• Jurisprudentie
  • Bron: Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Overijssel
  • 17 februari 2017
  • Publicatie nummer: ongepubliceerd
  • Zaaknummer: C/08/196779 /KGZA 17-17

Rb (in kort geding): whiplash, Delta V tussen 6,5 en 14 km/uur, vordering afgewezen

Whiplash. Benadeelde stelt dat hij na ongeval o.a. nekklachten en concentratiestoornissen heeft, waardoor hij niet in staat zou zijn enige werkzaamheden te verrichten en vordert een voorschot. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af, nu zowel het bestaan als de omvang van de vordering allesbehalve in hoge mate aannemelijk is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit het Delta V onderzoek blijkt dat de Delta V tussen 6,5 en 14 km/uur ligt en de G-krachten 1,5 tot 4,0 G hebben bedragen. en dat die waarden gering zijn. Uit dat onderzoek kan voorshands worden afgeleid dat de aanrijding niet hard ging en dat benadeelde niet heeft blootgestaan aan dermate hevige krachten dat die de langdurige en heftige gevolgen zoals door benadeelde gesteld kunnen verklaren. Dit wordt nog bevestigd door (a) het feit dat de airbags niet werden geactiveerd en (b) de geringe schade aan die auto.

RECHTBANK OVERIJSSEL

 

Team kanton en handelsrecht Zittingsplaats Almelo

zaaknummer/rolnummer : C/08/196779 /KGZA 17-17 Vonnis in kort geding van 17 februari 2017

 

in de zaak van

 

[Eiser],

wonende te Enschede,

eisende partij, hierna te noemen [Eiser],

advocaat: mr. C.R.J. van Assen te Enschede,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap ASR SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht, gedaagde partij, verder te noemen ASR, advocaat: mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

 

  1. De procedure

1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:

–           de dagvaarding inclusief producties

–           de producties zijdens de ASR

–           de aanvullende producties zijdens BTN

–           de mondelinge behandeling

–           de pleitnota van [Eiser]

–           de pleitnota van ASR.

1.2.      Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

 

  1. De feiten

2.1.      Op 4 april 2016 is [Eiser] betrokken geraakt bij een ongeval. [Eiser] stond met zijn auto, type BMW 5 serie met kenteken [XX], stil bij een rotonde toen hij van achteren

werd aangereden door een bestuurder van een bij ASR verzekerde Renault Twingo met kenteken [XX]

2.2.      ASR heeft de aansprakelijkheid van het ongeval erkend. Aan [Eiser] is reeds een bedrag van € 2.500,- ter zake bevoorschotting op de schade ter beschikking gesteld.

2.3.      [Eiser] is ZZP-er in de ambulante hulpverlening en handelt onder de naam [XX] Hulpverlening.

 

  1. Het geschil

3.1.      [Eiser] vordert, na eisvermindering, dat de voorzieningenrechter – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – ASR zal veroordelen, ten titel van een voorschot op een volledige schadevergoeding, tot betaling van een bedrag van € 23.757,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data van verzuim, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van ASR in de kosten van het geding, alsmede de wettelijke rente daarover.

3.2.      ASR voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [Eiser].

3.3.      Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

  1. De beoordeling

4.1.      [Eiser] legt aan zijn vorderingen jegens ASR ten grondslag dat hij klachten ervaart sinds en door het ongeval, meer in het bijzonder bestaande uit (onder andere) herbeleving van het ongeval, nekklachten, concentratiestoornissen, vergeetachtigheid en evenwichtsstoornissen, waardoor hij niet in staat te zou zijn enige werkzaamheden dan wel huishoudelijke taken te verrichten waardoor hij schade lijdt. De medisch adviseur (tevens arbo arts) van [Eiser], de heer [Arts], is met [Eiser] van mening dat er een medisch causaal verband bestaat tussen de door [Eiser] gestelde klachten en het ongeval. Nu volgens [Eiser] sprake is van zowel medisch als juridisch causaal verband dienen de door [Eiser] aangevoerde schadeposten voor vergoeding in aanmerking te komen. Meer specifiek stelt [Eiser] dat zijn geleden schade bestaat uit een verlies aan verdienvermogen, welke wordt begroot op € 19.190,60 en waarop door ASR inhoudelijk niet is gereageerd zodat sprake is van een onbetwiste vordering. Voorts is sprake van een schadepost van € 3.640,- welke ziet op huishoudelijke hulp/mantelzorg, een tweetal schadeposten ad € 55,68 en € 30,- aan reiskosten, een bedrag van € 372,41 aan medische kosten, een voorschot op het smartengeld van 6 1.500,- en een bedrag van € 4.469,28 aan buitengerechtelijke incassokosten, welke onder meer zien op de vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade, waarop een bedrag van € 3.000,- in mindering kan worden gebracht gelet op de toezegging van ASR voor aanvang van de mondelinge behandeling dat zij laatstgenoemd bedrag aan rechtsbijstandskosten zal vergoeden aan [Eiser].

4.2.      ASR heeft het gevorderde gemotiveerd betwist, daartoe – zakelijk weergegeven – hoofdzakelijk stellende dat het spoedeisend belang ontbreekt, [Eiser] op geen enkele wijze bewijs geleverd heeft van het bestaan van voortdurende aan het ongeval te relateren klachten en beperkingen, laat staan enig bewijs geleverd van het bestaan van enige schade als gevolg van het ongeval die aan ASR moet worden toegerekend tot een bedrag dat de betaalde

voorschotten overschrijdt, zodat [Eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen, dan wel dat de vorderingen voor afwijzing gereed liggen.

4.3.      De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen – aan toewijzing niet in de weg staat.

4.4.      Voldoende aannemelijk is geworden dat [Eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, aangezien niet, althans onvoldoende gemotiveerd, zijn stelling dat het water hem aan de lippen staat is weersproken door ASR. Bovendien heeft [Eiser] aannemelijk gemaakt dat hij, nu hij stelt geen werkzaamheden meer te kunnen verrichten gelet op de klachten die hij ondervindt ten gevolge van het ongeval, al enige tijd geen inkomsten meer heeft gegenereerd nu hij als ZZP-er werkzaam is en daarmee zijn stelling een spoedeisend belang te hebben wel heeft onderbouwd.

4.5.      De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de vorderingen van [Eiser] dienen te worden afgewezen, nu zowel het bestaan als de omvang van de vordering allesbehalve in hoge mate aannemelijk is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat, ASR terecht stelt dat uit het Delta V onderzoek van ing. Wartenbergh van OAN (Ongevallen Analyse Nederland) naar de impact van het ongeval blijkt dat de Delta V tussen 6,5 en 14 km/uur ligt en de G-krachten 1,5 tot 4,0 G hebben bedragen en dat die waarden gering zijn. Hoewel [Eiser] stelt dat het onderzoek van ing. Wartenbergh onvolledig is nu hij niet over alle gegevens beschikte, kan uit dat onderzoek voorshands worden afgeleid dat de aanrijding niet hard ging en dat [Eiser] derhalve niet heeft blootgestaan aan dermate hevige krachten dat die de langdurige en heftige gevolgen zoals door [Eiser] gesteld kunnen verklaren.

4.6.      Dit wordt nog bevestigd door (a) het feit dat de airbags in de auto van [Eiser] niet werden geactiveerd en (b) de geringe schade aan die auto.

4.7.      Voorts blijkt niet dat in het onderzoek van ing. Wartenberg ook rekening is gehouden met het aanzienlijke verschil in massa tussen beide bij de aanrijding betrokken auto’s. Uit openbaar toegankelijke bronnen blijkt, dat een Renault Twingo 925 kilo weegt en de auto van [Eiser] (een BMW 525d Touring uit 2006) ongeveer 1660 kilo. De lichtere Twingo zal, naar voorshands valt aan te nemen, de zeer veel zwaardere BMW niet in een sterke, plotselinge versnelling hebben kunnen brengen.

4.8.      In onderling verband en in samenhang bezien brengt het vorenstaande met zich dat er nog geen causaal verband zichtbaar is tussen de door [Eiser] gestelde klachten en het ongeval en eventueel daaruit voortvloeiende schade, en lijkt dat verband ook zo onwaarschijnlijk, dat de vorderingen van [Eiser] reeds om die reden voor afwijzing gereed liggen. De overige stellingen van partijen behoeven derhalve verder geen bespreking.

4.9.      [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR worden begroot op:

-griffierecht    € 1.924,00

-salaris advocaat         816.00

Totaal  € 2.740,00 

 

  1. De beslissing De voorzieningenrechter

5.1.      wijst af de vorderingen,

5.2.      veroordeelt [Eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 2.740,00,

5.3.      verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.