• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Amsterdam
  • 19 juli 2017
  • ECLI:NL:RBAMS:2017:5141
  • Zaaknummer: C/13/612993 / HA ZA 16-772

Rb: letsel bij gevecht honden, art. 6:99 BW van toepassing nu niet vast staat welke hond heeft gebeten

Joey, de niet aangelijnde labrador van de vriend van eiseres, wordt aangevallen door de aangelijnde hond van gedaagde, Jip. Eiseres probeert Joey te bevrijden, waarbij haar vingerkootje wordt afgebeten. Zij stelt de bezitter van Jip aansprakelijk. 1. De rechtbank oordeelt dat, gelet op de betwisting door gedaagde, niet vast staat dat Jip de hond is geweest die het vingerkootje van eiseres heeft afgebeten. Nu niet is komen vast te staan welke hond het vingerkootje heeft afgebeten (‘alternatieve causaliteit’), doet zich de situatie voor dat de schade van eiseres het gevolg kan zijn van twee gebeurtenissen (het bijten door Jip en het bijten door Joey), voor elk waarvan een andere persoon, gedaagde ofwel de vriend van eiseres, aansprakelijk is terwijl niet vaststaat door welke gebeurtenis zij is veroorzaakt. Dit betekent dat artikel 6:99 BW op deze situatie van toepassing is en dat op gedaagde hoofdelijk aansprakelijk is. 2. De rechtbank oordeelt dat sprake is van 20% eigen schuld vanwege het los laten lopen van Joey in een aanlijngebied.

ECLI:NL:RBAMS:2017:5141

Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 19-07-2017 Datum publicatie 21-07-2017 Zaaknummer C/13/612993 / HA ZA 16-772

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

De eigenaar van American Stafford Jip is aansprakelijk voor de schade die deze hond (mogelijk) toebracht aan een vrouw die een andere hond, Joey, uitliet.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .vonnis

 

RECHTBANK AMSTERDAM

 

 

Afdeling privaatrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/13/612993 / HA ZA 16-772

 

 

 

 

Vonnis van 19 juli 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. J.J. Sneller te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[gedaagde] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

de dagvaarding van 26 juli 2016, met producties;

 

de akte wijziging van eis en grondslag, met producties;

 

de conclusie van antwoord tevens antwoordakte eiswijziging, met producties;

 

het tussenvonnis van 9 november 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

 

de akte vermeerdering van eis, met producties;

 

het proces-verbaal van comparitie van 21 april 2017.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 25 november 2015 heeft [eiseres] labrador ‘Joey’, de hond van haar vriend [naam] (hierna: [naam] ), uitgelaten in een zogenoemd ‘hondenlosloopgebied’. Toen zij dit gebied verliet, kwam zij [gedaagde] tegen en zijn (aangelijnde) hond ‘Jip’, een Amerikaanse Staffordshireterriër.

 

 

2.2.

Joey, die (nog) niet was aangelijnd, is naar Jip toegelopen, waarop Jip Joey in zijn nek beet en hem hevig heen en weer is gaan schudden (‘prooischudden’). Joey probeerde Jip terug te bijten, maar omdat Jip hem bij zijn nek beet had, lukte het Joey niet om Jip te raken.

 

 

2.3.

[eiseres] is hierop aan de hals van Joey gaan trekken, maar [gedaagde] heeft haar toen afgeraden dit te doen, omdat Joey hierdoor (meer) beschadigd zou kunnen raken. [eiseres] heeft Joey hierop weer losgelaten.

 

 

2.4.

Omdat de beet van Jip voortduurde en [gedaagde] Jip niet onder controle kon krijgen, heeft [eiseres] opnieuw besloten in te grijpen. In haar (uiteindelijk) geslaagde poging Joey te bevrijden, is zij het bovenste vingerkootje van haar linker wijsvinger door een hondenbeet verloren.

 

 

2.5.

[eiseres] , die haar vingerkootje niet meer heeft kunnen terugvinden, is op de spoedeisende hulp beland en is aldaar behandeld. Omdat de wond aan haar vinger ontstoken raakte, heeft zij nadien verschillende behandelingen moeten ondergaan. In februari 2016 was [eiseres] (chirurgisch) uitbehandeld.

 

 

 

3 Het geschil

 

 

 

3.1.

[eiseres] vordert – na wijziging en vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

 

 

– voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt, heeft geleden en zal lijden als gevolg van de hondenbeet op 25 november 2015;

[gedaagde] veroordeelt tot het betalen van een – door de rechtbank te benoemen deskundige(n) nader vast te stellen – schadevergoeding aan [eiseres] , een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

 

[gedaagde] veroordeelt tot het buitenshuis te allen tijde gemuilkorfd houden van Jip op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat [gedaagde] in gebrek blijft aan die veroordeling te voldoen;

 

[gedaagde] veroordeelt in de proces- en nakosten.

 

 

3.2.

 

[eiseres] legt aan de door haar gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding het volgende ten grondslag. Jip heeft, toen [eiseres] Joey uit Jips greep probeerde te bevrijden, haar vingerkootje afgebeten. [gedaagde] is, als bezitter van Jip, op grond van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk voor de uit deze gedraging van Jip voortvloeiende schade. Voor zover niet zou komen vast te staan dat Jip het vingerkootje heeft afgebeten, is artikel 6:99 BW van toepassing. Van de twee vechtende honden heeft er één het vingerkootje afgebeten, waardoor schade is ontstaan. Omdat de onduidelijkheid welke hond het is geweest niet voor rekening van [eiseres] mag komen, is [gedaagde] (hoofdelijk) aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade, tenzij hij bewijst dat het Joey was die het vingerkootje heeft afgebeten.

 

Voor zover echter zou komen vast te staan dat het Joey was die haar heeft gebeten, beroept [eiseres] zich erop dat de gehele situatie is begonnen doordat Jip Joey aanviel. Nu Jip de agressor was en Joey slechts uit noodweer happende bewegingen heeft gemaakt, is [gedaagde] – ook in het geval Joey degene is geweest die het vingerkootje heeft afgebeten – op grond van artikel 6:179 BW voor de schade van [eiseres] aansprakelijk.

 

[gedaagde] is voor de door [eiseres] geleden schade ook op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk, nu hij – op basis van eerdere incidenten – wist dat Jip agressief naar andere honden was, maar desondanks heeft nagelaten Jip een muilkorf om te doen en ook heeft nagelaten een verzekering af te sluiten die eventuele door Jip (in dit verband) te veroorzaken en veroorzaakte schade zal dekken, aldus steeds [eiseres] .

 

 

 

3.3.

Aan de gevorderde veroordeling van [gedaagde] tot het gemuilkorfd houden van Jip, legt [eiseres] ten grondslag dat Jip, gezien zijn verschillende eerdere aanvallen op katten en honden en het onderhavige bijtincident, een gevaar vormt voor anderen. [eiseres] wens te voorkomen dat hij opnieuw een dier of persoon schade toebrengt.

 

 

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

 

 

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

Partijen houdt verdeeld of [gedaagde] , als bezitter van Jip, aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden doordat haar vingertopje is afgebeten toen zij Joey uit de greep van Jip probeerde te bevrijden.

 

 

4.2.

[eiseres] heeft aan haar stelling dat het Jip was die haar vinger heeft afgebeten en dat [gedaagde] daarom op grond van artikel 6:179 BW voor haar schade aansprakelijk is, het volgende ten grondslag gelegd. [eiseres] heeft gezien dat Jip haar vingerkootje afbeet. Het ligt ook voor de hand om aan te nemen dat Jip degene was die dit heeft gedaan, nu [eiseres] haar vinger in de bek van Jip heeft moeten stoppen om Joey uit zijn greep te bevrijden. Joey maakte weliswaar ook happende bewegingen, maar kan niet degene zijn geweest die het vingerkootje heeft afgebeten. Hij heeft immers geen volgroeid gebit, was al bijna buiten bewustzijn toen [eiseres] in actie kwam en had ook geen bloed bij zijn bek na afloop van het incident. [eiseres] heeft verder direct na het incident tegen een buurvrouw verklaard dat het Jip was die heeft gebeten. [gedaagde] , die bij het incident aanwezig was, heeft aanvankelijk ook de aansprakelijkheid voor het gedrag van zijn hond aanvaard, door [eiseres] te verwijzen naar de verzekeraar van zijn vriendin. Pas toen duidelijk werd dat ter zake geen verzekering was afgesloten, heeft hij zich op het standpunt gesteld dat Joey degene was die het vingerkootje heeft afgebeten, aldus steeds [eiseres] .

 

 

4.3.

[gedaagde] heeft betwist dat het Jip was die het vingerkootje heeft afgebeten door naar voren te brengen dat hij Jip, toen Jip zich in Joey vastbeet, heeft vastgegrepen en daarbij constant naar de bek van Jip heeft gekeken. Hij heeft niet gezien dat [eiseres] haar vinger in de bek van Jip heeft gestoken en/of dat Jip het vingerkootje van [eiseres] heeft afgebeten. [gedaagde] had Jip daarbij zo stevig vast dat Jip lange tijd alle zuurstof werd ontnomen. Toen Jip Joey losliet, kan hij dan ook niet meer de kracht hebben gehad om het vingerkootje van [eiseres] af te bijten. Gelet hierop en op het feit dat Joey in het rond aan het happen was, ligt het juist voor de hand om aan te nemen dat het Joey was die het vingerkootje heeft afgebeten. Joey was op het moment dat de honden werden gescheiden nog niet buiten bewustzijn. [eiseres] zal zich dus tot haar vriend [naam] , als bezitter van Joey, moeten wenden om haar schade vergoed te krijgen, aldus [gedaagde] .

 

 

4.4.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting door [gedaagde] kan niet – reeds op basis van de stellingname van [eiseres] – als vaststaand worden aangenomen dat Jip de hond is geweest die het vingerkootje van [eiseres] heeft afgebeten. Hierbij wordt opgemerkt dat er geen aanleiding bestaat om in de omstandigheid dat Joey geen volgroeid gebit heeft, uitgesloten te achten dat Joey het vingerkootje heeft afgebeten. [gedaagde] heeft in dit verband immers terecht (en onweersproken) naar voren gebracht dat Joey wel voortanden en enkele kiezen heeft en mogelijk ook met zijn kaakbot een vingerkootje zou kunnen afbijten. Nu [gedaagde] voorts heeft betwist dat Joey al buiten bewustzijn was op het moment dat hij door [eiseres] bevrijd werd, kan evenmin als vaststaand worden aangenomen dat hij [eiseres] om die reden niet kan hebben gebeten. Daartegenover staat dat in het door [gedaagde] aangevoerde, in het licht van de stellingen van [eiseres] , evenmin aanleiding bestaat om uitgesloten te achten dat Jip het vingerkootje heeft afgebeten. Nu [eiseres] heeft betwist dat Jip, als gevolg van de greep van [gedaagde] , verslapt was, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat Jip onvoldoende kracht had om [eiseres] te bijten. De enkele omstandigheid dat evenmin is komen vast te staan dat Jip ook ‘in het rond heeft gebeten’, maakt niet dat hij het vingerkootje niet kan hebben afgebeten. Jip heeft immers (Joey) gebeten en niet valt uit te sluiten dat Jip, toen [eiseres] Joey uit zijn greep probeerde te bevrijden, al dan niet door het plaatsen van een vinger in zijn mond, hierbij haar vingerkootje heeft afgehapt.

 

 

4.5.

Vast staat dat beide honden bijtgedrag vertoonden op het moment dat [eiseres] tussenbeide kwam. Jip beet immers Joey en Joey maakte happende bewegingen. Dit bijtgedrag van de beide honden maakt dat, indien dit voor één van hen of voor een derde tot schade lijdt, hun bezitters, [gedaagde] en [naam] , voor deze schade aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:179 BW. In dit geval heeft het bijtgedrag van de honden daadwerkelijk tot schade geleid, nu het vingerkootje van [eiseres] bij het hondengevecht door een hondenbeet verloren is gegaan. Nu niet is komen vast te staan welke hond het vingerkootje heeft afgebeten (‘alternatieve causaliteit’), doet zich de situatie voor dat de schade van [eiseres] het gevolg kan zijn van twee gebeurtenissen (het bijten door Jip en het bijten door Joey), voor elk waarvan een andere persoon, [gedaagde] ofwel [naam] , aansprakelijk is terwijl niet vaststaat door welke gebeurtenis zij is veroorzaakt. Dit betekent dat artikel 6:99 BW op deze situatie van toepassing is en dat op [gedaagde] , als één van de mogelijk aansprakelijke personen, hoofdelijk de verplichting rust om de schade van [eiseres] te vergoeden, tenzij hij bewijst dat niet Jip, maar Joey degene was die het vingerkootje heeft afgebeten.

 

 

4.6.

De enkele omstandigheid dat het hier om (slechts) twee mogelijk aansprakelijke en reeds geïdentificeerde personen gaat, maakt, anders dan [gedaagde] betoogt, niet dat artikel 6:99 BW in dit geval toepassing mist. In het door [gedaagde] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1992 (het Des-arrest; ECLI:NL:HR:1992:ZC0706) is het artikel weliswaar van toepassing geacht op een situatie waarin door de benadeelde niet was gesteld – en evenmin was komen vast te staan – wie precies tot de kring van de aansprakelijke personen behoort, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat artikel 6:99 BW toepassing mist als dit wel het geval is. Dat [eiseres] , die aanvankelijk ook [naam] en diens verzekeraar had gedagvaard, de dagvaarding jegens hen heeft ingetrokken, staat evenmin aan de toepasselijkheid van artikel 6:99 BW in de weg. Uit het hiervoor genoemde arrest volgt immers dat een benadeelde kan volstaan met dagvaarding van één van de hoofdelijk aansprakelijke personen.

 

 

4.7.

[gedaagde] heeft niet aangeboden te bewijzen dat het niet Jip maar Joey is geweest die het vingerkootje heeft afgebeten. De rechtbank ziet geen aanleiding om [gedaagde] ambtshalve tot bewijslevering in de gelegenheid te stellen. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat het niet Jip is geweest die het vingerkootje van [eiseres] heeft afgebeten en dat [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk is op grond van artikel 6:179 BW en 6:99 BW voor de door [eiseres] geleden en nog te lijden (letsel)schade. De vordering gebaseerd op de tweede grondslag (artikel 6:162 BW) kan daarom onbesproken blijven.

 

 

4.8.

[gedaagde] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat bij [eiseres] sprake is van (volledige) eigen schuld (artikel 6:101 BW), omdat zij Joey nog (ver) buiten het ‘hondenlosloopgebied’ heeft laten loslopen, waardoor Joey, al dan niet agressief, naar Jip heeft kunnen toelopen, met alle gevolgen van dien.

 

 

4.9.

Artikel 6:101 BW regelt de gevallen waarin de schade niet alleen is veroorzaakt door gebeurtenissen waarvoor de dader aansprakelijk is, maar ook door eigen gedragingen van de benadeelde of van gebeurtenissen die in zijn of haar risicosfeer liggen. Vaststaat dat [eiseres] Joey niet had aangelijnd toen zij [gedaagde] en Jip (buiten het ‘hondenlosloopgebied’) tegenkwam. Hiermee heeft zij het risico aanvaard dat Joey – al dan niet op eigen initiatief – met een andere hond in gevecht zou kunnen raken. Indien [eiseres] Joey wel zou hebben aangelijnd, had zij enerzijds kunnen voorkomen dat Joey in de buurt van Jip zou komen, en anderzijds had zij, wanneer Joey en Jip elkaar toch te dicht zouden naderen, Joey kunnen beschermen en terughalen uit een eventuele gevaarlijke situatie, zonder dat zij daarbij zichzelf in gevaar zou hoeven brengen. Dit geldt temeer nu, zoals uit de stukken naar voren is gekomen, [eiseres] [gedaagde] en zijn hond reeds kende, zij elkaar herhaaldelijk tegenkwamen en Jip volgens haar bekendstaat als een zeer agressieve hond.

 

 

4.10.

De rechtbank acht het dan ook gerechtvaardigd om aan te nemen dat [eiseres] met deze aan haar toe te rekenen omstandigheid in enige mate tot de schade heeft bijgedragen. Van volledige eigen schuld, zoals [gedaagde] betoogt, is evenwel geen sprake. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0483, wordt hiertoe overwogen dat het enkele feit dat [eiseres] de hond van [naam] heeft laten loslopen, onvoldoende is om haar elke aanspraak op grond van 6:179 BW te ontnemen op de grond dat zij is gebeten door een andere hond, doordat beide honden met elkaar zijn gaan vechten en zij in dit gevecht heeft ingegrepen. Dat [eiseres] zich, ondanks de waarschuwingen van [gedaagde] , genoodzaakt heeft gezien Joey te redden en daarmee het risico heeft genomen dat zijzelf gewond zou raken, hetgeen vervolgens ook is gebeurd, betreft een omstandigheid die [eiseres] slechts in (zeer) beperkte mate valt toe te rekenen. Daarbij zagen de waarschuwingen van [gedaagde] naar hij zelf stelt niet op de risico’s die [eiseres] zou lopen, maar op het risico dat Joey door haar handelen (meer) beschadigd zou raken. De verhouding waarin de omstandigheden aan de zijde van [eiseres] tot de door haar geleden schade hebben bijgedragen, stelt de rechtbank in dit geval op 20%. De door [gedaagde] te vergoeden schade is daarom beperkt tot 80% van de schade van [eiseres] . De door [gedaagde] aangevoerde feiten en omstandigheden eisen niet dat op grond van de billijkheid een andere verdeling van de schade plaatsvindt.

 

 

4.11.

Gezien het voorgaande zal de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is voor 80% van de schade die [eiseres] lijdt, heeft geleden en zal lijden als gevolg van de hondenbeet op 25 november 2015.

 

 

4.12.

Ten aanzien van de door [eiseres] gevorderde benoeming van een deskundige om de schade te begroten en verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt het volgende overwogen. [gedaagde] heeft erkend dat [eiseres] als gevolg van de hondenbeet enige schade moet hebben geleden. [eiseres] heeft ter gelegenheid van de comparitie verklaard dat zij, op het moment dat zij de dagvaarding uitbracht, nog niet precies kon benoemen waar deze schade precies uit bestond of zou bestaan, maar dat zij dit inmiddels wel kan. Het benoemen van een deskundige acht zij daarom vooralsnog niet langer aangewezen. Gelet hierop en het tijdsverloop sinds de hondenbeet, is de rechtbank van oordeel dat de omvang van de door [eiseres] als gevolg van de hondenbeet geleden schade in deze procedure vastgesteld zou moeten kunnen worden. Nu het debat daarover nog onvoldoende is gevoerd, zal de rechtbank [eiseres] in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de (precieze) omvang van de door haar als gevolg van het verliezen van haar vingerkootje geleden schade. Het staat [eiseres] vrij om daarbij stukken in het geding te brengen die haar stellingen dienaangaande kunnen staven. Vervolgens zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld een antwoordakte te nemen.

 

 

4.13.

Ten aanzien van het door [eiseres] gevorderde gebod (de rechtbank begrijpt op grond van artikel 3:296 lid 1 BW) dat [gedaagde] Jip buitenshuis te allen tijde van een muilkorf moet voorzien, wordt tot slot het volgende overwogen. [eiseres] heeft aan het gevorderde gebod ten grondslag gelegd dat het hiervoor besproken (bijt)incident van 25 november 2015 niet een op zichzelf staand incident betreft. Volgens [eiseres] heeft Jip eerder ook katten en honden aangevallen en vormt hij daarom een gevaar voor anderen. Nu [gedaagde] de stelling dat Jip ook andere honden en katten heeft gebeten gemotiveerd heeft betwist, is het aan [eiseres] om het bewijs van deze stelling te leveren. Op het enkele bijtincident van 25 november 2015, waarbij het vingerkootje van [eiseres] is afgebeten, kan het gevorderde gebod niet worden gebaseerd. [eiseres] heeft echter geen bewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om [eiseres] ambtshalve tot bewijslevering in de gelegenheid te stellen. Daarmee is niet komen vast te staan dat Jip eerdere bijtincidenten op zijn naam heeft staan en is de grondslag aan de vordering komen te ontvallen. Het gevorderde gebod zal daarom worden afgewezen.

 

 

4.14.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 16 augustus 2017 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] in verband met het onder 4.12 omschreven doel, waarna [gedaagde] een antwoordakte kan nemen;

 

 

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, bijgestaan door

 

mr. W.A. Bree, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2017.