• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 10 mei 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:4845
  • Zaaknummer: C/09/516126 / HA ZA 16-930

Rb: knieletsel tijdens voetbalwedstrijd, geen onrechtmatige gedraging

Eiser loopt knieletsel op tijdens voetbalwedstrijd, als hij bij een actie om de bal richting het doel te draaien met zijn knie vol tegen de knie van gedaagde komt. De scheidsrechter heeft de actie van gedaagde als een overtreding beoordeeld. De rechtbank stelt daarbij voorop dat een gedraging binnen een sportsituatie minder snel als onrechtmatig kan worden aangemerkt dan daarbuiten. Wel is een overtreding van de spelregels een factor die meetelt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid. Daarnaast geldt dat voetbal een contactsport is, waarbij fysiek contact tussen spelers gebruikelijk is. De vordering kan alleen kan worden toegewezen als gedaagde een abnormaal gevaarlijke gedraging heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende toegelicht waarom het handelen van gedaagde zodanig roekeloos of onbesuisd was, dat eiser daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Vordering afgewezen.

ECLI:NL:RBDHA:2017:4845

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

10-05-2017

Datum publicatie

12-05-2017

Zaaknummer

C/09/516126 / HA ZA 16-930

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

Fysieke confrontatie tijdens voetbalwedstrijd met lichamelijk letsel tot gevolg. Onvoldoende gesteld omt te komen tot oordeel dat verdedigende speler onrechtmatig heeft gehandeld jegens aanvaller.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

 

 

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

 

zaaknummer / rolnummer: C/09/516126 / HA ZA 16-930

 

Vonnis van 10 mei 2017

 

in de zaak van

 

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat: mr. R.M. van der Zwan te Den Haag,

 

tegen

 

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat: mr. T. Scholtus te Den Haag.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 1 augustus 2016, met producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

het tussenvonnis van 23 november 2016, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 maart 2017.

1.2.

Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met instemming van partijen, buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

 

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

 

2

De feiten

2.1.

Op 12 augustus 2014 heeft op het terrein van voetbalvereniging H.M.S.H. een vriendschappelijke voetbalwedstrijd plaatsgevonden tussen het eerste elftal van H.M.S.H. en het eerste elftal van SV Die Haghe. [eiser] speelde in die wedstrijd mee aan de zijde van SV Die Haghe, [gedaagde] speelde mee bij H.M.S.H. [eiser] speelde op het linker middenveld, [gedaagde] speelde als rechtsback.

 

2.2.

In de 85ste minuut van de wedstrijd heeft, bij een stand van 1-3 ten gunste van Die Haghe, een lichamelijke confrontatie plaatsgevonden tussen [eiser] en [gedaagde] . [eiser] was op dat moment in balbezit aan de zijkant van het veld, terwijl hij met zijn rug naar het doel van H.M.S.H. stond. Toen [eiser] een actie maakte met de bal om zich richting het doel van H.M.S.H. te draaien, is hij in contact gekomen met [gedaagde] en ten val gekomen. De scheidsrechter heeft de actie van [gedaagde] als een overtreding beoordeeld, maar heeft [gedaagde] niet bestraft met een rode kaart. Na een blessurebehandeling van [eiser] is de wedstrijd gestaakt.

 

2.3.

[eiser] is naar de spoedeisende hulp van het Haga-ziekenhuis vervoerd voor behandeling. Daar is vastgesteld dat [eiser] aan zijn linkerknie kruisbandletsel heeft opgelopen.

 

2.4.

Op 28 augustus 2014 is [eiser] vanwege een verdenking van een kraakbeendefect en een scheur in de linkermeniscus geopereerd. Tijdens de operatie is de voorste kruisband gehecht, is een gedeelte van de binnen- en buitenmeniscus van het linkerbeen van [eiser] verwijderd en is een microfractuur aan de binnenzijde van het bovenbeen van [eiser] behandeld.

 

2.5.

Op 2 mei 2016 is [eiser] , vanwege een zogenaamde “buckethandle scheur” in zijn binnenmeniscus, opnieuw geopereerd aan zijn linkerknie. Ten tijde van deze operatie is geconstateerd dat de voorste kruisband intact was en is opnieuw een gedeelte van de binnenmeniscus verwijderd.

 

2.6.

[eiser] heeft [gedaagde] bij brieven van 3 juni 2015 en 13 juni 2016 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. [gedaagde] heeft op deze brieven niet gereageerd.

 

3

Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

 

voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval op 12 augustus 2014 geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

[gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

 

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4

De beoordeling

4.1.

Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of de handelwijze van [gedaagde] , die door de scheidsrechter als een overtreding is aangemerkt, geldt als onrechtmatig jegens [eiser] in de zin van artikel 6:162 BW. Op grond van artikel 150 Rv rusten op [eiser] de stelplicht en (na voldoende betwisting door [gedaagde] ) bewijslast van feiten en omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld.

 

4.2.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat een gedraging waardoor aan een ander letsel wordt toegebracht, binnen een sportsituatie minder snel als onrechtmatig kan worden aangemerkt dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. De deelnemers aan een sport als voetbal hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe de sport uitlokt van elkaar te verwachten, terwijl zij op dergelijke gedragingen buiten het kader van de sport doorgaans niet bedacht hoeven te zijn. Daarbij moet worden opgemerkt dat het enkele overtreden van de spelregels, waaronder de spelregels die ter bescherming van de deelnemers strekken, nog niet onrechtmatig is. Wel is een overtreding van de spelregels een factor die meetelt bij de beoordeling van de onrechtmatigheid (vgl. HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300).

Daarnaast geldt dat voetbal in het bijzonder een contactsport is, waarbij fysiek contact tussen spelers in de vorm van tackles, slidings en dergelijke bij duels om de bal gebruikelijk is. Tijdens deze duels vinden onvermijdelijk ook acties plaats die gevaarlijk, slecht gecoördineerd, verkeerd getimed of ondoordacht zijn. Ook dat is echter een onderdeel van het spel waarop men bedacht moet zijn. Aansprakelijkheid kan daarom pas aan de orde zijn als sprake is van een zodanige actie dat deze valt buiten het normale risico dat men in een voetbalwedstrijd loopt. Dit betekent dat de vordering van [eiser] alleen kan worden toegewezen als [gedaagde] – kort gezegd – een abnormaal gevaarlijke gedraging heeft verricht.

 

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende toegelicht waarom het handelen van [gedaagde] zodanig roekeloos of onbesuisd was, dat [eiser] daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. [eiser] heeft niet meer gesteld dan dat [gedaagde] ‘vol’ met diens knie tegen zijn linkerknie aan is gekomen. Ook uit de door [eiser] overgelegde verklaringen van zijn teamgenoten blijkt slechts dat volgens hen contact tussen de knieën van [eiser] en [gedaagde] heeft plaatsgevonden.

 

4.4.

Tussen partijen staat vast dat [eiser] op het moment van het lichamelijke contact met [gedaagde] in balbezit was en dat hij, in aanvallende positie, een passeerbeweging maakte. De rechtbank acht het in die situatie niet ongewoon dat [gedaagde] , die een verdedigende positie in het veld innam, bij zijn poging tot verdediging de knie van [eiser] heeft geraakt. Een dergelijk contact tussen een aanvallende speler in balbezit en een speler die probeert te verdedigen maakt onderdeel uit van het voetbalspel: [eiser] kon dat dus verwachten. Indien en voor zover [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat de enkele omstandigheid dat direct contact met de knie heeft plaatsgevonden met zich brengt dat sprake is van onrechtmatig handelen door [gedaagde] , volgt de rechtbank [eiser] daarin dan ook niet.

 

4.5.

Wel zou sprake kunnen zijn van onrechtmatig handelen, als [gedaagde] met opzet de knie van [eiser] heeft geraakt, zonder dat hij daarbij de intentie had om de bal te spelen of als hij abnormaal gevaarlijk op [eiser] inkwam. [eiser] en zijn medespelers hebben wat dat betreft weliswaar verklaard dat sprake was van een “bewuste” of “gerichte aanslag”, maar zij hebben niet toegelicht waarop zij die conclusie baseren. [eiser] heeft niets gesteld over de kracht of snelheid van het inkomen van [gedaagde] . Evenmin heeft hij zich uitgelaten over de wijze waarop [gedaagde] inkwam en de kans van slagen om op die wijze de bal te spelen. Zonder een zodanige toelichting kan niet worden beoordeeld of (slechts) sprake was van onhandigheid of onkunde aan de zijde van [gedaagde] of van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, dan wel of [gedaagde] bewust probeerde [eiser] blesseren of een andere actie verrichte waarop [eiser] in redelijkheid niet bedacht hoefde te zijn. De rechtbank gaat aan die stelling dan ook verder voorbij.

 

4.6.

Anders dan [eiser] betoogt, volgt de onrechtmatigheid van de gedraging ook niet uit de ernst en aard van het letsel dat hij heeft opgelopen. Uit het enkele feit dat [eiser] ernstig geblesseerd is geraakt, kan niet worden afgeleid dat [gedaagde] op een manier heeft gehandeld die op een voetbalveld onacceptabel is. Wellicht zou uit de aard van het letsel kunnen worden afgeleid dat een forse aanvaring heeft plaatsgevonden, maar zonder nadere toelichting (die ontbreekt) kan alleen daaruit niet worden afgeleid dat de handelwijze van [gedaagde] ten opzichte van [eiser] de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden.

 

4.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de stellingen van [eiser] niet de conclusie kunnen dragen dat de gedraging van [gedaagde] onrechtmatig was, hoe verstrekkend de gevolgen van die gedraging voor [eiser] ook waren. De vordering wordt daarom afgewezen.

 

4.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] in de proceskosten veroordeeld, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 79 aan betaald griffierecht en € 904 aan salaris voor de advocaat (2 punten à tarief II).

 

5

De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

wijst de vordering af;

 

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 983 en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.