• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • 12 juli 2017
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:4885
  • Zaaknummer: 13/706327-17

Rb, strafzaak: bezitter hond heeft schuld aan bijten van jong meisje

De buurvrouw wist dat de hond niet gesocialiseerd was en opgepast moest worden met kinderen. Toch heeft zij hem onaangelijnd en zonder muilkorf in de niet openbare tuin die niet volledig afgesloten was laten lopen. Het is aan haar schuld te wijten dat de hond het kind beet. Strafoplegging 180 uur onbetaalde arbeid waarvan 60 uur voorwaardelijk. De rechter wijst € 7000 immateriële schade toe. De vordering voor toekomstige schade is niet ontvankelijk nu de verschuldigdheid en de omvang van deze kosten omgeven zijn met teveel onzekerheden en er bovendien nog geen sprake is van een medische en psychische eindtoestand bij de benadeelde partij.

Instantie Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak 12-07-2017
Datum publicatie 12-07-2017
Zaaknummer 13/706327-17
Rechtsgebieden Strafrecht
Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie Kind gebeten door hond. Zwaar lichamelijk letsel door schuld. Taakstraf. Shockschade.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl
Uitspraak RECHTBANK AMSTERDAM
VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/706327-17

Datum uitspraak: 12 juli 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij en van wat verdachte en haar raadsman, mr. J. Biemond, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de schriftelijke vorderingen benadeelde partij van [vader slachtoffer] en [slachtoffer] en van de toelichting die mr. A.J.J.G. Schijns daarop ter terechtzitting heeft gegeven.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 31 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig
– de onder haar, verdachtes, gezag staande hond [naam hond] (ras Amerikaanse Staffordshire Terrier), onvoldoende onder controle heeft gehad/gehouden, waardoor, althans mede waardoor haar hond in het gezicht van [slachtoffer] heeft kunnen bijten en/of heeft gebeten,
– immers heeft zij haar hond [naam hond] onaangelijnd en ongemuilkorfd op een openbare plaats heeft laten verblijven,
– terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde hond zonder strikte begeleiding en/of controle een gevaar voor de omgeving, met name kinderen, vormt, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten littekens (ten gevolge van bijtwonden) in het gezicht, althans in/op het lichaam, heeft bekomen;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 31 juli 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, geen voldoende zorg heeft gedragen voor het onschadelijk houden van (een) onder haar hoede staande gevaarlijk(e) dier(en), te weten een hond [naam hond] (ras Amerikaanse Staffordshire Terrier), immers heeft voornoemde hond [slachtoffer] meermalen met kracht gebeten en aangevallen, terwijl verdachte voornoemde hond onaangelijnd en ongemuilkorfd op een openbare plaats heeft laten verblijven, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat voornoemde hond zonder strikte begeleiding en/of controle een gevaar voor de omgeving, met name kinderen, vormt.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1. Feiten en omstandigheden

Op zondag 31 juli 2016 is de zesjarige [slachtoffer] gebeten door “ [naam hond] ”, de hond van haar buurvrouw (hierna: verdachte). Het bijtincident vond plaats in de kijktuin behorend bij het appartementencomplex van verdachte. [slachtoffer] heeft bij het bijtincident letsel bekomen, te weten: uitgebreide wonden in het gelaat en op het oor, het hoofd en de hand. Een wond in de neus is zeer diep. Daarnaast is het linker neusbot voor een deel gebroken. Dit kan niet worden teruggeplaatst. Mogelijk zal er in de toekomst een correctie kunnen plaatsvinden. Tevens is de traanbuis bij het oog links aangedaan en is er een verdenking van zenuwletsel van een tak van de gezichtszenuw. [slachtoffer] heeft – mogelijk blijvende – littekens in het gezicht.

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat zij op 31 juli 2016 met [naam hond] in de kijktuin aan het oefenen was. Ze had [naam hond] 17 dagen daarvoor uit het asiel gehaald. Ze is met [naam hond] naar de kijktuin gegaan, omdat zij het te druk vond om naar het park te gaan. [naam hond] was niet aangelijnd. Ze dacht [naam hond] veilig los te kunnen laten, omdat de kijktuin afgesloten is. Ze heeft nog wel gekeken of ze alleen in de tuin was, zo heeft ze verklaard. Ze zag dat [slachtoffer] met haar fietsje bij het hek stond. Ze stond vervolgens met haar rug naar het hek toe en had geen zicht meer op [slachtoffer] . Op enig moment stond [slachtoffer] in de kijktuin. [naam hond] rende vervolgens naar [slachtoffer] toe, sprong op haar en pakte haar bij haar haren. Verdachte is op [slachtoffer] gaan liggen om haar te beschermen. Ze heeft geprobeerd om [naam hond] van [slachtoffer] af te halen, maar zij kreeg hem niet los. Zij heeft verklaard dat daarbij de halsband van [naam hond] is losgeschoten. Ze heeft toen hard om hulp geroepen. Een buurman heeft vervolgens door het hek heen de poten van [naam hond] vastgepakt, waarna [slachtoffer] kon weg rennen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het aan verdachtes schuld te wijten is dat haar hond [slachtoffer] in het gezicht heeft gebeten.
4.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat het aan de schuld van verdachte is te wijten dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, zoals dat primair ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat [naam hond] gevaarlijk kon zijn voor kinderen. Zij heeft er desondanks bewust voor gekozen om [naam hond] onaangelijnd en ongemuilkorfd in de kijktuin te laten loslopen. Het feit dat er op dat moment niemand was wil niet zeggen dat er niemand – een kind, een volwassene – kon komen. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig gehandeld, aldus de officier van justitie.

4.3. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld – overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota – dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd – kort samengevat – dat pas achteraf is vastgesteld dat [naam hond] gevaarlijk was, maar dat niemand dat vooraf had kunnen en moeten weten. Het gevaar dat [naam hond] met zich meebracht was al helemaal niet bij verdachte bekend. Een aanlijn- of muilkorfplicht bestond niet ten aanzien van [naam hond] .
Zelfs als verdachte wel besefte dat er sprake was van enig gevaar, dan nog heeft zij op 31 juli 2016 er alles aan gedaan om dat gevaar af te wenden. De tuin waarin zij met [naam hond] is gaan spelen betreft immers een zogenaamde kijktuin. Om de tuin staat een hek van ongeveer twee meter hoog. In de kijktuin mochten slechts bewoners komen die van de woningbouwvereniging toestemming hadden gekregen om de kijktuin – wegens werkzaamheden – te betreden. Zij kregen in dat geval de sleutel van het toegangshek. Buiten die gevallen is het toegangshek altijd op slot. Verdachte had daarentegen wel toestemming om met haar honden in de kijktuin te spelen. De kijktuin kan aldus niet worden aangemerkt als ‘openbare plaats’.
Er rekening mee houdend dat verdachte [naam hond] pas ruim twee weken in huis had en verdachte [naam hond] dus nog moest leren kennen, en verdachte wel wist dat [naam hond] nog niet met andere honden kon omgaan, was de kijktuin de ideale plek om veilig met [naam hond] te spelen. Verdachte waande zich volledig veilig en heeft geen onaanvaardbaar risico genomen. Op enig moment is [slachtoffer] in de kijktuin gekomen, zonder dat verdachte er erg in had. Achteraf is gebleken dat zij vanwege haar postuur door twee iets verbogen stijlen van het hek kon komen. Verdachte was hiervan niet op de hoogte. Verdachte valt dus geen enkel verwijt te maken.

4.4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een onaanvaardbaar risico heeft genomen, door de hond onaangelijnd in de kijktuin te laten lopen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In beginsel was het niet toegestaan om in de kijktuin te komen, behalve wanneer men toestemming had. De kijktuin kan in zoverre niet als een ‘openbare ruimte’ worden beschouwd. Echter, niet gezegd kan worden dat verdachte helemaal geen andere mensen in de tuin hoefde te verwachten. Het betrof immers niet een tuin die enkel door verdachte kon worden gebruikt en waarbij de mogelijkheid dat andere mensen zich in de tuin zouden bevinden enkel van de wil van verdachte afhankelijk was, zoals dat wel het geval zou zijn als het zou gaan om haar privétuin. Bovendien is op de foto’s in het dossier te zien dat de omheining met de aangrenzende tuinen van de benedenwoningen zodanig laag is, dat de kijktuin ook via deze aangrenzende tuinen zonder al te veel moeite kan worden betreden. Verdachte heeft ook verklaard dat zij vanuit haar eigen achtertuin in de kijktuin kon komen. Zij had daarvoor naar eigen zeggen toestemming; niet staat vast dat dit niet evenzeer voor andere omwonenden gold. De kijktuin is bovendien niet zodanig omheind met hekken dat het onmogelijk zou zijn voor (kleine) kinderen om tussen de spijlen van de hekken door te gaan. Er bestond daarom een risico dat andere mensen dan verdachte zich op enig moment in de kijktuin zouden bevinden.

De rechtbank overweegt verder dat verdachte zich er kennelijk van bewust was dat [naam hond] in ieder geval niet ongevaarlijk was en dat [naam hond] de nodige training behoefde voordat hij volledig gesocialiseerd en volledig onder controle zou zijn. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Uit het medische dossier van [naam hond] van 29 december 2015, waarover verdachte volgens haar verklaring ter terechtzitting beschikte, blijkt het volgende. De hond is in het asiel gekomen nadat hij in beslag was genomen wegens ‘onthouding zorg’ en ‘mishandeling’. In dit document is verder het volgende te lezen: “ [naam hond] kan naar kleine honden jachtgedrag laten zien en daarom kan hij niet loslopen. [naam hond] heeft in het asiel de basiscommando’s geleerd, hetgeen best goed (ging), maar dat is afhankelijk van de begeleider. Na herplaatsing moet met [naam hond] worden getraind om hem verder te leren hoe hij zich dient te gedragen en om hem te leren luisteren”. Genoemd medisch dossier eindigt met de zin: “naar jonge kinderen is…..”.
Verdachte heeft over [naam hond] verklaard dat zij heeft begrepen dat de hond één jaar in het asiel heeft gezeten, dat de hond niet goed gesocialiseerd was en dat de hond niet goed met kinderen en andere honden kon omgaan. Ze heeft de hond dan ook niet zomaar meegekregen. Ze moest eerst twee keer met de hond lopen in het bijzijn van een medewerker van het asiel en ze heeft een vragenlijst moeten invullen. Daarnaast wist ze dat de hond in openbare ruimtes aangelijnd moest zijn. Verdachte heeft voorts verklaard dat zich weleens situaties voordeden waarbij kinderen met de hond wilden spelen en dat zij dan uitlegde dat zij dat niet wilde omdat zij de hond pas net had en omdat kinderen onvoorspelbaar kunnen zijn.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verdachte onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen om bijtincidenten te voorkomen, terwijl zij dit wel had moeten doen. Niet alleen bestond daar aanleiding toe op basis van de bij verdachte bekende informatie. Verdachte beschikte bovendien niet over een volledig medisch dossier, gelet op de genoemde onvolledige laatste regel die gaat over kinderen, en zij heeft kennelijk niet de rest van het dossier opgevraagd. Dit sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte de gevaren die het hebben van een mishandelde hond meebrengt, heeft onderschat. Te meer nu verdachte in een kinderrijke buurt woont, had verdachte zich moeten afvragen hoe de zin die begint met “naar kinderen toe is” afloopt en had zij ervoor moeten zorgen dat zij volledig geïnformeerd zou worden. Daar komt bij dat verdachte [naam hond] slechts zeventien dagen voor het bijtincident uit het asiel heeft gehaald en in zoverre onvoldoende ervaring met hem heeft opgedaan, terwijl hij kennelijk ook geen deugdelijke halsband om had, nu de halsband is losgeschoten toen verdachte hem daaraan wilde vastpakken op het moment dat hij op [slachtoffer] afstoof.

Alles in aanmerking genomen, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte is te kort geschoten in haar zorgplicht, door [naam hond] onaangelijnd in de kijktuin te laten lopen. Gelet op de informatie die bij haar bekend was over de hond, daarbij in aanmerking genomen dat zij heeft verzuimd zich volledig te laten informeren over het gedrag van de hond, valt haar dat te verwijten. Dit verzuim is van zodanig gewicht dat verdachte daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld. De rechtbank acht bewezen dat het aan verdachtes schuld te wijten is dat [slachtoffer] letsel heeft bekomen.

De rechtbank kwalificeert het letsel als zwaar lichamelijk letsel. Er is immers sprake van littekens in het gezicht die ook in de toekomst ontsierend zullen zijn. Daarnaast is sprake van letsel aan de neus, welk letsel pas nadat het slachtoffer zal zijn volgroeid, hersteld kan worden. Er is verder, ook na ommekomst van bijna een jaar, nog altijd sprake van een asymmetrische stand van de mond. Onduidelijk is of dit volledig zal herstellen.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen het primair ten laste gelegde, te weten dat

zij op 31 juli 2016 te Amsterdam, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig
– de onder haar, verdachtes, gezag staande hond [naam hond] (ras Amerikaanse Staffordshire Terrier), onvoldoende onder controle heeft gehad, waardoor haar hond in het gezicht van [slachtoffer] heeft gebeten,
– immers heeft zij haar hond [naam hond] onaangelijnd gelaten,
– terwijl verdachte wist dat voornoemde hond zonder strikte begeleiding en controle een gevaar voor de omgeving, vormt, waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten littekens ten gevolge van bijtwonden in het gezicht heeft bekomen.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 60 dagen, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2. Het strandpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Het is aan de schuld van verdachte te wijten dat haar hond haar zesjarige buurmeisje meermalen in het gezicht heeft gebeten. Immers heeft verdachte haar hond onaangelijnd in de kijktuin laten lopen, terwijl zij de hond nog maar zeventien dagen daarvoor uit het asiel had gehaald, zij wist dat de hond een verleden van mishandeling heeft en daarom niet ongevaarlijk was, zij ook wist dat zij niet beschikte over het volledige medische dossier over de hond en daardoor niet volledig over hem geïnformeerd was, en zij bovendien had moeten beseffen dat de mogelijkheid bestond dat er op enig moment andere mensen in de kijktuin aanwezig zouden kunnen zijn. Daarmee heeft verdachte onvoldoende voldaan aan haar plicht om bijtincidenten te voorkomen. De rechtbank begrijpt dat verdachte nooit heeft gewild dat het slachtoffer zou worden gebeten en het is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte er alles aan heeft gedaan om de bijtende hond van het slachtoffer af te halen. Het is echter wel aan de schuld van verdachte te wijten dat haar hond het slachtoffer heeft gebeten. Het slachtoffer heeft daarbij diepe en ernstige bijtverwondingen in het gezicht opgelopen. Zij zal waarschijnlijk in de toekomst medische behandelingen moeten ondergaan en het is nog maar de vraag of zij volledig zal herstellen. Er wordt ook vermoed dat het slachtoffer een posttraumatische stressstoornis door het bijtincident heeft gekregen. Voor het gezin van het slachtoffer is het gebeuren ook schokkend en traumatisch geweest, in het bijzonder voor haar ouders, die hebben gezien hoe hun dochter meermalen door de hond gebeten werd. Dit is onder meer gebleken uit de ter terechtzitting namens de vader van het slachtoffer voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaring.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ten voordele van verdachte acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2017, waaruit blijkt dat – behalve een oude veroordeling in 1998 – verdachte niet eerder voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Alles overwegende zal de rechtbank – overeenkomstig de vordering van de officier van justitie – aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uren. Van deze 180 uren zal een deel van 60 uren niet ten uitvoer worden gelegd, zolang verdachte zich gedurende een proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan het plegen van een strafbaar feit.

9 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 6.550,70 aan materiële schadevergoeding en
€ 17.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert de benadeelde partij de gemaakte kosten voor rechtsbijstand ter hoogte van
€ 1.737,00. De vordering is ter terechtzitting toegelicht door de raadsvrouw van de benadeelde partij.

De materiële schade is opgebouwd uit de posten “daggeldvergoeding ziekenhuis” ad € 84,00, “reiskosten gemaakt” ad € 871,00, “reiskosten toekomst” ad € 500,00, “kosten opvragen medische informatie” ad € 95,70 en “budget voor toekomstige behandeling” ad € 5.000,00 subsidiair € 1.300,00.

9.1.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijk verklaren van de gevorderde kosten die tijdens een procedure in hoger beroep zullen worden gemaakt. Voor het overige kunnen de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding worden toegewezen.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de toegewezen gevorderde schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

9.1.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen benadeelde partij reeds op de vrijspraak stranden (de rechtbank verstaat: niet-ontvankelijk dient te worden verklaard).
Ten overvloede heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Er is nog geen sprake van een eindtoestand van het letsel van [slachtoffer] . De medische stukken, die dateren uit september 2016, geven in ieder geval best een optimistisch beeld. Recente foto’s van [slachtoffer] zitten niet in het dossier. Er wordt gesteld dat de voorzieningsrechter heeft geoordeeld dat er psychisch letsel is bij [slachtoffer] . Dit is echter kort door de bocht en bovendien is die procedure inmiddels aanhangig bij het gerechtshof. Verdachte ziet [slachtoffer] bovendien als een vrolijk kind, dat gewoon langs het hek loopt waar het gebeurde, dat in haar eentje naar beneden het portiek afloopt om naar school te gaan, dat gewoon in het park aan de overkant gaat spelen waar veel omwonenden hun hond uitlaten. Van de buurvrouw begrijpt verdachte dat van littekens nauwelijks nog iets te zien is. Door de complexiteit van de vordering leent de behandeling daarvan zich niet voor de summiere behandeling in het strafproces.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Bij de schadeclaim wordt aangegeven dat het traject bij de strafrechter is gekozen teneinde een voorschot door de Staat te bewerkstelligen op grond van de schadevergoedingsmaatregel.
In het kader van een schadevergoedingsmaatregel kan slechts een maximumbedrag van
€ 5.000,00 worden uitgekeerd, zodat hoe dan ook een civiele zaak aanhangig moet worden gemaakt voor het overige gevorderde bedrag. Bovendien is de keerzijde van de schadevergoedingsmaatregel dat aan verdachte vervangende hechtenis wordt opgelegd.
Nu verdachte absoluut onvermogend is en simpelweg niet kan betalen, zou dat een volkomen misplaatst gevolg zijn van die maatregel en dus in ieder geval een sterke contra-indicatie voor de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.3. Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Ten aanzien van de verschillende schadeposten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank concludeert dat de gevorderde daggeldvergoeding voor het ziekenhuis voldoende is onderbouwd en zal dit deel van de vordering toewijzen.

De rechtbank concludeert dat de gevorderde kosten voor het opvragen van de medische informatie voldoende zijn onderbouwd en zal dit deel van de vordering toewijzen.

De rechtbank zal de gevorderde reiskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor ziekenhuisbehandelingen en psychologische behandelingen schatten op een bedrag van
€ 100,00, nu de benadeelde partij zich de eerste periode met een taxi heeft laten vervoeren terwijl onvoldoende is onderbouwd waarom het openbaar vervoer geen optie was. Voor het overige deel van deze schadepost zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde reiskosten voor in de toekomst en het gevorderde budget voor toekomstige behandelingen zullen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verschuldigdheid en de omvang van deze kosten omgeven zijn met teveel onzekerheden en er bovendien nog geen sprake is van een medische en psychische eindtoestand bij de benadeelde partij.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 279,70 kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Immers is er een ernstige inbreuk gepleegd op haar lichamelijke integriteit. De rechtbank acht daarnaast voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo concludeert dr. E.M. van Dijk-Lokkart, klinisch psycholoog-psychotherapeut/kinder- en jeugdpsycholoog bij het VUmc, in haar schrijven van 29 september 2016 dat de benadeelde partij in toenemende mate klachten als gevolg van het bewezen geachte ervaart. Daarnaast blijkt uit een tweetal brieven van J. Bala en K.G.M. Schiphorst, respectievelijk klinisch psycholoog/psychotherapeut en kinder- en jeugdpsychiater bij de Stichting Centrum ‘45, dat de klachten van de benadeelde partij passen bij een posttraumatische stressstoornis en dat trauma behandeling geïndiceerd is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade.

Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 7.000,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kosten rechtsbijstand [slachtoffer]

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 1.737,00 , zijnde 3 punten à € 579,00.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot een bedrag van in totaal € 7.279,70 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van de algehele voldoening, en vermeerderd met
€ 1.737,00 aan proceskosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een totaalbedrag van € 7.279,70 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van de algehele voldoening.

9.1. De vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer]

De benadeelde partij [vader slachtoffer] vordert € 385,00 aan materiële schadevergoeding en
€ 7.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert de benadeelde partij de gemaakte kosten voor rechtsbijstand ter hoogte van € 1.737,00. De vordering is ter terechtzitting toegelicht door de raadsvrouw van de benadeelde partij.

9.2.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van zowel de gevorderde materiële als de gevorderde immateriële schadevergoeding. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de toegewezen schadevergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

9.2.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen benadeelde partij reeds op de vrijspraak stranden (de rechtbank verstaat: niet-ontvankelijk dient te worden verklaard).
Ten overvloede heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Door de complexiteit van de vordering leent de behandeling daarvan niet voor de summiere behandeling in het strafproces. In de onderliggende stukken staat vermeld dat de benadeelde partij is gekrenkt door statusverlies door het achterlaten van een bedrijf in Syrië. Dit is een indicatie van een eerder bestaand trauma. De vraag is dan of dit eerdere trauma is verergerd door het bijtincident op 31 juli 2016 en in welke mate.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel heeft de raadsman het volgende aangevoerd.
Bij de schadeclaim wordt aangegeven dat het traject bij de strafrechter is gekozen teneinde een voorschot door de Staat te bewerkstelligen op grond van de schadevergoedingsmaatregel.
Niet alleen kan in het kader van een schadevergoedingsmaatregel een maximumbedrag van € 5.000,00 worden uitgekeerd, zodat hoe dan ook een civiele zaak aanhangig moet worden gemaakt voor het overige gevorderde bedrag. Bovendien is de keerzijde van de schadevergoedingsmaatregel dat aan verdachte dan vervangende hechtenis wordt opgelegd.
Nu verdachte absoluut onvermogend is en simpelweg niet kan betalen, zou dat een volkomen misplaatst gevolg zijn van die maatregel en dus in ieder geval een sterke contra-indicatie voor de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.3. Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding, bestaande uit € 385,00 eigen risico zorgverzekering voor het jaar 2017, vanwege onvoldoende onderbouwing, niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 7.500,00 aan shockschade gevorderd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

‘Shockschade’ kan ontstaan bij degene bij wie door het (directe) waarnemen van een incident of ongeval of door de (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand is gedood of gewond tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat (ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voor de vaststelling daarvan is nader feitelijk onderzoek noodzakelijk, bijvoorbeeld door een psychiater of psycholoog.

Uit de stukken in het dossier volgt dat de benadeelde partij zag hoe zijn dochter meermalen door een hond werd gebeten en er meerdere pogingen nodig waren om de hond van zijn dochter af te halen. Nadat de hond werd afgeleid heeft de benadeelde partij zich over zijn hevig bloedende dochter ontfermd.

Nu daarmee naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat sprake is geweest van een directe confrontatie met het feit, is de vervolgvraag die moet worden beantwoord of als gevolg van deze confrontatie – welke confrontatie een schok teweeg heeft gebracht – geestelijk letsel is ontstaan.

Uit de bij de vordering bijgevoegde stukken blijkt dat door J. van Essen, arts en psychotherapeut, en R. Aarts, psychiater, bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld.

Het causaal verband tussen de vastgestelde posttraumatische stressstoornis en het bewezen geachte is door de verdediging betwist. De rechtbank acht, gelet op de brief van de psychotherapeut Van Essen en de psychiater Aarts, evenwel voldoende aannemelijk geworden dat de posttraumatische stressstoornis door het bewezen geachte is veroorzaakt.
Gelet op dit voorgaande acht de rechtbank een vergoeding voor shockschade op zijn plaats. Bij de begroting van de omvang houdt de rechtbank rekening met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van het letsel, de gevolgen daarvan en de aard van de aansprakelijkheid. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken.

Alles overwegende waardeert de rechtbank de shockschade op een bedrag van € 1.500,00. Voor het overige zal de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kosten rechtsbijstand

Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, bepalen op €1.152,00 zijnde 3 punten à € 384,00.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot een bedrag van in totaal € 1.500,00 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van de algehele voldoening, en vermeerderd met
€ 1.152,00 aan proceskosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een totaalbedrag van € 1.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [vader slachtoffer]

Naar het oordeel van de rechtbank staat niet vast dat verdachte de gevorderde schadevergoeding niet zal kunnen betalen. Gesteld is dat verdachte een uitkering heeft, maar niet is onderbouwd dat zij in de toekomst niet zal kunnen werken of dat zij de vergoeding niet op andere wijze zal kunnen voldoen. Het draagkrachtverweer wordt aldus verworpen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 22c, 22d, 36f en 308 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:

• Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

aan haar schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

• Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 60 (zestig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

• Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], toe tot € 7.279,70 (zevenduizendtweehonderdennegenenzeventig euro en zeventig cent) bestaande uit € 279,70 (tweehonderdnegenenzeventig euro en zeventig cent) materiële schadevergoeding en € 7.000,00 (zevenduizend euro) immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, en vermeerderd met € 1.737,00 (duizendzevenhonderdenzevenendertig euro) aan proceskosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] € 7.279,70 (zevenduizendtweehonderdennegenenzeventig euro en zeventig cent) aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 71 (eenenzeventig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

• Wijst de vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer], toe tot € 1.500,00 (duizendenvijfhonderd euro) bestaande uit immateriële schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, en vermeerderd met € 1.152,00 (duizendhonderdentweeënvijftig euro) aan proceskosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [vader slachtoffer] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [vader slachtoffer] , bestaande uit € 1.500,00 (duizendvijfhonderd euro) immateriële schadevergoeding, aan de Staat te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 25 (vijfentwintig) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door
mr. F. Wieland, voorzitter,
mrs. E. Dinjens en F.L. Bolkestein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D. Riggelink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2017.