• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Oost-Brabant
  • 24 augustus 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:4508
  • Zaaknummer: 4827410 / 16-2054

Rb: kop-staart botsing vrachtwagens na inhaalmanoeuvre, voorste vrachtwagen niet geslaagd in bewijs

Vrachtwagen, verzekerd bij gedaagde (DAF), rijdt achterop de vrachtwagen van eiseres (MAN). Door gedaagde wordt gesteld dat eiser de DAF eerst heeft ingehaald en vervolgens voor haar is ingevoegd en bovenop de rem is gaan staan. De kantonrechter heeft eiseres in de gelegenheid gesteld te bewijzen de bestuurder van de DAF onvoldoende afstand heeft gehouden en/of zijn snelheid niet heeft aangepast. De kantonrechter oordeelt dat er in deze procedure niet vanuit kan worden gegaan dat eiseres aan de bestuurder van de DAF voldoende ruimte heeft gelaten. De kantonrechter concludeert dat eiseres er niet in is geslaagd om bewijs te leveren van haar stelling dat de bestuurder art. 19 RVV heeft geschonden door te verzuimen zijn snelheid dusdanig aan te passen. Vordering afgewezen.

ECLI:NL:RBOBR:2017:4508

 

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

24-08-2017

Datum publicatie

28-08-2017

Zaaknummer

4827410 / 16-2054

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg – enkelvoudig

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

Verkeersongeval – op eiseres rust de bewijslast dat de bestuurder van de achteropkomende auto onvoldoende afstand heeft gehouden en/of te snel heeft gereden.

Wetsverwijzingen

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 19, geldigheid: 2004-02-11

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

 

Zaaknummer : 4827410

Rolnummer : 16-2054

Uitspraak : 24 augustus 2017

 

in de zaak van:

 

[Van B.] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. B.B.A. Brevé,

 

t e g e n

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,,

statutair gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

gemachtigde mr. A.P.E. de Ruiter.

 

Partijen zullen hierna “ [Van B.] ” en “Achmea” worden genoemd.

 

1

Het verloop van het geding

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

a. het vonnis van 2 juni 2016 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

b. het proces-verbaal van de op 28 september 2016 gehouden comparitie van partijen;

c. het proces-verbaal van het op 25 november 2016 gehouden getuigenverhoor;

d. het proces-verbaal van het op 10 april 2017 gehouden getuigenverhoor;

e. de conclusie na enquête [Van B.] ;

f. de conclusie na enquête van Achmea.

 

1.2.

Tot slot is vonnis bepaald.

 

2

Het geschil

 

2.1.

[Van B.] vordert dat Achmea, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld

tot betaling aan haar van een bedrag van € 9.659,03, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2015, alles met veroordeling van Achmea in de proceskosten en de gebruikelijke nakosten. Zij legt aan haar vordering het navolgende ten grondslag.

2.1.1.

Op 25 februari 2015 is rond 13.00 uur op de A67 ter hoogte van Asten een verkeersongeval ontstaan. Daarbij is het voertuig van [Van T.] , verzekerde van Achmea, een DAF XF 95 met kenteken [kenteken] , bestuurd door de heer [Van W.] , achter op het voertuig van [Van B.] , een vrachtauto bestemd voor paardentransport MAN TGL met kenteken [kenteken] gereden. Op enig moment na het inhalen van het voertuig van [Van T.] moest [Van B.] remmen, omdat het voertuig dat voor haar reed remde. [Van W.] botste vervolgens met diens voertuig tegen de achterzijde van het voertuig van [Van B.] .

2.1.2.

De bestuurder van het voertuig van [Van T.] heeft verzuimd zijn snelheid dusdanig aan te passen dat hij het voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en deze vrij was. [Van T.] heeft daarmee het bepaalde in artikel 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV) geschonden.

2.1.3.

[Van B.] stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de verkeersfout van [Van W.] , waarvoor [Van B.] [Van T.] aansprakelijk heeft gesteld. Het risico waartegen de norm van artikel 19 RVV beoogt te beschermen, te weten voorkoming van schade door aanrijding van achteren, heeft zich in het onderhavige geval immers verwezenlijkt. Daarmee staat vast dat [Van B.] schade heeft geleden ten gevolge van deze toerekenbare onrechtmatige daad van [Van T.] en dat Achmea daarvoor aansprakelijk is op de voet van artikel 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). De aansprakelijkheidsstelling is aan Achmea verzonden. Deze erkent de aansprakelijkheid van haar verzekerde [Van T.] niet.

 

2.2.

Achmea heeft verweer gevoerd. Zij stelt dat [Van T.] geen schuld heeft gehad aan de aanrijding en voert ter onderbouwing van die stelling het navolgende aan.

2.2.1.

De bestuurder van het voertuig van [Van T.] , [Van W.] , reed op het moment dat de aanrijding plaatsvond al geruime tijd met een snelheid van ongeveer 80 km per uur. In verband met wegwerkzaamheden ter plaatse gold een inhaalverbod en een maximum snelheid van 80 km per uur. Desondanks heeft [Van B.] [Van W.] ingehaald. Nadat ze op de linker rijstrook [Van W.] voorbij was gereden, kwam ze weer naar rechts, maar nog voordat ze volledig was opgeschoven trapte ze vol op de rem, waarmee ze voor [Van W.] een bijzonder gevaarlijke situatie in het leven riep. [Van W.] kon een botsing niet meer vermijden.

 

2.3.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, voor zover van belang, onder de beoordeling worden teruggekomen.

 

3

De beoordeling

 

3.1.

De kantonrechter heeft ter comparitie mondeling tussenvonnis gewezen en [Van B.] overeenkomstig haar aanbod in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat [Van W.] op 25 februari 2015 rond 13.00 uur op de A 67 ter hoogte van Asten artikel 19 RVV heeft geschonden door te verzuimen zijn snelheid dusdanig aan te passen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en deze vrij was en ten gevolge van dit verzuim een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij het voertuig van [Van B.] schade heeft opgelopen.

 

3.2.

Ter voldoening aan voormelde bewijsopdracht heeft [Van B.] als getuigen doen horen zichzelf en haar zoon de heer [M.] , hierna te noemen: de zoon. In contra-enquête heeft Achmea als getuigen doen horen de heren [Van D.] en [Van W.] , beiden werknemers in dienst van haar verzekerde [Van T.] .

 

3.3.

De getuigenverklaring van [Van B.] valt onder de werking van het tweede lid van artikel 164 Rv, waaruit volgt dat dat haar verklaringen geen bewijs in haar voordeel kunnen opleveren, tenzij ze strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs. De getuigen hebben, voor zover voor de beoordeling van belang, als volgt verklaard.

3.3.1.

[Van B.] :

“ (…..) Het was rond de middag toen het gebeurde en het was heel rustig op de weg. Ik zag dat er veel ruimte was tussen de vrachtauto van [Van W.] en de vrachtauto voor hem. Op het moment dat ik ging invoegen reed in ongeveer 90 km per uur. Ik heb in de spiegel gekeken alvorens in te voegen en heb toen gezien hoeveel ruimte er nog over zou blijven na het invoegen voor [Van W.] . Volgens mij was dat voldoende. Het is moeilijk in te schatten hoeveel meter ruimte er nog was. Volgens mij was het voldoende.(…..) U vraagt mij wat ik met mijn opmerking op het aanrijdingsformulier (punt 14) “enkele meters verder” bedoel. Ik antwoord u daarop dat ik daarmee een kleine 100 meter bedoel. Op het moment dat ik het ingevuld heb was ik in shock. Ik zag dat het licht van de voorgaande auto aan ging. Vervolgens ben ik zachtjes gaan remmen. Ik zag de voorgaande auto praktisch stil staan. Toen heb ik ook hard geremd. Ik heb een beetje bij moeten sturen ten gevolge van de aanrijding van de achterop rijdende auto. (…..) Ik heb bij het bijsturen geprobeerd op de rijstrook te blijven en ik ben ook op de rijstrook gebleven. Ik werd daarbij ook nog links voorbij gereden door andere auto’s. Volgens mij was er tussen het moment van ingevoegd zijn en de botsing een tijdspanne van ongeveer 40 tot 50 seconden verstreken. Ik blijf er bij dat ik op het moment van de botsing volledig was ingevoegd. Dat was al zo voor de botsing.

Op vragen van mr. Van den Biezenbos antwoord ik als volgt.

Volgens mij was er tussen het moment van ingevoegd zijn en het zacht remmen een tijdspanne van ongeveer 10 tot 15 seconden verstreken. (…..)””

3.3.2

De zoon:

“ (…..) Mijn moeder passeerde de vrachtauto die later tegen ons is gebotst er was volgens mij tussen die vrachtauto en de vrachtauto daarvoor meer als genoeg plaats om in te voegen. Ik schat die ruimte tussen die auto’s op een 200 meter. Ik zat naast mijn moeder. Ik zag dat de bestuurder van de andere auto niet gefocust was op de rijweg. Hij keek naar beneden. (…..) Misschien was hij iets aan het doen met zijn GSM. We rijden hem voorbij. Nadat er genoeg plaats was voegde mijn moeder in. Na enige tijd remde mijn moeder. Dat was nadat zijn volledig was ingevoegd. Tussen het helemaal ingevoegd zijn en het remmen van mijn moeder is ongeveer 30 seconden verstreken voordat mijn moeder begon te remmen. Mijn moeder heeft niet brusk geremd, in die zin dat zij meteen kwam stil te staan. We hadden gezien dat de vrachtauto voor ons ging remmen. Op het moment dat we bijna tot stilstand zouden komen heeft de botsing plaats gevonden. We hadden nog genoeg ruimte voor ons. (…..) Mijn moeder reed volgens mij bij het inhalen ongeveer 90 km per uur, dat stond op de teller. Er zit een begrenzer op tot 90 km per uur (…..) U houdt mij productie 6 bij de conclusie van antwoord voor. Ik heb dat stuk zelf ingevuld. U houdt mij voor het geen ik heb geschreven onder “Relass getuige” en u vraagt mij of ik daarbij blijf. Ik antwoord u daarop dat ik daarbij blijf. U vraagt mij waarom ik dat relass dat ik zojuist heb verteld over de chauffeur die naar beneden zat te kijken niet heb opgenomen. Ik heb er toen niet aan gedacht. Het was mijn eerste accident en ik was van slag. Het is mij pas dit jaar binnen geschoten verklaar ik u naar aanleiding van uw opmerking dat die geschreven verklaring van 23 maart 2015 is en dus van weken daarna. (…..)

Op vragen van mr. De Zwart antwoord ik als volgt.

(…..) Het moment, waarop mij te binnen is geschoten dat de chauffeur van de andere auto naar beneden keek terwijl wij passeerden, is enkele maanden geleden. Toen heb ik mijn moeder ook gebeld en zij heeft mij toen gevraagd of ik daar 100 procent zeker over was. Ik heb toen met ja geantwoord.”

3.3.3.

De heer [Van W.] :

“ (…..) Op een gegeven moment, vlak voor de afrit Someren, haalde een paardenwagen mij in. Ik dacht waarom haalt zij mij nu nog in? Er waren werkzaamheden verderop en voor mijn gevoel was er een inhaalverbod. Ik dacht dat ik een bord gezien had. Toen ging zij plots invoegen en meteen daarna remde zij. Ik vond dat zij nog niet klaar was met invoegen. Zij trapte toen hard op de rem. Ik kon haar toen onmogelijk ontwijken of stoppen. Vervolgens reed ik tegen de achterkant, de hoek, in. Ik vond het heel raar dat zij na de aanrijding de auto door liet rijden. Na honderdtal meters is zij pas gestopt en kwamen zij naar mij toe. Terplekke hebben wij dit besproken. (…..) We zijn toen naar het tankstation Nobis bij Asten gereden en hebben daar het schadeformulier ingevuld. Dat ging problematisch vanwege het verschil dat haar zoon zei dat zij al enkele honderden meters op de rijbaan reden. Ik zei dat dit niet mogelijk was. Het was tijdens het invoegen al dat zij op de rem ging. Toen heeft zei op het schadeformulier ingevuld “na enkele meters”. Daar kon ik mij in vinden. (……) De zoon heeft gezegd dat ik naar mijn stuur zou kijken. (…..) Ik heb niet naar beneden gekeken op het moment dat zij mij passeerde. Ik heb een fractie naar links gekeken. Ik zag in mijn ooghoeken dat zij met twee personen in de cabine zaten. (…..) Ik ontken dat ik naar beneden keek.

Iemand van mijn werk is erbij gekomen. Meneer [Van D.] was dat. Hij kwam toen wij bij Nobis stonden. Meneer [Van D.] heeft het gesprek meegekregen tussen mij en de andere partij. (…..)

De vrouw die ging invoegen had genoeg plaats om er tussen te komen. Ze gaf alleen mij geen ruimte meer om op tijd te kunnen stoppen. Ik weet niet waarom zij moest remmen. Zij ontnam mij op dat moment mijn gezichtsveld. Als zij links was blijven rijden dan had ik wel op tijd kunnen stoppen. Dan had ik op tijd de remlichten van mijn voorganger, de auto die voor mevrouw reed tijdens het ongeval, kunnen zien en de ruimte gehad om te kunnen remmen. (…..)

Mr. Van den Biezenbos vraagt mij over de tijd die er zat tussen het moment dat zij invoegde en het moment dat er geremd was en vraagt hoeveel seconden er tussen zaten. Het is zeker minder dan vijf seconden geweest. Je weet het niet precies meer omdat je ook in shock bent. Ik weet het alleen niet meer zeker. Wel weet ik zeker dat het minder dan vijf seconden was.

Mr. van den Biezenbos houdt mij voor dat dit ook al ter spraak is gekomen ter comparatie en dat hij dacht dat ik toen tien seconden heb genoemd. Ik heb bij mijn weten al ter comparatie aangegeven dat het minder dan vijf seconden was. (……)

 

3.3.4.

De heer [Van D.] :

“ (…..) Ik wil verklaren dat ik niet direct bij het ongeluk ben geweest. Een paar meter verder was een tankstation. De chauffeur van ons is daar heengereden.(…..) Ik schrok van de schade en de mensen waren bij elkaar. Ze stonden bij elkaar en er werd gesproken over hoe het schadeformulier moest worden ingevuld. Vlug werd duidelijk dat er een verschil was in hoe de auto’s gereden hadden. Ze zouden beide recht gereden hebben. (…..) Bij het invullen van het schadeformulier ben ik niet betrokken geweest.(…..) Toen ik daar stond en het schadeformulier werd ingevuld vertelde mijn collega dat hij had geremd zover hij kon en dat hij precies recht op zijn rijbaan stond. Mijn collega zei dat de vrachtwagen die hem inhaalde er invoegde zodra hij voorbij was waarna hij plots remde. Bij de andere partijen was er een geschil over de meters dat zij recht reden voordat zij remden. Ik was erbij toen de vrouw zei: “Enkele meters” en dat de zoon zei: “Enkele honderden”. (…..) “”

 

3.4.

Uit de getuigenverklaringen van [Van B.] , de zoon en [Van W.] blijkt dat zij het erover eens zijn dat er genoeg ruimte was voor [Van B.] om in te voegen tussen de voor [Van W.] rijdende auto en de door [Van W.] bestuurde auto. Zij zijn het echter niet eens over de gebeurtenissen na het invoegen. [Van B.] verklaart dat zij eerst zacht en daarna hard heeft geremd. Volgens haar zijn er 40 tot 50 seconden verstreken tussen het invoegen en de botsing. Haar zoon verklaart dat er 30 seconden zijn verstreken tussen het invoegen en het remmen en dat [Van B.] niet brusk heeft geremd. Volgens [Van W.] is door [Van B.] binnen 5 seconden na het invoegen hard geremd.

 

3.5.

[Van B.] en haar zoon, zo blijkt uit de verklaring van [Van D.] , verschilden na de aanrijding van mening over hoe lang er is doorgereden alvorens te remmen. Volgens [Van D.] heeft [Van B.] toen verklaard dat zij enkele meters hadden gereden alvorens te remmen en heeft haar zoon toen gezegd dat er enkele honderden meters was gereden. De zoon van [Van B.] heeft op 23 maart 2015, binnen een maand na het ongeval verklaard: “Hebben voertuig A voorbij gereden aan een snelheid van 90 km/u. Na een 100-tal meters verder remde de vrachtwagen voor ons. Toen wij bijna stil stonden werden wij door voertuig A (kantonrechter: het door [Van W.] bestuurde voertuig) hard aangereden (80 km/u volgens chauffeur). (…..)” (Productie 6 bij de conclusie van antwoord). De kantonrechter stelt vast dat deze laatste verklaring niet veel verschilt van de volgens [Van D.] door de zoon na het ongeval afgelegde verklaring.

 

3.6.

De kantonrechter is van oordeel dat de zoon als getuige over de gebeurtenissen na het invoegen geen geloofwaardige getuigenverklaring heeft afgelegd. Hij spreekt dan immers voor het eerst over seconden. Hij heeft er geen verklaring voor gegeven waarom hij eerder over meters heeft gesproken. Bovendien is 30 seconden doorrijden iets wezenlijk anders dan een honderdtal meters of enkele honderden meters doorrijden, nu dat bij een snelheid van gemiddeld 90 km per uur overeenkomt met om en nabij 4 of om en nabij 8 seconden. Stel dat [Van B.] 1 seconde nodig had om het remlicht van de voorligger op te merken en te gaan remmen dan zijn er, zo volgt uit de eerdere verklaringen van de zoon, niet meer dan 5 of 9 seconden verstreken alvorens zij remt. Aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van de zoon wordt verder afbreuk gedaan door zijn verklaring over het naar beneden kijken door [Van W.] bij het passeren van diens voertuig. Het is niet geloofwaardig dat hij zich dat binnen een maand na de aanrijding niet herinnert en vele maanden later plotsklap wel.

 

3.7.

Uit het voorgaande volgt dat, voor wat betreft de gebeurtenissen na het invoegen, de verklaringen van [Van B.] daarover geen bewijs in haar voordeel kan opleveren omdat er noch in het aanrijdingsformulier, noch in de verklaringen van [Van W.] , [Van D.] en de zoon onvolledig bewijs voorhanden is waarop de getuigenverklaring van [Van B.] een aanvulling zou kunnen vormen (zie de rechtsoverwegingen in 3.3.).

 

3.8.

De kantonrechter stelt vast dat de getuigenverklaring van [Van W.] over de gebeurtenissen na het invoegen nauw aansluit bij de door [Van W.] en [Van B.] meteen na het ongeval in het aanrijdingsformulier (productie 1 bij dagvaarding) opgenomen verklaringen. In het aanrijdingsformulier heeft [Van W.] immers onderaan bij opmerkingen geschreven: “Ik was net ingehaald na inhalen voertuig B (kantonrechter: voertuig van [Van B.] ) meteen op de rem niet meer te halen” [Van B.] heeft in het aanrijdingsformulier daarnaast bij opmerkingen geschreven: “Na inhalen en enkele meters verder moest ik hard remmen en heb moeten links wegtrekken”. De getuigenverklaring van [Van W.] sluit ook goed aan bij de verklaring van [Van D.] dat [Van B.] na de aanrijding heeft gezegd dat zij enkele meters had gereden alvorens te remmen (zie 3.5.).

 

3.9.

De kantonrechter zal er op grond van het voorgaande en gelet op de getuigenverklaring van [Van W.] van uit gaan dat het ongeval uiterlijk 5 seconden seconden na het invoegen heeft plaats gevonden. De beoordeling spitst zich vervolgens toe op de beantwoording van de vraag of [Van W.] na het invoegen door [Van B.] voldoende afstand heeft gehouden tot het door [Van B.] bestuurde voertuig. Dat is immers in de kern de in artikel 19 RVV beschreven norm: Men dient voldoende afstand te bewaren tot een voorligger. De vraag is dan wat voldoende afstand is. Daar is geen van partijen op ingegaan.

 

3.10.

Op internet worden verschillende antwoorden gegeven op de vraag wat voldoende afstand inhoudt. Op de ene site (www.gratistheorie.nl) wordt aangeraden om 2 seconden afstand te houden. (Zoek een vast punt op de weg. Begin met tellen als de voorligger dit vaste punt passeert. Passeer dit punt minstens 2 seconden later.) De bestuurder heeft dan gemiddeld 1 seconde om het remlicht van de voorganger op te merken en 1 seconde om te reageren. Op de andere site (www.snelslagen.nl) wordt aangeraden om de snelheid door twee te delen en zoveel meters afstand te bewaren. In beide berekeningswijzen komt het in het onderhavige geval neer op om en nabij veertig meter, ervan uitgaande dat [Van W.] ongeveer 80 km per uur reed.

 

3.11.

Het verweer van Achmea komt er op neer dat [Van W.] te weinig tijd heeft gekregen van [Van B.] om die afstand in acht te nemen. Volgens [Van B.] is die tijd, zelfs indien wordt uitgegaan van de door [Van W.] genoemde 5 seconden, voldoende geweest. Volgens haar komt 5 seconden bij een snelheid van 80 km per uur neer op een afstand van 106 meter. Gedurende deze tijd en deze afstand had [Van W.] zijn snelheid kunnen en moeten aanpassen, aldus [Van B.] . Zij heeft deze stelling niet nader toegelicht. De kantonrechter kan haar daar overigens op grond van de navolgende overwegingen ook niet in volgen.

 

3.12.

Uit de getuigenverklaringen is niet af te leiden hoeveel ruimte [Van B.] aan [Van W.] na het invoegen heeft gelaten. Alleen [Van B.] heeft daarover verklaard. Volgens haar is dat voldoende geweest. Op basis van die verklaring, nog daargelaten dat het een partijverklaring betreft, kan echter niet worden aangenomen dat [Van W.] zoveel ruimte is gelaten dat hij een botsing kon voorkomen. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. [Van B.] kon in verband met een begrenzer niet harder rijden dan 90 km per uur. Het snelheidsverschil tussen haar voertuig en dat van [Van W.] bedroeg daarmee ongeveer 10 km per uur. Bij een dergelijk snelheidsverschil had [Van B.] om een “veilige” afstand van om en nabij veertig meter te creëren, nadat de achterzijde van haar voertuig gelijk was met de voorzijde van het voertuig van [Van W.] tenminste om en nabij 14 seconden op de linkerbaan moeten blijven alvorens in te voegen. Het is niet ondenkbaar dat [Van B.] in minder dan 14 seconden van baan is gewisseld.

 

3.13.

Uit het voorgaande volgt dat er in deze procedure niet vanuit kan worden gegaan dat [Van B.] aan [Van W.] voldoende ruimte heeft gelaten. Er kan verder, naar het oordeel van de kantonrechter, niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat 5 seconden voldoende is om de snelheid dusdanig aan te passen dat er voldoende afstand tot de voorligger is gecreëerd. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat er tenminste al 1 seconde reactietijd van die 5 seconden af gaat en dat een bestuurder zijn snelheid, in verband met het voertuig dat (eventueel) achter hem rijdt, niet al te abrupt zal kunnen verminderen.

 

3.14.

De conclusie luidt dat [Van B.] er niet in is geslaagd om bewijs te leveren van haar stelling dat [Van W.] art. 19 RVV heeft geschonden door te verzuimen zijn snelheid dusdanig aan te passen dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarop hij de weg kon overzien en deze vrij was en ten gevolge van dit verzuim een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Haar vordering wordt dan ook als ongegrond afgewezen en zij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure. De door Achmea gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment al kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

 

4

De beslissing

 

De kantonrechter:

 

wijs de vordering af;

 

veroordeelt [Van B.] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Achmea tot heden begroot op € 1.000,00 (4 punten) als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen nadat [Van B.] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand;

 

veroordeelt [Van B.] in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 100,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Van B.] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis en met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen nadat [Van B.] schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand tot de dag der voldoening;

 

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

 

Dit vonnis is gewezen door mr. W.M.Callemeijn, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2017.