• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 6 april 2016
  • ECLI:NL:RBDHA:2016:4211
  • Zaaknummer: C/09/487461 / HA ZA 15-500

Rb: rechtbank komt in bodemprocedure terug op eindbeslissing in deelgeschil, andere causaliteitsafweging

Bodemprocedure tussen benadeelde en verzekeraar/verzekerde na deelgeschil. Benadeelde stelt dat hij geschrokken is van auto die uit parkeervak reed en daardoor met zijn snorfiets ten val is gekomen. Door verzekeraar auto was aansprakelijkheid voor 50% erkend. In deelgeschil kwam de rechtbank tot een causaliteitsafweging van 35% (auto)- 65% (benadeelde) en een vergoedingsplicht van 50% na billijkheidscorrectie. Na deelgeschil heeft voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. De Rechtbank in de bodemprocedure heeft hierna een gewijzigd beeld van toedracht ongeval. Op basis van de nieuwe feiten komt de rechtbank tot de conclusie dat de eindbeslissingen van de deelgeschillenrechter op onjuiste feitelijke grondslag berusten; de rechtbank komt terug op de eindbeslissing. De rechtbank komt tot een causaliteitsafweging van 60% (auto)-40% (benadeelde) en een vergoedingsplicht van 80% na billijkheidscorrectie..

ECLI:NL:RBDHA:2016:4211

Instantie:Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak: 06-04-2016

Datum publicatie: 22-04-2016

Zaaknummer:  C/09/487461 / HA ZA 15-500
Rechtsgebieden: Civiel recht
Bijzondere kenmerken: Bodemzaak – Eerste aanleg – meervoudig
Inhoudsindicatie: Letselschade. Bodemprocedure tussen slachtoffer enerzijds en verzekeraar en verzekerde anderzijds na deelgeschil tussen slachtoffer en verzekeraar. Eenzijdig ongeval. Aansprakelijkheid verzekerde voor 50% erkend. Voorlopig getuigenverhoor na deelgeschil. Reikwijdte artikel 1019cc lid 1 Rv. Rechtbank komt terug van bindende eindbeslissingen in deelgeschil. Gewijzigd beeld van toedracht ongeval naar aanleiding van nieuwe feiten; onjuiste feitelijke grondslag. Heroverweging ten aanzien van schuldverdeling en billijkheidscorrectie.
Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

Uitspraak
vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/487461 / HA ZA 15-500

 

Vonnis van 6 april 2016

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

1 de naamloze vennootschap AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden, gedaagden zullen gezamenlijk Aegon c.s. en afzonderlijk Aegon en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 8 april 2015, met zes producties,

– de conclusie van antwoord, met vier producties,

– het vonnis van deze rechtbank van 24 februari 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

– het proces-verbaal van comparitie van 26 november 2015 met de daarin genoemde stukken,

1.2. Bij brief van 15 december 2015 heeft mr. Quispel gereageerd op het proces-verbaal. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze brief.

1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

 

2 De feiten

2.1. Bij beschikking van 18 augustus 2014 in een op verzoek van [eiser] ingeleide deelgeschilprocedure (met zaak- en rekestnummer: C/09/466449, hierna ook: de beschikking in het deelgeschil) heeft deze rechtbank (hierna ook: de deelgeschillenrechter) voor recht verklaard dat Aegon voor 50% aansprakelijk is voor de schade van [eiser] als gevolg van het ongeval op 2 juni 2013 in de Bergblauwstraat te Zaandam.

2.2. In de beschikking in het deelgeschil heeft de rechtbank de volgende feiten vastgesteld:

“2.1. Op 2 juni 2013 heeft er op de openbare weg aan de Bergblauwstraat te Zaandam een eenzijdig ongeval plaatsgevonden. [eiser] reed aldaar op een geleende snorfiets toen een bij Aegon conform de WAM verzekerde taxi, merk Chrysler, kenteken [kentekennummer] en bestuurd door [gedaagde sub 2] (hierna: [gedaagde sub 2] ), een haaks op de Bergblauwstraat gesitueerd parkeervak kwam uitrijden. [eiser] schrok dat [gedaagde sub 2] de weg op kwam rijden en heeft als gevolg daarvan geremd waarbij hij de macht over het stuur is verloren en met de snorfiets ten val is gekomen. [gedaagde sub 2] bracht zijn voertuig tijdig tot stilstand. Er is tussen beide voertuigen geen contact geweest.

2.2. De Onderzoek Ongevallen Dienst van de politie heeft op de plek van het ongeval onderzoek verricht en haar bevindingen neergelegd in het Mutatie rapport van 4 juni 2013. Dit rapport vermeldt onder meer het volgende:
‘De bestuurder van de snorfiets kwam ongeveer 10 meter voor de Chrysler ten val. De oorzaak hiervan kan zijn dat hij schrok van de naar voren komende Chrysler en of in combinatie met geen goede voertuigbeheersing. De voorrem van de snorfiets is enorm goed (schijfrem). Bij abrupt en flink remmen blokkeert het voorwiel snel; met een stuurbeweging kan je dan onderuit gaan. De wegbreedte was 5,40 meter, de bestuurder van de Chrysler zag de snorfietser vallen en stopte. Er bleef een afstand van 2,40 meter voor de snorfietser om voor de Chrysler langs te rijden. De Chrysler werd niet geraakt door de snorfiets.’
2.3. Partijen en ooggetuigen hebben over het ongeval onder meer het volgende verklaard.
2.3.1. [gedaagde sub 2] , in het proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 2 juni 2013:
‘Bij het verlaten van het parkeervak en het oprijden van de weg zag ik dat er een snorfiets aankwam rijden. (…) Ik bracht mijn voertuig hiervoor tot stilstand op de weg. Mijn voertuig stond voor de helft op de weg waardoor en nog voldoende ruimte was voor de snorfiets om mij te passeren. Ik zag dat de snorfiets schrok en een uitwijk manoeuvre trachtte te maken. ik zag dat enkele meters voor mijn voertuig de snorfietser samen met de snorfiets ten val kwam. Ik zag dat de snorfiets samen met de bestuurder op de grond tot stilstand kwam. Er is tussen de snorfiets en mijn voertuig geen contact geweest, wij hebben elkaar dus niet geraakt. Wel is mijn voertuig nog een stukje doorgerold nadat de snorfiets ten val kwam. Dit kwam doordat mijn voertuig nog in zijn D “automaat, Drive” stond en ik door de schrik mijn voet van de rem haalde. Ik heb de snorfiets niet geraakt doordat mijn voertuig nog een stukje naar voren rolde.’
2.3.2. [A] , in het proces-verbaal verhoor getuige d.d. 2 juni 2013:
‘Ik zag dat er een grijskleurige taxi een parkeervak uit wilde rijden. Op het moment dat de taxi het parkeervak verliet en voor de helft op de weg stond bracht hij zijn voortuig tot stilstand. Dit deed hij volgens mij omdat er een bromfiets aankwam (…). Blijkbaar schrok de bestuurder van de bromfiets dat de taxi de weg opreed. De bromfietser maakt waarschijnlijk een uitwijkmanoeuvre en kwam daarbij ten val samen met zijn bromfiets.’
2.3.3. [eiser] , in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2013:
‘Ik heb een eetcafé ‘ [eetcafe] ’ aan de [adres] te [plaats] . Aldaar vertrok ik, vanaf bovengenoemde locatie, op een snorfiets die ik van een kennis had geleend. (…) Ik reed met de snorfiets over de Bergblauwstraat in de richting van de Vriesgroenstraat. Ik zag dat er op de Bergblauwstraat een personenauto, voor mij aan de linkerzijde, het parkeervak verliet en de weg opreed. In mijn beleving kwam de personenauto zodanig snel de weg oprijden dat ik moest stoppen om de personenauto te ontwijken. De personenauto stond wel tijdig stil. Er is tussen mij en de personenauto geen contact geweest. Ik reed met een snelheid van ongeveer 20 km per uur op dat moment. Ik kneep hard in mijn remmen om te stoppen en dus een aanrijding te voorkomen. Doordat ik zo hard remde blokkeerde blijkbaar mijn wielen waardoor ik met de snorfiets onderuit ging. Ik kwam ten val en heb hierbij mijn been gebroken, tevens bleek later in het ziekenhuis dat mijn arm en een rip ook gebroken waren. De doorgang die ik had, toen de personenauto stopte, was ongeveer 100 centimeter.’
2.3.4. [C] (hierna: mevrouw [C] ), in de getuigenverklaring bij een aanrijding d.d. 28 juni 2013:
‘De auto met kenteken [kentekennummer] stond ± 15 sec. sti(l, toevoeging rechtbank) op de weg. Hierna zag ik van links een brommer komen aanrijden. Nog voordat hij bij de auto was, zag ik hem slingeren op (…) weg en even later viel de bromfietser en gleed uit tot voor de auto. Hierbij is geen enkel contact geweest tussen de twee voertuige(n, toevoeging rechtbank).’
2.3.5. [D] , in de getuigenverklaring bij een aanrijding d.d. 28 juni 2013:
‘(…) dat er al slingerend een bromfiets kwam aanrijden van links. Even later kwam hij ten val, zonder dat hierbij sprake was van contact tussen crysler en de bromfiets. Op het moment dat ik de bromfiets aan kwam zag rijd stond de crysler al op stilstand dit waarschijnlijk om de bestuurder van de bromfiets te laten passer(en, toevoeging rechtbank) en ongeveer 10 à 12 sec later kwam hij ten val.’

2.3.6. [E] , in de getuigenverklaring bij een aanrijding d.d. 30 juni 2013:
‘Ik zag op 02-06-13 een man op een bromfiets rijden. Hij reed ongeveer met een snelheid van ± 30 km. Ik zag dat hij op een gegeven slingerde en van de bromfiets afviel. Het was een eenzijdig ongeluk (…) Hiermee bedoel ik dat de grijze crysler niet de oorzaak was van het ongeluk, want hij st(ond, toevoeging rechtbank) stil en naar mijn ziens was er vee(l, toevoeging rechtbank) doorgang.’
2.3.7. [gedaagde sub 2] , in zijn antwoorden op de door Aegon bij brief van 28 augustus 2013 gestelde (nadere) vragen:

vraag 1: Bent u stil gaan staan toen u de bromfiets zag aankomen?
‘Nee ik ben niet stil gaan staan toen ik de bromfiets zag aankomen, maar ik stond al stil toen ik de bromfiets de straat in zag rijden.’
vraag 2: Hoe verklaart u dat u 15 seconden stilstond?
‘Vanaf het begin van de straat tot aan de plek van het ongeluk is geen 15 parkeerplaatsen (…) maar is ongeveer 30 parkeerplaatsen. Dit is geen antwoord op de vraag maar om duidelijkheid te scheppen over het aantal parkeerplaatsen dat aanwezig is. Dit betekent dat je met een snelheid van een normale bromfiets er plus minus 15 seconden over doet. Daarvan uitgaand heb ik ongeveer 15 seconden stilgestaan nadat ik de brommer de straat in zag rijden.’
2.3.8. Mevrouw [C] , in haar antwoorden op de door Aegon bij brief van 28 augustus 2013 gestelde (nadere) vragen:
vraag 3: De afstand van het eind van de straat waar de bromfiets zichtbaar werd is ongeveer 15 parkeerplaatsen. Kunt u verklaren dat de taxi dan al 15 seconden stilstond? Weet u of de taxi is gestopt omdat hij de bromfiets zag aankomen of voor iets anders?
‘Ik zag de bromfietser in het begin van de straat en op dat moment stond de auto al stil. Het is moeilijk om een schatting te maken van hoeveel seconden het duurde van iets wat je niet ziet aankomen. Maar als je het achteraf in laat werken op jezelf hoeveel tijd en doorgang er voor de bromfiets was, kan ik zeggen dat er naar mijn mening ongeveer 13 tot 15 seconden tijd is geweest tot de ongeluk is gebeurd. ’
2.3.9. [F] , in de getuigenverklaring van 30 augustus 2013:
‘bestuurder van de scooter schrok toen de bestuurder van de auto plotseling vanuit uit het parkeervak reedt, waardoor hij de scooter (de scooter bestuurder) op ze rem drukte en viel. (…) Naar mijn mening heeft de bestuurder van de auto niet goed gekeken of hij de gelegenheid had om uit te parkeren, en daarbij reedt hij te snel uit het parkeervak. (…) Het uitzicht van de scooter bestuurder was vrij. De auto bestuurder had de scooter zien aankomen als hij wat rustiger uit het parkeervak reedt.’
2.3.10. [G] , in de getuigenverklaring van 30 augustus 2013:
‘Ik zag de scooter (…) uitwijken toen er plotseling een auto uitparkeerde. (…) auto heeft de scooter geen voorrang verleend, hij reed te snel vooruit. (…) als de auto voorzichtig uit het parkeervak was gereden had hij de scooter aan zien komen.’
2.3.11. [H] , in de getuigenverklaring van 30 augustus 2013:
‘De scooter schrok toen de auto plotseling uitparkeerde. (…) uitzicht was prima, als de auto rustig uit zou parkeren had hij de scooter aan zien komen.’
2.4. De onder 2.3.4. tot en met 2.3.6. genoemde getuigenverklaringen zijn opgesteld op verzoek van Merkelbag Adviesgroep, een – naar de rechtbank aanneemt – door [gedaagde sub 2] ingeschakelde verzekeringstussenpersoon. De onder 2.3.9. tot en met 2.3.11. genoemde getuigenverklaringen zijn opgesteld op verzoek van het door [eiser] ingeschakelde expertisebureau de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Expertise- en schaderegelingsbureau Tijbout B.V. (hierna: Tijbout).

2.5. Bij het ongeval heeft [eiser] letsel opgelopen. Er is sprake van een scheenbeen- en kuitbeenfractuur rechts, (operatie)littekens op de rechterknie en aan de binnenzijde van de rechterenkel, ribfractuur rechts, een kneuzing of botscheur aan de rechterarm/elleboog, polsfractuur links en diverse blauwe plekken en hematomen. [eiser] is van 2 tot en met 7 [maand] 2013 opgenomen geweest in het [Medisch Centrum] te [plaats] .

2.6. Ter beoordeling van de aard en de omvang van de letselgevolgen van [eiser] heeft er op verzoek van [eiser] op 7 juni 2013 een persoonlijk onderhoud plaatsgevonden met de heer [X] , registerexpert bij Tijbout. Op 10 juni 2013 is het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport inzake letselschade uitgebracht (hierna: het rapport van [X] ).

2.7. Tussen Aegon, in persoon van [Y] , en de door [eiser] ingeschakelde belangenbehartiger de heer [Z] van Randstad Letselschade & Advies is op 13 januari 2014 per mailverkeer onder meer het volgende over en weer gecorrespondeerd over de mate van aansprakelijkheid c.q. de schuldverdeling.

Aegon:
‘Uit het politierapport blijkt dat beide partijen aansprakelijk zijn voor de val van uw cliënt. Ik neem hierover nog geen concreet standpunt in. (…) We hebben afgesproken dat u bij uw cliënt informeert naar zijn klachten en huidige beperkingen. Afhankelijk hiervan kunnen we een pragmatische regeling proberen te treffen. Als dit niet wenselijk is zullen we een schaderegelaar inschakelen en ons standpunt mededelen over de aansprakelijkheid.’

[Z] :
‘Client kan zijn werkzaamheden als pizza bakker niet meer doen, hij is een zelfstandige en explodeert een Snackbar & Bar.’
‘Zonet heb ik met client een telefonisch gesprek gehad (…) Al met al heel veel letsel en beperkingen (…) Een huisbezoek met een door u aan te stellen expert lijkt mij hard nodig.’

Aegon:
‘Ik schakel Andriessen Expertise in (…) Wij erkennen 50% aansprakelijkheid.’
[Z] :
‘Client is met de schuldverdeling van 50% niet eens. Hij is van mening dat de totale schuld van deze ongeval bij u verzekerde ligt.’

2.8. Bij e-mailbericht van 23 januari 2014 schrijft Aegon, in persoon van [Y] , dat Aegon het door haar ten aanzien van de aansprakelijkheid ingenomen standpunt (50%) handhaaft.
2.9. Op verzoek van Aegon heeft mr. [Q] , expert bij Andriessen Expertise, een bezoek aan [eiser] gebracht. Nog diezelfde dag heeft de heer [Q] het naar aanleiding van het bezoek opgestelde expertiserapport uitgebracht. Dit rapport, waarin [eiser] wordt aangeduid als ‘betrokkene’, vermeldt – voor zover relevant – het volgende:
‘Betrokkene zei dat hij, anders dan waarvan Aegon uitgaat, te weinig ruimte had om te passeren. Hij kon dan ook niet anders dan (stevig) remmen. De chauffeur zou de taxi, direct nadat betrokkene was gevallen, naar achteren hebben gereden. (…) Met de belangenbehartiger kwam ik overeen dat ik u adviseer een voorschot van € 10.000,– (…).’
2.10. Aegon heeft – uitgaande van 50% eigen schuld van [eiser] – in totaal € 15.000 aan voorschotten betaald aan [eiser] .”

2.3. Aegon heeft in de genoemde deelgeschilprocedure aansprakelijkheid tot 50% erkend. In geschil was of sprake is van een evenredige schuldverdeling. De rechtbank heeft in de beschikking in het deelgeschil een afweging gemaakt op basis van alle omstandigheden en wederzijdse gedragingen. Onder het kopje “causaliteitsafweging” heeft de rechtbank als volgt overwogen en beslist:
“4.3. Alle omstandigheden van het geval afwegende is de rechtbank – met Aegon – van oordeel dat de val van [eiser] met de snorfiets en daarmee de schade mede te wijten is aan eigen fouten en gedragingen van [eiser] en aldus sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW. Dit staat aan de door [eiser] voorgestane volledige toerekening van de schade aan [gedaagde sub 2] /Aegon in de weg. Ingeval van eigen schuld wordt de schade over de benadeelde ( [eiser] ) en de aansprakelijke partij ( [gedaagde sub 2] /Aegon) verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. De rechtbank acht de volgende omstandigheden en wederzijdse gedragingen van belang voor de schuldverdeling.

Afstand auto – snorfiets en passeerruimte
4.4. Uit het Mutatie rapport van De Onderzoek Ongevallen Dienst volgt dat de wegbreedte 5,40 meter was, dat [gedaagde sub 2] bij het zien van [eiser] is gestopt en dat er daarbij een afstand van ruim 2 meter overbleef om met de snorfiets voor het voertuig van [gedaagde sub 2] langs te rijden. Voorts meldt voornoemd rapport dat [eiser] ca. 10 meter voor het voertuig van [gedaagde sub 2] ten val is gekomen en dat van een daadwerkelijk aanrijding geen sprake is geweest. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat [eiser] genoeg ruimte had om geleidelijk zijn snelheid te verminderen, zijn rit op de rechterweghelft te vervolgen en het voertuig van [gedaagde sub 2] te passeren. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling dat [gedaagde sub 2] de auto na het ongeval naar achteren zou hebben gereden. Deze blote stelling wordt niet door de verklaringen onderschreven. Integendeel, door meerdere getuigen ( [D] en [E] ) is verklaard dat er voldoende passeerruimte was terwijl [gedaagde sub 2] zelf verklaart dat zijn voertuig nadat [eiser] met zijn snorfiets ten val was gekomen nog een stukje is doorgerold.
Voertuigbeheersing
4.5. Voorts neemt de rechtbank op grond van het Mutatie rapport van De Onderzoek Ongevallen Dienst als vaststaand aan dat [eiser] bij het zien uitparkeren van het voertuig van [gedaagde sub 2] zodanig geschrokken is dat hij te hard heeft geremd waardoor de snorfiets is geblokkeerd. [eiser] stelt dat zijn schrik/-paniekreactie volledig is toe te rekenen aan [gedaagde sub 2] , die met zijn grote (ca. 5 meter) voertuig onverwacht, zonder goed te kijken en met aanzienlijke snelheid uit het parkeervak zou zijn weggereden. De rechtbank volgt [eiser] niet in dit betoog. De rechtbank oordeelt – met Aegon – dat zeer wel aannemelijk is dat de abrupte remwijze van [eiser] en uiteindelijk de val niet alleen het gevolg zijn van de door de gedragingen van [gedaagde sub 2] bij [eiser] veroorzaakte schrik-/paniekreactie, maar mede zijn toe te rekenen aan het feit dat [eiser] de snorfiets had geleend, er derhalve sprake was van gebruiksonbekendheid en daarmee van een mindere mate van voertuigbeheersing. Deze omstandigheden liggen in de risicosfeer van [eiser] . Daar komt bij dat [eiser] kennelijk tevens onvoldoende heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat er auto’s uit de parkeervakken naar voren zouden kunnen komen.
Snelheid
4.6. Ten aanzien van het door [eiser] aan [gedaagde sub 2] gemaakte verwijt dat hij onvoorzichtig en met hoge snelheid zou hebben uitgeparkeerd, overweegt de rechtbank dat een en ander zich – zoals Aegon terecht aanvoert – niet verhoudt met de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] vanuit parkeerstand is vertrokken en binnen zeer korte afstand – blijkens de in voornoemd Mutatie rapport genoemde afmetingen en de verklaring van [A] nog op de linker weghelft – weer tot stilstand is gekomen. Dat de vermeende gedragingen worden onderschreven door een aantal getuigen ( [F] , [G] en [H] ) doet aan het voorgaande niet af, nu de andere verklaringen de aan [gedaagde sub 2] verweten gedragingen niet bevestigen maar – zoals hiervoor overwogen – veeleer van het tegendeel getuigen. Opmerking verdient daarbij nog dat de ondersteunende verklaringen alle zijn afgelegd door met [eiser] en/of met elkaar bevriende personen en zij dus niet als volstrekt onafhankelijke getuigen kunnen worden aangemerkt.
Schuldverdeling
4.7. Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe de mate waarin de aan [eiser] en [gedaagde sub 2] toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval vast te stellen op 65% voor [eiser] en 35% voor [gedaagde sub 2] (Aegon).”

2.4. Onder het kopje “billijkheidscorrectie” heeft de rechtbank vervolgens in de beschikking in het deelgeschil als volgt overwogen en beslist:
“4.8. Vervolgens ligt de vraag voor of, wegens de ernst van de gemaakte fouten en/of andere omstandigheden van het geval, het toepassen van een billijkheidscorrectie gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Daarbij slaat de rechtbank acht op de ernst van het door de aanrijding ontstane letsel en de als gevolg daarvan bestaande beperkingen. Hiertoe verwijst de rechtbank naar het door [eiser] overgelegde rapport van [X] , waarin informatie over het door [eiser] opgelopen letsel is opgenomen. Voorts vermeldt dit rapport dat [eiser] sinds het ongeval arbeidsongeschikt is en voor de werkzaamheden in en aan zijn woning, afhankelijk van de aard daarvan, een beroep moet doen op de hulp van anderen.
4.9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat minder gewicht moet worden toegekend aan de aan [eiser] zelf toe te rekenen omstandigheden. Rekening houdend met de omstandigheid dat geen sprake is van uitzonderlijk zwaar letsel en voorts met de ernst van de aan [eiser] toe te rekenen gedragingen en omstandigheden, bestaat er in dit geval echter geen reden om, zoals [eiser] lijkt voor te staan, het vergoedingsniveau vast te stellen op het maximum van 100%. De val en daarmee de schade is immers in belangrijke mate veroorzaakt door de hiervoor genoemde onvoldoende voertuigbeheersing en de onvoldoende anticipatie op de situatie ter plaatse. Naar het oordeel van de rechtbank leidt toepassing van de billijkheidscorrectie ertoe dat Aegon gehouden is voor 50% bij te dragen in de schade van [eiser] . De helft van de totale schade dient derhalve op grond van eigen schuld voor rekening van [eiser] zelf te blijven.”

2.5. [eiser] heeft na de beschikking van de rechtbank in het deelgeschil [gedaagde sub 2] en zijn echtgenote als getuigen doen horen in het kader van een op zijn verzoek gelast voorlopig getuigenverhoor.

2.6. [gedaagde sub 2] heeft blijkens het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor van 19 november 2014 als getuige verklaard: “Naar aanleiding van het ongeval op 2 juni 2013 te Zaandam kan ik het volgende verklaren: Op uw vraag of mijn verklaring bij de politie van 2 juni 2013 juist is, zeg ik u dat dat niet zo is. Na het ongeval was ik in shock en heb ik geprobeerd mij zelf in te dekken, Ik wilde niets bij mij zelf neerleggen. Wat niet klopt uit de verklaring is dat ik gezegd heb dat ik 15 seconden stil stond voordat de snorfietser viel. Het klopt ook niet dat ik de snorfietser vanaf het begin van de straat heb zien aankomen. Hoe het wel is gegaan is als volgt. Ik stond ingeparkeerd en wilde wegrijden. Ik reed een stukje vooruit en was met de auto half het parkeervak uitgereden toen ik naar rechts keek. Ik zag dat de snorfietser was gevallen. Hij lag al op de grond toen ik keek. De afstand tussen de auto en de snorfietser was drie à vier meter, maximaal vijf meter. De snorfietser reed vanuit de parkeervakken gezien aan de overkant van de weg, aan de kant van de stoep. Ik denk dat de snorfietser is geschrokken en daardoor ten val is gekomen. Nu u mij vraagt waar de snorfietser lag, nadat de snorfietser ten val was gekomen, zeg ik u dat hij links van mij auto lag. Dat was op de eerdergenoemde afstand van drie a vier meter, maximaal vijf meter van mijn auto. Mijn verklaring over het doorrollen van de auto in antwoord op de vragen van 28 augustus 2013 klopt wel. Ik heb destijds in paniek geremd. Ik kan mij niet meer zo goed herinneren hoe ik mij toen precies voelde. Ik zag de snorfietser en ben op de rem gaan staan.

Op vragen van mr. […]
De auto stond op het moment van het ongeval in zijn D en is nadat de snorfietser ten val was gekomen nog een stukje naar voren gereden omdat ik wilde uitstappen. Aan de linkerkant van mijn auto was nog één of twee parkeerplaatsen en aan de rechterkant van mijn auto waren het er ongeveer 30.”

 

2.7. Daarna heeft [eiser] wederom een verzoekschrift tot het houden van een deelgeschil ingediend. De rechtbank heeft naar aanleiding van dit verzoekschrift bij brief van 6 februari 2015 bericht: “De rechtbank heeft reeds eerder bij beschikking van 18 augustus 2014 over dezelfde rechtsvraag als die thans aan de rechtbank wordt voorgelegd in een procedure tussen dezelfde partijen afwijzend beslist. Derhalve is een hernieuwde beoordeling van de zaak (ongeacht de vraag of er nieuwe feiten voorhanden zijn) slechts mogelijk in appel, nu de beslissing in deelgeschil als bindende eindbeslissing heeft te gelden. Teneinde appel tegen een beslissing in deelgeschil te kunnen instellen is het aanhangig maken van een bodemprocedure noodzakelijk. De rechtbank geeft u dan ook in overweging de zaak in te trekken en een bodemprocedure te starten. Daarmee wordt voorkomen dat er een beschikking moet volgen waarin een niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken.” [eiser] heeft vervolgens dit verzoekschrift tot het houden van een deelgeschil ingetrokken en de onderhavige bodemprocedure ingeleid.

 

3 Het geschil

 

3.1. [eiser] vordert samengevat en na vermindering van eis ter comparitie – voor recht te verklaren dat Aegon c.s. hoofdelijk en volledig aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van het ongeval van 2 juni 2013 (hierna: het ongeval) en – naar de rechtbank gelet op het verhandelde ter comparitie leest: voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank Aegon c.s. voor meer dan 50% aansprakelijk acht – hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank te bepalen aanvullend voorschot onder algemene titel ter zake van de door [eiser] geleden en te lijden schade als gevolg van het ongeval.

3.2. [eiser] voert aan dat de rechtbank in de beschikking in het deelgeschil is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden. Hij beroept zich op de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] en stelt dat sprake is van nieuwe feiten die de rechtbank dwingen terug te komen op de eindbeslissingen die genomen zijn in de beschikking in het deelgeschil. [gedaagde sub 2] kan zich volgens [eiser] niet beroepen op de beschikking van de rechtbank in het deelgeschil aangezien hij geen partij was in die procedure, terwijl artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) er niet aan in de weg staat dat in een bodemprocedure naast de verzekeraar ook [gedaagde sub 2] als verzekerde en de veroorzaker van het ongeval in rechte wordt betrokken. Mede in aanmerking genomen de verklaring van [gedaagde sub 2] als getuige, is het ongeval voor 100% aan [gedaagde sub 2] te wijten, althans dient in het geval van een andere schuldverdeling op basis van de billijkheidscorrectie alsnog de volledige schade voor zijn rekening en daarmee die van Aegon te komen.

3.3. Aegon c.s. voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt dat de rechtbank gebonden is aan de eindbeslissingen die zij genomen heeft in de beschikking in het deelgeschil. In die beschikking is beslist over de materiële rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] . De eindbeslissingen in de beschikking in het deelgeschil gelden in het WAM-kader, gelet op de in de WAM verankerde directe actie, in de onderhavige procedure ook ten opzichte van [gedaagde sub 2] . Verder is volgens Aegon c.s. geen sprake van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag van de eindbeslissingen in de beschikking in het deelgeschil. De rechtbank is uitgegaan van het Mutatierapport van Onderzoek en Ongevallendienst (hierna: het Mutatierapport) en de verklaring van [gedaagde sub 2] als verdachte tegenover politie. De getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] wijkt in essentie niet af van zijn verklaring tegenover de politie. Aegon c.s. stellen dat [eiser] het niet eens is met de beschikking van de rechtbank in het deelgeschil; de termijn voor het verkrijgen van verlof om (tussentijds) hoger beroep in te stellen tegen de beschikking is echter verstreken. Voor een herhaling van het deelgeschil, zoals [eiser] kennelijk wenst, is in de bodemprocedure geen plaats. Als een beslissing in deelgeschil door een bodemrechter in dezen terzijde kan worden geschoven, zou een deelgeschil zijn nut verliezen. Subsidiair stellen Aegon c.s. zich op het standpunt dat de vordering op inhoudelijke gronden moet worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4 De beoordeling

 

4.1. Aan de orde is de mate van aansprakelijkheid van Aegon c.s. voor de gevolgen die [eiser] ondervindt van het ongeval. Aegon heeft erkend aansprakelijk te zijn voor 50% van de schade die [eiser] heeft geleden en zal lijden als gevolg van het ongeval. In geschil is of Aegon c.s. volledig tegenover [eiser] aansprakelijk is voor die schade.

4.2. De rechtbank zal – gelet op het debat tussen partijen – eerst beoordelen of en in hoeverre zij in deze procedure gebonden is aan de eindbeslissingen die de deelgeschillenrechter in de beschikking in het deelgeschil heeft genomen. Vervolgens zal zij, afhankelijk van de uitkomst hiervan inhoudelijk de door [eiser] gestelde en door Aegon c.s. betwiste mate van aansprakelijkheid van Aegon c.s. beoordelen.

 

Rechtbank gebonden aan eindbeslissingen in deelgeschil?

4.3. In artikel 1019 cc lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is met betrekking tot de verhouding tussen een beschikking in een deelgeschilprocedure en de procedure ten principale bepaald: “Voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, is de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden als wanneer de beslissing zou zijn genomen in een tussenvonnis in die procedure.” Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank gelet op dit artikel in deze procedure tegenover Aegon in beginsel gebonden is aan de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen beslissingen, oftewel: de eindbeslissingen, die zij heeft genomen in de beschikking in het deelgeschil.

Reikwijdte artikel 1019cc lid 1 Rv

4.4. Punt van geschil is allereerst of het in artikel 1019cc lid 1 Rv vervatte uitgangspunt ook geldt tegenover [gedaagde sub 2] , die geen procespartij is geweest in de deelgeschilprocedure. Dit betreft de vraag of deze bepaling rechtstreeks, dan wel analoog mede van toepassing is in de onderhavige procedure tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] , waarmee derhalve de reikwijdte van die bepaling moet worden beoordeeld.

4.5. Aegon is de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] jegens [eiser] volgens de WAM is gedekt. Ingevolge artikel 6 lid 1 WAM heeft [eiser] jegens Aegon een eigen recht op schadevergoeding. Op die grond, in samenhang bezien met artikel 1019w lid 3 Rv, dat de mogelijkheid biedt voor de benadeelde om ook in deelgeschil betaling te verlangen van de WAM-verzekeraar, heeft [eiser] Aegon als procespartij betrokken in de procedure die geleid heeft tot de beschikking van de rechtbank in het deelgeschil.

4.6. Nu [gedaagde sub 2] geen procespartij is geweest in de deelgeschilprocedure, is de rechtbank bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] in de onderhavige procedure niet op grond van artikel 1019 cc lid 1 Rv gebonden aan de eindbeslissingen van de rechtbank in de beschikking in het deelgeschil. Weliswaar is de rechtsverhouding tussen [eiser] en Aegon, waarover de rechtbank in de beschikking in het deelgeschil heeft beslist, gebaseerd op de (mate van) aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] , maar dit betekent niet dat de rechtbank in die beschikking op een voor de rechtbank in deze procedure tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] bindende wijze heeft beslist over de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] . Van belang in dit verband acht de rechtbank ook dat in het geval eerder in een procedure ten principale tussen [eiser] en Aegon een verklaring voor recht zou zijn afgegeven zoals thans gedaan is in de deelgeschilprocedure, de bindende kracht van die beslissing zich op grond van artikel 9 lid 1 WAM niet mede zou uitstrekken tot [gedaagde sub 2] als verzekerde. Voor een analoge toepassing van artikel 1019 cc lid 1 Rv ziet de rechtbank gelet hierop evenmin een grond.

4.7. Afgezien van het feit dat artikel 1019cc lid 1 Rv in de procedure tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] niet van toepassing is, geldt dat de rechtbank gelet op de stellingen en verweren van partijen in deze procedure inhoudelijk geen gronden ziet om ten aanzien van de vorderingen van [eiser] tegenover [gedaagde sub 2] anders te oordelen dan ten aanzien van de vorderingen van [eiser] tegenover Aegon. Nu [eiser] tegenover Aegon en [gedaagde sub 2] precies dezelfde stellingen betrekt en Aegon en [gedaagde sub 2] gelijkluidend verweer voeren, acht de rechtbank het niet verenigbaar met het doel en de strekking van de deelgeschilprocedure, namelijk een instrument om een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase te doorbreken, en artikel 1019w lid 3 Rv in het bijzonder, geschreven ten faveure van de benadeelde, wanneer zij enkel vanwege de omstandigheid dat [eiser] in deze procedure mede [gedaagde sub 2] als procespartij betrokken heeft, tot een inhoudelijk andere beoordeling van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en daarmee de schadevergoedingsverplichting van Aegon zou komen dan die in de beschikking in het deelgeschil is gegeven. De rechtbank neemt daarom ook bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] tegenover [gedaagde sub 2] de eindbeslissingen die de deelgeschillenrechter in de beschikking in het deelgeschil heeft gegeven tot uitgangspunt.

 

Bevoegdheid terug te komen van eindbeslissingen in het deelgeschil?

4.8. Een volgend punt van geschil is of de rechtbank, gelet op de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] , bevoegd is in deze procedure van de eindbeslissingen van de deelgeschillenrechter in de beschikking in het deelgeschil terug te komen. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

4.9. De rechtbank stelt vast dat de deelgeschillenrechter in de beschikking in het deelgeschil, gegeven de door Aegon erkende aansprakelijkheid, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist (in 4.3.) dat de val van [eiser] en daarmee de schade mede te wijten is aan eigen fouten en gedragingen van [eiser] en dat aldus sprake is van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW, (in 4.7.) dat zij de mate waarin de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval vaststelt op 65% voor [eiser] en 35 % voor [gedaagde sub 2] , (in 4.8.) dat zij het toepassen van een billijkheidscorrectie gerechtvaardigd acht en (in 4.9.) dat die toepassing haar ertoe leidt dat Aegon gehouden is voor 50% bij de dragen in de schade. Dit zijn derhalve de eindbeslissingen waaraan de rechtbank op grond van artikel 1019 cc lid 1 Rv gebonden is.

4.10. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010, nr. 09/01584, LJN BN8521, NJ 2010/634 is de rechter aan wie gebleken is dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, nr. C06/250, LJN BC2800, NJ 2008/553). Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. De rechter dient – ook – in een dergelijk geval te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is (vgl. HR 5 januari 1996, nr. 15881, LJN ZC1946, NJ 1996/597 en HR 16 januari 2004, nr. C02/239, LJN AM2358, NJ 2004/318).

4.11. [gedaagde sub 2] is als getuige gehoord nadat de beschikking in het deelgeschil is gewezen. De rechtbank zal, gelet hierop en gelet op de genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad, hierna beoordelen of die getuigenverklaring, zoals [eiser] stelt, nieuwe feiten bevat ten opzichte van de feiten waarvan de deelgeschillenrechter is uitgegaan, en zo ja, of die nieuwe feiten meebrengen dat de beschikking in het deelgeschil, als door [eiser] bepleit, op een onjuiste feitelijke grondslag berust en ten slotte, voor zover dat het geval is, of zij hierin aanleiding ziet tot heroverweging van die eindbeslissingen, teneinde te voorkomen dat zij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.

4.12. De rechtbank is van oordeel dat de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] nieuwe feiten bevat ten opzichte van de verklaringen die hij als verdachte heeft afgelegd ten overstaan van de politie (proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 juni 2013, hiervoor in 2.2. achter 2.3.1. weergegeven) en de antwoorden die hij gegeven heeft op de nadere vragen van Aegon (hiervoor in 2.2. achter 2.3.7. weergegeven). [gedaagde sub 2] heeft als getuige verklaard: ”Wat niet klopt uit de verklaring is dat ik gezegd heb dat ik 15 seconden stil stond voordat de snorfietser viel. Het klopt ook niet dat ik de snorfietser vanaf het begin van de straat heb zien aankomen. Hoe het wel is gegaan is als volgt. Ik stond ingeparkeerd en wilde wegrijden. Ik reed een stukje vooruit en was met de auto half het parkeervak uitgereden toen ik naar rechts keek. Ik zag dat de snorfietser was gevallen. Hij lag al op de grond toen ik keek.”, terwijl hij eerder ten overstaan van de politie heeft verklaard: “Bij het verlaten van het parkeervak en het oprijden van de weg zag ik dat er een snorfiets aankwam rijden. (…) Ik zag dat de snorfiets schrok en een uitwijk manoeuvre trachtte te maken. ik zag dat enkele meters voor mijn voertuig de snorfietser samen met de snorfiets ten val kwam. Ik zag dat de snorfiets samen met de bestuurder op de grond tot stilstand kwam. Ik bracht mijn voertuig hiervoor tot stilstand op de weg.”, respectievelijk Aegon heeft geantwoord: “Nee ik ben niet stil gaan staan toen ik de bromfiets zag aankomen, maar ik stond al stil toen ik de bromfiets de straat in zag rijden.” en “ (…) Daarvan uitgaand heb ik ongeveer 15 seconden stilgestaan nadat ik de brommer de straat in zag rijden.”. Verder heeft hij als getuige in aanvulling op zijn eerdere verklaring ten overstaan van de politie en de antwoorden die hij Aegon heeft gegeven, verklaard: “De afstand tussen de auto en de snorfietser was drie à vier meter, maximaal vijf meter. (…) De snorfietser reed vanuit de parkeervakken gezien aan de overkant van de weg, aan de kant van de stoep. (…). Nu u mij vraagt waar de snorfietser lag, nadat de snorfietser ten val was gekomen, zeg ik u dat hij links van mij auto lag. Dat was op de eerdergenoemde afstand van drie a vier meter, maximaal vijf meter van mijn auto.”

4.13. De nieuwe feiten, dat wil zeggen feiten ter zake waarvan [gedaagde sub 2] als getuige heeft verklaard dat hetgeen hij daaromtrent eerder heeft verklaard ten overstaan van de politie, althans aan Aegon heeft geantwoord niet juist is, en feiten in aanvulling op die eerdere verklaring en antwoorden, zijn de volgende:

– [gedaagde sub 2] heeft de snorfietser niet vanuit stilstaande positie vanaf het begin van de straat zien aankomen/ de straat in zien rijden en heeft hem niet zien vallen;

– toen [gedaagde sub 2] half het parkeervak was uitgereden en naar rechts keek, zag hij dat de snorfietser gevallen was en op de grond lag;
– de snorfietser lag links van de auto van [gedaagde sub 2] , op een afstand van drie a vier meter, maximaal vijf meter;

– de snorfietser reed vanuit [gedaagde sub 2] gezien aan de overkant van de weg, aan de kant van de stoep.

4.14. Deze nieuwe feiten neemt de rechtbank in aanmerking bij haar verdere beoordeling ten aanzien van haar bevoegdheid tot heroverweging van haar beschikking in het deelgeschil. De rechtbank verwerpt het verweer van Aegon c.s. dat zij bij haar beoordeling of zij bevoegd is terug te komen van in de beschikking in het deelgeschil genomen eindbeslissingen slechts mag vergelijken de verklaring van [gedaagde sub 2] als verdachte ten overstaan van de politie en de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] omdat de rechtbank bij haar beoordeling in 4.3. – 4.9. van de beschikking in het deelgeschil niet met zoveel woorden de antwoorden van [gedaagde sub 2] aan Aegon van belang in haar motivering heeft genoemd. Het staat de rechtbank gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010 vrij om op basis van alle stukken van het geding terug te komen van een eerder genomen eindbeslissing, ter voorkoming van een ondeugdelijke einduitspraak en mits gemotiveerd.

 

4.15. De genoemde nieuwe feiten leiden de rechtbank tot de conclusie dat de eindbeslissingen van de deelgeschillenrechter in de beschikking in het deelgeschil op onjuiste feitelijke grondslag berusten. De rechtbank licht dat oordeel hierna toe.

 

4.16. De rechtbank stelt vast dat de deelgeschillenrechter haar eindbeslissingen in 4.3. en 4.7. (en daarmee de eindbeslissingen in 4.8. en 4.9.) blijkens de beschikking in het deelgeschil mede heeft gebaseerd op het Mutatierapport van De Onderzoek en Ongevallendienst (hierna: Mutatierapport) en de verklaringen die getuigen destijds die hebben afgelegd. Blijkens de overwegingen van de deelgeschillenrechter in 4.4. van die beschikking heeft [eiser] genoeg ruimte gehad om geleidelijk zijn snelheid te verminderen, zijn rit op de rechterweghelft te vervolgen en het voertuig van [gedaagde sub 2] te passeren. De deelgeschillenrechter is verder in 4.5. van oordeel dat de abrupte remwijze en uiteindelijk de val niet alleen het gevolg zijn van de door [gedaagde sub 2] bij [eiser] veroorzaakte schrik/-paniekreactie, maar mede zijn toe te rekenen aan het feit dat [eiser] de snorfiets had geleend, er derhalve sprake was van gebruiksonbekendheid en daarmee een mindere mate van voertuigbeheersing. Daar komt volgens de deelgeschillenrechter bij dat [eiser] kennelijk onvoldoende heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat er auto’s uit de parkeervakken naar voren zouden kunnen komen. Ten slotte verwerpt zij in 4.6. het verwijt van [eiser] dat [gedaagde sub 2] onvoorzichtig en met hoge snelheid heeft uitgeparkeerd.

 

4.17. De deelgeschillenrechter is onder meer uitgegaan van het feit dat “de bestuurder (…) de snorfietser (zag) vallen en stopte”, zoals dat in het Mutatierapport als verklaring van [gedaagde sub 2] , als verdachte, is opgenomen. De nieuwe feiten die zijn gebleken uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] , waaraan de rechtbank meer gewicht toekent dan aan zijn verklaring als verdachte, in samenhang bezien met alle stukken van het geding, brengen de rechtbank – kort gezegd – tot een gewijzigd beeld van de toedracht van het ongeval. Anders dan feitelijk ten grondslag heeft gelegen aan de beschikking in het deelgeschil, is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat geen sprake is geweest van een situatie waarin [gedaagde sub 2] [eiser] de straat heeft in zien rijden, hij al stil heeft gestaan vóór de val van [eiser] en hij die val heeft gezien, maar van een situatie waarin [gedaagde sub 2] aan [eiser] geen voorrang heeft verleend, [gedaagde sub 2] [eiser] pas heeft gezien nadát hij was gevallen en [eiser] zich na de val op kortere afstand van de auto heeft bevonden, dan de deelgeschillenrechter in de beschikking in het deelgeschil heeft aangenomen. Hieruit volgt dat de beschikking van de rechtbank in het deelgeschil, die mede gebaseerd is op het Mutatierapport en specifiek op de omstandigheid dat daarin vermeld is dat [gedaagde sub 2] bij het aan zien komen rijden en zien vallen van [eiser] is gestopt, op een onjuiste feitelijke grondslag berust.

 

4.18. De rechtbank ziet in het gewijzigde beeld dat zij gekregen heeft van de toedracht van het ongeval reden om over te gaan tot heroverweging van de beschikking in het deelgeschil, teneinde een ondeugdelijke (eind)uitspraak in deze procedure ten principale te voorkomen. Anders dan Aegon c.s. hebben betoogd, is niet aan de orde een verkapt hoger beroep van de beschikking in het deelgeschil omdat [eiser] zich niet kan verenigen met die beschikking. De rechtbank verwerpt het verweer van Aegon c.s. dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen omdat hij verzuimd heeft tijdig appelverlof van de beschikking in het deelgeschil te vragen. De heroverweging van de rechtbank van de beschikking in het deelgeschil stoelt, binnen het daarvoor gegeven toetsingskader, op een objectiveerbare oorzaak, namelijk de naar voren gekomen nieuwe feiten uit de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] . Nu deze feiten pas na het verstrijken van de termijn voor het vragen van verlof om appel zijn gebleken, heeft [eiser] niet anders kunnen doen dan deze bodemprocedure in te leiden.

Heroverweging
4.19. De rechtbank acht het geboden om terug te komen van de eindbeslissing in 4.7. van de beschikking in het deelgeschil – betreffende de schuldverdeling – en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en beslissingen in 4.4. tot en met 4.6. van die beschikking. Voorop staat dat [gedaagde sub 2] [eiser] niet heeft zien aankomen en – in eerste instantie – geen voorrang heeft verleend, hetgeen wel had gemoeten. De rechtbank overweegt met betrekking tot de eigen schuld van [eiser] aan het ongeval als volgt.

 

4.20. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat een weggebruiker op een snorfiets die met een normale oplettendheid en voorzichtigheid rijdt over een weg met parkeervakken die zich (in dit geval: haaks) aan de linker- en/of rechterzijde van de weg bevinden, rekening heeft te houden met uitparkerende auto’s die de weg opdraaien. Van [eiser] mocht derhalve worden verwacht dat hij anticipeerde op auto’s die vanuit de parkeervakken aan de linkerzijde van de weg zijn weghelft (de rechterzijde van de weg) zouden opdraaien. Voorts moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat [eiser] in beginsel voldoende ruimte heeft gehad om de auto (zonder val) te passeren. Dit, gelet op de verklaring van getuige [A] ten overstaan van de politie, waaruit blijkt dat [gedaagde sub 2] de auto tot stilstand bracht toen hij voor de helft op de weg stond, op grond waarvan de rechtbank ervan uitgaat dat de auto nog op de linkerweghelft is komen stil te staan (zie hiervoor in 2.2. achter 2.3.2.) en gelet op de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] waaruit blijkt dat [eiser] aan de overkant van de weg, aan de kant van de stoep reed (zie hiervoor in 2.6.). In dit verband merkt de rechtbank op dat zij niet aanneemt dat [gedaagde sub 2] met grote snelheid het parkeervak is uitgereden, a) omdat hij vanuit stilstand vertrok, b) hij (slechts) half het parkeervak was uitgereden toen hij naar rechts keek en [eiser] toen al op de grond lag en c) sprake was van een eenzijdig ongeval, waarbij noch de auto en [eiser] , noch de auto en de snorfiets waarop [eiser] reed, elkaar hebben geraakt.

 

4.21. Voorts staat vast dat [eiser] de snorfiets had geleend en ervan moet worden uitgegaan, gelet op de verklaring van getuige [A] ten overstaan van de politie en de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] , dat [eiser] geschrokken is, een uitwijkmanoeuvre heeft gemaakt en dat de remmen van de snorfiets zijn geblokkeerd doordat hij hard heeft geremd, waardoor hij ten val is gekomen, zoals hij ook zelf ten overstaan van de politie heeft verklaard. De rechtbank verwijst ook naar het Mutatierapport, waarin vermeld is dat “de oorzaak van de val kan zijn dat [eiser] schrok van de naar voren komende Chrysler en of in combinatie met een goede voertuigbeheersing”. [eiser] valt te verwijten dat hij – kennelijk – onvoldoende heeft geanticipeerd en als gevolg daarvan zodanig abrupt heeft geremd dat de remschijven zijn geblokkeerd en hij ten val is gekomen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel, zoals de deelgeschillenrechter ook in haar beschikking in 4.3. heeft overwogen, dat het ongeval mede ontstaan is door de eigen gedragingen van [eiser] . De op grond van de getuigenverklaring van [gedaagde sub 2] gewijzigde feitelijke grondslag brengt hierin, anders dan [eiser] betoogt, geen verandering. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen van deze eindbeslissing van de deelgeschillenrechter. De omstandigheid dat [eiser] zelf ook een scooter heeft, zoals hij ter comparitie naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank evenmin tot een andere conclusie.

 

4.22. Vervolgens rijst de vraag in welke mate de gedragingen van ieder der partijen causaal zijn aan het ongeval. Van belang acht de rechtbank dat het in eerste instantie aan [gedaagde sub 2] was om, voordat hij uitparkeerde en de weg opreed, te kijken of er geen verkeer van rechts kwam waaraan hij voorrang moest verlenen. De omstandigheid dat hij dit heeft nagelaten, zoals uit de gewijzigde feitelijke grondslag blijkt, heeft naar het oordeel van de rechtbank méér bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval dan de omstandigheid dat [eiser] onvoldoende heeft geanticipeerd en zodanig hard heeft geremd dat de remschijven van de snorfiets zijn geblokkeerd, waardoor hij gevallen is. Anderzijds is er sprake geweest van een eenzijdig ongeval. Gelet op dit alles, komt de rechtbank wat betreft de verdeling van de wederzijdse causaliteit tot de slotsom dat de aan [gedaagde sub 2] toe te rekenen omstandigheden voor 60% aan de schade hebben bijgedragen en de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden voor 40% aan die schade hebben bijgedragen. Gezien het gewijzigde beeld van de rechtbank van de toedracht van het ongeval, pakt deze causaliteitsverdeling derhalve anders uit dan die in de beschikking van het deelgeschil.

 

4.23. De rechtbank ziet in het vorenstaande geen aanleiding om terug te komen van de eindbeslissing in 4.8. van de beschikking in het deelgeschil, namelijk dat toepassing van een billijkheidscorrectie gevaardigd is; wel zijn er gronden, gezien de ernst van de gemaakte fouten en de omstandigheden van het geval, zoals thans aangenomen, voor een andere uitkomst van die correctie. De billijkheid eist naar het oordeel van de rechtbank een correctie van 20 % op de hiervoor vastgestelde verdeling, zodanig dat op [gedaagde sub 2] , en daarmee tevens op Aegon, een vergoedingsplicht komt te rusten van 80 % van de schade. Aan de mate van verwijtbaarheid van de fouten van [eiser] komt naar het oordeel van de rechtbank een geringere betekenis toe dan aan die van [gedaagde sub 2] , terwijl zoals ook eerder is vastgesteld, sprake is van uitzonderlijk zwaar letsel van [eiser] . In dit verband verdient nog opmerking dat blijkens het verhandelde ter comparitie nog immer geen sprake is van een eindtoestand.

 

Conclusie vergoedingsplicht
4.24. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank voor recht verklaren dat Aegon c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van het ongeval en verplicht zijn 80 % van die schade te vergoeden.

 

Aanvullend voorschot
4.25. Nu de rechtbank de vergoedingsplicht van Aegon c.s. vaststelt op meer dan 50%, waarmee de voorwaarde is vervuld van de voorwaardelijke vordering van [eiser] , en Aegon c.s. tegen de bepaling van een aanvullend voorschot geen inhoudelijk verweer hebben gevoerd, zal de rechtbank Aegon c.s. tevens hoofdelijk veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot. Vaststaat dat [eiser] onder algemene titel een voorschot is voldaan ten bedrage van € 35.000. Blijkens het verhandelde ter comparitie achten Aegon c.s. een verdubbeling van het voorschot aanvaardbaar in het geval de rechtbank tot volledige aansprakelijkheid van Aegon c.s. zou hebben geconcludeerd. Gelet hierop, alsmede gelet op de door de rechtbank vastgestelde hoogte van de vergoedingsplicht van Aegon c.s., de overgelegde – voorlopige – stukken in verband met de begroting van de schade van [eiser] en het feit dat partijen verklaard hebben in constructief gesprek te zijn over de schadeafwikkeling, zal de rechtbank om praktische redenen een aanvullend voorschot bepalen ten bedrage van € 21.000 (zijnde 80 % van € 70.000 = € 56.000, minus € 35.000).

 

Proceskosten
4.26. Aegon c.s. zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] . De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op een totaalbedrag van € 1.076,19 (€ 94,19 aan deurwaarderskosten, € 78 aan griffierecht en € 904 aan salaris advocaat (2 punten x Tarief II).

5 De beslissing

 

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Aegon c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van het ongeval van 2 juni 2013 en verplicht zijn 80 % van die schade te vergoeden,

 

5.2. veroordeelt Aegon c.s. hoofdelijk tot betaling van een aanvullend voorschot op de te vergoeden schade ten bedrage van € 21.000,

5.3. veroordeelt Aegon c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] , tot op heden begroot op € 1.076,19, waarbij Aegon c.s. gehouden is de explootkosten van € 94,19 te betalen aan de griffier na ontvangst van een nota,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.G.J. Ferenschild, mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en mr. B.J. Sol en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2016.