• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
  • 22 april 2015
  • ECLI:NL:RBZWB:2015:8614
  • Zaaknummer: C/02/286904 / HA ZA 14-625

Rb: reflexwerking art. 185 WVW: 80% (fietser) – 20% (motorrijder), geen reflexwerking t.a.v. derden

Fietser (gedaagde) verleent geen voorrang, waardoor motorrijder moet uitwijken. Belgische bestuurder en opzittende motor (eisers) lopen letsel op. 1. Nederlands recht van toepassing. 2. Reflexwerking van art. 185 WVW. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1988/57 en NJ 2002/214) geldt dat de schade, behoudens overmacht, in beginsel voor een gedeelte voor rekening van de bestuurder van een motorrijtuig, dient te blijven. Geen overmacht; de voorrangsfout van de fietser weegt zwaar. De rechtbank bepaalt de causale bijdrage aan de schade op 80% aan de zijde van de fietser en 20% aan de zijde van de motorrijder. 3. Geen billijkheidscorrectie, mede gezien de financiële positie van gedaagde en het feit dat zij niet voor haar aansprakelijkheid verzekerd is. 4. Er bestaat geen grond om reflexwerking aan te nemen ten aanzien van derden, zoals een opzittende. Gedaagde dient de volledige schade van de opzittende te vergoeden. 5. Diverse schadeposten.

ECLI:NL:RBZWB:2015:8614

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak: 22-04-2015

Datum publicatie: 08-03-2016

Zaaknummer: C/02/286904 / HA ZA 14-625

Rechtsgebieden: Civiel recht

Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie: Verkeersongeval. Gedaagde verleende geen voorrang als gevolg waarvan eiser, die uitweek, ten val kwam. Eiser woont in België. Zaak heeft internationaal karakter. Verwerping beroep op overmacht. Verder beoordeling schadeposten.

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/286904 / HA ZA 14-625

 

Vonnis van 22 april 2015

 

in de zaak van

 

 

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2 [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,

 

tegen

 

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. K.P.T.G. Flos te Middelburg.

 

Partijen zullen hierna [eisers] , respectievelijk [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en [gedaagde] worden genoemd .

 

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het tussenvonnis van 10 december 2014.

– het proces-verbaal van de comparitie van 27 januari 2015.

 

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2 De feiten

 

2.1. Tussen partijen heeft op 4 augustus 2013, op de kruising Dorpsstraat/Koningin Julianastraat te Schoondijke, een verkeersongeval plaatsgevonden. Op de dag van het ongeval was het druk in Schoondijke in verband met de visserijfeesten in Breskens.

 

2.2. [eiser sub 1] was de bestuurder van een motorfiets. [eiseres sub 2] was de passagier van de motorfiets. [gedaagde] was als fietser betrokken bij het verkeersongeval. Bij het ongeval was eveneens de echtgenoot van [gedaagde] aanwezig.

 

2.3. [eisers] reed over de Dorpsstraat. De Dorpsstraat betreft een voorrangsweg, de toegestane snelheid op deze weg is 50 km per uur. [gedaagde] kwam vanuit de Koningin Julianastraat en stak de Dorpsstraat over. Daarbij verleende [gedaagde] geen voorrang aan [eisers] [eiser sub 1] remde voor [gedaagde] , week uit en kwam in de middenberm ten val.

 

2.4. Als gevolg van het ongeval heeft [eisers] letsel opgelopen. Het letsel van [eiser sub 1] bestond uit de linkerschouder uit de kom en pijn in de linker bovenarm, een verwonding aan de knie, een brandwond op de linkerarm, linker pink gebroken, ringvinger gekneusd, middelvinger van de rechterhand ingedeukt en overige vingers gekneusd, rechterbenedenhoektand afgebroken en een artroseaanval in rechterhand tussen duim en wijsvinger. Hij is over een periode van 4 augustus 2013 tot en met 17 november 2013 arbeidsongeschikt geweest. Over deze periode heeft hij zijn werkzaamheden bij de verkeerspolitie niet uitgevoerd. Inmiddels is er sprake van een medische eindtoestand.

 

2.5. [eiseres sub 2] heeft als gevolg van het ongeval twee gebroken ribben, een gescheurde milt welke is verwijderd, brandwonden op de linkerarm en brandwonden op beide hielen opgelopen. Ook bij [eiseres sub 2] is er sprake van een medische eindtoestand.

 

2.6. Als gevolg van het ongeval hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zowel materiële als immateriële schade geleden.

 

2.7 [eisers] heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het verkeersongeval. [gedaagde] heeft aansprakelijkheid afgewezen.

 

2.8 [gedaagde] beschikt niet over een aansprakelijkheidsverzekering.

 

3 Het geschil

 

3.1. [eisers] vordert, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

– te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eisers] op 4 augustus 2013 is overkomen en [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van alle materiële en immateriële schade, welke [eisers] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van dit ongeval en deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

– [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser sub 1] een voorschot aan schadevergoeding van een bedrag van € 9.519,91 te betalen, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 9.244,84 vanaf 1 augustus 2014 tot de dag van de algehele voldoening.

– [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres sub 2] een voorschot aan schadevergoeding van een bedrag van € 15.901,38 te betalen, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 15.441,93 vanaf 1 augustus 2014 tot de dag van de algehele voldoening.

– althans op bovenstaande vordering(en) vonnis te wijzen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

– [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

 

3.2. [eisers] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [eisers] baseert haar vorderingen op artikel 6:162 BW en de reflexwerking van artikel 185 WVW. [gedaagde] stak plotseling de weg over, waardoor [eiser sub 1] niet meer kon uitwijken. Vervolgens heeft hij een noodstop en uitwijkmanoeuvre moeten maken. [gedaagde] heeft zich niet aan de geldende verkeersregels gehouden en heeft haar wettelijke verplichtingen geschonden. [eisers] stelt verder dat [gedaagde] over had moeten steken op de verder gelegen fietsoversteekplaats. Uit het feit dat [gedaagde] een strafbeschikking heeft gekregen blijkt dat zij aansprakelijk is voor het ongeval. [eiser sub 1] stelt dat zijn volledige schade door [gedaagde] dient te worden vergoed. Er is sprake van overmacht aan de zijde van [eiser sub 1] . Het gedrag van [gedaagde] was zo onwaarschijnlijk dat [eiser sub 1] hierop niet had kunnen inspelen. [eiser sub 1] had zelf niet anders kunnen handelen. Wanneer er geen sprake is van overmacht dient de causaliteitsverdeling te worden toegepast. Op grond van de causaliteitsverdeling draagt [gedaagde] in ieder geval 85% aansprakelijkheid. Op grond van de billijkheidscorrectie zal echter ook bij toepassing van de causale verdeling de volledige schade door [gedaagde] moeten worden vergoed. [eisers] stelt dat [eiseres sub 2] een schuldloze derde is. [eisers] stelt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 2] of in ieder geval voor een gedeelte van de schade. [eiser sub 1] vordert vergoeding van de schade aan de motor, helm, speakerset, kleding, clips tanktas, reiskosten, verlies nabijheidstoelages, verlies onregelmatigheidstoeslagen en smartengeld. [eiseres sub 2] vordert vergoeding van de schade aan de helm, speakerset, kleding, inschakeling huishoudelijke hulp, warme maaltijden en smartengeld.

 

3.3. [gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat zij niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval. Er is geen sprake van overmacht aan de zijde van [eiser sub 1] of opzet/roekeloosheid aan de zijde van [gedaagde] . Het ongeval is te wijten aan gedragingen van [eiser sub 1] . [eiser sub 1] heeft niet met beperkte snelheid gereden, hij heeft de noodstop verkeerd uitgevoerd en hij heeft onvoldoende afstand gehouden tot zijn voorganger. [gedaagde] stelt verder dat de fietsoversteekplaats waarnaar [eisers] verwijst geen fietsoversteekplaats is, maar mogelijk een overblijfsel van een voetgangersoversteekplaats. [gedaagde] stelt verder dat de mededeling van het Openbaar Ministerie dat [gedaagde] een geldboete van € 250,00 wordt opgelegd geen dwingend bewijs oplevert van aansprakelijkheid. Mocht er al sprake zijn van aansprakelijkheid dan ligt een schuldverdeling van 80% ( [eiser sub 1] ) en 20% ( [gedaagde] ) in de rede. [gedaagde] stelt tevens dat zij niet aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 2] . Mocht [gedaagde] toch mede aansprakelijk zijn dan dient uit te worden gegaan van een schuldverdeling tussen [eiser sub 1] van 80% en [gedaagde] van 20%. [gedaagde] betwist de door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gevorderde schade gedeeltelijk.

 

3.4. In de beoordeling zullen de door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gevorderde kosten en de stellingen van partijen hierover zullen voor zover relevant nader worden aangehaald.

 

4 De beoordeling

 

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn woonachtig te België en aldus op het grondgebied van een andere staat dan Nederland zodat de vordering een internationaal karakter draagt. Gelet hierop dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. Nu het schade toebrengende feit (het verkeersongeval) zich in Schoondijke heeft voorgedaan, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 lid 3 EEX-Verordening (Verordening EG 44/2001 van de Raad van 22 december 2000) bevoegd om van de onderhavige zaak kennis te nemen.

 

4.2. De vraag welk recht van toepassing is dient te worden beantwoord aan de hand van het Haagse gedrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971,118; hierna: het Verdrag). Blijkens de in artikel 3 van het Verdrag opgenomen verwijzingsregel geldt als uitgangspunt dat van toepassing is de wet van de Staat op welk grondgebied het ongeval heeft plaatsgevonden. Op grond van deze hoofdregel van het Verdrag dient de onderhavige zaak derhalve beoordeeld te worden naar Nederlands recht, nu het ongeval zich in Schoondijke heeft voorgedaan. Overigens staat dit ook tussen partijen niet ter discussie.

 

Grondslag aansprakelijkheid [gedaagde] jegens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2]

4.3. De gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schade van [eiser sub 1] heeft een andere juridische basis dan de gestelde aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de schade van [eiseres sub 2] . De gestelde aansprakelijkheid jegens [eiser sub 1] en de gestelde aansprakelijkheid jegens [eiseres sub 2] zullen afzonderlijk worden besproken.

 

Aansprakelijkheid [gedaagde] jegens [eiser sub 1]

4.4. De onderhavige zaak betreft een vordering tot vergoeding van schade door een gemotoriseerde verkeersdeelnemer ( [eiser sub 1] ) van een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer ( [gedaagde] ). De zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van de reflexwerking van artikel 185 WVW. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (NJ 1988/57 en NJ 2002/214) geldt dat de schade, behoudens overmacht in de zin van artikel 185 WVW, in beginsel voor een gedeelte voor rekening van de bestuurder van een motorrijtuig, in dit geval [eiser sub 1] , dient te blijven.

 

4.5. [eiser sub 1] beroept zich op overmacht. Een beroep op overmacht slaagt alleen indien de bestuurder van een motorrijtuig aannemelijk maakt dat hem rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt omtrent de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat de aanrijding uitsluitend te wijten is aan fouten van een ander, welke fouten zo onwaarschijnlijk zijn dat de bestuurder bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met deze mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.

 

4.6. Vast staat dat [gedaagde] bij het oversteken van de kruising Koningin Julianastraat/Dorpsstraat voorrang diende te verlenen aan verkeer op de Dorpsstraat en dat zij dit nagelaten heeft. Het niet verlenen van voorrang is echter niet een zo onwaarschijnlijke fout dat [eisers] hiermee in redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Uit de overgelegde foto’s volgt dat de straat van waaruit [gedaagde] kwam voor [eiser sub 1] goed zichtbaar was. Ook was voor hem duidelijk dat hij uit deze straat verkeer kon verwachten. Op het moment van het ongeval was het druk. Bij drukte dient men extra alert te zijn op de aanwezigheid van ander verkeer en de fouten die door andere verkeersdeelnemers gemaakt kunnen worden. Het beroep op overmacht slaagt niet.

 

4.7. Nu het beroep op overmacht niet slaagt dient beoordeeld te worden voor welk gedeelte de vordering van [eiser sub 1] toewijsbaar is op grond van de causaliteitsverdeling en/of de billijkheidscorrectie. Bij de causaliteitsverdeling gaat het om de vraag in welke mate, ongeacht de verwijtbaarheid van een ander, enerzijds het weggedrag van [gedaagde] op de fiets en anderzijds de wijze van rijden door [eiser sub 1] met zijn motorfiets aan het ontstaan van de aanrijding hebben bijgedragen. Daarbij staat voorop dat de verkeersfout van [gedaagde] , het niet verlenen van voorrang, zwaar weegt. Het is niet gebleken dat [eiser sub 1] harder reed dan de ter plaatse toegestane snelheid. Ook is niet gebleken dat de snelheid waarmee [eiser sub 1] reed in de gegeven omstandigheden niet passend was. De stelling dat [eiser sub 1] onvoldoende afstand heeft gehouden tot zijn voorganger en daardoor niet zichtbaar was voor [gedaagde] is niet komen vast te staan. De enkele stelling van [gedaagde] dat dit het geval was, is, tegenover de betwisting door [eiser sub 1] , onvoldoende. Dat [eiser sub 1] tijdens het uitvoeren van de noodstop ten val is gekomen maakt niet dat [gedaagde] niet aansprakelijk kan worden gehouden voor het ontstaan van het ongeval. Gezien hetgeen in overweging 4.6. is overwogen kan [eiser sub 1] enkel het verwijt worden gemaakt dat hij onvoldoende oplettend is geweest. Hij heeft [gedaagde] immers voorafgaand aan het ongeval niet gezien. Gelet op het vorenstaande wordt de causale bijdrage aan de schade bepaald op 80% aan de zijde van [gedaagde] en 20% aan de zijde van [eiser sub 1] .

 

4.8 Voor de beantwoording van de vraag of de billijkheidscorrectie een andere verdeling eist, moet rekening worden gehouden met de ernst en mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten en met alle andere omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het letsel en het al dan niet verzekerd zijn van de eigenaar/bestuurder van het motorrijtuig en de aansprakelijk gestelde fietser/voetganger. Mede gezien de financiële positie van [gedaagde] en het feit dat zij niet voor haar aansprakelijkheid verzekerd is, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een andere verdeling te komen. [gedaagde] is aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval en zal 80% van de schade van [eiser sub 1] moeten vergoeden.

 

Aansprakelijkheid [gedaagde] jegens [eiseres sub 2]

4.9. Beoordeeld dient te worden of bovenstaande ook van toepassing is op de rechtsverhouding tussen [eiseres sub 2] als opzittende passagier en [gedaagde] . [eisers] heeft gesteld dat [eiseres sub 2] een schuldloze derde is. De reflexwerking van artikel 185 WVW kan niet worden ingeroepen tegen andere opzittenden van een motorrijtuig dan de bestuurder en/of eigenaar. De reflexwerking vindt zijn theoretische rechtvaardiging in de gedachte dat omstandigheden die, bijvoorbeeld in het geval van een botsing tussen twee partijen, aansprakelijkheid aan de zijde van de aansprakelijke partij scheppen logischerwijs tevens aan de aansprakelijke partij dienen te kunnen worden tegengeworpen indien deze zelf schade lijdt, waarvan hij vergoeding door de ander vordert. Er bestaat geen grond om reflexwerking aan te nemen ten aanzien van derden, zoals een opzittende, die niet van doen heeft met bedoelde omstandigheden. [eiseres sub 2] heeft als opzittende geen invloed op het aan motorrijtuigen inherente gevaar. Het ongeval is niet mede te wijten aan een doen of nalaten door [eiseres sub 2] dan wel een omstandigheid die krachtens de wet of het maatschappelijk verkeer voor haar risico dient te komen. Door het niet verlenen van voorrang heeft [gedaagde] toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres sub 2] . De causale verdeling dient niet op de rechtsverhouding tussen [eiseres sub 2] en [gedaagde] te worden toegepast. [gedaagde] dient de door [eiseres sub 2] geleden schade als gevolg van het ongeval volledig te vergoeden.

 

Schade [eiser sub 1]

4.10. Ter comparitie is door [eiser sub 1] kenbaar gemaakt dat verwijzing naar de schadestaatprocedure niet meer noodzakelijk is. Er is sprake van een medische eindtoestand. Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding kan als de definitieve schade worden beschouwd.

 

4.11. [eiser sub 1] vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

Schade aan motor € 1.568,98

Helm € 379,00

Speakerset € 99,00

Kleding (jas, schoenen en broek) € 350,00

Clips tanktas € 50,00

Reiskosten € 327,12

Verlies nabijheidstoelages € 199,35

Verlies onregelmatigheidstoeslagen € 2.771,37

Voorschot smartengeld € 3.500,00

Wettelijke rente € 275,07

Totale (voorlopige) schade [eiser sub 1] € 9.519,91

 

4.12. [gedaagde] heeft alle schadeposten, behalve de reiskosten, geheel of gedeeltelijk betwist. [eiser sub 1] heeft een berekening van de reiskosten overgelegd. De reiskosten zullen als voldoende gesteld en onderbouwd worden toegewezen. De overige schadeposten zullen afzonderlijk worden beoordeeld.

 

4.13. Schade aan de motorfiets

 

4.13.1. Ter onderbouwing van de schade aan de motorfiets heeft [eiser sub 1] een kostenraming van zijn garage en een expertiserapport van de expert van zijn verzekeraar overgelegd. Ook heeft [eiser sub 1] een nota overgelegd met de kosten van herstel van de zijspiegel, de kosten voor het opmaken van de kostenraming (€ 50,00 ex. BTW) en de depannagekosten (€ 45,00 ex. BTW). In haar berekening van de schade aan de motorfiets zijn de expertisekosten en de herstelkosten van de zijspiegel buiten beschouwing gelaten aangezien [eiser sub 1] deze kosten bij volledig herstel terug kreeg van de garage.

 

4.13.2. [gedaagde] heeft de expertisekosten en de depannagekosten betwist. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat de berekening van de garage en de berekening van de expert niet van elkaar afwijken.

 

4.13.3. Door middel van het expertiserapport en de kostenraming van de garage heeft [eiser sub 1] de schade aan de motorfiets en de bijkomende kosten voldoende onderbouwd. Het enkele feit dat de berekeningen van de garage en de expert overeenkomen is een onvoldoende betwisting van de gevorderde kosten. De schade aan de motorfiets zal zoals gevorderd, inclusief de depannagekosten, worden toegewezen.

 

4.14. Schade aan de helm, speakerset, kleding en tankclips

 

4.14.1. [eiser sub 1] stelt dat als gevolg van het ongeval zijn helm en speakerset onbruikbaar zijn geworden. Ter onderbouwing van de hoogte van de schade heeft [eiser sub 1] een nota overgelegd van de helm en de speakerset die hij na het ongeval heeft aangeschaft ter vervanging van de onbruikbare helm en speakerset. Ook de jas, handschoenen en broek (motorkleding) zijn als gevolg van het ongeval onbruikbaar geworden. De schade wordt door [eiser sub 1] geschat op € 350,00. Het herstel van de clips van de tanktas bedraagt € 50,00.

 

4.14.2. [gedaagde] heeft gesteld dat het voor de begroting van voornoemde schadeposten juister is om uit te gaan van de dagwaarde.

 

4.14.3. Dat de schade aan de helm, speakerset, kleding en clips van de tanktas dient te worden vastgesteld op basis van de dagwaarde is juist. [eiser sub 1] dient door [gedaagde] zoveel mogelijk in de situatie te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de gebeurtenis die tot de verplichting tot vergoeding van de schade leidt niet zou hebben plaatsgevonden. Ter comparitie heeft [eiser sub 1] toegelicht dat de beschadigde zaken ten tijde van het ongeval ongeveer twee jaar oud waren. De beschadigde helm en speakerset waren qua type en prijs vergelijkbaar met de helm en speakerset die [eiser sub 1] na het ongeval heeft aangeschaft. De rechtbank begroot de totale schade aan de helm en speakerset op een totaalbedrag van € 320,00, daarbij is rekening gehouden met een afschrijving van 1/3e van de aanschafwaarde. De schade aan de kleding is door [eiser sub 1] geschat. Daarbij is door [eiser sub 1] opgemerkt dat een nieuwe motorjas al minimaal € 350,00 kost. Dit is door [gedaagde] niet betwist. De schade aan de kleding zal als voldoende gesteld en onvoldoende betwist worden toegewezen. Ter comparitie heeft [eiser sub 1] toegelicht dat de gevorderde schade aan de clips van de tanktas geen vervangingskosten, maar reparatiekosten betreffen. Door [gedaagde] is deze schadepost niet betwist, zodat de reparatiekosten van de clips van de tanktas voor vergoeding in aanmerking komen.

 

4.15. Verlies nabijheidstoelages en onregelmatigheidstoelages

 

4.15.1. [eiser sub 1] stelt dat hij als gevolg van het ongeval vanaf 4 augustus 2013 tot en met 17 november 2013 arbeidsongeschikt is geweest. Over deze periode heeft hij zijn reguliere werkuren uitbetaald gekregen. [eiser sub 1] stelt dat hij schade heeft opgelopen door het verlies van nabijheidstoelages en onregelmatigheidstoelages. Ter onderbouwing van de misgelopen nabijheidstoelages heeft [eiser sub 1] loonstroken overgelegd. [eiser sub 1] stelt dat hij over de maanden januari 2013 tot en met augustus 2013 een nabijheidstoelage van € 66,45 (bruto) per maand ontvangen heeft. Over de maanden september, oktober en november 2013 heeft hij deze toelage niet ontvangen, het betreft een schadepost van € 199,35. De gemiste onregelmatigheidstoelages betreffen gemist weekendwerk, avond- en/of nachtwerk en gemiste overuren. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser sub 1] een berekening van de gemiddeld ontvangen onregelmatigheidstoelage over de maanden augustus tot en met november in 2011 en 2012, welke maanden hij in 2013 als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geweest, overgelegd. Tevens heeft hij, ter onderbouwing, de overzichten van de ontvangen onregelmatigheidstoeslagen van 2011 en 2012 overgelegd.

 

4.15.2. [gedaagde] heeft voor wat betreft de nabijheidstoelages opgemerkt dat voor haar niet duidelijk is wat deze toelages betekenen en dat deze in ieder geval op netto basis dienen te worden berekend. Voor wat betreft de gevorderde onregelmatigheidstoelage heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser sub 1] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij de onregelmatigheidstoelages misgelopen is. Daarnaast heeft [gedaagde] gesteld dat in ieder geval de vergoeding van de maaltijden in mindering dient te worden gebracht op het gevorderde bedrag, aangezien deze maaltijden ook niet zijn genoten en er ook geen kosten zijn gemaakt voor die maaltijden. De gemiddelde maaltijdvergoeding bedraagt € 97,02 zodat de vergoeding van de misgelopen onregelmatigheidstoelages € 2.674,35 dient te zijn.

 

4.15.3. Ter comparitie heeft [eiser sub 1] toegelicht dat elke politieagent die contact heeft met burgers een nabijheidstoelage ontvangt. Deze toelage wordt bij arbeidsongeschiktheid niet doorbetaald. [eiser sub 1] heeft zijn salarisstroken van na het ongeval overgelegd. Uit deze salarisstroken volgt dat de nabijheidstoelage niet is doorbetaald. [eiser sub 1] heeft ter comparitie verklaard dat het standpunt Van [gedaagde] dat het verlies van de nabijheidstoelages op netto basis dient te worden vastgesteld juist is. Aangezien voor de beoordeling van de schade een (vermogens)vergelijking moet worden gemaakt tussen de situatie met en zonder ongeval is het juist dat deze schadepost op nettobasis moet worden vastgesteld. De rechtbank begroot het netto verlies van de nabijheidstoelage op € 100,00. De stelling van [gedaagde] dat [eiser sub 1] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat hij de onregelmatigheidstoelages misgelopen is kan niet worden gevolgd. Door middel van het overleggen van de berekening en de overzichten heeft [eiser sub 1] voldoende onderbouwd dat hij deze schade geleden heeft. Ter comparitie heeft [eiser sub 1] erkend dat het juist is dat op de gevorderde onregelmatigheidstoelages de maaltijdvergoedingen in mindering moeten worden gebracht. De misgelopen onregelmatigheidstoelages worden vastgesteld op een bedrag van € 2.674,35.

 

 

4.16. Smartengeld

 

4.16.1. Ter comparitie heeft [eiser sub 1] toegelicht dat het gevorderde voorschot op het smartengeld, in verband met het bereiken van een medische eindtoestand, als een definitief bedrag kan worden beschouwd. Ter onderbouwing van deze schadepost heeft [eiser sub 1] een uitspraak uit de Smartengeldgids overgelegd.

 

4.16.2. [gedaagde] stelt dat het letsel van [eiser sub 1] op het eerste gezicht minder ernstig lijkt dan het letsel in de aangehaalde uitspraak uit de Smartengeldgids.

 

4.16.3. [eiser sub 1] heeft als gevolg van het ongeval divers letsel opgelopen. Als gevolg van dit letsel is er sprake geweest van drie maanden arbeidsongeschiktheid en heeft [eiser sub 1] zich over langere periode onder behandeling moeten stellen. Gezien de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen voor [eiser sub 1] wordt het smartengeld naar redelijkheid en billijkheid bepaald op een bedrag van € 2.500,00. Daarbij is tevens rekenschap gegeven van de door [eiser sub 1] aangehaalde uitspraak uit de Smartengeldgids en de stelling van [gedaagde] hierover.

 

Wettelijke rente

4.17. Het uitgangspunt is dat wettelijke rente over schade uit hoofde van onrechtmatig handelen verschuldigd is vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Volgens vaste jurisprudentie betekent dat voor de immateriële schade dat wettelijke rente over die schade verschuldigd is vanaf het moment van het ongeval en voor geleden materiële schade vanaf het moment waarop de kosten waarvan vergoeding wordt gevorderd, zijn gemaakt. Uit het schadeoverzicht van [eiser sub 1] en de als productie 14a bij de dagvaarding overgelegde berekening volgt dat hij over alle schadeposten de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2013, de datum van het ongeval, vordert. Gezien het vorenstaande is dat niet juist. De wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding zal vanaf datum ongeval worden toegewezen. De wettelijke rente over de overige schadeposten zal vanaf datum dagvaarding, 13 augustus 2014, worden toegewezen.

 

4.18. De totale schadevergoeding bedraagt op basis van een 100% vergoeding € 7.890,45. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 1.568,98 (motorfiets) + € 320,00 (helm en speakerset) + € 350,00 (kleding) + € 50,00 (reparatiekosten clips tanktas) + € 327,12 (reiskosten) + € 100,00 (nabijheidstoelage) + € 2.674,35 (onregelmatigheidstoelage) + € 2.500,00 (smartengeld). Gezien de causale verdeling zal 80% van de gevorderde schade, te weten € 6.312,36, worden toegewezen. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente zoals onder 4.17. beoordeeld.

 

Schade [eiseres sub 2]

4.19. Ter comparitie is aangegeven dat verwijzing van de zaak naar de schadestaatprocedure niet meer noodzakelijk is. Er is sprake van een medische eindtoestand. Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding kan als de definitieve schade worden beschouwd.

 

4.20. [eiseres sub 2] vordert vergoeding van de volgende schadeposten:

Helm en speakerset € 478,00

Kleding (jas, blouse en bh) € 350,00

Inschakeling huishoudelijke hulp € 745,33

Warme maaltijden € 368,60

Voorschot smartengeld € 13.500,00

Wettelijke rente € 459,45

Totale (voorlopige) schade [eiseres sub 2] € 15.901,38

 

4.21. Voor wat betreft de schade aan de helm, speakerset en kleding geldt hetzelfde als hetgeen met betrekking tot deze schade van [eiser sub 1] in overweging 4.14. is overwogen. De totaal toe te wijzen vergoeding voor deze schadeposten bedraagt, op basis van dagwaarde, € 670,00.

 

4.22. De vordering tot vergoeding van de kosten voor huishoudelijke hulp zijn door [gedaagde] niet betwist en zullen worden toegewezen.

 

4.23. Warme maaltijden

 

4.23.1. [eiseres sub 2] heeft gesteld dat het voor haar de eerste tijd na het ongeval niet mogelijk was te koken, om die reden hebben zij en [eiser sub 1] over een periode van 13 augustus 2013 tot en met 30 september 2013 maaltijden besteld. De nota met betrekking tot deze kosten is door [eiseres sub 2] overgelegd.

 

4.23.2. [gedaagde] heeft deze schade gedeeltelijk betwist en gesteld dat slechts de helft van het gevorderde bedrag voor vergoeding in aanmerking komt aangezien [eiseres sub 2] ook zonder ongeval diende te eten en hiervoor kosten zou hebben gemaakt.

 

4.23.3. Het is juist dat [eiseres sub 2] ook zonder ongeval kosten zou moeten maken voor het kopen en bereiden van maaltijden. Het is aannemelijk dat wanneer [eiseres sub 2] zelf voor deze maaltijden had gezorgd zij minder kosten zou hebben gemaakt dan in de situatie waarin zij maaltijden heeft besteld. De rechtbank begroot deze schadepost naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 200,00.

 

4.24. Smartengeld

 

4.24.1. [eiseres sub 2] stelt dat zij als gevolg van het ongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ter onderbouwing van de hoogte van haar vordering heeft [eiseres sub 2] enkele uitspraken uit de Smartengeldgids aangehaald.

 

4.24.2. [gedaagde] stelt dat [eiser sub 1] aansprakelijk is voor de schade van [eiseres sub 2] . Mocht zij toch aansprakelijk zijn voor de schade dan dient rekening te worden gehouden met de causale verdeling.

 

4.24.3. Gezien hetgeen is overwogen in overweging 4.9. met betrekking tot de aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens [eiseres sub 2] wordt de stelling van [gedaagde] niet gevolgd. Als gevolg van het ongeval is onder andere de milt van [eiseres sub 2] gescheurd. Deze milt is vervolgens operatief verwijderd. Gezien de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen wordt de vergoeding aan smartengeld naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op een bedrag van € 13.500,00. Daarbij is tevens rekenschap gegeven van de door [eiseres sub 2] aangehaalde uitspraken uit de Smartengeldgids.

 

4.25. Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente geldt hetzelfde als over de door [eiser sub 1] gevorderde wettelijke rente is overwogen. De wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding zal vanaf datum ongeval worden toegewezen. Over de overige schadeposten zal de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding worden toegewezen.

 

4.26. De totaal toe te wijzen schadevergoeding ten behoeve van [eiseres sub 2] bedraagt € 15.115,33. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 320,00 (helm en speakerset) + € 350,00 (kleding) + € 745,33 (huishoudelijke hulp) + € 200,00 (maaltijden) + € 13.500,00 (smartengeld). Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente zoals onder 4.25. beoordeeld.

 

Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.27. [eisers] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. [eisers] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De rechtbank zal de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten afwijzen.

 

4.28. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

– dagvaarding € 93,80

– griffierecht 868,00

– salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.119,80

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

5.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eisers] op 4 augustus 2013 is overkomen;

 

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 6.312,36, vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 2.500,00 vanaf 4 augustus 2013 en vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.812,36 vanaf 13 augustus 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

 

5.3. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 2] te betalen een bedrag van € 15.115,33 vermeerderd met de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 13.500,00 vanaf 4 augustus 2013 en vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.615,33 vanaf 13 augustus 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening;

 

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 2.119,80;

 

5.5. verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.2. tot en met 5.4. uitvoerbaar bij voorraad;

 

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P.M.C.J. Smits en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2015.