• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • 26 mei 2016
  • ECLI:NL:RBAMS:2016:3557
  • Zaaknummer: HA RK 16-37

Rb: ongeval afslaande auto en inhalende motor, 100% schuld automobilist na billijkheidscorrectie

Ongeval tussen linksaf slaande auto, waarvan de bestuurder onder invloed van verdovende middelen verkeerde en (mogelijk hard rijdende,) inhalende motorfiets. De motorrijder loopt ernstig hersenletsel op. Door de verzekeraar van de auto is aansprakelijkheid erkend; het geschil draait om de eigen schuld van de motorrijder. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op eigen schuld aan de zijde van de motorrijder faalt, omdat op grond van de causale verdeling 100% schuld ligt bij de automobilist. Zelfs indien de rechtbank enige schuld zou toerekenen aan de motorrijder vanwege het inhalen op of vlak voor een kruising met een snelheid van 80 km/uur, komt de rechtbank wegens de ernst van het letsel van op grond van de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW eveneens tot 100% schuld aan de zijde van de automobilist.

ECLI:NL:RBAMS:2016:3557

 

 

Instantie Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak 26-05-2016

Datum publicatie 13-06-2016

Zaaknummer HA RK 16-37

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Is sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW?

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

..beschikking

 

RECHTBANK AMSTERDAM

 

 

Afdeling privaatrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/13/601753 / HA RK 16-37

 

 

 

 

Beschikking van 26 mei 2016

 

 

 

 

[verzoeker], in zijn hoedanigheid van bewindvoerder en mentor van [naam 1] ,

 

wonende te [plaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. Chr. H. van Dijk

 

 

 

 

en

 

 

 

 

de naamloze vennootschap

 

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

 

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

 

belanghebbenden,

 

advocaat mr. A.H.M. van Noort.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Aegon worden genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met producties,

 

de beschikking van 25 februari 2016 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

 

het verweerschrift, tevens houdende tegenverzoek, met producties,

 

de brief van 13 april 2016 van de zijde van [verzoeker] , met productie 9,

 

de e-mail van 13 april 2016 van de zijde van [verzoeker] waarbij op verzoek van de rechtbank producties 2 en 3 van het verzoekschrift in kleur zijn overgelegd,

 

de schriftelijke aantekeningen van de griffier (welke aan het dossier zijn toegevoegd) alsmede de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen van de mondelinge behandeling op 15 april 2016.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

 

Op 6 oktober 2013 heeft omstreeks 16.13 uur een verkeersongeval plaatsgevonden op de kruising Westpoortweg/Abijanweg S102 te Amsterdam. Bij het ongeval waren

 

betrokken [naam 1] , bestuurder van een Kawasaki-motorrijtuig, en [naam 2] , als bestuurder van een zwarte Suzuki-personenauto. De personenauto van [naam 2] is op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Aegon.

 

 

 

 

Foto van de kruising Westpoortweg/Abijanweg S102 te Amsterdam:

 

 

 

2.2.

[naam 1] heeft ten gevolge van het verkeersongeval onder meer zwaar blijvend hersenletsel opgelopen en hij is (groten)deels verlamd.

 

 

2.3.

In het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 6 oktober 2013 is onder meer opgenomen:

 

 

 

“Ik zag dat [naam 2] het contact van de personenauto aanzette en hoorde terstond zeer luide muziek komen uit de autoradio. Ik hoorde dat het volume van de autoradio dusdanig hoog was dat naar mijn mening tijdens het rijden geluid van buitenaf niet meer hoorbaar kon zijn.”

 

 

 

2.4.

 

[naam 2] heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte van zondag 6 oktober 2013 onder meer het volgende verklaard:

 

Hij gebruikt Ritalin in verband met ADHD. De laatste medicijnen had hij de donderdag voor het ongeval (het ongeval vond plaats op een zondag) genomen.

 

Hij reed – kort samengevat – helemaal links op voorsorteervak voor linksaf toen hij in aanrijding kwam met de motor. De motor reed op de linkerrijkstrook voor rechtdoor.

 

De dag voor de aanrijding (zaterdagavond rond 19.30 uur) had hij een joint gerookt.

 

De (house)muziek in zijn auto stond niet keihard aan. Het volume van zijn autoradio gaat tot 50 en deze stond ten tijde van de aanrijding niet harder dan 40.

 

 

 

2.5.

In het proces-verbaal van verhoor getuige van 10 oktober 2013 is opgenomen dat [naam 3] (hierna: [naam 3] ) als getuige over de aanrijding heeft verklaard:

 

 

 

“Wij kwamen van Pontje Buiten huizen […] en reden 80 km per uur. […] zodra het tweebaans werd werd ik ingehaald door zowel die zwarte auto als de motor. Zij haalde mij hard in over links. Ik reed op mij cruise control 80 km per uur. Zij gingen veel harder. Zodra het driebaans werd waar de uitvoeg strook er bij komt. (noot verbalisant getuigen wijst naar het kruisingsvlak waar de Westpoortweg bestaat uit twee doorgaande rijbanen en 1 baan voor rechts af de Abidjanweg op en 1 baan voor links af richting het bedrijf Rietlanden). Reed de zwarte auto op de rechter doorgaande weg en de motor bleef ook op deze baan. Ik zag dat de motor de auto ging inhalen. Ik zag dat de auto naar links knipperde en naar links ging. Daar waar het niet meer mocht. Daar kwamen ze met elkaar in botsing de motor schampte tegen het portier aan reed tegen de stoeprand […]. Daarna vloog de motor over de kop. […]”.

 

 

 

2.6.

Tegen [naam 2] is naar aanleiding van het ongeval proces-verbaal opgemaakt wegens het als verkeersdeelnemer veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel en het rijden onder invloed. Uit het rapport van het NFI van 28 oktober 2013 blijkt dat in het bloed van [naam 2] zijn aangetroffen amfetamine en de cannabinoïden THC en 11-OH-THC. Daarnaast zijn een onwerkzaam omzettingsproduct van cocaïne (benzoylecgonine) en een onwerkzaam omzettingsproduct van cannabis (THC-COOH) aangetoond. Op grond van de concentraties van amfetamine en THC in het bloed van [naam 2] concludeert het NFI dat zijn rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig was beïnvloed.

 

 

2.7.

In het proces-verbaal van de VerkeersOngevalsAnalyse van de Dienst Verkeerspolitie (VOA) van 22 november 2013 is onder meer opgenomen:

 

 

 

“5.2. Toedracht, oorzaak en gevolg

 

[…] Het is niet geheel duidelijk geworden wie op welke rijstrook reed, maar vast staat dat de aanrijding tussen de linkerflank van de personenauto en de rechterzijkant van de motorfiets had plaats gevonden.

 

Op de overgang van het linker voorsorteervak voor rechtdoor en het voorsorteervak voor linksaf troffen wij een remblokkeerspoor aan. De lengte van dit spoor was ongeveer 3 meter lang.

 

Na het passen van de onderlinge schades, constateerde[n] wij dat het zeer waarschijnlijk is dat tijdens het aanrijden van de motorfiets de rechter remhendel ingedrukt is door het naar links rijden van de personenauto. De rechter remhendel bedient de voorrem van de motorfiets. Door de aanrijding werd een blokkering van het voorwiel van de motorfiets veroorzaakt, dat een remblokkeerspoor achterliet op de scheiding tussen het linksaf voorsorteervak en het rechtdoor voorsorteervak.

 

Hieruit volgt dat de motorfiets zeer waarschijnlijk op het linkervak voor rechtdoor had gereden en de personenauto op het rechtervak voor het rechtdoor verkeer. Daaruit volgt dat de bestuurder van de personenauto niet op de juiste wijze had voorgesorteerd om linksaf te slaan op het kruispunt Abidjanweg. […]”.

 

 

 

2.8.

In het proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 maart 2014 is als verklaring van [naam 2] onder meer opgenomen:

 

 

 

“[…] In mijn herinnering reed ik al op het voorsorteervak voor links af. Ik had ook al richting aangegeven dat ik naar links wilde afslaan. U toont mij nu een tekening en legt daarbij uit dat dit niet kan omdat het rem blokkeerspoor pas aan het einde van het voorsorteervak is aangetroffen en dat ik dus op de linker rijstrook voor het rechtdoorgaande verkeer gereden moet hebben. Ik kan u hiervoor geen verklaring geven. Volgens mij reed ik al op het voorsorteervak toen de motorrijder met hoge snelheid voorbij kwam rijden. […] Ik heb er dan ook verklaring voor dat er op de linker rijstrook voor rechtdoor en pas richting het einde van het linksafvak een remspoor is aangetroffen. […]”.

 

 

 

2.9.

In het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 mei 2014 heeft [naam 3] als getuige over de aanrijding verklaard:

 

 

 

“[…] Ik reed al aardig op het kruispunt af toen ik aan de linkerzijde werd ingehaald door een bestuurder van een kleine zwarte auto en een motorfiets. Zelf reed ik rond de 80 kilometer per uur. Ongeveer vier a vijf meter voor mij kwam de personenauto in botsing met de motorfiets. Hoe exact

 

de rijbaanverdeling was met betrekking tot de motorfiets en de zwarte auto kan ik niet zeggen. Dat is voor mij gissen. Wel hoorde ik vlak voor de botsing dat de motorfiets aan het versnellen was. Ik kon

 

echt horen dat de bestuurder van de motorfiets het gas opentrok. Mogelijk reed de motorfiets parallel aan de zwarte auto, en is er toen iets misgegaan. Wat er mis is gegaan dat kan ik niet zeggen. Mogelijk dat de bestuurder van de zwarte auto op het laatst toch naar links wilde afslaan. Hij was in ieder geval niet voorgesorteerd naar links, en reed eigenlijk te hard om naar links te gaan. […]”.

 

 

 

2.10.

Aan het NFI zijn op 15 mei 2014 door de Dienst Controle Infrastructuur Verkeer (DCIV) de volgende nadere vragen gesteld:

 

 

 

“1. Zijn in het bloed van [naam 2] methylfenidaat (merknaam Ritalin®) en/of omzettingsproducten methylfenidaat aanwezig? Zo ja, in welke concentratie?

 

2. Duiden de in het bloed van [naam 2] aangetroffen stoffen op het gebruik van methylfenidaat (merknaam Ritalin®)?

 

3. Wat zijn de minimale waarde en maximale waarde van de in het bloed van [naam 2] aangetroffen stoffen bij normaal methylfenidaat (merknaam Ritalin®) gebruik?

 

4. Welke waarschuwingssticker betreffende de invloed van het medicijn methylfenidaat (merknaam Ritalin®) op de rijvaardigheid behoort op het medicijndoosje te zijn aangebracht?”

 

 

Hierop heeft het NFI op 12 juni 2014 als volgt geantwoord:

 

“1. In het bloed van [naam 2] zijn geen methylfenidaat en ritalinezuur aangetoond.

 

2. Met het uitgevoerde onderzoek zijn in het bloed van [naam 2] geen methylfenidaat en ritalinezuur aangetoond. Er is dus geen aanwijzing voor het gebruik van Ritalin® (methylfenidaat) ten tijde van de bloedafname.

 

3. […]

 

4. Methylfenidaat (merknaam Ritalin®) heeft bij normaal therapeutisch gebruik geen tot weinig negatieve invloed op de rijvaardigheid.”.

 

 

2.11.

In het kader van een voorlopig getuigenverhoor gehouden voor de rechtbank Den Haag heeft [naam 3] op 29 januari 2015 verklaard dat de auto en de motor naar schatting 100 tot 120 kilometer per uur moeten hebben gereden op het moment van de aanrijding. De echtgenote van [naam 3] zat ook in de auto. Zij heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor onder meer verklaard dat zij op de cruise-control 80 kilometer per uur reden en werden ingehaald door de motor en de auto en dat zij niet weet hoe hard die auto en motor reden. Zij hoorde de motor accelereren. [naam 2] heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor verklaard zo’n 85 kilometer per uur te hebben gereden bij het inhalen van de auto van [naam 3] .

 

 

2.12.

In opdracht van [verzoeker] heeft [naam 4] re, verkeersongevallendeskundige van [naam 4] Verkeers Ongevallen Analyse (MVOA), op 9 april 2015 een rapport uitgebracht. Hij komt tot de conclusie (waarbij het voorsorteervak voor linksaf is genummerd als 1, de twee rijstroken voor rechtdoor als 2 en 3 en de rijstrook voor rechtsaf als 4):

 

 

 

“Wat betreft de te beoordelen gedragingen kan mijns inziens het volgende worden gezegd:

 

1.Of de Suzukibestuurder kort voor de botsing ook al op voorsorteerstrook 2 reed, of nog eerst van voorsorteerstrook 3 naar 2 is gewisseld en vervolgens naar voorsorteerstrook 1 wisselde, dat volgt niet uit de technische informatie die voorligt. Dit volgt ook niet uit de videobeelden.

 

 

2.Een mijns inziens wel zeker gegeven is, dat de Suzukibestuurder daar niet (meer) van voorsorteerstrook had mogen wisselen, zeker niet van deze voorsorteerstrook 2 naar voorsorteerstrook 1 (voor linksaf). Hij had hier zijn weg rechtdoor moeten blijven volgen.

 

 

3.De Kawasakibestuurder moet kort voor de botsing al op voorsorteerstrook 2 hebben gereden. Praktisch gezien is het immers niet mogelijk om met een bepaalde snelheid binnen enkele meters van voorsorteerstrook 3 naar 2 (helemaal links) te wisselen.”

 

 

2.13.

Naar aanleiding van de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen heeft [naam 4] van MVOA een nader rapport gedateerd 21 juli 2015 opgesteld waarin hij aan de hand van beschikbare videobeelden van een bewakingscamera van een nabij de plaats van het ongeval gelegen bedrijf onder meer concludeert – kort gezegd – dat de door [naam 3] tijdens het getuigenverhoor aangegeven snelheid van de auto van [naam 2] en de motor niet juist kan zijn.

 

 

 

3 Het deelgeschil

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat Aegon vanwege volledige aansprakelijkheid van [naam 2] 100% van de schade van [naam 1] die voortvloeit uit het ongeval van 6 oktober 2013 dient te vergoeden en Aegon te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van het deelgeschil groot € 4.149,09 + pm.

 

 

3.2.

 

Aegon verzoekt:

 

primair voor recht te verklaren dat Aegon voor 65% (40% uit hoofde van de causaliteit en 25% uit hoofde van de billijkheid) aansprakelijk is voor de schade van [naam 1] ten gevolge van het ongeval van 6 oktober 2013 en derhalve tot vergoeding van dat aandeel van de schade van [naam 1] is gehouden.

 

subsidiair, voor zover de rechtbank het door Aegon aangegeven aansprakelijkheids-percentage niet zo zou onderschrijven, voor recht te verklaren dat zij aansprakelijk is voor een zodanig percentage als de rechtbank juist zal achten en derhalve tot vergoeding van dat aandeel van de schade van [naam 1] is gehouden.

 

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

[verzoeker] (als vertegenwoordiger van zijn zoon [naam 1] ) heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dat artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een beslissing van de rechter in te roepen. De rechterlijke uitspraak moet partijen in staat stellen om de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden.

 

 

4.2.

Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe de mate van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vast te stellen. Dat valt in beginsel binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv. Met een oordeel over de mate van eigen schuld kunnen partijen verder onderhandelen over de door Aegon aan [verzoeker] te vergoeden schade. [verzoeker] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. Voorts komt [verzoeker] een directe actie toe jegens Aegon als WAM-verzekeraar van [naam 2] .

 

 

4.3.

Het tegenverzoek van Aegon gaat om dezelfde rechtsvraag zodat ook Aegon in haar verzoek ontvankelijk is. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek.

 

 

4.4.

Aegon heeft aansprakelijkheid erkend voor het ongeval. Aegon doet een beroep op eigen schuld (in de zin van artikel 6:101 BW) aan de zijde van [naam 1] en stelt het percentage eigen schuld op 65%, zijnde 40% uit hoofde van causaliteit en 25% uit hoofde van de billijkheid. [verzoeker] betwist dat sprake is van eigen schuld en betoogt dat Aegon 100% van de schade van zijn zoon Reinier Balm dient te dragen.

 

 

4.5.

Vaststaat dat [naam 2] ten tijde van het ongeval onder invloed van verdovende middelen verkeerde. De door het NFI vastgestelde concentratie verdovende middelen in het bloed van [naam 2] overschreed de toegestane norm. Om die reden is tegen [naam 2] ook strafrechtelijke vervolging ingesteld. Gegeven dit te hoge gehalte aan verdovende middelen heeft [naam 2] de norm van artikel 8 lid 2 aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994 overtreden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR8876) overwogen dat deze norm specifiek strekt tot het voorkomen van verkeersongevallen en de daaruit voortvloeiende schade. Dit specifieke gevaar heeft zich verwezenlijkt in de vorm van de aanrijding tussen [naam 2] en [naam 1] . Dit betekent dat de omkeringsregel van toepassing is. Deze regel houdt in dat indien door een als onrechtmatige daad aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken is om te stellen en aannemelijk te maken dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. In casu betekent dit dat Aegon als verzekeraar van [naam 2] dient te stellen en aannemelijk te maken dat het ongeval ook zou zijn ontstaan als [naam 2] niet onder invloed van verdovende middelen zou hebben verkeerd en derhalve geen gevaarscheppend gedrag zou hebben vertoond.

 

 

4.6.

Voorts bepaalt lid 1 van artikel 78 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) dat bestuurders die de rijbaan volgen verplicht zijn op een kruispunt de richting te volgen die de voorsorteerstrook waarop zij zich bevinden aangeeft. Uit het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 oktober 2013 (zie hiervoor onder 2.5.) blijkt dat [naam 3] heeft verklaard dat [naam 2] op de rechterrijstrook voor rechtdoor reed toen hij werd ingehaald door ( [naam 1] op) de motor. Hoewel [naam 3] later (zie het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 mei 2014, onder 2.9.) als getuige bij de politie heeft verklaard dat hij niet kan zeggen hoe de exacte rijbaanverdeling was van de motorfiets en de zwarte auto, heeft hij wel verklaard dat de bestuurder van de zwarte auto op het laatst toch naar links wilde afslaan en dat hij in ieder geval niet was voorgesorteerd om links af te slaan. Uit het proces-verbaal van 27 maart 2014 (zie 2.8.) blijkt dat de politie aan de hand van het remblokkeerspoor heeft vastgesteld dat [naam 2] op de linkerrijstrook voor rechtdoor moet hebben gereden, en dat de verklaring van [naam 2] dat hij op het voorsorteervak voor linksaf reed ten tijde van de aanrijding, niet juist kan zijn. Dit is ook in overeenstemming met het proces-verbaal van de VOA (zie 2.7) die concludeert dat het zeer waarschijnlijk is dat de motor op de linkerrijstrook voor rechtdoor reed en de personenauto op het rechterrijstrook voor rechtdoor. Volgens de VOA volgt daaruit dat de bestuurder van de personenauto niet op de juiste wijze had voorgesorteerd om linksaf te slaan. Tenslotte concludeert ook [naam 4] (zie 2.12) dat [naam 2] in ieder geval niet in het voorsorteervak voor linksaf reed ten tijde van de aanrijding. Een en ander betekent dat niet vaststaat op welke rijstrook [naam 2] en [naam 1] precies hebben gereden, maar dat wel vaststaat dat [naam 2] niet op het voorsorteervak voor linksaf heeft gereden, terwijl hij wel linksaf is gaan slaan op het moment van de aanrijding. Aldus staat vast dat [naam 2] zich niet heeft gehouden aan artikel 78 RVV 1990.

 

 

4.7.

 

De stelling van Aegon dat [naam 1] [naam 2] heeft ingehaald op dezelfde rijstrook wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Zoals hiervoor reeds overwogen bieden de

 

processen-verbaal van politie noch de verklaringen van de getuigen in het kader van het voorlopig getuigenverhoor hiertoe voldoende aanknopingspunten. Onduidelijk blijft wie precies waar heeft gereden.

 

 

 

4.8.

 

De stelling van Aegon dat [naam 1] ten tijde van de aanrijding te hard zou hebben gereden wordt slechts onderbouwd met de verklaring van [naam 3] die in het kader van het voorlopig getuigenverhoor (zie 2.9) heeft verklaard dat de auto en de

 

motor naar schatting 100 tot 120 kilometer per uur moeten hebben gereden terwijl ter plaatste 80 kilometer per uur was toegestaan. Deze verklaring wordt echter weerlegd door het tweede rapport van MVOA (zie 2.13), waarin aan de hand van camerabeelden ten tijde van het ongeval de conclusie wordt getrokken dat deze snelheid niet juist kan zijn. Dit betekent dat ook de stelling van Aegon dat [naam 1] te hard zou hebben gereden als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd.

 

 

 

4.9.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat het beroep van Aegon op eigen schuld aan de zijde van [naam 1] faalt reeds omdat op grond van de causale verdeling 100% schuld ligt bij [naam 2] . Zelfs indien de rechtbank enige schuld zou toerekenen aan [naam 1] vanwege het inhalen op of vlak voor een kruising met een snelheid van om en nabij de 80 kilometer per uur, komt de rechtbank wegens de ernst van het letsel van [naam 1] op grond van de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW eveneens tot 100% schuld aan de zijde van [naam 2] . Dit betekent dat het beroep op eigen schuld aan de zijde van [naam 1] faalt en dat Aegon volledig aansprakelijk is voor de schade van [naam 1] . De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen als in de beslissing vermeld.

 

 

4.10.

 

Ter zake van de verzochte kostenbegroting en -veroordeling geldt het volgende. Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten. Bij de begroting van de kosten dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. De advocaat van [verzoeker] heeft zijn kosten begroot op EUR 4.149,09, te vermeerderen met 4 uren voor de spreekaantekeningen en het bijwonen van de zitting x uurtarief EUR 325,=, derhalve in totaal EUR 5.449,09. Tegen de gevorderde kosten is als verweer gevoerd dat de zorgverzekeraar van Reinier Balm op de achtergrond een rol speelt in deze procedure. De rechtbank is van oordeel dat dit aan de verschuldigdheid van de proceskosten niet afdoet. In deze procedure is [verzoeker] immers als vertegenwoordiger van [naam 1] procespartij. Op grond van artikel 1019aa Rv is Aegon dan ook de proceskosten verschuldigd, mits deze naar het oordeel van de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is zodat de kosten van het deelgeschil worden begroot op EUR 5.449,09.

 

5. De beslissing

 

De rechtbank

 

 

 

5.1.

verklaart voor recht dat Aegon volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van 6 oktober 2013 en gehouden is de dientengevolge door [naam 1] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade volledig aan hem te vergoeden,

 

 

5.2.

 

begroot de kosten van het deelgeschil op een bedrag van EUR 5.449,09

 

en veroordeelt Aegon tot betaling van dit bedrag als kosten van dit deelgeschil aan [verzoeker] ,

 

 

 

5.3.

verklaart deze beschikking ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

 

 

5.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door

 

mr. A. Vogelzang, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.1