 

 

 

2.11.

 

Op 30 november 2009 schrijft de huisarts in het huisartsjournaal:

 

“Last heup links sinds een jaar plotseling erin geschoten daarna op en af, progressief.”

 

Uit het huisartsjournaal blijkt voorts dat [naam 1] de huisarts in januari 2010 een aantal keren heeft bezocht in verband met schouderklachten na een val. De huisarts schrijft: “Mw is op 6-1 gevallen door de gladheid.”

 

Bij 31 januari 2011 staat in het huisartsjournaal: “in rugslag tegen muur zwembad gezwommen, whiplash”

 

 

 

2.12.

 

Op 28 mei 2010 schrijft orthopedisch chirurg dr. [naam chirurg] :

 

“Op 20-05-2010 zag ik mevrouw [naam 1] op de polikliniek orthopedie.

 

Anamnese: twee jaar geleden heeft patiënt een kop-staart botsing gehad en vanaf die tijd heeft zij pijn in de linker heup. De pijn neemt toe. (…) In januari 2010 is patiënte gevallen en heeft daarbij een gekneusde rechter schouder opgelopen. Ze heeft veel met links gehad en ze heeft nu pijn in de linker schouder.

 

(…)

 

Röntgenonderzoek: x-bekken, linker heup: sclerose gewrichtsspleetversmalling en cystevorming.

 

Diagnose: coaxarthrose links, status na contusie van de schouder.

 

(…)”

 

 

 

2.13.

[naam 1] die ten tijde van de achterop aanrijding in dienst was bij [eiseres] , heeft zich na het ongeval ziek gemeld. Zij heeft later getracht haar werkzaamheden te hervatten maar is na gedeeltelijke hervatting volledig uitgevallen. [eiseres] heeft haar salaris doorbetaald van 22 mei 2008 tot 1 maart 2012, toen [naam 1] uit dienst getreden is.

 

 

2.14.

Bij brief van 13 juli 2009 heeft de advocaat van [naam 1] London verzocht over te gaan tot vergoeding van de schade van [naam 1] als gevolg van de achterop aanrijding.

 

 

2.15.

[eiseres] heeft [gedaagde 1] aansprakelijk gesteld bij brief van 5 april 2012.

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt:

 

1.tot betaling van € 113.230,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de respectieve loonbetalingen telkens werden uitgevoerd tot aan de dag van algehele betaling;

 

 

2.tot betaling van € 20.328,00, althans € 3.686,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling;

 

 

3.in de proceskosten.

 

 

3.2.

[eiseres] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde 1] aansprakelijk is voor de schade als gevolg van de aanrijding met [naam 1] op 22 mei 2008. [naam 1] is daardoor arbeidsongeschikt geworden. [eiseres] , die over de periode van 22 mei 2008 tot 1 maart 2012 het loon van [naam 1] tijdens haar arbeidsongeschiktheid heeft doorbetaald, wenst deze loonbetalingen op [gedaagde 1] c.s. te verhalen ingevolge artikel 2 van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (VOA).

 

 

3.3.

[gedaagde 1] c.s. voeren verweer.

 

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

Verjaring

 

4.1.

[gedaagde 1] c.s. voeren als meest verstrekkende verweer dat de vordering van [eiseres] is verjaard. De stelling van [eiseres] dat met de brief van 13 juli 2009 van de advocaat van [naam 1] aan de advocaat van [gedaagde 1] c.s. ook de verjaring van de vordering van [eiseres] is gestuit, snijdt volgens [gedaagde 1] c.s. geen hout, nu sprake is van regres krachtens eigen recht. De rechtbank beoordeelt het verjaringsverweer als volgt.

 

 

4.2.

 

De vordering van [eiseres] berust op een eigen recht krachtens artikel 2 van de VOA. Ingevolge artikel 3 van de VOA geldt daarvoor het civiele plafond; degene die wordt aangesproken is tegenover het verhalend lichaam niet gehouden een hoger bedrag te betalen dan hij zou hebben moeten betalen indien hij door de getroffene tot schadevergoeding was aangesproken. De Hoge Raad heeft in het arrest van 1 april 2005 (RvdW 2005, 50) overwogen dat het strookt met dit civiele plafond om aan te nemen dat een aansprakelijke persoon zich jegens het verhalend lichaam erop kan beroepen dat het niet een rechtsvordering kan instellen die reeds zou zijn verjaard, zo deze niet door dit lichaam maar door de getroffene zelf zou zijn ingesteld. Dit wordt volgens de Hoge Raad mede hierdoor gerechtvaardigd dat aldus geen moeilijk te verklaren verschil bestaat met de situatie waarin regres plaatsvindt krachtens subrogatie.

 

In de jurisprudentie is aanvaard dat een stuiting door de getroffene ook de verjaring stuit

ten behoeve van de regresnemer krachtens subrogatie, die immers in de rechten van de getroffene treedt. Nu de Hoge Raad ten aanzien van de verjaringstermijn kennelijk geen moeilijk te verklaren verschil wenst te maken tussen regres krachtens subrogatie en regres krachtens zelfstandig recht, is de rechtbank van oordeel dat evenmin een verschil gemaakt dient te worden ten aanzien van de vraag of een stuiting door de getroffene tevens werkt ten behoeve van de regresnemer. De rechtbank acht daarbij van belang dat [gedaagde 1] c.s. er na de stuiting door [naam 1] op moesten rekenen dat zij voor de schade van [naam 1] zouden worden aangesproken, zodat aan de ratio van stuiting is voldaan. Daaraan doet geen afbreuk dat voor [naam 1] een krachtens eigen recht opererend verhalend lichaam in de plaats is getreden. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [naam 1] bij brief van 13 juli 2009 de verjaring jegens [gedaagde 1] c.s. heeft gestuit, is daarmee ook de verjaring van de vordering van [eiseres] gestuit. Vervolgens heeft, zo is tussen partijen evenmin in geschil, [eiseres] de verjaring van haar vordering op [gedaagde 1] gestuit bij brief van 5 april 2012. Daarmee is krachtens artikel 10, vierde lid, van de Wet aansprakelijkheid motorrijtuigen (WAM) tevens de verjaring van de vordering van [eiseres] op London gestuit. Het verjaringsverweer van [gedaagde 1] c.s. faalt derhalve.

 

 

 

 

Causaal verband

 

 

 

4.3.

[gedaagde 1] c.s. erkennen dat er een achterop aanrijding tussen [gedaagde 1] en [naam 1] heeft plaatsgevonden, voor de schade als gevolg waarvan zij aansprakelijk zijn, maar betwisten het bestaan van causaal verband tussen deze aanrijding en de gestelde gezondheidsschade van [naam 1] . Volgens [gedaagde 1] c.s. heeft er vóór de achterop aanrijding een eerdere aanrijding plaatsgevonden, waarbij [naam 1] op haar voorganger is gebotst. Nu gemotiveerd wordt betwist dat de schade is toe te schrijven aan de achterop aanrijding, is er volgens hen geen aanleiding de omkeringsregel toe te passen en dient [eiseres] volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te bewijzen dat de gestelde schade het gevolg is van de achterop aanrijding.

 

 

4.4.

Volgens [eiseres] bestaat wel degelijk causaal verband tussen de achterop aanrijding en de gezondheidsschade van [naam 1] . De auto van [gedaagde 1] is met aanzienlijke snelheid tegen de auto van [naam 1] gereden; de schade aan de voorzijde van de auto van [gedaagde 1] was zodanig dat deze technisch total loss was. Dat er een eerdere botsing zou hebben plaatsgevonden staat geenszins vast, laat staan dat duidelijk is welke betekenis die eventuele eerste botsing in de keten van gebeurtenissen zou moeten toekomen. [eiseres] wijst op de rapportages van [voorletters deskundige] [achternaam deskundige] , verkeersongevallendeskundige bij bureau [achternaam deskundige] Verkeers Ongevallen Analyse, waarin wordt geconcludeerd dat de KIA van [gedaagde 1] op de Toyota van [naam 1] is gebotst, waarna beide voertuigen als één contacthoudend systeem naar voren bewogen en als één systeem tegen de Nissan van [naam 2a] botsten. Twijfel zaaien omtrent de toedracht van het ongeval is niet genoeg; op basis van de omkeringsregel wordt causaal verband aangenomen tenzij [gedaagde 1] c.s. aannemelijk maakt dat de schade ook zonder de achterop aanrijding zou zijn ontstaan, aldus [eiseres] .

 

 

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat aan de vaststaande feiten het voorshands bewijs is te ontlenen dat het ongevalsgerelateerde letsel bij [naam 1] is veroorzaakt door de achterop aanrijding door [gedaagde 1] . Niet in geschil is dat deze aanrijding een behoorlijke impact heeft gehad. Ter zitting is namens [eiseres] erkend dat sprake is geweest van een flinke klap en dit volgt ook uit verschillende getuigenverklaringen. [gedaagde 1] zelf heeft verklaard dat zij kwam aanrijden met een snelheid van ongeveer 40 km per uur en getuigen [getuigen 1 en 2] en hebben de KIA van [gedaagde 1] met gierende banden horen remmen en vol zien inrijden op de Toyota van [naam 1] . Onbetwist is ook dat de voorkant van de KIA en de achterkant van de Toyota een zodanig schadebeeld vertoonden dat sprake moet zijn geweest van een botsing met flinke impact. Daarentegen is uit de vaststaande feiten niet af te leiden dat vóór de achterop aanrijding een aanrijding heeft plaatsgevonden met een dermate grote impact dat in de rede ligt dat het gestelde letsel daar het gevolg van is geweest. De rechtbank wijst er in dat kader op dat de getuige Limonard tijdens het getuigenverhoor bij de rechtbank Rotterdam weliswaar heeft aangegeven dat er een eerdere botsing is geweest, maar dat hij niet heeft gezien dat de Toyota van [naam 1] daarbij met hoge snelheid kwam aanrijden.

 

 

4.6.

Gelet op het voorgaande is het aan [gedaagde 1] c.s. om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat het ongevalsletsel van [naam 1] is veroorzaakt door de achterop aanrijding door [gedaagde 1] . Zij zullen daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

 

 

4.7.

 

Indien [gedaagde 1] c.s. erin slagen te ontkrachten dat het ongevalsletsel van [naam 1] is veroorzaakt door de achterop aanrijding door [gedaagde 1] , zal de vordering worden afgewezen. De rechtbank overweegt alvast dat zij geen aanleiding ziet het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid toe te passen indien onduidelijk blijft waardoor het ongevalsletsel is ontstaan. Dit leerstuk dient volgens vaste jurisprudentie terughoudend te worden toegepast en toepassing ligt in dit geval, waarin sprake is van een vordering van een verhalend lichaam, niet in de rede. Gerede twijfel over het causaal verband zal dan ook voor rekening van [eiseres] moeten blijven.

 

Indien [gedaagde 1] c.s. er niet in slagen te ontkrachten dat het ongevalsletsel van [naam 1] is veroorzaakt door de achterop aanrijding door [gedaagde 1] , zal moeten worden beoordeeld of en zo ja in hoeverre de gestelde schade voor vergoeding door [gedaagde 1] c.s. in aanmerking komt. Voor dat geval overweegt de rechtbank alvast als volgt.

 

 

 

 

Schade

 

 

 

4.8.

[eiseres] stelt dat [naam 1] ten gevolge van het ongeval “ernstig traumatisch hersenletsel/whiplash” heeft opgelopen en daardoor volledig arbeidsongeschikt is geworden. Ter onderbouwing hiervan heeft zij gewezen op de medische stukken die zich bevinden bij de producties B1 tot en met B17; het procesdossier van de zaak tussen Menzis

en London. Ook de heupklachten die hebben geleid tot de vervanging van de linkerheup in 2010 zijn volgens [eiseres] ongevalsgerelateerd.

 

 

4.9.

[gedaagde 1] c.s. hebben de door [eiseres] gestelde schade betwist. Er is geen arts die heeft vastgesteld dat [naam 1] als gevolg van het ongeval hersenletsel heeft opgelopen en bij de huisarts heeft [naam 1] pas eind augustus 2008, drie maanden na het ongeval, voor het eerst over nekklachten geklaagd. Uit de medische informatie blijkt wel dat [naam 1] ernstige heupklachten heeft, maar deze zijn veroorzaakt door coxartrose, versmalling, cystevorming en sclerose en hebben niets met het ongeval te maken. Ook is [naam 1] in 2010 gevallen met arm/schouderklachten tot gevolg en is zij in januari 2011 tegen de muur van een zwembad gezwommen. Er zijn na het ongeval dus diverse ongevalsvreemde aandoeningen bij [naam 1] geconstateerd. Alles overziende zijn [gedaagde 1] c.s. van mening dat causaal verband tussen de gestelde klachten en de achterop aanrijding ontbreekt en – voor het geval dit causale verband wel zou worden aangenomen – dat evenmin vaststaat dat deze klachten leiden tot beperkingen die leiden tot volledige arbeidsongeschiktheid.

 

 

4.10.

De rechtbank stelt aan de hand van de medische stukken die in het geding zijn gebracht (en waarvan de relevante inhoud is opgenomen in 2.8. tot en met 2.12.) vast dat [naam 1] na de achterop aanrijding naar het ziekenhuis is gebracht en aldaar is behandeld en dat zij (in elk geval) op 30 mei 2008, 20 juni 2008, 18 augustus 2008 en 15 september 2008 de huisarts heeft bezocht met klachten naar aanleiding van het ongeval. Vanaf juni 2008 is [naam 1] behandeld door een fysiotherapeut in verband met “whiplash-achtige klachten”. Zij is verwezen naar revalidatiearts [naam RA] in verband met haar klachten, die haar heeft aangemeld voor revalidatiedagbehandeling. Niet in geschil is voorts dat [naam 1] zich direct na het ongeval ziek heeft gemeld en na een re-integratiepoging niet meer aan het werk is gegaan.

 

 

4.11.

De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat [naam 1] als gevolg van de achterop aanrijding klachten heeft ondervonden die in elk geval enige tijd tot arbeidsongeschiktheid hebben geleid. Of de klachten zodanig waren dat de arbeidsongeschiktheid over de gehele periode waarin [eiseres] haar salaris heeft doorbetaald, aan de aanrijding kan worden toegeschreven, kan de rechtbank aan de hand van de beschikbare medische stukken niet vaststellen. Onder meer staat onvoldoende vast welke in de loop van de tijd door [naam 1] gepresenteerde klachten aan de achterop aanrijding zijn toe te schrijven, of deze klachten tot beperkingen hebben geleid en zo ja, tot welke, en of deze beperkingen hebben geleid tot volledige arbeidsongeschiktheid. Naar het zich laat aanzien zal daarnaar deskundigenonderzoek moeten worden verricht, waarschijnlijk eerst door een neuroloog en mogelijk, afhankelijk van zijn/haar bevindingen, door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Daarbij zal ook de vraag aan de orde zijn of de val in 2010 en het zwemmen tegen een zwembadmuur hebben geleid tot een (blijvende) toename van beperkingen. [eiseres] heeft gesteld dat ook de gevolgen van de val in 2010 aan de aanrijding moeten worden toegerekend, omdat [naam 1] is gevallen als gevolg van heupklachten die door deze aanrijding zijn veroorzaakt, maar daaraan gaat de rechtbank voorbij. Blijkens het huisartsjournaal is [naam 1] in 2010 gevallen als gevolg van gladheid en voor de stelling dat de heupklachten rechtstreeks verband houden met de achterop aanrijding is in de gedingstukken onvoldoende steun te vinden. Dat [naam 1] zelf bij de orthopedisch chirurg aangeeft dat de klachten na de achterop aanrijding zijn ontstaan, is daarvoor onvoldoende. De klachten zijn blijkens de medische bevindingen terug te voeren op slijtage van het heupgewricht en blijkens het huisartsenjournaal bovendien niet kort na het ongeval ontstaan. Dat de klachten door de aanrijding kunnen zijn “getriggerd”, zoals [eiseres] ter zitting heeft gesteld, blijkt niet uit de overgelegde stukken en is ook overigens onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat ze ongevalsgerelateerd zijn. Deze klachten en de eventueel daaruit voortvloeiende beperkingen zullen naar voorlopig oordeel van de rechtbank bij de vaststelling van de schade dus buiten beschouwing moeten blijven. Dit betekent in elk geval dat de loonbetalingen die [eiseres] heeft verricht in de periode dat [naam 1] door de heupoperatie in september 2010 en het herstel daarvan niet heeft kunnen werken, niet voor vergoeding in aanmerking komen.

 

 

4.12.

Aan het verweer van [gedaagde 1] c.s. dat [naam 1] na 22 mei 2008 nog een periode werkzaamheden heeft verricht, zodat in elk geval over die periode geen sprake kan zijn van verhaal, gaat de rechtbank voorbij. [eiseres] heeft genoegzaam toegelicht dat [naam 1] uitsluitend op basis van arbeidstherapie werkzaamheden heeft verricht in het kader van haar re-integratie, zodat aan haar werkzaamheden geen loonwaarde was toe te kennen.

 

 

 

Eigen schuld

 

 

 

4.13.

[gedaagde 1] c.s. betogen dat er aanleiding is de vergoedingsplicht te verminderen wegens eigen schuld van [naam 1] nu zij tijdens de achterop aanrijding geen autogordel droeg. [eiseres] heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt dat de stelling van [gedaagde 1] c.s. is gebaseerd op de opmerking in het proces-verbaal dat [naam 1] ten tijde van het ongeval geen gebruik had gemaakt van de autogordel omdat de autogordel na het ongeval strak gespannen stond langs de B-stijl van haar auto. [naam 1] heeft als getuige bij de rechtbank Rotterdam gemotiveerd verklaard wel degelijk een autogordel te hebben gedragen. In de door [eiseres] in het geding gebrachte rapportage van 18 december 2014 van [voorletters deskundige] [achternaam deskundige] wordt aan de hand van de foto’s van de auto van [naam 1] bij het proces-verbaal geconcludeerd dat de gordel niet strak, maar bol langs de stijl hangt, in tegenstelling tot de gordel aan de passagierszijde. Deze situatie past volgens [achternaam deskundige] bij de verklaring van [naam 1] dat zij de gordel heeft gedragen en deze na de aanrijding zelf heeft losgemaakt. Hiertegen hebben [gedaagde 1] c.s. onvoldoende ingebracht. Reeds om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de vergoedingsplicht van [eiseres] te beperken in verband met eigen schuld van [naam 1] . Daarbij komt dat het verband tussen het niet dragen van een autogordel en de gestelde schade bij een achterop aanrijding niet zonder meer valt in te zien.

 

 

4.14.

[gedaagde 1] c.s. hebben zich er verder op beroepen dat [eiseres] de schadebeperkingsplicht heeft geschonden door het loon van [naam 1] langer door te betalen dan twee jaar, terwijl zij daartoe wettelijk niet gehouden was. Dit verweer slaagt niet. Een werkgever is weliswaar niet steeds gehouden een werknemer na twee jaar arbeidsongeschiktheid in dienst te houden, maar is evenmin verplicht deze werknemer te ontslaan. Het voert te ver om van een werkgever in het kader van de schadebeperkingsplicht te verwachten dat hij een werknemer bij arbeidsongeschiktheid ontslaat zodra daartoe wettelijk gezien de mogelijkheid bestaat. Er kunnen allerlei redenen zijn voor een werkgever om een arbeidsongeschikte werknemer langer in dienst te houden dan wettelijk vereist, onder meer op grond van normen van goed werkgeverschap of in verband met het verloop van de re-integratie. [eiseres] heeft toegelicht dat wel is gepoogd de aanstelling van [naam 1] op een eerder moment dan met ingang van 1 maart 2012 te beëindigen, maar dat dit ontslagbesluit is teruggedraaid na een door [naam 1] ingediend bezwaarschrift. Daaraan lag onder meer ten grondslag dat [naam 1] per 1 maart 2012 de pre-pensioenleeftijd zou halen; een belangenafweging is daarom uitgevallen in het voordeel van [naam 1] . Dat [eiseres] daarmee de schadebeperkingsplicht heeft geschonden, valt niet in te zien. Bovendien zouden [gedaagde 1] c.s. , als zij aansprakelijk zijn voor de inkomensschade van [naam 1] ook na een eventueel ontslag haar inkomensschade moeten dragen, zij het dat die dan niet door [eiseres] zou kunnen worden gevorderd.

 

 

 

Slotsom

 

 

 

4.15.

De rechtbank zal [gedaagde 1] c.s. toelaten tot bewijslevering. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Vanzelfsprekend staat het partijen vrij om naar aanleiding van het hetgeen in dit vonnis is overwogen (nogmaals) met elkaar in onderhandeling te treden om te bezien of een schikking tot de mogelijkheden behoort.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

laat [gedaagde 1] c.s. toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat het ongevalsletsel van [naam 1] is veroorzaakt door de achterop aanrijding door [gedaagde 1] ,

 

 

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 februari 2016 voor uitlating door [gedaagde 1] c.s. of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

 

 

5.3.

bepaalt dat [gedaagde 1] c.s., indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

 

 

5.4.

bepaalt dat [gedaagde 1] c.s., indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2016 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

 

 

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. M. A. J. Berkers in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan Kruseman van Eltenweg 2,

 

 

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

 

 

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Jongkind-Jonker, mr. M. A. J. Berkers en mr. E. Deen en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2016.