• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Oost-Brabant
  • 17 mei 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:2753
  • Zaaknummer: C/01/310350 HA ZA 16-472

Rb: kartbaan aansprakelijk voor ongeval, 50% eigen schuld

Tijdens het vrij rijden is een deelnemer (20 jaar, onervaren karter) met zijn kart van de baan geraakt en bij het weer oprijden van de baan aangereden door eiseres (bijna 15 jaar, ervaren kartster), die daarbij letselschade opliep. 1. De rechtbank past de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel uit de sport- en speljurisprudentie toe en oordeelt dat deze deelnemer niet aansprakelijk is tegenover eiseres. 2. De rechtbank acht de kartbaan wel aansprakelijk wegens gevaarzettend handelen/nalaten, doordat zij tijdens het vrij rijden iedereen (ongeacht leeftijd of rijvaardigheid) toelaat op de baan zonder (veiligheids)instructies te geven en zonder toezicht te houden op de baan. 3. De kartbaan kan geen beroep doen op een exoneratie (onredelijk bezwarend). 4. 50% eigen schuld van eiseres, omdat zij zich willens en wetens aan de risico’s van het karten heeft blootgesteld en omdat zij onvoldoende oplettend is geweest.

ECLI:NL:RBOBR:2017:2753

 

Instantie

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak

17-05-2017

Datum publicatie

19-05-2017

Zaaknummer

C/01/310350 HA ZA 16-472

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Bodemzaak

Eerste aanleg – enkelvoudig

Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

Contradictoir. Letselschade na ongeval op een kartbaan. Tijdens het vrij rijden is een deelnemer (20 jaar, onervaren karter) met zijn kart van de baan geraakt en bij het weer oprijden van de baan aangereden door eiseres (bijna 15 jaar, ervaren kartster), die daarbij letselschade opliep. De rechtbank past de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel uit de sport- en speljurisprudentie toe en oordeelt dat deze deelnemer niet aansprakelijk is tegenover eiseres. De rechtbank acht de kartbaan wel aansprakelijk wegens gevaarzettend handelen/nalaten, doordat zij tijdens het vrij rijden iedereen (ongeacht leeftijd of rijvaardigheid) toelaat op de baan zonder (veiligheids)instructies te geven en zonder toezicht te houden op de baan. De kartbaan kan (voor wat betreft de letselschade) geen beroep doen op een exoneratie (onredelijk bezwarend). Wel is sprake van eigen schuld aan de kant van eiseres doordat zij zich willens en wetens aan de risico’s van het karten (onder de hier aan de orde zijn omstandigheden) heeft blootgesteld en omdat zij onvoldoende oplettend is geweest. De verzekeraar van de kartbaan wordt veroordeeld tot vergoeding van 50% van de letselschade van eiseres (nader op te maken bij staat).

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

 

 

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

 

zaaknummer / rolnummer: C/01/310350 / HA ZA 16-472

 

Vonnis van 17 mei 2017

 

in de zaak van

 

1

[eiser] ,

2. [eiseres],

beiden optredend zowel voor zichzelf als in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige dochter],

met machtiging van de kantonrechter,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. D. Knecht te Amsterdam,

 

tegen

 

1

[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

 

en

 

2. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

3. de vennootschap onder firma

KOMBIKART-CIRCUIT “DE LANDSARD” V.O.F.,

gevestigd te Eindhoven,

4. [gedaagde sub 4]

wonende te [woonplaats 2] ,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ELHAN BEHEER B.V.,

gevestigd te Best,

gedaagde,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

 

Eisers zullen hierna [eisers] genoemd worden. Gedaagden sub 1, 2 en 3 zullen respectievelijk [gedaagde sub 1] , Achmea en Kombikart worden genoemd. Gedaagden sub 4 en 5 zullen gezamenlijk worden aangeduid als de vennoten.

 

1

De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 30 november 2016

het proces-verbaal van comparitie van 27 maart 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2

De feiten

2.1.

Op 8 mei 2015 vond op het kartcircuit van Kombikart in Eindhoven tijdens het vrij rijden een ongeval plaats waarbij [minderjarige dochter] (hierna: [de dochter van eisers] ) en [gedaagde sub 1] waren betrokken. [de dochter van eisers] heeft hierbij letsel opgelopen. Het kartcircuit in Eindhoven is een outdoor circuit dat wordt geëxploiteerd door Kombikart. De heer [gedaagde sub 4] en Elhan Beheer BV zijn vennoten van Kombikart.

 

2.2.

Kombikart exploiteert het circuit door dit te verhuren aan wedstrijdorganisaties en, op dagen dat geen wedstrijden worden verreden, aan individuele rijders. Tijdens het vrij rijden kan iedereen die dat wil tegen betaling met een eigen kart of een gehuurde kart komen vrij rijden. Kombikart stelt geen eisen aan de rijvaardigheid of leeftijd van de deelnemers. De eerste 20 minuten van het uur zijn gereserveerd voor de minikarts (leeftijd 7 t/m 13 jaar), de overige 40 minuten van het uur mogen alle overige rijders op het circuit. Anders dan tijdens wedstrijden plaatst Kombikart tijdens het vrij rijden geen baancommissarissen of vlaggers bij de baan.

 

2.3.

Bij de ingang van het kartcircuit van Kombikart hangt een bord met daarop weergegeven het baanreglement. Dit bord bevat de volgende tekst:

 

Baanregelement Kombikartcircuit

 

Alle aanwezigheid op het terrein en gebruik van het circuit is geheel voor eigen risico

 

Iedere gebruiker verplicht zich:

 Baanhuur tbv trainingen vooraf te voldoen in het restaurant

 

 Alleen rijders die de baanhuur hebben voldaan zijn bevoegd zich met maximaal 1 helper

op de baan en de pitstrook te begeven

Alle aanwijzingen van het baanpersoneel strikt op te volgen

Altijd de rijrichting van het circuit aan te houden

Niet buiten/naast het asfalt te begeven met de kart

Niet te slingeren, afsnijden of anderszins te hinderen

Voeten bij de pedalen en beide handen op het stuur te houden

Rekening te houden met langzamere rijders (zoals kinder- en viertaktkarts)

Huurkarts te allen tijde voorrang te verlenen

Plaats te maken waar mogelijk voor snellere rijders

Te rijden met deugdelijke en aangesnoerde helm, schoeisel en kleding

Bij rijders tot 16 jaar is een bodyprotector verplicht, nekbeschermer wordt geadviseerd

Te rijden met een in goede staat verkerende kart

Maximale geluidsproductie FIA CIK norm (let op rode waarschuwingslamp)

Duidelijk hand op te steken bij gevaar of het verlaten van de baan

Stapvoets te rijden in de pits en elders buiten de baan

Bij pech de kart z.s.m. naar een veilige plaats te brengen

Reparatie op de baan is ten strengste verboden

Een vloeistofdicht zeil van minimaal 2×3 meter is onder de kart verplicht

Helpers mogen uitsluitend op de baan om gestrande karts te bergen

Afbakening te herstellen wanneer men deze heeft geraakt en schade te melden

Pitruimte voor vertrek schoon achter te laten

Het drijven van handel zonder toestemming van het circuitmanagement is verboden

Circuitmanagement behoud zich het recht voor:

Om op drukke dagen verschillende karts of rijders gescheiden te laten rijden

Het rijden tijdelijk te stoppen en/of circuitlengte tijdelijk te wijzigen

De baan te sluiten wegens onveilige weersomstandigheden

Rij sportief en geef duidelijk aan wat u van plan bent.

Bij overtreding van het baanreglement is het baanpersoneel bevoegd de toegang te ontzeggen zonder restitutie van de baanhuur.

Alle mogelijke (gevolg-)schade aan het circuit wordt verhaald op de veroorzakers.”

 

2.4.

Op het kartcircuit hangt elders ook een bord met daarop vermeld:

 

“Waarschuwing!

Het rijden op de kart baan

of verblijf op het gehele terrein

is voor eigen risico”

 

2.5.

[de dochter van eisers] reed op 8 mei 2015 (twee dagen voor haar vijftiende verjaardag) in haar eigen kart, een zogenaamde minimax. Zij was een ervaren kartster en kende het kartcircuit goed. Zij was lid van de kartschool en reed ook wedstrijden.

 

2.6.

[gedaagde sub 1] was ten tijde van het ongeval 20 jaar oud, had wel eens eerder gekart maar reed die middag voor het eerst op het kartcircuit van Kombikart in Eindhoven.

 

2.7.

Na enkele ronden te hebben gereden raakte [gedaagde sub 1] van de baan af. Dit gebeurde in de chicane (S-bocht) van het circuit. Op het moment dat [gedaagde sub 1] vanaf de rechterkant de baan weer opreed werd hij aangereden door [de dochter van eisers] . Zij reed met een snelheid van ongeveer 70 km per uur. Zij zag de kart van [gedaagde sub 1] pas staan een enkel ogenblik voor de botsing en kon toen niets meer doen om het ongeval te voorkomen. [de dochter van eisers] is met haar kart tegen het linker voorwiel van de kart van [gedaagde sub 1] gereden, waardoor haar kart werd gelanceerd, over de kop ging en een stuk verderop in de berm terechtkwam en in brand raakte. [de dochter van eisers] viel hierbij uit de kart.

 

2.8.

[de dochter van eisers] had na het ongeval een dubbele klaplong, een gebroken linker sleutelbeen, diverse gekneusde en gebroken ribben, kneuzingen in haar bekken, en de linkerkant van haar lichaam was zeer pijnlijk, zat vol blauwe plekken en schaafwonden. Ook haar linkerhand was erg pijnlijk. [gedaagde sub 1] heeft bij het ongeval geen letsel opgelopen.

 

2.9.

De gemachtigde van [eisers] heeft [gedaagde sub 1] op 12 juni 2015 aansprakelijk gesteld voor de schade van [de dochter van eisers] , waaronder materiaalschade aan haar kart en kleding, maar ook letselschade bestaande uit onder meer kosten in verband met ziekenhuisopname, kosten voor verzorging en verpleging, schade wegens studievertraging en immateriële schade.

In een brief van zijn gemachtigde van 21 juli 2015 heeft [gedaagde sub 1] aansprakelijkheid verworpen. De aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde sub 1] biedt in geen geval dekking.

 

2.10.

De gemachtigde van [eisers] heeft op 17 juli 2015 ook Kombikart en haar vennoten aansprakelijk gesteld voor de schade van [de dochter van eisers] . Verzekeraar Achmea heeft namens Kombikart en haar vennoten aansprakelijkheid verworpen.

 

2.11.

Op 8 juli 2016 hebben [eisers] een dagvaarding uitgebracht.

 

3

Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en Kombikart en haar vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van [de dochter van eisers] voortvloeiende uit het ongeval van 8 mei 2015;

II. [gedaagde sub 1] en Achmea hoofdelijk veroordeelt om te vergoeden de door [de dochter van eisers] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de tijdstippen waarop die schade is geleden en opeisbaar is;

III. [gedaagde sub 1] en Achmea hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen nadat deze bedragen verschuldigd zijn geworden.

 

3.2.

[eisers] leggen hieraan kort gezegd ten grondslag dat [gedaagde sub 1] en Kombikart (en daarmee haar vennoten) aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW. Zij stellen dat [gedaagde sub 1] gevaarzettend heeft gehandeld door ongeschikt materiaal te gebruiken, zich niet aan de geldende regels te houden en niet goed uit te kijken. Kombikart (en haar vennoten) houden zij aansprakelijk vanwege gevaarzetting door nalaten, omdat aan [gedaagde sub 1] geen instructies werden gegeven, geen materiaalcontrole werd uitgevoerd en onvoldoende toezicht werd gehouden op het circuit. Voor wat betreft hun vordering jegens Achmea doen [eisers] een beroep op artikel 7:954 BW (directe actie).

 

3.3.

Gedaagden concluderen tot afwijzing van de vorderingen en voeren kort samengevat het volgende verweer.

3.3.1.

[gedaagde sub 1] betwist dat hij ongeschikt materiaal heeft gebruikt, regels heeft overtreden en niet goed heeft uitgekeken. Hij beroept zich op de verhoogde aansprakelijkheidsdrempel uit de zogenaamde sport- en speljurisprudentie, en op eigen schuld aan de kant van [de dochter van eisers] . Ook beroept hij zich op derdenwerking van de door Kombikart gehanteerde exoneratie.

3.3.2.

Kombikart, Achmea en de vennoten voeren aan dat het materiaal van [gedaagde sub 1] geschikt was om mee te rijden, dat de baanregels voor iedereen duidelijk zichtbaar zijn en dat er voldoende toezicht wordt gehouden. Zij voeren aan dat het gebruik van het circuit geschiedt op eigen risico van de gebruiker en dat een andere handelwijze van hun kant het ongeval niet had kunnen voorkomen: [gedaagde sub 1] keek eenvoudigweg niet goed uit en ook [de dochter van eisers] had voorzichtiger moeten zijn.

 

3.4.

Voor het geval de rechtbank de vordering(en) van [eisers] zou toewijzen vragen Kombikart, Achmea en de vennoten de rechtbank om de onderlinge draagplicht tussen hen en [gedaagde sub 1] vast te stellen, om een nieuwe procedure te voorkomen.

 

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4

De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eisers] de schade die hun dochter [de dochter van eisers] lijdt als gevolg van het kart-ongeval van 8 mei 2015 geheel of gedeeltelijk kunnen verhalen op [gedaagde sub 1] dan wel op Kombikart (en daarmee op de vennoten en op Achmea).

 

Aansprakelijkheid [gedaagde sub 1]

 

4.2.

Het staat vast dat het ongeval is veroorzaakt doordat [gedaagde sub 1] terug het circuit is opgereden juist op het moment dat [de dochter van eisers] daar aan kwam rijden. De vraag is nu kort gezegd of [gedaagde sub 1] , door het circuit op te rijden op de manier waarop hij dat heeft gedaan, onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW.

 

4.3.

[eisers] stellen dat [gedaagde sub 1] gevaarlijk en daarom onrechtmatig heeft gehandeld en beroepen zich in dit verband op de criteria zoals door de Hoge Raad gegeven in het zogenaamde Kelderluikarrest van 5 november 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AB7079).

 

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat toepassing van deze criteria hier minder voor de hand ligt omdat het verwijt aan [gedaagde sub 1] niet zozeer ziet op het in het leven roepen of in stand laten van een potentieel gevaarlijke (min of meer statische) situatie maar op het zich gevaarlijk gedragen. Of het gedrag van [gedaagde sub 1] als onrechtmatig is aan te merken, moet als volgt worden beoordeeld.

 

4.4.1.

In het algemeen geldt dat niet elke gedraging die kan leiden tot een ongeval ook onrechtmatig is. Een gedraging die gevaar voor een ander kan opleveren is alleen dan onrechtmatig als de kans op een ongeval (met letsel voor een ander) zo groot is, dat de persoon in kwestie zich uit oogpunt van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden (vergelijk Hoge Raad 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1576, ‘zwiepende tak’ en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2679, ‘Witmarsumer Merke’). Bij het beoordelen of in een concreet geval aan dit criterium is voldaan, moet worden gekeken naar de specifieke situatie waarin partijen zich hebben begeven en naar het gevaar dat partijen in die situatie over en weer redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten.

 

4.5.

In de jurisprudentie is uitgemaakt dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe die activiteit uitlokt, of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (zie Hoge Raad van 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, ‘natrappen bij voetbal’ en het al eerder genoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ uit 2003). Als een deelnemer aan een sport of spel door zijn gedrag letsel veroorzaakt bij een andere deelnemer, wordt dat gedrag daarom minder snel als onrechtmatig aangemerkt dan als datzelfde gedrag buiten een sport- en spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. In sport- en spelsituaties is dus sprake van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel.

 

4.6.

Partijen twisten over de vraag of hier sprake was van een sport- en spelsituatie. [gedaagde sub 1] meent van wel en stelt dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. [eisers] meent dat [gedaagde sub 1] , nadat hij de bocht was uitgevlogen en naast de baan terecht was gekomen, geen deel meer uitmaakte van de sport- en spelsituatie. Bovendien was er sprake van vrij rijden en ontbrak het competitieve element, zo stelt [eisers] .

 

4.7.

De rechtbank overweegt dat de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid niet is opgehouden te gelden zodra [gedaagde sub 1] naast de baan terecht is gekomen. [gedaagde sub 1] , die de bocht was uitgevlogen en de baan weer op wilde, maakte ook op het korte moment dat hij met zijn kart naast de baan stond, nog altijd deel uit van de sport- en spelsituatie (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2680, ‘Broere/Kegel’ en het eerdergenoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ van dezelfde datum). Voorts geldt dat van een sport- en spelsituatie niet alleen sprake kan zijn indien de activiteit plaatsvindt in wedstrijdverband. Ook bij zuiver recreatieve activiteiten kan er reden zijn om een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid aan te nemen. Bij het vrij karten is overigens wel degelijk sprake van een competitief element. De essentie van karten is toch om zo snel mogelijk het circuit af te leggen. Tijdens het vrij rijden zullen mogelijk minder risico’s worden genomen dan tijdens een wedstrijd, maar uit wat partijen daarover naar voren hebben gebracht begrijpt de rechtbank dat ook deelnemers aan het vrij rijden proberen zo snel mogelijk te rijden om hun rondetijden te verbeteren of om een andere kart bij te houden of in te halen. Dat [gedaagde sub 1] buiten de baan was geraakt (en daar weer op probeerde te rijden om zijn ronde af te maken) betekent niet dat hij niet langer deelnam aan het vrij rijden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die geldt in sport- en spelsituaties. Die maatstaf kan variëren naargelang de specifieke omstandigheden van het geval. De aard en intensiteit van de activiteit speelt daarbij een belangrijke rol want (om bij gemotoriseerde activiteiten te blijven) in bijvoorbeeld deelname aan een motorcrosswedstrijd liggen nu eenmaal andere gevaren besloten dan in deelname aan een wat rustiger activiteit zoals een recreatieve snorfietstoertocht.

 

4.8.

De rechtbank zal de (on)rechtmatigheid van het handelen van [gedaagde sub 1] hierna beoordelen, uitgaande van bovenstaande kaders en rekening houdend met de specifieke omstandigheden waaronder het handelen van [gedaagde sub 1] plaatsvond.

 

4.9.

[gedaagde sub 1] heeft over de toedracht van het ongeval en de omstandigheden die middag het volgende verklaard. [gedaagde sub 1] had een paar keer eerder gekart maar reed die middag voor het eerst ‘semiprofessioneel’ op het outdoor circuit in Eindhoven, op uitnodiging van een schoolvriend. Hij reed in een kart van zijn vriend en droeg zijn eigen helm en crossbril. Bij aankomst op het circuit heeft [gedaagde sub 1] voor het gebruik van de baan betaald en werd een label aan zijn kart bevestigd. Hem is niet gevraagd naar zijn kartervaring en aan hem zijn door het personeel van de kartbaan geen instructies gegeven. De instructies die op een bord bij de ingang hingen heeft hij niet gezien. Hij keek hoe anderen reden. Na enkele ronden te hebben gereden is [gedaagde sub 1] met zijn kart gaan spinnen en raakte hij van de baan af. Dit gebeurde in de ‘chicane’ (S-bocht) van het circuit, waar een bocht van 90 graden naar links direct wordt gevolgd door een zelfde bocht naar rechts. Hij kwam in het gras rechts van de baan terecht en zijn kart kwam schuin/dwars in de bocht te staan, een positie van waaruit hij direct terug de baan op kon rijden. [gedaagde sub 1] wilde zo snel mogelijk weer de baan oprijden. Voor hij dat deed keek hij naar links. Door de helm en de bril die hij droeg, en de kuipstoel waarin hij zat en waarin hij zich niet kon draaien, kon hij niet zo gemakkelijk naar achteren kijken als hij dat zonder helm en bril in bijvoorbeeld de auto zou kunnen, maar de baan was overzichtelijk en van links zag hij geen karts op korte afstand naderen. Verderop zag hij twee karts naderen, maar zijn inschatting was dat hij daar gemakkelijk voorlangs kon. Hij reed de baan op en werd direct van links aangereden door [de dochter van eisers] . Zij reed met hoge snelheid tegen zijn linker voorwiel. [gedaagde sub 1] stelt dat hij [de dochter van eisers] niet heeft gezien, mogelijk omdat zij buiten zijn blikveld, in zijn dode hoek heeft gereden. [eisers] (en Kombikart) hebben deze verklaringen van [gedaagde sub 1] niet betwist.

 

4.10.

[eisers] verwijten [gedaagde sub 1] onder meer dat hij in een onwennige kart reed waarin hij moeilijk kon bewegen en dat hij een helm droeg in combinatie met een crossbril, waardoor hij een kleinere kijkhoek had.

 

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] in deze geen verwijt treft. [gedaagde sub 1] reed voor het eerst in de kart, die daarom onwennig voor hem zal zijn geweest, maar de kart voldeed aan alle daaraan te stellen eisen. Zoals ook van de zijde van Kombikart is toegelicht is het uit een oogpunt van veiligheid van belang dat een karter goed vastzit in de kuipstoel van de kart. Het dragen van een helm is om voor de hand liggende redenen verplicht bij het karten, al maakt dit het naar opzij en met name het naar achteren kijken niet makkelijker. [gedaagde sub 1] heeft zijn helm gedragen in combinatie met een crossbril. Het staat niet vast dat hij hierdoor een beperkter zicht had dan wanneer hij een helm met vizier had gedragen. Voor zover zijn crossbril het zicht naar achteren enigszins heeft beperkt, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat dit [gedaagde sub 1] ervan had moeten weerhouden met die bril op te gaan rijden. Bij het binnengaan van de kartbaan is hij door het personeel ook niet gewezen op mogelijke ongeschiktheid van zijn helm met crossbril.

 

4.12.

[eisers] verwijten [gedaagde sub 1] ook dat hij meerdere baanregels heeft overtreden door zich buiten de baan te begeven, zijn hand niet op te steken en geheel onverwachts en zonder goed uit te kijken de baan weer op te rijden, daarbij niet aangevend wat hij van plan was en geen voorrang verlenend aan snellere rijders, waardoor hij anderen heeft gehinderd en afgesneden.

 

4.13.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van zowel Kombikart als [de dochter van eisers] volgt dat het regelmatig voorkomt dat een karter buiten de baan raakt. Het van de baan af raken moet worden gezien als (het gevolg van) een tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe het karten uitlokt, of die daarin besloten liggen, die karters onderling van elkaar, en zeker van minder ervaren mede-karters, moeten verwachten. De rechtbank overweegt dat er bij Kombikart geen baanregel is die voorschrijft dat een rijder die van de baan is geraakt zijn hand op moet steken bij het weer oprijden van de baan. De baanregels – die [gedaagde sub 1] overigens niet had gelezen en waarover hij ook geen instructie had gehad – schrijven voor dat rijders hun beide handen op het stuur moeten houden en dat rijders duidelijk hun hand op moeten steken bij gevaar of bij het verlaten van de baan. Het was wellicht aan te raden geweest wanneer [gedaagde sub 1] zijn hand had opgestoken voordat hij (met beide handen aan het stuur) de baan weer op reed, om daarmee andere rijders te waarschuwen. Dat hij dit niet heeft gedaan valt naar het oordeel van de rechtbank hooguit aan te merken als onvoldoende doordacht handelen waarmee andere gebruikers van de kartbaan rekening moeten houden dat dit kan gebeuren, zeker als zij weten dat er ook onervaren karters op de baan rijden. Overigens is het zeer de vraag of met het opsteken van de hand het ongeval zou zijn voorkomen. Op de zitting heeft [de dochter van eisers] uitgelegd dat het opsteken van de hand bedoeld is om te waarschuwen dat er iets aan de hand is, waarna er gevlagd kan worden en iedereen rustiger gaat rijden. Vast staat echter dat er op de middag van 8 mei 2015 geen vlaggers op het circuit aanwezig waren. Het opsteken van de hand door [gedaagde sub 1] had er dus niet toe geleid dat er zou zijn gevlagd en het is niet zeker of [de dochter van eisers] de opgestoken hand van [gedaagde sub 1] zou hebben gezien want zij heeft verklaard dat zij [gedaagde sub 1] in zijn kart helemaal niet heeft zien staan naast de baan. Het is bovendien maar zeer de vraag of [de dochter van eisers] , als zij de opgestoken hand van [gedaagde sub 1] wel had gezien, haar handelen daarop zou hebben aangepast. Op de zitting heeft [de dochter van eisers] immers verklaard dat als er een kart naast de baan staat het niet aan haar is om vaart te minderen, maar dat degene die de baan weer op wil goed moet uitkijken.

 

4.14.

Het belangrijkste verwijt aan het adres van [gedaagde sub 1] is dat hij niet, of althans niet goed heeft uitgekeken voordat hij de baan is opgereden. De rechtbank is met [eisers] van oordeel dat het aan [gedaagde sub 1] was om goed uit te kijken en te wachten totdat hij zonder anderen te hinderen de baan kon oprijden. Dit is door [gedaagde sub 1] ook niet betwist. [eisers] stellen dat [gedaagde sub 1] zonder te kijken de baan weer is opgereden. De heer [eisers] , de vader van [de dochter van eisers] , heeft dit zo verklaard. Hij was die middag op het circuit aanwezig en heeft het ongeval naar eigen zeggen zien gebeuren. De rechtbank overweegt dat het voor de heer [eisers] heel moeilijk, zo niet onmogelijk moet zijn geweest om vanaf de zijkant van het circuit met zekerheid vast te stellen dat [gedaagde sub 1] niet naar links heeft gekeken. De rechtbank ziet in de verklaring van de heer [eisers] dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat [gedaagde sub 1] , anders dan hij zelf heeft verklaard, helemaal niet naar links heeft gekeken voordat hij de baan weer op reed. De rechtbank gaat er vanuit dat [gedaagde sub 1] naar links heeft gekeken en vindt daarvoor een aanknopingspunt in de verklaring van [gedaagde sub 1] dat hij twee karts heeft zien naderen waar hij naar zijn inschatting nog voorlangs kon. De heer [naam] , de vriend waarmee [gedaagde sub 1] aan het karten was, heeft verklaard dat [gedaagde sub 1] twee andere karts voor heeft laten gaan voordat hij de baan weer opging (productie 1 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ). Ook dit wijst er op dat [gedaagde sub 1] niet direct en zonder eerst te kijken de baan weer is opgereden. Hoewel [gedaagde sub 1] naar links heeft gekeken heeft toch een ongeval plaatsgevonden. Wat er precies de oorzaak van is geweest dat [gedaagde sub 1] , hoewel hij naar links heeft gekeken, niet heeft gezien dat [de dochter van eisers] hem met hoge snelheid van dichtbij naderde (de aanrijding vond immers plaats direct bij het oprijden van de baan), is onduidelijk. Mogelijk heeft zij op het moment dat [gedaagde sub 1] naar links keek juist in zijn dode hoek gereden. Rekening houdend met het feit dat het handelen van [gedaagde sub 1] heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie als bedoeld in de eerder aangehaalde jurisprudentie, en rekening houdend met het feit dat [gedaagde sub 1] , zoals zijn raadsman het verwoordt, in het vuur van het spel druk voelde om zo snel mogelijk weer de baan op te rijden, acht de rechtbank de handelwijze van [gedaagde sub 1] niet onrechtmatig. De rechtbank ziet onvoldoende grond om te oordelen dat de handelwijze van [gedaagde sub 1] zo abnormaal gevaarlijk was dat de andere karters, waaronder [de dochter van eisers] , hiermee in redelijkheid geen rekening hoefden te houden. Bij vrij karten op de manier waarop dat hier op het circuit van Kombikart gebeurde, kunnen de deelnemers verwachten dat andere (minder ervaren) deelnemers onbedoeld voor gevaarlijke situaties kunnen zorgen. [gedaagde sub 1] heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet aansprakelijk voor de schade die [de dochter van eisers] als gevolg van het ongeval lijdt.

 

4.15.

De vorderingen van [eisers] voor zover deze zien op [gedaagde sub 1] zullen daarom worden afgewezen.

 

Aansprakelijkheid Kombikart

 

4.16.

De vorderingen van [eisers] jegens Kombikart zijn er op gegrond dat Kombikart als exploitant van het kartcircuit is tekortgeschoten in de verplichting die zij heeft om te zorgen voor de veiligheid van gebruikers van het circuit. Zij verwijten Kombikart dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Kombikart voert gemotiveerd verweer.

 

4.17.

[eisers] stellen dat Kombikart onrechtmatig, want gevaarzettend, jegens [de dochter van eisers] heeft gehandeld. Zij doen uitdrukkelijk een beroep op artikel 6:162 BW en – wederom – op het eerdergenoemde Kelderluik-arrest van de Hoge Raad uit 1965. Uit dit arrest volgt dat het antwoord op de vraag of het in het leven roepen of in stand laten van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, met name afhangt van (a) hoe waarschijnlijk het is dat anderen niet voldoende oplettend en voorzichtig zijn, (b) hoe groot de kans is dat dit tot ongevallen leidt, (c) de ernst van de gevolgen die een ongeval kan hebben, en (d) hoe bezwaarlijk het is om veiligheidsmaatregelen te nemen. [eisers] stellen dat gelet op deze criteria Kombikart onrechtmatig heeft gehandeld. Tegelijk met hun beroep op onrechtmatigheid doen [eisers] in verband met de door Kombikart gehanteerde exoneratie een beroep op artikel 6:233 sub a juncto 6:237 aanhef en onder f BW (algemene voorwaarden) en artikel 6:248 lid 2 BW (beperkende werking van redelijkheid en billijkheid), wat duidelijk maakt dat het geschil zich tevens afspeelt tegen de achtergrond van de contractuele relatie met Kombikart. [de dochter van eisers] is immers een overeenkomst aangegaan met Kombikart op grond waarvan zij tegen betaling gebruik mocht maken van het kartcircuit van Kombikart. De rechtbank zal daarom de stellingen van partijen die zien op de beweerdelijk geschonden zorgplicht van Kombikart tegenover [de dochter van eisers] als gebruiker van het kartcircuit (mede) beoordelen binnen dit contractuele kader.

 

4.18.

Partijen zijn het er niet over eens hoever de plicht gaat die Kombikart heeft om te zorgen voor de veiligheid van de gebruikers van het kartcircuit. Zij verschillen van mening over de vraag welke veiligheidsmaatregelen in redelijkheid van Kombikart kunnen worden gevergd.

 

4.19.

[eisers] verwijten Kombikart dat [gedaagde sub 1] is toegelaten op het circuit terwijl hij een helm droeg met losse crossbril die niet geschikt was om te karten. Ook verwijten zij Kombikart dat [gedaagde sub 1] niet vooraf is geïnstrueerd over de geldende regels en met name niet over wat te doen als je van de baan afraakt. Volgens hen is het gebruikelijk dat gebruikers van een kartbaan vooraf een briefing over de veiligheidsregels krijgen. Tot slot verwijten zij Kombikart dat tijdens het vrij rijden geen toezicht werd gehouden op de baan. Er waren geen vlaggers die de rijders konden attenderen op gevaarlijke situaties, aldus [eisers] .

 

4.20.

Kombikart voert ter verweer het volgende aan. Het materiaal van [gedaagde sub 1] is gecontroleerd en geschikt bevonden. Een helm met losse crossbril biedt misschien iets minder goed zicht dan een helm met vizier, maar is daarmee nog niet ongeschikt of gevaarlijk. Op de informatieborden die duidelijk zichtbaar zijn aangebracht bij de ingang van het circuit heeft [gedaagde sub 1] kunnen lezen wat de regels zijn die gelden op de baan. Een briefing is niet gebruikelijk bij het vrij rijden. De aanwezigheid van vlaggers is bij het vrij rijden niet verplicht voorgeschreven en ook niet gebruikelijk. Het inhuren van vlaggers zou de toch al hoge prijs van het vrij rijden zo opstuwen dat dit het einde van het kartcircuit zou betekenen. Deelnemers aan het vrij rijden weten dat er geen vlaggers staan en moeten hier rekening mee houden door wat voorzichtiger te rijden dan tijdens wedstrijden. Op het circuit is wel altijd minimaal één baanbeheerder aanwezig die de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Daarmee is er voldoende toezicht.

 

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. Karten is een gevaarlijke sport met een aanmerkelijke kans op ongevallen met (ernstig) lichamelijk letsel. Kombikart exploiteert een kartcircuit en kan niet altijd voorkomen dat ongevallen plaatsvinden, maar door het treffen van bijzondere maatregelen kan Kombikart de kans op (ernstige) ongevallen op haar circuit wel verminderen en van Kombikart als bedrijfsmatig verhuurder van de baan kan ook worden gevergd dat zij uit oogpunt van veiligheid de nodige maatregelen treft. Met name ook bij het vrij rijden. Iedereen die dat wil kan dan tegen betaling met een eigen kart of een gehuurde kart op het circuit rijden, ongeacht leeftijd of rijvaardigheid. Ervaren en onervaren deelnemers rijden dan dus gezamenlijk op het circuit met snelheden die onderling nogal kunnen verschillen, in karts van verschillend gewicht en vermogen. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties. Daar komt bij dat met name de recreatieve deelnemers vaak onverzekerd zullen rijden. Een ongevallenverzekering zullen zij in veel gevallen niet hebben afgesloten en deze biedt bovendien niet altijd dekking bij een gevaarlijke sport als karten. En ook de aansprakelijkheidsverzekering van de deelnemers zal soms, zoals ook in het geval van [gedaagde sub 1] , geen dekking bieden. Van Kombikart als bedrijfsmatig exploitant mag daarom vanuit het oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om het ontstaan van gevaarlijke situaties waarbij (letsel)schade kan optreden zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen.

 

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart onder meer mag worden verwacht dat zij controleert of degenen die de baan op willen gaan beschikken over veilig materiaal. Namens Kombikart is op de zitting verklaard dat de baanbeheerder ‘in één oogopslag’ ziet of alles in orde is van degenen die de baan opgaan. De rechtbank is er niet van overtuigd dat op die manier sprake is van een deugdelijke controle van kart en andere materialen, maar acht dit voor de beoordeling van deze zaak verder niet van belang omdat naar haar oordeel niet vaststaat dat Kombikart [gedaagde sub 1] met onveilig materiaal de baan op heeft laten gaan. [eisers] stellen dat het gebruik van een helm met losse crossbril wel geschikt is voor motorcross maar niet voor karten, vanwege de beperkte kijkhoek. Zonder toelichting of onderbouwing, die [eisers] niet heeft gegeven, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat tussen beide sporten een relevant verschil bestaat in de mogelijkheid die deelnemers moeten hebben om naast en achter zich te kijken. De rechtbank ziet dan ook geen grond om aan te nemen dat het onveilig is een helm met losse crossbril te dragen bij het karten. Dat de kijkhoek van een helm met losse crossbril mogelijk iets beperkter is dan van een helm met vizier, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat Kombikart het gebruik ervan op haar circuit niet zou mogen toestaan vanwege de onveiligheid daarvan. Van schending door Kombikart van haar verplichting om te zorgen voor veiligheid op het circuit is in die zin dan ook geen sprake.

 

4.23.

De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart ook mag worden verwacht dat zij er voor zorgt dat alle deelnemers aan het vrij rijden, met name ook de beginners of weinig ervaren karters, zich bewust zijn van de gevaren van het karten en weten aan welke veiligheidsregels zij zich moeten houden. Kombikart heeft hierbij niet kunnen volstaan met het ophangen van een informatiebord waarop de baanregels staan vermeld. Veel deelnemers zullen dit bord niet (volledig) lezen, mede gelet op de hoogte waarop het bord hangt en de hoeveelheid informatie die erop vermeld staat. Bovendien staat op het bord niet duidelijk te lezen wat je moet doen als je van de baan raakt, terwijl dit naar de rechtbank heeft begrepen veelvuldig voorkomt en tot gevaarlijke situaties kan leiden. Kombikart dient er voor te zorgen dat alle deelnemers weten hoe zij zich op de baan moeten gedragen. Zij kan dit doen door aan alle deelnemers, of in elk geval aan iedereen die het circuit voor het eerst bezoekt, uitleg te geven over de veiligheidsregels en daarbij die regels op schrift uit te reiken (en eventueel voor kennisgeving of akkoord te laten ondertekenen). Een dergelijke handelwijze, waarbij Kombikart het belang van veiligheid actief onder de aandacht van de deelnemers brengt, zal deze deelnemers ook scherpen in het bewustzijn dat karten gevaarlijk is en dat ze zich aan de regels moeten houden, voor hun eigen veiligheid en die van de andere deelnemers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een handelwijze die redelijkerwijs van Kombikart mag worden gevergd. Door [gedaagde sub 1] niet te vragen naar zijn kartervaring en hem zonder enige vorm van instructie toe te laten op het circuit, heeft Kombikart dan ook naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.

 

4.24.

Van Kombikart mag tot slot worden verwacht dat zij zorgt voor adequaat toezicht op en naast de baan. Op 8 mei 2015 was tijdens het vrij rijden slechts één baanbeheerder aanwezig. Kombikart heeft uitgelegd dat een baanbeheerder de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Deze baanbeheerder bevindt zich voornamelijk in de buurt van het clubgebouw en het is niet zijn functie om de rijders door het opsteken van een vlag of op een andere manier te attenderen op gevaarlijke situaties op het circuit. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart tijdens het vrij rijden niet kan volstaan met de aanwezigheid van slechts één baanbeheerder. De wijze waarop Kombikart het vrij rijden laat plaatsvinden, waarbij zij beginners en (ver)gevorderden vanaf 14 jaar door elkaar laat rijden in karts met een verschillend vermogen, zonder hen vooraf veiligheidsinstructies te geven, brengt mee dat gevaarlijke situaties te verwachten zijn en dat dus enig toezicht op de baan nodig is. Gegeven die situatie mag van Kombikart worden verwacht dat zij er voor zorgt dat tijdens het vrij rijden de deelnemers worden gewaarschuwd als er gevaar dreigt, bijvoorbeeld door vlaggers of waarschuwingslichten op het circuit te plaatsen. Dat het gebruik van vlaggers buiten wedstrijden om niet verplicht is voorgeschreven en ook niet gebruikelijk is bij outdoor circuits, zoals Kombikart stelt maar niet nader onderbouwt, betekent nog niet dat vlaggers nooit nodig zijn. Het gebruik van vlaggers tijdens het vrij rijden, of het gebruiken van een ander signaleringssysteem, kan uit oogpunt van veiligheid nodig zijn als de omstandigheden op de baan daartoe nopen.

 

4.25.

Kombikart stelt dat het gebruik van vlaggers financieel onhaalbaar is en ter onderbouwing heeft zij globaal voorgerekend dat het tijdens alle openingsuren inhuren van tien vlaggers tegen een vergoeding van € 20,- per uur de entreeprijs zou doen stijgen van € 40,- naar € 275,- per dag. Kombikart heeft op dit punt bewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor bewijslevering. Zoals door [eisers] is aangevoerd hoeven er tijdens het vrij rijden door Kombikart geen tien vlaggers te worden geplaatst, en ook geen negen, zoals bij wedstrijden, maar zou kunnen worden volstaan met bijvoorbeeld twee of drie vlaggers op strategische plekken op het circuit. Deze vlaggers zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid op het circuit, nu van de deelnemers aan het vrij rijden op hun beurt mag worden verwacht dat zij minder risico’s nemen dan bij wedstrijden en oog houden voor wat er om hen heen gebeurt en dus ook voor vlaggen die de lucht in gaan. De vlaggers hoeven bovendien geen betaalde krachten te zijn. Kombikart zou ook gebruik kunnen maken van vrijwilligers die in ruil voor hun diensten bijvoorbeeld gratis gebruik mogen maken van de kartbaan. En als Kombikart geen vlaggers kan of wil plaatsen, zou zij bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor het plaatsen van waarschuwingslichten. Een toezichthouder die overzicht kan houden over het hele circuit kan dan deze lichten in werking stellen als zich een gevaarlijke situatie voordoet. Het plaatsen van vlaggers of het hanteren van een ander signaleringssysteem leidt ontegenzeggelijk tot extra kosten voor Kombikart, en noodzaakt mogelijk tot een verhoging van de reeds aanzienlijke entreeprijs van € 40,- per dag, maar dit nadeel weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het veiligheidsbelang van de deelnemers dat ermee is gediend dat er voldoende toezicht op de baan aanwezig is en dat zij worden gewaarschuwd bij gevaar.

 

4.26.

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat Kombikart tekort is geschoten in haar verplichtingen ten aanzien van de gebruikers van het kartcircuit. Door tijdens het vrij rijden iedereen op het circuit toe te laten zonder hen te vragen of zij ervaring hebben met karten en zonder hen uitleg te geven over de regels die gelden bij het karten, en door alle deelnemers vervolgens gelijktijdig te laten rijden zonder daarbij toezicht te houden, waardoor de rijders niet worden gewaarschuwd als zich een gevaarlijke situatie voordoet, biedt Kombikart haar klanten onvoldoende veiligheid. Van Kombikart, die het kartcircuit bedrijfsmatig exploiteert, mag redelijkerwijs worden gevergd dat zij maatregelen treft om de gevaren die inherent zijn aan het karten te verminderen, waaronder het deugdelijk instrueren van de deelnemers en het houden van voldoende toezicht. Vanuit maatschappelijk oogpunt kan zij de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de door haar bedrijfsmatig geëxploiteerde kartbaan niet uitsluitend en volledig neerleggen bij de individuele rijders.

 

Causaal verband

 

4.27.

[eisers] stellen dat als [gedaagde sub 1] vooraf veiligheidsinstructies had ontvangen, waarbij hem zou zijn uitgelegd wat hij moest doen als hij buiten de baan zou raken, dat [gedaagde sub 1] dan niet zomaar de baan weer was opgereden. Als er vlaggers op de baan hadden gestaan hadden zij [gedaagde sub 1] instructies kunnen geven en de overige deelnemers, waaronder [de dochter van eisers] , met hun vlag kunnen waarschuwen. [de dochter van eisers] had dan vaart geminderd. [eisers] is op deze grond van mening dat Kombikart het ongeval had kunnen voorkomen als zij haar verplichtingen was nagekomen.

 

4.28.

Kombikart betwist dat een instructie vooraf of het plaatsen van vlaggers het ongeval had kunnen voorkomen. [gedaagde sub 1] wist dat hij de andere karts voor moest laten gaan maar heeft eenvoudigweg niet goed uitgekeken. Een instructie vooraf zou hieraan niets hebben veranderd, aldus Kombikart. Voor [de dochter van eisers] moet [gedaagde sub 1] ook zichtbaar zijn geweest, maar toch heeft zij hem niet gezien. Het is daarom niet aan te nemen dat zij een signalerende vlagger wel had gezien, zo stelt Kombikart.

 

4.29.

De rechtbank overweegt dat nooit met zekerheid zal kunnen worden vastgesteld wat er was gebeurd als [gedaagde sub 1] vooraf instructies had ontvangen en als er vlaggers op de baan hadden gestaan. Aannemelijk is echter wel dat [gedaagde sub 1] , en ook [de dochter van eisers] , anders zou(den) hebben gehandeld. [gedaagde sub 1] heeft immers verklaard dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. Als [gedaagde sub 1] vooraf veiligheidsinstructies zou hebben ontvangen waarbij hem zou zijn uitgelegd dat als hij van de baan raakt hij alle andere deelnemers ongehinderd moet laten voorgaan en rustig moet wachten tot hij er zeker van is dat de baan volledig vrij is, voordat hij de baan weer opgaat, dan had hij mogelijk meer tijd genomen voor zijn handelen en nog een tweede en derde keer gekeken voordat hij de baan was opgereden. Als er bovendien ook vlaggers op de baan aanwezig waren geweest en als aan [gedaagde sub 1] vooraf was uitgelegd dat als hij van de baan zou raken hij door het opsteken van zijn hand de aandacht van de vlaggers zou moeten trekken, zodat deze vlaggers de andere deelnemers het signaal zouden kunnen geven vaart te minderen, dan was [gedaagde sub 1] naar alle waarschijnlijkheid ook niet direct de baan weer opgereden, maar had hij eerst zijn hand in de lucht gestoken en het signaal van de vlaggers afgewacht. Dat [de dochter van eisers] de kart van [gedaagde sub 1] niet heeft gezien betekent nog niet dat [de dochter van eisers] een heen en weer bewegende waarschuwingsvlag ook niet zou hebben gezien. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat Kombikart met goede instructies en goed toezicht het ongeval zoals dat zich hier heeft voorgedaan had kunnen voorkomen. Voor zover het causaal verband niettemin nog onzeker is, dient dit naar het oordeel van de rechtbank voor risico van Kombikart te komen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de zogenaamde omkeringsregel die inhoudt dat als er sprake is van schending van een norm die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar, en dat specifieke gevaar zich verwezenlijkt, de rechtbank het condicio sine qua non-verband tussen die normschending en de verwezenlijking van het gevaar als vaststaand moet aannemen, behoudens door de normschender te leveren tegenbewijs (zie o.a. Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345 ‘lekkende tankcontainer’). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kombikart onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het ongeval ook zou zijn gebeurd als de vereiste veiligheidsmaatregelen waren getroffen en zal zij Kombikart daarom niet toelaten tot tegenbewijs.

 

Exoneratie

 

4.30.

Het staat vast dat Kombikart op het circuit borden heeft opgehangen met daarop de waarschuwing dat het gebruik van het circuit gebeurt op eigen risico. Kombikart doet een beroep op deze uitsluiting van aansprakelijkheid.

 

4.31.

[eisers] betwisten niet dat deze waarschuwing is gegeven en deel uitmaakt van de overeenkomst met Kombikart over het gebruik van het circuit. [eisers] beroepen zich er op dat dit een beding is dat ingevolge de wet vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn en dat Kombikart geen feiten en omstandigheden stelt waaruit het tegendeel kan blijken. Zij menen daarom dat de exoneratie vernietigbaar is.

 

4.32.

De rechtbank is van oordeel dat de exoneratie waarop Kombikart zich beroept moet worden aangemerkt als een beding in algemene voorwaarden waarvan in artikel 6:237 aanhef en onder f BW is bepaald dat het vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn, omdat de exoneratie tot doel heeft Kombikart tegenover haar klanten (consumenten) geheel te bevrijden van elke wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Deze exoneratie is daarom op grond van artikel 6:233 BW aanhef en onder a BW vernietigbaar, tenzij Kombikart dit vermoeden – dat het beding onredelijk bezwarend is – kan weerleggen.

 

4.33.

Of de exoneratie onredelijk bezwarend is hangt af van de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de exoneratie tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval.

 

4.34.

Kombikart voert ter ondersteuning van haar stelling dat de exoneratie niet onredelijk bezwarend is de volgende argumenten aan:

a) Kombikart heeft het niet in haar macht om ongevallen door fouten of onvoorzichtigheid van de deelnemers te voorkomen;

b) Kombikart hoeft bij het vrij rijden niet hetzelfde niveau van veiligheid te bieden als bij wedstrijden;

c) [de dochter van eisers] heeft de risico’s van het karten aanvaard en heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de voorwaarde dat het karten gebeurde op eigen risico;

d) [de dochter van eisers] had door voorzichtig te zijn het ongeval kunnen voorkomen;

e) [de dochter van eisers] had een ongevallenverzekering kunnen afsluiten.

4.35.

De rechtbank overweegt dat de argumenten onder (a), (b) en (d) spelen een rol bij de vraag naar (de omvang van) de aansprakelijkheid van Kombikart maar zijn geen argumenten die in geval van aansprakelijkheid een exoneratie rechtvaardigen.

 

4.36.

De overeenkomst tussen [de dochter van eisers] en Kombikart hield in dat [de dochter van eisers] tegen betaling gebruik mocht maken van het circuit van Kombikart om te kunnen karten. Zij reed op het circuit met eigen materiaal en heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank het risico aanvaard dat haar kart beschadigd zou kunnen raken. Uit de waarschuwing van Kombikart dat het karten op eigen risico plaatsvindt heeft zij moeten begrijpen dat Kombikart eventuele schade aan haar kartmateriaal niet zou vergoeden. Zij had een schadeverzekering voor haar kartmateriaal kunnen afsluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de exoneratie niet kan worden gezegd dat deze onredelijk bezwarend is voor zover deze ziet op de materiaalschade die [eisers] van Kombikart vorderen.

 

4.37.

Voor zover de exoneratie echter tot doel en tot gevolg heeft aansprakelijkheid van Kombikart ook uit te sluiten bij lichamelijk letsel van haar klanten, moeten aan de weerlegging van het vermoeden dat de exoneratie onredelijk bezwarend is, hoge eisen worden gesteld. In de indicatieve bijlage bij artikel 3 lid 3 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een dergelijk beding ook omschreven als een beding dat als oneerlijk kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart met de door haar aangevoerde argumenten er niet in is geslaagd het vermoeden, dat het beding onredelijk bezwarend is, te weerleggen. De overeenkomst met [de dochter van eisers] is naar de rechtbank begrijpt mondeling tot stand gekomen. Dat [de dochter van eisers] (of haar ouders) enig schriftelijk stuk van Kombikart heeft (hebben) ondertekend, is niet gesteld of gebleken. Hoewel karten een gevaarlijke sport is, heeft Kombikart bij het sluiten van de overeenkomst geen bijzondere aandacht besteed aan de vraag naar aansprakelijkheid bij (letsel)schade. Zij heeft [de dochter van eisers] (of haar ouders) er ook niet op gewezen dat het haar eigen verantwoordelijkheid is om een ongevallenverzekering af te sluiten. Kombikart heeft slechts borden opgehangen met de waarschuwing dat het rijden op de kartbaan en het verblijf op het terrein voor eigen risico is. Dat Kombikart daarmee iedere aansprakelijkheid uitsluit, ook voor letselschade die (mede) het gevolg is van onrechtmatig handelen of nalaten van Kombikart zelf, is hen niet uitdrukkelijk voorgehouden. Kombikart zou een te respecteren belang kunnen hebben bij beperking van haar aansprakelijkheid voor zover deze redelijkerwijs niet door een verzekering kan worden gedekt, maar over eventuele onverzekerbaarheid is door Kombikart niets gesteld of onderbouwd. Uit de betrokkenheid van Achmea bij deze procedure begrijpt de rechtbank daarentegen dat de aansprakelijkheid van Kombikart door verzekering is gedekt.

 

4.38.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Kombikart er niet in is geslaagd het vermoeden te weerleggen dat de exoneratie onredelijk bezwarend is voor zover deze exoneratie ziet op de letselschade die [eisers] vorderen. De exoneratie is in zoverre vernietigbaar op grond van artikel 6:233, aanhef en onder a BW en Kombikart kan daarop geen geslaagd beroep doen. Voor wat betreft de materiaalschade die [eisers] vorderen kan Kombikart wel een geslaagd beroep doen op de exoneratie.

 

Eigen schuld

 

4.39.

Door Kombikart is een beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van [eisers] als bedoeld in artikel 6:101 BW.

 

4.40.

De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op eigen schuld slaagt op de daartoe door Kombikart aangevoerde gronden. [de dochter van eisers] is met haar snelle kart gaan vrij rijden op een circuit waar op dat moment ook onervaren karters reden en geen vlaggers aanwezig waren. Zij heeft zich hierdoor willens en wetens blootgesteld aan de risico’s die in het algemeen zijn verbonden aan het karten en meer in het bijzonder aan het risico van een ongeval door een fout van een minder ervaren karter. [de dochter van eisers] is bovendien onvoldoende oplettend geweest. Zij heeft [gedaagde sub 1] niet naast de baan zien staan terwijl hij voor haar wel zichtbaar moet zijn geweest. Het circuit kon immers goed worden overzien en de stelling van [eisers] dat [gedaagde sub 1] vanuit zijn positie [de dochter van eisers] in haar kart kon zien aankomen impliceert dat [de dochter van eisers] vanuit haart kart [gedaagde sub 1] ook kon zien staan. [de dochter van eisers] heeft ook een risico genomen door met onverminderd hoge snelheid door de chicane en vlak langs [gedaagde sub 1] te rijden. Hoewel [de dochter van eisers] een gevaarlijke sport beoefent is gesteld noch gebleken dat [eisers] in verband daarmee een ongevallenverzekering voor haar hebben afgesloten. De schade die [de dochter van eisers] lijdt door het ongeval is mede een gevolg van al deze omstandigheden die aan [eisers] kunnen worden toegerekend, wat de vergoedingsplicht van Kombikart doet verminderen.

 

4.41.

In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat de aan Kombikart toe te rekenen omstandigheden meer hebben bijgedragen aan de schade dan de omstandigheden die aan [de dochter van eisers] (en dus aan [eisers] ) zijn toe te rekenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat Kombikart 50% van de letselschade zal dienen te vergoeden en dat de overige 50% van de letselschade voor eigen rekening van [eisers] zal blijven.

 

Kombikart en haar vennoten

 

4.42.

Zoals blijkt uit de overwegingen hiervoor, is Kombikart aansprakelijk voor 50% van de letselschade die [eisers] vorderen. Op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel zijn [gedaagde sub 4] en Elhan Beheer als vennoten van Kombikart hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vennootschap. De vordering van [eisers] sub I (zie hiervoor onder 3.1) is daarom toewijsbaar in die zin dat voor recht zal worden verklaard dat Kombikart en haar vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van de letselschade van [de dochter van eisers] die het gevolg is van het ongeval van 8 mei 2015.

 

Achmea

 

4.43.

Achmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Kombikart. Op grond van artikel 7:954 BW zijn [eisers] bevoegd om rechtstreeks van Achmea betaling aan hen te vorderen van hetgeen Kombikart als verzekerde van Achmea te vorderen heeft, althans voor zover het gaat om vergoeding van personenschade. Nu de aansprakelijkheid van Kombikart jegens [eisers] uitsluitend ziet op personenschade (letselschade) en Achmea niet heeft betwist dat de aansprakelijkheid van Kombikart door verzekering is gedekt, kan de vordering van [eisers] sub II (zie hiervoor onder 3.1) worden toegewezen met dien verstande dat Achmea zal worden veroordeeld om te vergoeden 50% van de door [de dochter van eisers] geleden en nog te lijden letselschade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente.

 

Proceskosten

 

4.44.

Omdat de vorderingen van [eisers] jegens [gedaagde sub 1] worden afgewezen, zal [eisers] worden veroordeeld om de proceskosten van [gedaagde sub 1] te vergoeden. De kosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

– dagvaarding € 0,00

– overige explootkosten 0,00

– griffierecht 288,00

– getuigenkosten 0,00

– deskundigen 0,00

– overige kosten 0,00

– salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.192,00

 

4.45.

De door [gedaagde sub 1] gevraagde nakosten zullen worden toegewezen als opgenomen onder de beslissing.

 

4.46.

Achmea zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eisers] worden veroordeeld. Deze kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

– dagvaarding € 118,82

– overige explootkosten 0,00

– griffierecht 288,00

– getuigenkosten 0,00

– deskundigen 0,00

– overige kosten 0,00

– salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.310,82

 

4.47.

De door [eisers] gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als opgenomen onder de beslissing.

 

5

De beslissing

De rechtbank

 

5.1.

verklaart voor recht dat Kombikart en haar vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 50% van de letselschade van [de dochter van eisers] voortvloeiende uit het ongeval van 8 mei 2015,

 

5.2.

veroordeelt Achmea om aan [eisers] te vergoeden 50% van de letselschade van [de dochter van eisers] voortvloeiende uit het ongeval van 8 mei 2015, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de tijdstippen waarop die schade is geleden,

 

5.3.

veroordeelt Achmea in de door [eisers] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 1.310,82, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

 

5.4.

veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten van [eisers] , begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

 

5.5.

veroordeelt [eisers] in de door [gedaagde sub 1] gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op € 1.192,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

 

5.6.

veroordeelt [eisers] in de na dit vonnis ontstane kosten van [gedaagde sub 1] , begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

 

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 t/m 5.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

 

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M.A. van der Put en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.