• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 28 oktober 2015
  • ECLI:NL:RBMNE:2015:8742
  • Zaaknummer: C/16/378461/HAZA 14-793

Rb: gemeente aansprakelijk voor mesothelioom echtgenote van brandweerman

Eiser heeft van 1976 tot 2001 bij brandweer in de gemeente Ede gewerkt. In 2009 is bij zijn echtgenote mesothelioom vastgesteld, waaraan zij in 2010 is overleden. De rechtbank acht de gemeente aansprakelijk ex art 7:658 BW. De rechtbank stelt vast dat dat er in de oude brandweerkazerne sprake was van directe asbestblootstelling bij de bezoeken van benadeelde aan de kazerne. Daarnaast heeft het asbeststof in de kazerne zich ook aan de dagelijkse (uniform)kleding en het schoeisel van benadeelde kunnen hechten, waardoor ook van een indirecte blootstelling sprake is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente m.b.t. het vrijkomen van asbeststof in de werkplaats veiligheidsmaatregelen had kunnen en moeten treffen teneinde blootstelling en verspreiding in de werkplaats en in de kazerne te voorkomen. De Gemeente heeft dienaangaande haar zorgplicht geschonden. Causaal verband tussen blootstelling en schade van de echtgenote wordt aangenomen. Door de Gemeente Ede is onvoldoende gesteld om tot bewijslevering van het tegendeel te worden toegelaten. Voorschot van € 60.000,- toegewezen.

ECLI:NL:RBMNE:2015:8742

Instantie: Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak: 28-10-2015

Datum publicatie: 30-12-2015

Zaaknummer: C/16/378461/HAZA 14-793

Rechtsgebieden: Verbintenissenrecht

Bijzondere kenmerken: Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie: Aansprakelijkheid van gemeente voor schade echtgenote van personeelslid. Directe en indirecte blootstelling aan asbest. Mesothelioom. Gemeente heeft onvoldoende veiligheidsmaatregelen getroffen. Immateriële schadevergoeding (en uitvaartkosten).

Vindplaatsen: Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/378461 / HA ZA 14-793

 

Vonnis van 28 oktober 2015

 

in de zaak van

 

[eiser],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.F. Ruers te Utrecht,

 

tegen

 

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE EDE,

zetelend te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. P. Oskam te Amsterdam.

 

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente Ede genoemd worden.

 

1 De procedure

 

    1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het tussenvonnis van 5 november 2014

– het proces-verbaal van de comparitie van 25 juni 2015.

 

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

2 De feiten

 

2.1. [eiser] is in 1975 in gemeenschap van goederen gehuwd met [A] (hierna te noemen: [A] ), geboren op [1943] .

 

2.2. [eiser] is per 1 november 1976 aangesteld in de functie van aspirant brandweerofficier bij de Regionale Brandweer- en Hulpverleningsdienst West-Veluwe/Valleigebied (hierna te noemen: Regionale Brandweer), een samenwerkingsverband tussen de gemeentes Ede, Renswoude, Rhenen, Veenendaal en Wageningen. [eiser] heeft nadien bij de Regionale Brandweer achtereenvolgens de functies van Adjunct Hoofdbrandmeester, Adjunct Hoofdbrandmeester 1e klasse, Hoofdbrandmeester en Hoofdbrandmeester 1e klasse vervuld.

Feitelijk was [eiser] steeds werkzaam bij het brandweerkorps van de Gemeente Ede. [eiser] hield daar ook kantoor, tot omstreeks 1986 in een gebouw tegenover de oude brandweerkazerne aan de [straatnaam] te Ede. Omstreeks 1986 is de oude brandweerkazerne vervangen door een nieuwe.

Op basis van een wisselrooster was [eiser] steeds officier van dienst bij (middelgrote) branden en in dat kader belast met de coördinatie van de brandbestrijding.

Per 1 september 1989 is [eiser] (formeel) aangesteld als ambtenaar in dienst van (de brandweer van) de Gemeente Ede in de functie van commandeur/commandant.

Per 1 juli 2001 is aan [eiser] functioneel leeftijdsontslag verleend.

 

2.3. In januari 2009 is door longarts dr. [B] (verbonden aan het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis te Amsterdam) bij [A] de diagnose ‘maligne mesothelioom’ gesteld. Dit is op 23 januari 2009 aan [A] medegedeeld.

 

2.4. Bij aangetekende brief van 25 februari 2009 heeft [A] de Gemeente Ede aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en te lijden schade als gevolg van de ziekte ‘maligne mesothelioom’. Deze ziekte is volgens haar veroorzaakt door blootstelling aan asbest (via haar echtgenoot) bij de (brandweer van de) Gemeente Ede.

 

2.5. In februari 2009 heeft [A] zich ook gewend tot het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) voor bemiddeling in verband met de bij haar geconstateerde ziekte.

Bij brief van 9 maart 2009 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) naar aanleiding van de aanvraag daartoe van [A] (via het IAS) aan haar een uitkering ten bedrage van € 17.531,00 toegekend als voorschot op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS). In deze brief is onder meer opgenomen:

“U kunt het voorschot direct besteden, u hoeft het niet te reserveren. Als uw voormalig werkgever een schadevergoeding aan de SVB betaalt, zullen we het aan u betaalde voorschot daarmee verrekenen. Krijgt u rechtstreeks een schadevergoeding van de werkgever dan moet u het voorschot van de SVB of een deel daarvan terugbetalen. Geef dan zo snel mogelijk aan ons door dat u een schadevergoeding van de werkgever heeft ontvangen.”

 

2.6. Op 3 maart 2009 heeft het Nederlands Mesotheliomen Panel de diagnose ‘maligne mesothelioom’ bij [A] bevestigd.

 

2.7. Bij brief van 3 april 2009 heeft het IAS – op basis van het door haar uitgevoerde onderzoek naar arbeidsgerelateerde asbestblootstelling weergegeven in het ‘Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest (d.d. 25 februari 2009)’- de Gemeente Ede verzocht aansprakelijkheid te erkennen ter zake van de schade van [A] vanwege de ziekte ‘maligne mesothelioom’.

 

2.8. Bij brief van 22 oktober 2009 heeft de aansprakelijkheidsverzekeraar van de Gemeente Ede de aansprakelijkheid voor de door [A] gestelde schade afgewezen. Bijgevoegd zijn getuigenverklaringen van [getuige 1] (d.d. 12 augustus 2009 als ‘hoofd technische dienst van de brandweer Ede’, welke verklaring op 10 maart 2010 door [getuige 1] schriftelijk is bevestigd), [getuige 2] (d.d. 12 oktober 2009 als ‘hoofd uitrukdienst van de brandweer Ede’) en [getuige 3] (d.d. 28 augustus 2009 als ‘voormalig commandant van de brandweer Ede’ (van 1975-1994)).

Bij brief van 25 november 2009 heeft het IAS de schriftelijke reactie d.d. 17 november 2009 van [eiser] op voornoemde getuigenverklaringen aan Delta Lloyd doen toekomen.

Bij brief van 21 juni 2010 heeft Delta Lloyd, naar aanleiding van het verzoek van het IAS bij brief van 25 november 2009 tot heroverweging, vastgehouden aan haar standpunt. Zij heeft betwist dat Gemeente Ede onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] .

 

2.9. Op 3 september 2010 is [A] overleden aan de gevolgen van de ziekte ‘maligne mesothelioon’. Blijkens de verklaring van erfrecht en toedeling (d.d. 18 mei 2011) is [eiser] ‘bevoegd om alle tot de ontbonden gemeenschap en de nalatenschap behorende vorderingen te innen en om voor die inning kwijting te verlenen’.

 

2.10. Bij brief van 16 november 2010 heeft het IAS aan [eiser] bericht dat, nu Delta Lloyd haar afwijzende standpunt handhaaft (laatstelijk bij brief van 11 november 2010) en er geen overeenstemming tussen partijen is bereikt, de bemiddelingswerkzaamheden worden beëindigd. In deze brief is onder meer opgenomen:

“Er is een aantal mogelijkheden na de beëindiging van de bemiddeling.

(…)

Als u een civiele procedure start verzoeken wij u vriendelijk ons hiervan op de hoogte te stellen. Mocht u hier geen gebruik van maken dan zullen wij overgaan tot sluiting van het dossier en kunt u het reeds toegekende voorschot behouden. Wij wijzen er in dit verband op, dat mocht Delta Lloyd/gemeente Ede in de toekomst wel aansprakelijkheid erkennen en/of overgaan tot betaling van een bepaald bedrag, de SVB recht heeft op terugbetaling van het toegekende voorschot ad € 17.531,-, of een deel ervan als de betaling lager uitvalt dan € 17.531,-.”

 

2.11. [eiser] heeft zich vervolgens gewend tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. (hierna te noemen: DAS).

Bij brief van 19 januari 2011 heeft (mr. [C] van) DAS nogmaals Delta Lloyd verzocht om erkenning van aansprakelijkheid van de Gemeente Ede (op grond van artikel 6:162 BW) dan wel om pragmatische afwikkeling in der minne zonder formele erkenning van aansprakelijkheid. DAS heeft laten weten dat bij weigering daartoe van Delta Lloyd zij mr. R.F. Ruers zal verzoeken Delta Lloyd dan wel de Gemeente Ede in rechte te betrekken.

Bij brief van 21 februari 2011 aan DAS heeft Delta Lloyd laten weten dat zij nog steeds geen aanleiding ziet haar standpunt te herzien. Een causale relatie tussen de werkzaamheden van [eiser] bij de Gemeente Ede en de blootstelling van [A] aan asbest is volgens Delta Lloyd niet aangetoond.

 

2.12. Bij brief van 9 juni 2011 heeft mr. Ruers de Gemeente Ede verzocht om een kopie van het rapport van de Arbeidsinspectie van begin jaren ’80 met betrekking tot de oude brandweerkazerne te Ede. Dit rapport d.d. 12 april 1984 is door de Gemeente Ede toegezonden.

 

2.13. Op 19 januari 2012 heeft [eiser] de rechtbank Arnhem verzocht tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor inzake de aansprakelijkheid van de Gemeente Ede jegens [A] .

Op 8 oktober 2012 heeft vervolgens een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden waarbij (van de zijde van [eiser] ) zijn gehoord: [eiser] (als partijgetuige), [getuige 4] (blijkens de verklaring tot 1988 als hoofd technische dienst bij de brandweer van de gemeente Ede) en [getuige 5] (blijkens de verklaring vanaf 1982 als plaatsvervangend regionaal commandant bij de brandweer van de gemeente Ede).

Op 7 januari 2013 zijn (van de zijde van de gemeente Ede) gehoord: [getuige 1] (blijkens de verklaring in 1976 als brandweerman in dienst getreden van de brandweer van de Gemeente Ede, laatstelijk werkzaam als hoofd technische dienst, thans gepensioneerd) en [getuige 2] (blijkens de verklaring in 1978 als brandweerman in dienst getreden van de brandweer van de gemeente Ede, laatstelijk werkzaam als hoofd uitrukdienst, thans gepensioneerd).

Aan het proces-verbaal van de getuigenverhoren zijn toegevoegd een door [getuige 1] opgesteld overzicht ‘Aantal branden vanaf 1978’ (tot en met 1988), een plattegrond van de oude brandweerkazerne met legenda, een ‘Bijlage; behoort bij brief van [eiser] aan [naam advocatenkantoor] / [vestigingsplaats] , t.a.v. Dhr. R.F. Ruers, d.d. 20 september 2012’ met vermelding van het aantal voertuigen dat in de werkplaats van de oude brandweerkazerne werd onderhouden en een schriftelijke verklaring van [D] (blijkens de verklaring vanaf 1 juni 1978 tot 1985 monteur/brandweerman bij de brandweer van de Gemeente Ede en daarna tot 2011 bij ‘opleidingen’) van 16 oktober 2012.

 

2.14. Zowel [eiser] als de Gemeente Ede hebben nadien volhard in hun standpunt. Op 3 juni 2014 heeft [eiser] de Gemeente Ede in de onderhavige procedure gedagvaard.

 

3 Het geschil

 

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1.voor recht zal verklaren dat de Gemeente Ede als gedaagde jegens [A] en [eiser] als eiser onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens hem schadeplichtig is geworden;

2.de Gemeente Ede zal veroordelen om aan [eiser] te vergoeden zijn immateriële schade krachtens artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW) en begroot op € 60.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 februari 2009, althans vanaf 3 juni 2014, tot de voldoening;

3.de Gemeente Ede zal veroordelen om aan [eiser] te vergoeden zijn materiële schade krachtens artikel 6:108 BW ten bedrage van € 4.074,64, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juni 2014 tot de voldoening;

4.Gemeente Ede zal veroordelen in de proceskosten.

 

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag.

De Gemeente Ede heeft onrechtmatig gehandeld jegens [A] doordat zij heeft nagelaten veiligheidsmaatregelen te treffen die haar brandweerpersoneel, maar ook familieleden van dit brandweerpersoneel en andere derden, beschermde tegen de blootstelling aan asbest. In de eerste plaats werd [A] direct aan asbest blootgesteld bij het bezoeken van de oude brandweerkazerne. In de tweede plaats kwam zij daarmee (thuis) indirect in aanraking via de (werk- en uitruk)kleding van [eiser] . [A] heeft daardoor schade geleden. Bij haar is de asbestziekte ‘maligne mesolthelioom’ vastgesteld en zij is daaraan overleden.

 

3.3. De Gemeente Ede voert verweer met als conclusie – kort gezegd – dat de rechtbank [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans deze zal afwijzen, met veroordeling uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de proceskosten en de nakosten en in de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis.

 

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4 De beoordeling

 

4.1. Ter beoordeling ligt voor de vraag of de Gemeente Ede aansprakelijk is voor de door [A] en [eiser] geleden schade vanwege de vaststelling van de ziekte ‘maligne mesothelioom’ bij [A] en haar overlijden daaraan. Centraal staat daarbij de vraag of [A] deze ziekte kan hebben opgelopen doordat zij bij (althans onder de verantwoordelijkheid van) de Gemeente Ede is blootgesteld aan asbestvezels.

In dit kader stelt de rechtbank het volgende voorop.

Niet in geschil is dat blootstelling aan asbest de oorzaak is van de ziekte ‘maligne mesothelioom’ bij [A] . Overigens volgt uit het door [eiser] als productie 25 overgelegde rapport ‘Protocollen asbestziekten: maligne mesothelioom’ (nr. 1998/10 d.d. 15 april 1998, pagina 31) van de Gezondheidsraad: Commissie Asbestprotocollen ook dat bij

80-87% van de patiënten met een maligne mesothelioom een relatie met blootstelling aan asbest in het verleden kan worden vastgesteld (en dat in de overige gevallen van maligne mesothelioom geen andere oorzaak aannemelijk kan worden gemaakt). Daarnaast is in dit rapport opgenomen:

“Uit epidemiologisch onderzoek naar het verband tussen asbestblootstelling en de kans op een maligne mesothelioom is gebleken dat er voor het aannemen van een drempelniveau onvoldoende aanwijzing is (GR88,Pet82, Sei79, Tos 97). Kortdurende blootstelling of regelmatige blootsteling aan lage concentraties asbest is voldoende om die kans te vergroten (…) De latentietijd vanaf het begin van de blootstelling tot de manifestatie van het maligne mesothelioom varieert van 20 tot 50 jaar. Beschreven is echter dat de ziekte zich al veel sneller, soms binnen tien jaar, kan openbaren (Mos89, Mus91).”

 

Ontvankelijkheid [eiser]

4.2. Voor zover de Gemeente Ede ook na de comparitie nog wil vasthouden aan haar stelling in de Conclusie van Antwoord dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat de Gemeente Ede tot 1 september 1989 niet de (formele) werkgever was van [eiser] , geldt dat de rechtbank deze stelling verwerpt.

De grondslag van de vordering van [eiser] is een onrechtmatige daad van de Gemeente Ede jegens [A] waardoor zij (en [eiser] ) schade heeft geleden (welke grondslag de Gemeente Ede overigens ook onderkent). Voor de beoordeling van deze vordering is niet doorslaggevend wie vóór 1 september 1989 de formele werkgever was van [eiser] . Daarnaast geldt – voor zover sprake is van blootstelling van [A] aan asbest via [eiser] – dat niet alleen op de formele werkgever een zorgplicht rustte wat betreft – kort gezegd – de omstandigheden waarin [eiser] zijn werkzaamheden verrichtte, maar ook op de materiële werkgever en/of degene op wiens terrein [eiser] de werkzaamheden verrichtte althans op wiens terrein de oorzaak van de schade kan zijn gelegen. Niet valt in te zien dat een dergelijke zorgplicht niet geldt in het kader van publiekrechtelijke aanstellingen. Daarnaast kan schending van een veiligheidsnorm door de werkgever jegens de werknemer meebrengen dat daarmee ook sprake is van schending van een veiligheidsnorm jegens derden, althans dat ook schade van derden daaraan kan worden gerelateerd.

 

Directe en indirecte asbestblootstelling in de oude brandweerkazerne

4.3. Volgens [eiser] is in de oude brandweerkazerne sprake geweest van directe en indirecte blootstelling van [A] aan asbest.

Hoewel in het Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest d.d. 25 februari 2009 (zie 2.7.; productie 4) ook wordt verwezen naar het vrijkomen van asbeststof bij kleine verbouwingen in de oude brandweerkazerne is [eiser] daarop in deze procedure niet of nauwelijks ingegaan. Nu door hem ook niet concreet is aangegeven bij welke verbouwingen asbest zou zijn vrijgekomen en de Gemeente Ede asbestblootstelling door verbouwingen gemotiveerd heeft weersproken, wordt in deze procedure deze ‘mogelijkheid’ van asbestblootstelling niet relevant geacht.

[eiser] heeft met name gesteld dat in de (auto)werkplaats van de oude brandweerkazerne onderhouds- en reparatiewerkzaamheden werden verricht aan (wit) asbesthoudende remmen en remvoeringen van voertuigen van de Gemeente Ede (brandweerauto’s, ambulances en andere voertuigen) en van privévoertuigen van personeel. Deze remmen en remvoeringen werden met perslucht schoon geblazen. Daarbij kwam asbeststof vrij. Veiligheidsmaatregelen werden niet getroffen. Hierdoor ontstond in de werkplaats en in de kazerne blootstelling aan asbest.

De Gemeente Ede heeft gesteld dat van een relevante mate van blootstelling geen sprake is geweest. Er werd niet frequent aan de remmen en remvoeringen van voertuigen gewerkt, althans veel incidenteler dan [eiser] doet voorkomen. Daarnaast werkte [eiser] niet in de werkplaats, kwam hij daar normaal gesproken niet en had ook [A] daar niets te zoeken, aldus de Gemeente Ede.

 

4.4. De rechtbank overweegt het volgende. De Gemeente Ede heeft niet, althans onvoldoende, weersproken dat in de werkplaats van de oude brandweerkazerne het met perslucht schoonblazen van asbesthoudende remmen en remvoeringen plaatsvond, zodat dit op zichzelf vaststaat. Ook staat vast dat bij deze werkzaamheden asbeststof vrijkwam. Deze niet, althans onvoldoende, weersproken stelling van [eiser] wordt ondersteund door het onder 4.1. genoemde rapport van de Gezondheidsraad (productie 25 van [eiser] ). Op pagina 38 staat vermeld: “Speciale vermelding verdient het gebruik van asbest in frictiemateriaal, zoals remvoeringen en koppelingen, waardoor vooral garagebedrijven veel aan de asbestblootstelling van werknemers hebben bijgedragen. Het is van groot belang er rekening mee te houden dat, mede door het niet systematisch toepassen van maatregelen om de verspreiding van asbeststof te beperken, in deze bedrijven veelal niet alleen de productiemedewerkers, maar alle medewerkers kunnen zijn blootgesteld aan asbeststof.”

De door [eiser] als productie 26 overgelegde ‘Tabel 5.4 (Vervolg-2) Blootstellingsniveau’s bij sanering, onderhoud en andere activiteiten aan asbesthoudende materialen (gegevens afkomstig van HSE)’ uit TNO-rapport ‘Risicogerichte classificatie van werkzaamheden met asbest, 2004/523’ (pagina 78) vermeldt bij ‘Activiteit/handeling: Rem- en frictiematerialen’ het blootstellingsniveau (vezels/m3) bij ‘Reinigen-perslucht-personenauto’s’. Bij 17 referenties/onderzoeken is een gemiddelde blootstelling van 325.000 en een range van 15.000.000-750.000 gemeten en bij 4 referenties/onderzoeken een gemiddelde blootstelling van 6.000.000 en een range van 2.600.000-16.000.000.

 

4.5. In reactie op de stelling van [eiser] dat er bij het met perslucht schoonblazen van de remmen en remvoeringen in de oudbouw geen veiligheidsmaatregelen werden getroffen, heeft de Gemeente Ede uitsluitend gesteld dat er in 1984 een afzuiginstallatie voor de werkplaats is aangeschaft. Dit is bevestigd door [getuige 4] volgens wie er in 1984 een afzuiginstallatie aangeschaft specifiek voor het schoonmaken van remtrommels (enquête d.d. 8 oktober 2012) en [getuige 2] die spreekt van de aanschaf van een afzuiginstallatie voor de remdivisies in 1984 of 1985, primair teneinde het inademen van smerige lucht, remstof, te voorkomen en mogelijk in verband met het gevaar van asbest (contra-enquête d.d. 7 januari 2013). [getuige 1] speekt van de aanschaf van een afzuiginstallatie midden jaren tachtig, teneinde het stof direct weg te kunnen zuigen, speciaal voor het reviseren van remmen (contra-enquête d.d. 7 januari 2013).

Op basis van deze gegevens neemt de rechtbank aan dat er in de werkplaats van de oude brandweerkazerne in ieder geval tot 1984 geen afzuiginstallatie aanwezig was noch dat andere bijzondere veiligheidsmaatregelen werden getroffen ter voorkoming van het vrijkomen van asbeststof.

 

4.6. Asbeststof is vervolgens steeds in meer of mindere mate in de werkplaats aanwezig geweest.

[eiser] heeft verklaard dat in (de werkplaats van) de oudbouw op vrijdag alles door de mannen werd weggeveegd (enquête d.d. 8 oktober 2012). Eerder – blijkens het Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest d.d. 25 februari 2009 (productie 4) – heeft hij verklaard dat bij gebreke van ventilatie en van een afzuiginstallatie vaak de deuren werden opengezet en dat het wekelijks schoonmaken van de gehele kazerne in eigen beheer plaatsvond en werd uitgevoerd door het uitrukpersoneel. Er kwam bijvoorbeeld geen schoonmaakbedrijf dagelijks schoonmaken.

Hoewel hier sprake is van partijverklaringen, wordt deze gang van zaken, althans het uitsluitend opvegen van het stof, bevestigd door de andere getuigenverklaringen. [getuige 4] heeft verklaard (enquête d.d. 8 oktober 2012): “Het stof uit de remunits dwarrelde op de grond en werd één keer per week opgeveegd. De remvoeringen werden in de werkplaats schoongemaakt.” [getuige 5] heeft verklaard (enquête d.d. 8 oktober 2012): “Ik weet dat destijds in de werkplaats remvoeringen werden vervangen die asbest bevatte(n). De remunits werden schoongeblazen en het stof dat daarbij vrijkwam viel op de grond. Dit werd één keer per week of zoveel als nodig met een gebruikelijke bezembeurt weggeveegd.”

Door de Gemeente Ede is niet weersproken dat [getuige 4] en [getuige 5] omstreeks 1979/1980 (zoals door [eiser] ter zitting is gesteld) bij haar aangesteld waren.

In de verklaring van [D] d.d. 16 oktober 2012 (productie 20) staat opgenomen: “Bij het uitblazen van de remtrommels wat ik met perslucht deed, kwam een grote zwarte stofwolk vrij. De troep viel op de grond en werd meestal aan het einde van de week of vrijdagmiddag, bij het schoon schip, weggeveegd.”

[getuige 2] heeft zich aangesloten bij de omschrijving van de werkzaamheden van [D] (contra-enquête d.d. 7 januari 2013). [getuige 1] spreekt van het direct opvegen van het stof uit de remtrommel nadat het op de grond gevallen was (contra-enquête d.d. 7 januari 2013). Dit laatste maakt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het asbeststof volledig uit de werkplaats verdween.

De frequentie waarmee werkzaamheden aan de remmen en remvoeringen van voertuigen werden uitgevoerd en waarover partijen van mening verschillen is hier niet relevant, met dien verstande dat van een hoger blootstellingsniveau sprake zal zijn geweest bij frequentere werkzaamheden. Het daadwerkelijke blootstellingsniveau in de werkplaats en de kazerne is niet bekend. Voor zover de Gemeente Ede dat van belang acht, had het op haar weg gelegen daarover informatie te verschaffen.

 

4.7. Hoewel de Gemeente Ede heeft aangevoerd dat [eiser] niet op de oude brandweerkazerne kantoor hield en normaal gesproken ook niet in de werkplaats kwam, kan als vaststaand worden aangenomen dat [eiser] de werkplaats wel degelijk bezocht en derhalve werd blootgesteld aan het asbeststof, maar ook dat het vrijgekomen asbeststof door hem en de monteurs uit de werkplaats door de brandweerkazerne kon worden verspreid.

[eiser] heeft verklaard dat de diverse ruimtes in de oude brandweerkazerne met elkaar in verbinding stonden, dat hij vaak in de oudbouw was en altijd als eerste op de dag de alarmcentrale in de oudbouw bezocht (enquête d.d. 8 oktober 2012). In het Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest d.d. 25 februari 2009 (productie 4) is naar aanleiding van de verklaring van [eiser] opgenomen dat de kantine door de hokkerige bouw niet goed af te sluiten was van de rest van het complex, dat in het leslokaal (met wollen vloerbedekking) iedereen in en uit liep, alle ruimten van de kazerne ’s avonds ook werden gebruikt voor opleiding/oefendoeleinden, het personeel overal in en uit liep (met (vervuilde) uitrukkleding) en dat [eiser] om de alarmcentrale en de kantoren van de ambulancedienst te bereiken door de garage en de werkplaatsen liep.

[getuige 4] heeft bevestigd dat [eiser] in de werkplaats kwam (enquête d.d. 8 oktober 2012): “Dat was ongeveer één keer per maand, althans dat ik hem zag. Als officier was het voor ons, dus ook voor de heer [eiser] , belangrijk om contact te houden met de mensen van de werkvloer. Het was dan ook niet vreemd dat de heer [eiser] in de werkplaats was.” Voorts heeft [getuige 4] verklaard dat er een gezamenlijke kantine was: “(…) vlak bij de werkplaats waar de heer [eiser] , net als ik, gezamenlijk met het personeel koffiedronk.” [getuige 5] heeft ook verklaard dat hij en [eiser] regelmatig in de kazerne kwamen (enquête d.d. 8 oktober 2012): “Hoewel de heer [eiser] en ik in het noodgebouw werkten, kwamen wij toch regelmatig in de kazerne. In de kazerne was de kantine gevestigd. Ook gingen wij regelmatig naar de kazerne voor overleg met medewerkers. In de kazerne was ook de alarmcentrale gevestigd en ook met die medewerkers hadden wij regelmatig contact. De heer [eiser] en ik kwamen ieder afzonderlijk ook in de autowerkplaats. Dat was voor het onderhoud van de eigen auto of voor overleg met medewerkers die aldaar werkzaam waren. Dat was zeker een aantal keer per week.”

In de verklaring van [D] is expliciet opgenomen dat de monteurs in hun werkkleding in de hele kazerne kwamen: “Wij automonteurs kwamen door de hele kazerne in onze werkkleding/overalls. Voor het pakken van onderdelen, voor het toilet, naar de administratie, of om iemand te spreken.”

Uit de verklaringen van de getuigen van de zijde van de Gemeente Ede valt niet af te leiden dat [eiser] niet in de werkplaats kwam en/of dat het (asbest)stof zich in het geheel niet kon verspreiden door de kazerne. [getuige 1] heeft verklaard (contra-enquête d.d. 7 januari 2013): “De heer [eiser] had niets van doen met de werkplaats. Hij was er wel af en toe om iets te vragen aan iemand. Ik leg een plattegrond over. De nummers 10 en 13 betreffen de autowerkplaats. Koffie werd gedronken op nummer 26. De alarmcentrale, waar de heer [eiser] ook nog wel eens was, bevindt zich in de ruimtes 4 en 5. (…) Ik herinner mij niet of de werknemers met hun werkkleding de koffiekamer inkwamen. In de nieuwe kazerne deden wij dat in ieder geval niet. Als de heer [eiser] dienst had zal hij wel twee keer per dag naar de alarmcentrale zijn gelopen.”

[getuige 2] heeft verklaard (contra-enquête d.d. 7 januari 2013): “Over de verplaatsing van asbest vanuit de werkplaats naar andere delen van het gebouw, bijvoorbeeld de gang naar de alarmcentrale, kan ik mij weinig voorstellen. Die gang werd dagelijks nat schoongemaakt door een van de medewerkers, de derde ambulancechauffeur. De werkplaats was niet overmatig stoffig. Wel was het een oude werkplaats waar meerdere functies werden uitgevoerd. (…) De heer [eiser] zal best een keer door de werkplaats hebben gelopen. Zijn werkzaamheden waren echter niet daar. (…) De remrevisies voor de grotere voertuigen vonden in nummer 10 plaats. Voor de ambulances in nummer 13.”

Uit de bij het proces-verbaal d.d. 7 januari 2013 gevoegde plattegrond van de oude brandweerkazerne (productie 20) maakt de rechtbank op dat alle ruimten in de oude brandweerkazerne met (deuren met) elkaar in verbinding stonden, waaronder ook de (auto)werkplaats(en). Om de alarmcentrale te bereiken kon door deze werkplaatsen worden gelopen. De gang naar de alarmcentrale bevond zich nabij de werkplaatsen. Dat er geen of niet altijd noodzaak bestond de werkplaats te bezoeken vanuit de functie van [eiser] (zoals ook [getuige 3] heeft verklaard, productie 6 van de Gemeente Ede) is hierbij niet relevant. Overigens heeft [eiser] nog gesteld dat asbeststof lang in de lucht blijft hangen en heeft de Gemeente Ede dit niet weersproken.

 

4.8. Dat [A] de oude brandweerkazerne in ieder geval enkele keren per jaar bezocht in de periode dat [eiser] daar werkte, onder meer vóór 1984, kan eveneens als vaststaand worden aangenomen. [eiser] heeft verklaard (enquête d.d. 8 oktober 2012) dat dit vijf à zes keer per jaar was, in verband met feesten zoals het Sinterklaasfeest en afscheidsrecepties, enquête d.d. 8 oktober 2012). [getuige 5] heeft ook op deze feesten gewezen en schat het aantal bezoeken van [A] aan de kazerne op vijf tot tien keer per jaar.

Dat [A] bij voornoemde gelegenheden in de kazerne kwam is van de zijde van de Gemeente Ede niet voldoende betwist. [getuige 2] heeft in zijn getuigenverklaring d.d. 7 januari 2013 genoemd dat hij [A] één tot drie keer op de kazerne heeft gezien, maar niet in de werkplaats. [getuige 1] heeft slechts verklaard (getuigenverklaring d.d. 7 januari 2013) dat hij [A] nooit in de ruimte heeft gezien waarin aan de voertuigen werd gewerkt.

 

4.9. Op basis van het voorgaande kan als vaststaand worden aangenomen dat er in de oude brandweerkazerne sprake was van directe asbestblootstelling bij de bezoeken van [A] aan de kazerne. Daarnaast heeft het asbeststof in de kazerne zich ook aan de dagelijkse (uniform)kleding en het schoeisel van [eiser] kunnen hechten, waardoor ook van een indirecte blootstelling sprake is geweest.

[eiser] heeft immers gesteld dat zijn kleding (in de privé-auto) mee naar huis ging en dat [A] deze onderhield, repareerde en reinigde. Overhemden, truien, onderkleding, trainingsbroeken, sjaals, sokken (en laarzen) werden door [A] uitgeklopt/gereinigd. [eiser] heeft onder meer verklaard (enquête d.d. 8 oktober 2012): “Ik was op mijn werk doorgaans geüniformeerd. Het uniform bestond uit een broek en een overhemd. Het uniform ging altijd mee naar huis, maar wij wasten dit niet zelf.” Blijkens het Rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest d.d. 25 februari 2009 (productie 4) heeft [eiser] eerder verklaard dat thuis de uniformjas op de kapstok ging en de kleding op de stapel wasgoed.

De Gemeente Ede heeft niet, althans onvoldoende weersproken, dat de dagelijkse kleding mee naar huis ging en deels (overhemden en ‘andere’ kleding) thuis gewassen werd. [getuige 2] heeft ook verklaard dat overhemden en sokken thuis werden gewassen (contra-enquête d.d. 7 januari 2013). In de verklaring van [getuige 1] van 12 augustus 2009 (productie 4 van de Gemeente Ede) staat vermeld: “Mogelijk dat thuis wel de onderkleding is gewassen, maar vanwege de afdichtende overkleding kan de onderkleding nooit met eventuele asbestvezels of andere verontreinigingen in aanraking zijn gekomen.”

 

4.10. De Gemeente Ede heeft betwist dat naar de toenmalige maatschappelijke opvattingen op haar een verplichting rustte tot het treffen van veiligheidsmaatregelen en dat zij derhalve geen zorgvuldigheidsnorm jegens [eiser] en [A] heeft geschonden. Volgens haar was tot 1980 het gevaar van wit asbest niet bekend en bestond er geen consensus over de vraag of ook wit asbest mesothelioom kon veroorzaken en als dat al zo was, uitsluitend bij intensieve blootstelling.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Met [eiser] en op basis van de door [eiser] overgelegde stukken is zij van oordeel dat de Gemeente Ede met betrekking tot het vrijkomen van asbeststof in de werkplaats veiligheidsmaatregelen had kunnen en moeten treffen teneinde blootstelling en verspreiding in de werkplaats en in de kazerne te voorkomen. De Gemeente Ede heeft dienaangaande niets gedaan, hetgeen haar valt te verwijten (en een schending van haar zorgplicht oplevert). Dit geldt in ieder geval voor de periode van 1977 (na het Asbestbesluit d.d. 1 april 1977) tot 1984 (de komst van een afzuiginstallatie in de werkplaats).

Uit het door [eiser] overgelegde artikel ‘Bestrijding asbestgevaar’ uit het tijdschrift ‘De Brandweer’ (mei 1972, p. 120-121, productie 23) valt af te leiden dat ‘de brandweer’ reeds omstreeks 1972 door de Nederlandse Vereniging van Veiligheidstechnici op de hoogte is gesteld van het gevaar van asbest, waaronder het ontstaan van mesothelioom ook bij ‘korter durende, resp. minder intensieve blootstelling’. Expliciet is daarbij gewezen op: “het onderhoud van remmen en koppelingen van auto’s, kranen e.d., het schoonblazen d.m.v. een persluchtstraal dient daarbij te worden vervangen door schoonzuigen d.m.v. een stofzuigen met extra papieren filterzak. Asbestafval en asbeststof moeten veilig worden afgevoerd, resp. ongevaarlijk worden gemaakt.”

Artikel 5 van het Asbestbesluit van 1 april 1977 luidt als volgt:

“1. Bij de bewerking of verwerking van asbesthoudende stoffen of produkten dient de concentratie van asbeststof in de lucht op de werkplek zo laag mogelijk te worden gehouden.

  1. De concentratie van asbeststof in de inademingslucht dient zo laag mogelijk te worden gehouden en mag een waarde overeenkomende met de in het derde lid omschreven MAC-waarde niet overschrijden.
  2. De MAC-waarde voor asbest, met uitzondering van crocidoliet, bedraagt twee vezels/ml lucht, bepaald met behulp van de phasecontrastmicroscoop. (…)”

Blijkens de toelichting op dit artikel is bedoeld een concentratie van asbeststof in de lucht ‘zo laag als binnen het technisch mogelijke economisch aanvaardbaar is’. Daarnaast is vermeld: “De MAC-waarde heeft betrekking op de preventie van asbestose. (…) Het is nog niet bekend in hoeverre bovengenoemde grenswaarden bescherming bieden tegen het ontstaan van mesothelioom. Het betreft hier asbestdeeltjes die kleiner kunnen zijn dan 5 micron en die met de electronenmicroscoop kunnen worden aangetoond. Een grenswaarde met betrekking tot het mesothelioom is niet bekend. Mede om deze reden is in dit artikel opgenomen dat de concentratie van asbeststof in de inademingslucht zo laag mogelijk – dit is zo laag mogelijk beneden de MAC-waarde – moet worden gehouden.”

Van de Gemeente Ede – zeker als overheidsinstelling – mocht verwacht worden dat zij van dit Asbestbesluit op de hoogte was. Niet blijkt dat dit besluit niet gold wat betreft wit asbest. Juist ten aanzien van blauw asbest (crocidoliet) geldt een verbodsbepaling (artikel 2); voor de overige asbestsoorten geldt het bepaalde in voornoemd artikel 5. Het geheel niet treffen van veiligheidsmaatregelen bij de werkzaamheden aan de asbesthoudende remmen en remvoeringen in de werkplaats – in welke frequentie deze ook plaatsvonden – volstaat in dit licht dan ook niet, niet tegenover het personeel, maar ook niet tegenover familieleden van dit personeel en/of bezoekers van de kazerne. Niet gesteld of gebleken is dat veiligheidsmaatregelen niet praktisch uitvoerbaar waren. De inhoud van de hiervoor genoemde publicatie in ‘De Brandweer’ – waarvan De Gemeente Ede geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest, zeker vijf tot twaalf jaar later – getuigt van het tegendeel.

 

Indirecte asbestblootstelling door de uitrukkleding van [eiser]

4.11. [eiser] heeft ook gesteld dat [A] is blootgesteld aan asbeststof door zijn uitrukkleding. Op deze kleding is bij branden en oefensituaties asbeststof neergedaald. [A] borstelde deze kleding vervolgens af en klopte deze uit. Ook vervoerde [eiser] deze kleding (van en naar branden) in de privé-auto, met welke auto hij ook zijn gezin vervoerde. [eiser] heeft in dit kader verwezen naar bijvoorbeeld brandende asbest-dakbeplating van boerderijen (die volgens hem ten gevolge van brand uit elkaar spat en waarbij bij minder hoge temperaturen asbestvezels vrijkomen) en naar oefensituaties in asbesthoudende (oude) gebouwen alsmede naar het gebruik van asbesthoudende isolatiematerialen op oefenlocaties.

De Gemeente Ede heeft weersproken dat bij brand van asbest-dakbeplating asbestvezels vrijkomen (bij branden blijven volgens de Gemeente Ede de asbestvezels aan de cementmatrix gebonden en bij hogere temperaturen versmelten zij zelfs). Daarnaast heeft de Gemeente Ede erop gewezen dat de frequentie waarmee [eiser] bij brand moest uitrukken beperkt was, dat bij de vele natuurbranden in de regio asbest überhaupt geen rol speelde, dat de officier van dienst zich altijd bovenwinds van de brand stationeerde en dat de uitrukkleding niet mee naar huis werd genomen en extern werd gewassen. Daarnaast acht zij zich niet verantwoordelijk voor blootstelling van [eiser] in het kader van zijn nevenactiviteiten (opleidings- en onderwijsactiviteiten).

 

4.12. Nu [eiser] niet heeft geconcretiseerd bij welke branden en/of oefeningen er sprake is geweest van asbestblootstelling en deze gestelde indirecte blootstelling van [A] derhalve is gebaseerd op het mogelijk vrijkomen van asbeststof, wordt deze blootstelling – gelet op de betwisting door de Gemeente Ede – in deze procedure niet aangenomen. Immers voor het aannemen van blootstelling en derhalve van aansprakelijkheid is onvoldoende dat er mogelijk sprake is geweest van blootstelling (HR 26 januari 2001, JAR 2001/39 [naam] /De Schelde). De bijbehorende geschilpunten behoeven derhalve geen nadere beoordeling.

 

Causaal verband blootstelling-schade

4.13. Zoals onder 4.1. al is opgenomen, heeft de ziekte ‘maligne mesolthelioom’ een monocausaal karakter. Vaststaat dat [A] in of via de oude brandweerkazerne van de Gemeente Ede is blootgesteld aan asbeststof. Daarnaast openbaart de ziekte zich gewoonlijk tussen de 20-50 jaar (en kan deze derhalve zijn veroorzaakt door blootstelling in de periode 1959-1989).

De Gemeente Ede heeft gewezen op alternatieve blootstellingsmogelijkheden en heeft gesteld dat veiligheidsmaatregelen van haar zijde asbestblootstelling van [A] niet zou hebben voorkomen, maar deze ‘mogelijkheden’ (zoals nevenactiviteiten van [eiser] , privésituaties en het verleden van [A] ) zijn onvoldoende geconcretiseerd. Ook doet een (vaststaande) alternatieve oorzaak niet af aan de schadevergoedingsverplichting van de aansprakelijke voor een gebeurtenis als gevolg waarvan de schade een gevolg kan zijn (artikel 6:99 BW). Door de Gemeente Ede is niet, althans onvoldoende gesteld, om tot bewijslevering van het tegendeel te worden toegelaten.

Causaal verband tussen de blootstelling in of via de oude brandweerkazerne en de ziekte ‘maligne mesothelioom’ bij [A] wordt derhalve aangenomen.

 

Schadevergoeding

4.14. De Gemeente Ede heeft toerekenbaar onrechtmatig gehandeld jegens [A] , waardoor [A] schade heeft geleden (artikel 6:162 BW). De Gemeente Ede zal derhalve worden veroordeeld tot vergoeding van de door [A] geleden schade (aan [eiser] als formele procespartij), alsmede tot vergoeding van de door [eiser] zelf geleden schade in de zin van artikel 6:108 BW.

De rechtbank leidt uit de stellingen van [eiser] niet af dat hij in deze procedure ook een zelfstandige onrechtmatige daad van de Gemeente Ede jegens hem (als materiële procespartij) aan de orde heeft willen stellen.

 

4.15. [eiser] heeft een bedrag van € 60.000,00 gevorderd ter zake van de – naar de rechtbank begrijpt – door [A] geleden immateriële schade in de zin van artikel 6:106 BW.

Artikel 6:106 BW bepaalt – kort gezegd – dat iemand die letselschade heeft opgelopen, recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet uit vermogensschade bestaat. Volgens vaste rechtspraak moet bij de begroting van deze immateriële schade rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Deze toets omvat onder meer de aard van de aansprakelijkheid, de intensiteit van de pijn en het verdriet, waaronder die over een kortere levensverwachting, de gederfde levensvreugde van de benadeelde en de duur van de periode waarin de immateriële schade is geleden.

Op het moment van de diagnose was [A] 65 jaar. Inherent aan deze diagnose is dat [A] moet hebben geweten dat zij niet lang meer te leven zou hebben. Gelet op algemene ervaringsregels kan aangenomen worden dat de ziekte een grote lichamelijke belasting en voornoemde wetenschap een grote psychische belasting voor haar heeft betekend. Ongeveer 19 maanden na de diagnose is [A] overleden aan de gevolgen van mesothelioom.

De Gemeente Ede heeft het door [eiser] gevorderde bedrag weersproken in die zin dat het hoger is dan het normbedrag dat het IAS hanteert als immateriële schade voor mesothelioom slachtoffers. Voor 2015 is dit bedrag op € 56.464,00 gesteld. Nu [eiser] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat, alle voormelde omstandigheden meewegend, een hoger bedrag op zijn plaats zou zijn, is een bedrag van € 56.464,00 aan immateriële schadevergoeding derhalve toewijsbaar.

Uit de brief van 9 maart 2009 van de SVB aan [A] en de brief van 16 november 2010 van het IAS aan [eiser] volgt dat het door de SVB betaalde voorschot volledig dient te worden terugbetaald bij ontvangst van een hoger bedrag aan schadevergoeding van de Gemeente Ede. In tegenstelling tot hetgeen de Gemeente Ede heeft bepleit dient het voorschot van € 17.531,00 derhalve thans niet in mindering te worden gebracht op het door haar te betalen schadebedrag.

De over de immateriële schade gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken worden toegewezen vanaf 25 februari 2009 (de datum van de aansprakelijkheidsstelling) tot de voldoening.

 

4.16. De Gemeente Ede heeft de door [eiser] gestelde uitvaartkosten in de zin van artikel 6:108 lid 2 BW niet weersproken. Het gevorderde bedrag van € 4.074,64 blijkt ook uit de door [eiser] overgelegde factuur van [naam] uitvaartverzorging d.d. 2 oktober 2010 (productie 24 van [eiser] ). Dit bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de niet weersproken wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2014.

 

Proceskosten

4.17. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal de Gemeente Ede worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

– dagvaarding € 93,80

– vast recht € 868,00

– getuigenkosten € 10,00 ( [getuige 5] )

– salaris advocaat € 4.023,00 (4,5 x tarief € 894,–)

€ 4.994,80

 

5 De beslissing

 

De rechtbank:

 

verklaart voor recht dat de Gemeente Ede onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en daardoor jegens haar en – in de zin van artikel 6:108 BW – jegens [eiser] schadeplichtig is geworden;

 

veroordeelt de Gemeente Ede om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:

– € 56.464,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 25 februari 2009 tot de voldoening;

– € 4.074,64 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2004;

 

veroordeelt de Gemeente Ede tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.994,80, waarin begrepen € 4.023,00 aan salaris advocaat;

 

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

 

wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.