• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 9 november 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2016:6689
  • Zaaknummer: 299872

Rb: gemeente niet aansprakelijk voor val door hoogteverschil van 24 cm bij eigen voordeur

Eiseres komt bij het verlaten van haar woning ten val als zij vanuit haar voordeur op de 24 cm lager gelegen stoep stapt. Zij stelt de gemeente aansprakelijk ex art 6:174 BW en stelt daarbij dat een afstap met het hoogteverschil in strijd is met de veiligheidsnormen. 1. De rechtbankbank overweegt dat de aansprakelijkheid beoordeeld dient te worden aan de hand van de maatstaven van het Wilnisarrest. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’. De rechtbank van oordeel dat, de afstap, waarvan de hoogte bij eiseres als dagelijks gebruiker bekend was en voor andere gebruikers kenbaar was, niet zo groot was dat dit, er van uitgaande dat de bij een dergelijke afstap passende voorzichtigheid betracht werd, een wezenlijk gevaar opleverde dat uit het oogpunt van veiligheid voorkomen had moeten worden. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van dat de stoep niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Vordering afgewezen.

ECLI:NL:RBGEL:2016:6689

Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 09-11-2016 Datum publicatie 13-12-2016 Zaaknummer 299872

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Letsel; opstal; wegbeheerder; hoogteverschil afstap tussen voordeur en stoep door verzakte/ingeklonken stoep; afwijzen aansprakelijkheid voor schade door val; Wilnis criteria;

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .vonnis

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Arnhem

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/05/299872 / HA ZA 16-148

 

 

 

 

Vonnis van 9 november 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

eiseres,

 

advocaat mr. M.C.O. van Gerven te Amersfoort,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

  1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

 

 

GEMEENTE ALMERE,

 

zetelend te Almere,

 

  1. naamloze vennootschap

 

 

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

zetelend te Apeldoorn,

 

gedaagden,

 

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en de gemeente en Achmea genoemd worden. De gemeente en Achmea zullen samen aangeduid worden als gemeente Almere c.s.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 29 juni 2016

 

het verkort proces-verbaal van comparitie van 28 september 2016.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 20 april 2013 is [eiseres] ten val gekomen bij het verlaten van haar woning aan de [adres] te Almere (verder: de woning) toen zij vanuit haar voordeur op de daarvoor gelegen stoep (verder: de stoep) stapte. Hierdoor heeft zij letsel opgelopen.

 

 

2.2.

De stoep behoort tot de openbare weg waarvan de gemeente wegbeheerder is.

 

 

2.3.

[eiseres] heeft de gemeente bij brief van haar rechtsbijstandsverzekeraar van 3 juni 2013 aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van de val geleden en nog te lijden schade. De gemeente heeft deze aansprakelijkstelling gemeld bij haar verzekeraar, Achmea.

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiseres] vordert, samengevat,

 

– een verklaring voor recht dat Achmea volledig aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg van het ongeval op 20 april 2013 heeft geleden en nog zal lijden,

 

– veroordeling van Achmea tot betaling aan [eiseres] van alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval van 20 april 2013, nader op te maken bij staat en vermeerderd met rente en kosten,

 

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

3.2.

[eiseres] stelt dat de gemeente op grond van artikel 6:174 leden 1 en 2 en artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van het ongeval van 20 april 2013 geleden en te lijden schade. Zij voert kort weergegeven aan dat de val is veroorzaakt door het grote hoogteverschil tussen de woning en de stoep van in totaal 28 centimeter, berekend vanaf de stoep tot de bovenkant van een op de drempel van de woning geplaatste metalen strip van 4 cm hoog. De stoep voldeed, aldus [eiseres] , niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. [eiseres] stelt in dat verband dat een afstap met een hoogteverschil van meer dan 22 centimeter een gevaarlijke situatie oplevert en in strijd is met de veiligheidsnormen. Zij verwijst daarbij naar artikel 2.31 van het destijds vigerende bouwbesluit 2012 (verder: het bouwbesluit), waarin staat: “Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren waarover een vluchtroute voert, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein wordt overbrugd door een vaste trap of vaste hellingbaan.” De gemeente was, aldus [eiseres] , door eerdere meldingen op de hoogte van het gebrek aan de stoep en had maatregelen moeten treffen. [eiseres] betrekt Achmea als verzekeraar van de gemeente op grond van het bepaalde in artikel 7:954 BWin de procedure.

 

 

3.3.

Gemeente Almere c.s. voert verweer. Zij betwist dat de val veroorzaakt is door een hoogteverschil. Zij betwist voorts dat de stoep niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Het hoogteverschil zal, aldus gemeente Almere c.s., ten tijde van de val niet meer dan 20 centimeter hebben bedragen, echter ook indien het hoogteverschil groter was is geen sprake van een gebrekkige stoep. Voorts is er, aldus gemeente Almere c.s., sprake van eigen schuld, nu [eiseres] op de hoogte was van het hoogteverschil, zij dit niet heeft gemeld bij de gemeente en zij niet de, gelet op die wetenschap vereiste, voorzichtigheid heeft betracht. Dit zou tenminste tot een eigenschuldpercentage van 85% leiden.

 

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

Ter beoordeling ligt de stelling van [eiseres] voor dat de gemeente Almere c.s. aansprakelijk is voor schade ten gevolge van de val van [eiseres] .

 

 

4.2.

Geen geschilpunt is dat de stoep een opstal is in de zin van artikel 6:174 BW en dat de gemeente ten aanzien van de stoep kan worden aangemerkt als wegbeheerder. Op haar rust daarom de plicht ervoor te zorgen dat de toestand van de stoep de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 (Bussluis)). Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), rov. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)). Bij het antwoord op de vraag of de stoep voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, rov. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965: AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik), zie voorts HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013, 366 en HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

 

 

4.3.

[eiseres] noemt als gebrek aan de stoep dat deze door inklinking van de onderliggende bodem dusdanig verzakt is dat er een te groot hoogteverschil is ontstaan met de drempel van haar voordeur en dat dit een gevaar opleverde. Andere gebreken aan de stoep zijn door haar niet genoemd, althans niet in verband gebracht met haar val, zodat de rechtbank die niet bij haar beoordeling betrekt. Gemeente Almere c.s. heeft in dat verband als verweer aangevoerd dat, nu het gaat om een hoogteverschil tussen de stoep en de woning, voor zover er al sprake is van een gebrek vanwege dit hoogteverschil, niet zonder meer duidelijk is dat dit gebrek ligt bij de stoep en niet tenminste gedeeltelijk bij de woning. Dit verweer wordt gepasseerd nu geen punt van geschil is dat het hoogteverschil bij aanleg van stoep en woning geen relevant risico opleverde en dat de toename van het hoogteverschil te wijten is aan het verzakken van de stoep en niet aan de toestand van woning, die op palen is gebouwd en niet is verzakt.

 

 

4.4.

De rechtbank stelt vast dat partijen verschillende standpunten innemen over de grootte van het ontstane hoogteverschil. Geen punt van geschil is dat geen sprake is van een gebrek aan de stoep indien wordt uitgegaan van het door de gemeente Almere c.s. gestelde hoogteverschil tussen de vloer van de woning en de stoep, van niet meer dan 20 centimeter. Dit is ook volgens de stellingen van [eiseres] pas aan de orde indien sprake is van een groter hoogteverschil dan 22 centimeter. Alvorens te beslissen of [eiseres] om die reden toegelaten dient te worden tot het bewijs dat van een dergelijk groter hoogteverschil sprake is, zal de rechtbank beoordelen of indien van het door [eiseres] gestelde hoogteverschil wordt uitgegaan met in achtneming van het in 4.2. genoemde beslissingskader sprake is van een gebrek.

 

 

4.5.

 

De rechtbank is van oordeel dat anders dan [eiseres] stelt in zijn algemeenheid niet als vaststaand gegeven kan gelden dat het moeten overbruggen van een hoogteverschil van meer dan 22 centimeter in redelijkheid een gevaar oplevert. Dit kan ook niet worden afgeleid uit het door [eiseres] aangehaalde artikel 2.31 van het bouwbesluit. Dit artikel ziet op de wijze waarop voldaan kan worden aan de in het bouwbesluit opgenomen eis dat een bouwwerk voorzieningen heeft voor het veilig overbruggen door personen van hoogteverschillen in een vluchtroute (vgl. artikel 2:30 van het bouwbesluit). Nog daargelaten dat een stoep niet als bouwwerk gezien kan worden, kan de in artikel 2.31 van het bouwbesluit genoemde eis en de daarin neergelegde norm niet los worden gezien van het daarmee kennelijk gediende belang, te weten het belang om in geval van nood bij het ontvluchten van een bouwwerk dit zo snel mogelijk veilig te kunnen doen en daarbij zo min mogelijk hindernissen te ontmoeten. Het bouwbesluit stelt, voor bestaande bouw, buiten vluchtroutes geen norm voor maximaal toelaatbare hoogteverschillen of voor de wijze van het overbruggen van hoogteverschillen. Eisen op dat punt zijn blijkens de bij het bouwbesluit horende nota van toelichting juist uit het bouwbesluit weggelaten uit het oogpunt van deregulering.

 

De omstandigheid dat de doorgang van de deur naar de stoep mogelijk, zoals [eiseres] stelt, als een vluchtroute kan worden gezien en dat de afstap of de stoep mogelijk niet voldoet aan de eisen die aan vluchtroutes worden gesteld is in de onderhavige zaak niet van belang. Immers, voor zover sprake is van een gebrek op dat punt, is er in dat geval geen sprake van dat een dáár uit voortvloeiend gevaar zich heeft verwezenlijkt. Gesteld noch gebleken is immers dat de val van [eiseres] samenhing met een situatie waarin de stoep als vluchtroute werd gebruikt.

 

 

 

4.6.

Het vorenstaande neemt niet weg dat afhankelijk van de omstandigheden ook buiten vluchtsituaties een afstap bij een voordeur met een hoogte van meer dan 22 centimeter gevaarlijk kan zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat geen omstandigheden zijn gebleken of gesteld die daar in dit concrete geval op wijzen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals tussen partijen vaststaat, bij de aanleg van de stoep geen sprake was van enig risicovol hoogteverschil, dat het toegenomen hoogteverschil geleidelijk, in een aantal jaren tijd, is ontstaan en dat [eiseres] als veelvuldig passant van de desbetreffende doorgang met de langzaam toegenomen hoogte van de afstap goed bekend was. Voorts is ten aanzien van het gebruik van de afstap van de woning naar de stoep slechts aangevoerd dat [eiseres] daar als voetganger regelmatig passeerde, al dan niet voorzien van boodschappentassen. Verdere bijzonderheden ten aanzien van het gebruik van de stoep ter plaatste zijn niet gesteld. Gesteld noch gebleken is dat passanten die over de stoep langs de woning liepen van het hoogteverschil enige hinder ondervonden. Gesteld noch gebleken is voorts dat het geleidelijk ontstane hoogteverschil voor bezoekers van [eiseres] moeilijk waarneembaar of niet te verwachten was.

 

 

4.7.

De door [eiseres] gestelde hoogte van de afstap tussen woning en stoep is voorts niet veel hoger dan de in artikel 2.31. van het bouwbesluit genoemde 22 centimeter, te weten, als de op de vloer van de woning gemonteerde metalen strip buiten beschouwing wordt gelaten, 24 centimeter. De rechtbank ziet geen reden om bij de beoordeling van de mate van gevaarzetting veel betekenis toe te kennen aan die metalen strip. Niet in te zien is dat daar bij het verlaten van de woning niet zonder veel extra gevaar overheen gestapt kan worden. De enkele omstandigheid dat tussen de woning en de stoep nog een kiezelstrook en opsluitband liggen, waarvan niet betwist is dat deze samen ‘niet veel meer dan 10 centimeter’ breed zijn, brengt, anders dan [eiseres] stelt, niet met zich dat de afstap naar de stoep slechts staande op die metalen strip genomen kan worden.

 

 

4.8.

Al met al is rechtbank van oordeel dat, ook indien uitgegaan wordt van het door [eiseres] genoemde hoogteverschil, de afstap, waarvan de hoogte bij [eiseres] als dagelijks gebruiker bekend was en voor andere gebruikers kenbaar was, niet zo groot was dat dit, er van uitgaande dat de bij een dergelijke afstap passende voorzichtigheid betracht werd, een wezenlijk gevaar opleverde dat uit het oogpunt van veiligheid voorkomen had moeten worden. De stelling van [eiseres] dat het hoogteverschil dusdanig was dat ook bij voorzichtigheid ‘het er eens van zou moeten komen’ dat ze viel, vraagt in voornoemde omstandigheden nadere onderbouwing en wordt, nu deze niet is gegeven, verworpen.

 

 

4.9.

Voorts heeft de gemeente onweersproken aangevoerd dat de straten in haar hele gemeente, gelet op haar ligging in een polder, inklinken, dat daardoor soms grote hoogteverschillen ontstaan, dat de gemeente dit probleem, gelet op de hoge kosten van miljoenen euro’s per wijk, projectmatig wijk voor wijk aanpakt waarbij de openbare weg eerst in de wijken met de grootste problemen wordt opgehoogd, dat de straat van [eiseres] daar niet toe behoorde, maar dat deze wel later aan de beurt zou komen en dat dit inmiddels, na de val, is gebeurd. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoogteverschil bij de woning van [eiseres] niet een zodanig gevaar met zich bracht dat van de gemeente, als zij daarvan op de hoogte was geweest, redelijkerwijs had mogen worden verwacht dat zij dit uit het oogpunt van veiligheid eerder had opgelost. Of de gemeente, zoals [eiseres] stelt en de gemeente betwist, van het hoogteverschil op de hoogte was of had kunnen zijn is voor de beoordeling derhalve niet relevant en kan in het midden blijven.

 

 

4.10.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gelet op de in 4.6. en 4.7. genoemde omstandigheden met inachtneming van het in 4.2. genoemde beoordelingskader, ook indien uitgegaan wordt van het door [eiseres] gestelde hoogteverschil, geen sprake is van dat de stoep ten tijde van het ongeval op een voor de val van [eiseres] relevant aspect niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. Daarmee is de grond voor aansprakelijkheidstelling van gemeente Almere c.s. komen te vervallen. Bewijslevering over de precieze hoogte van de afstap kan daarom achterwege blijven.

 

 

4.11.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

 

 

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Almere c.s. worden begroot op:

griffierecht € 619,00

 

salaris advocaat          904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

 

 

Totaal € 1.523,00

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

wijst de vorderingen af,

 

 

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Almere c.s. tot op heden begroot op € 1.523,00,

 

 

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2016.