• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Gelderland
  • 14 juni 2017
  • ECLI:NL:RBGEL:2017:4006
  • Zaaknummer: C/05/249568 / HA ZA 13-586

Rb: geen causaal verband ongeval en knie- en psychische klachten, schouderklachten wel

De rechtbank oordeelt op basis van deskundigenberichten dat er geen causaal verband bestaat tussen de knieklachten en psychische klachten van benadeelde en het ongeval van 2002. Thans moet beoordeeld worden in hoeverre het door het ongeval veroorzaakte schouderletsel voor benadeelde schade heeft veroorzaakt. Hiertoe acht de rechtbank het inwinnen van deskundigenberichten door een verzekeringsarts, arbeidskundige en een financieel specialist noodzakelijk. De rechtbank gelast een comparitie om zich hierover uit te laten.

ECLI:NL:RBGEL:2017:4006

 

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 14-06-2017
Datum publicatie 28-07-2017
Zaaknummer C/05/249568 / HA ZA 13-586

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Letselschade; vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:4813; comparitie na vaststellen letsel, vóór nader deskundigenonderzoek.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .vonnis

 

RECHTBANK GELDERLAND

 

 

Team kanton en handelsrecht

 

 

 

 

Zittingsplaats Arnhem

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/05/249568 / HA ZA 13-586

 

 

 

 

Vonnis van 14 juni 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

naamloze vennootschap

 

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING NV,

 

gevestigd te Rotterdam,

 

eiseres in conventie,

 

verweerster in reconventie,

 

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

[Gedaagde] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

gedaagde in conventie,

 

eiser in reconventie,

 

advocaat mr. I.R.M. Goedings te Ede.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna Allianz en [Gedaagde] genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het tussenvonnis van 27 juli 2016 (verder: het tussenvonnis),

 

– het deskundigenbericht van orthopedisch expert dr. Ph.J.Edixhoven (verder: Edixhoven) van 20 december 2016,

 

– het deskundigenbericht van psychiater Dr. A. Korzeç (verder: Korzeç) van 19 januari 2017,

 

– de conclusie na deskundigenbericht van Allianz,

 

– de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [Gedaagde] .

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De verdere beoordeling

 

in conventie en in reconventie

 

2.1.

De rechtbank heeft onderzoek bevolen door een deskundig orthopeed en psychiater ten aanzien van – kort gezegd – de vraag of bij [Gedaagde] sprake is van knieklachten en van psychische klachten en of, indien daarvan sprake is, die klachten het gevolg zijn van het ongeval dat hem is overkomen op 29 augustus 2002 (verder: het ongeval).

 

 

 

Ten aanzien van de knieklachten:

 

 

 

2.2.

Edixhoven heeft zijn deskundigenbericht opgesteld op basis van een vraaggesprek met [Gedaagde] , zijn medisch dossier, lichamelijk onderzoek en beeldvormende diagnostiek.

 

 

2.3.

In de samenvatting van zijn bevindingen schrijft Edixhoven:

 

 

 

De heer [Gedaagde] is nu 60. Dit expertiseonderzoek dient om een antwoord te geven op de vraag of sprake is van een oorzakelijk verband tussen een ongeval van augustus 2002 en linker- en rechterknieklachten, bij vastgestelde ernstige artrose in beide knieën.

 

In de voorgeschiedenis, medische informatie, worden rechterknieklachten beschreven in 1993, en rond de jaarwisseling 1998/1999 is een kijkoperatie gedaan in de rechterknie waarbij 3 losliggende botfragmenten uit deze knie zijn verwijderd. Bij die gelegenheid is ook bij röntgenonderzoek vastgesteld dat sprake was van enige mate van artrose in de rechterknie.

 

Anamnestisch heeft betrokkene nadien lange jaren nooit meer klachten gehad over een of beide knieën.

 

 

 

 

Bij een ongeval in augustus 2002, onderwerp van dit rapport, heeft betrokkene een trauma opgelopen in de rechterschouder. In het huisartsjournaal wordt bij de consulten na dit ongeval in de jaren 2003, 2004 en 2005 op mijn vakgebied uitsluitend gesproken over pijnklachten rechterschouder, later ook over de linkerschouder, en vervolgens komt in maart 2012 voor eerst het botspierstelsel weer aan de orde als geklaagd wordt over de nek. Vervolgens in maart 2013 worden klachten over de linkerknie genoteerd, “zomaar ontstaan” de ochtend van het consult in maart 2013, betrokkene kon toen amper lopen, artrose werd vastgesteld in de linkerknie en kort daarna ook van de rechterknie. Gesproken werd over protheses voor beide knieën om reden van ernstige slijtage.

 

Betrokkene vertelt mij hiervan dat hij na het ongeval van augustus 2002 om zijn werk en bedrijf door te kunnen zetten de zware kliksloten van de wisselcontainers, die hij normaal met zijn rechter- en linkerarm vast- en losmaakte, nu met de rechtervoet moest lostrappen, en dat hij daarbij in de loop van de jaren na het ongeval in toenemende mate klachten kreeg over de rechterknie, vervolgens ook klachten over de linkerknie omdat hij daarmee de rechterknie moest ontzien.

 

Bij de anamnese vandaag alhier hoor ik ook van hem dat hij denkt dat zijn knieklachten mede zijn ontstaan doordat hij zo scheef is gaan lopen als gevolg van de schouderprobleem als ongevalsgevolg van het trauma van de schouders in augustus 2002.

 

In de loop van de tijd zijn de klachten over de knieën anamnestisch steeds toegenomen, steeds erger geworden.

 

 

 

 

Bij onderzoek zijn in de knieën beiderzijds duidelijk tekenen van forse slijtage aanwezig met forse botwoekeringen, vocht in de knieën, een strekbeperking, varusstand (0-beenstand), een buigbeperking. Reproduceerbaar pijnaangifte bij provocatie van de binnen-gewrichtsspleten.

 

De beeldvormende diagnostiek toont in de knieën artrose aan de binnenzijde, thans benig contact, het kraakbeen is daar weg, forse osteofyten, botwoekeringen ook langs de knieschijven.

 

Bij het eerste röntgenonderzoek van de rechterknie, december 1998, is reeds enige artrose zichtbaar, bij een aantal losse boonvormige botfragmenten in het kniegewricht. In de loop van de jaren neemt de artrose in de rechterknie, vooral aan de mediale zijde, aan de binnenzijde steeds toe. In de linkerknie is er eind 2013 ernstige artrose gedocumenteerd, vooral mediaal (binnenkant).

 

 

 

 

In de conclusie schrijft Edixhoven:

 

 

 

 

  1. OVERWEGING EN CONCLUSIE

 

Betrokkene geeft aan dat zijn knieklachten zijn begonnen na het ongeval van augustus 2002. Mogelijk door scheef lopen als gevolg van de schouderproblematiek beiderzijds, maar mogelijk ook omdat hij zware kliksloten veelvuldig moest open trappen met het rechterbeen.

 

Hierover enkele opmerkingen: Rechterknieklachten zijn al gedocumenteerd in de ‘90-jaren, en in januari 1999 zijn 3 grote losse botfragmenten uit de rechterknie verwijderd en in de rechterknie, was reeds in december 1998 hij röntgenonderzoek artrose zichtbaar. In 2003 was er opnieuw sprake van gedocumenteerde heftige rechterknieklachten gedurende enige tijd.

 

Artrose ontstaat niet door enige tijd scheef lopen, daarbij moet ook worden opgemerkt dat scheef lopen met de knieën geen gevolg is van schouderproblematiek. De stellingname van betrokkene dat het langere tijd met kracht uitoefenen van een trappende beweging (kliksloten lostrappen) artrose veroorzaakt, en dan nog wel beiderzijds, kan ik niet volgen.

 

De artrose in de linkerknie is vrijwel volledig conform de artrose in de rechterknie qua vorm en intensiteit. Het gaat hier om een mate van artrose zoals die geregeld voorkomt, meestal dubbelzijdig, dat heet dan idiopathische artrose, dat wil zeggen dat geen medische oorzaak daarvan bekend is. Bij betrokkene is in meerdere gewrichten sprake van een dergelijke omstandigheid, zoals ook in de ellenbogen. Ook daar zijn corpora libera verwijderd, en is er röntgenologisch artrose.

 

Het is niet aannemelijk dat er bij het ongeval van augustus 2002, het onderwerp van dit rapport sprake is geweest van een traumatisering van één of beide knieën. Argument: in de stukken, bij de zeer vele consulten bij de huisarts, waarvan tamelijk nauwkeurig inhoudelijke meldingen zijn gedaan in het huisartsendossier, worden klachten over de rechterknie in dit tamelijk nauwkeurig bijgehouden klachtendossier voor het eerst eenmalig in april 2003 genoemd. Eerst in april 2013 wordt een consult gemeld om reden van linkerknieklachten, en werd artrose vastgesteld in de linkerknie. Ook in de specialistendocumentatie worden rechterknieklachten of linkerknieklachten na november 2001 tot april 2013 in het geheel niet genoemd.

 

Om reden van bovengenoemde bevindingen kan en mag ik niet stellen dat er een medisch oorzakelijk verband mag worden aangenomen tussen het ongeval van augustus 2002 en de artrose in een of beide knieën, en dientengevolge ook niet tussen de anamnestische klachten en beperkingen van betrokkene over de beide knieën.

 

 

 

 

De hierna geciteerde vragen van de rechtbank heeft Edixhoven als volgt beantwoord:

 

 

 

 

Consistentie

 

  1. Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie

 

 

die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar

 

voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?

 

 

 

  1. Er is naar mijn mening niet sprake van een onderlinge samenhang: er is namelijk naar mijn mening niet sprake van een medisch oorzakelijk verband tussen het ongeval van augustus 2002 en de feitelijke omstandigheden in de rechter- en linkerknie. Ook kan ik niet stellen dat er zo’n medisch oorzakelijk verband kan worden aangenomen tussen de anamnestische klachten en beperkingen van betrokkene met betrekking tot zijn beide knieën en het genoemde ongeval. Zie

 

voor de argumenten de overweging.

 

 

 

Diagnose

 

  1. Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven?

 

 

 

[…] Met betrekking tot de rechter- of linkerknie: geen traumatisch omstandigheid bij dit ongeval. Voor de genoemde ongevalsdatum was er bij betrokkene sprake van een mate van artrose, zowel in de rechter- als in de linkerknie, die geheel los staat van dit ongeval.

 

 

 

 

Beperkingen

 

  1. Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voorvloeien uit het ongeval? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?

 

 

 

Deze vraag behoeft naar mijn mening uitsluitend een antwoord waar het gaat om de beperkingen bij betrokkene als gevolg van de omstandigheden in de beide knieën, ongeacht of die beperkingen voortkomen uit het ongeval. De beperkingen naar mijn mening zijn de beperkingen die behoren bij een forse mate van artrose in beide knieën, zelfs benig contact aan de mediale zijde van de knieën (binnenzijde) en ook slijtage achter de knieschijven, met enige bewegingsbeperking.

 

Voor ADL:

 

– de zelfverzorging is niet beperkt.

 

In termen van deelaspecten van belasting:

 

– zitten niet beperkt.

 

– staan flink beperkt.

 

– lopen op effen terrein fors beperkt.

 

– lopen op oneffen terrein niet goed mogelijk. Ook niet te adviseren.

 

– knielen, kruipen en hurken fors beperkt.

 

– duwen, trekken, tillen en dragen fors beperkt.

 

– traplopen matig tot flink beperkt.

 

 

 

Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval

 

  1. Bestonden voor het ongeval bij de onderzochte reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die de onderzochte thans nog steeds heeft?

 

 

 

Betreffende de knieën: voor het ongeval waren er bij betrokkene ook klachten met betrekking tot de rechterknie en was er een afwijking in de zin van een mate van artrose in de rechterknie, die echter thans in een veel ernstiger mate aanwezig is, zoals dat doorgaans verloopt bij voortschrijdende idiopathische artrose. De artrose in de rechterknie is geen ongevalsgevolg van augustus 2002. Aangezien het beeld in de linkerknie overeenkomt met dat in de rechterknie moet ik hetzelfde stellen met betrekking tot de linkerknie.

 

 

 

  1. Zo ja, kunt u dan aangeven welke beperkingen voor het ongeval uit deze klachten en af wijkingen voortvloeiden en thans nog steeds uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

 

 

 

Zonder het ongeval van augustus 2002 zouden de afwijkingen in de linker- en rechterknie hetzelfde zijn geweest als deze omstandigheden thans zijn. Dat geldt ook voor de genoemde beperkingen als gevolg van de knieproblematiek

 

 

 

  1. Zijn er daarnaast op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn ge

 

 

weest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval de onderzochte

 

niet was overkomen?

 

 

 

 

Er is ook nog wel enige problematiek met betrekking tot de linkerenkel, ook daar is sprake van een mate van artrose, dat geldt ook voor de ellenbogen, ook daar is een mate van artrose vastgesteld, maar daar zijn weinig beperkingen aanwezig, zoals betrokkene ook stelt. Die omstandigheden in de linkerenkel en de beide ellenbogen zouden zonder ongeval thans ook aanwezig zijn.

 

 

 

2.4.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op het conceptrapport te reageren. Ten aanzien van het geciteerde deel van het rapport zijn geen opmerkingen gemaakt.

 

 

2.5.

Edixhoven komt tot een duidelijke conclusie dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de knieklachten en het ongeval. De rechtbank komen dit deskundigenoordeel en de door de deskundige gebezigde motivering, die inzichtelijk zijn en die mede gebaseerd zijn op diens bijzondere kennis en ervaring, overtuigend voor. [Gedaagde] kan zich niet in deze conclusie vinden en blijft bij zijn standpunt dat zijn knieklachten uit het ongeval voortvloeien. Van [Gedaagde] mag echter worden verwacht dat hij zijn bezwaren tegen de conclusies uit het rapport deugdelijk onderbouwt met argumenten en met zwaarwegende en steekhoudende bezwaren komt aangaande de wijze van de totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht. Nu zulke onderbouwde bezwaren niet naar voren zijn gebracht neemt de rechtbank het deskundigenoordeel dat een causaal verband tussen het ongeval en de knieklachten ontbreekt, over. Voor bewijslevering aan de zijde van [Gedaagde] is thans geen plaats meer.

 

 

 

Ten aanzien van de psychische klachten

 

 

 

2.6.

Korzeç heeft zijn rapport (verder: het rapport van Korzeç) opgesteld op basis van de toegezonden dossierstukken, waaronder medische stukken, anamnese van [Gedaagde] , heteroanamnese van diens vrouw en vader en psychiatrisch onderzoek, alsmede de reacties van partijen op het conceptrapport.

 

 

2.7.

In de samenvattende beschouwing schrijft hij:

 

 

 

[…]

 

Differentiaal diagnostische overwegingen

 

Depressieve stoornis

 

Overwogen is of betrokkene voldoet aan de criteria voor een depressieve stoornis. Voor de diagnose pleit dat er sprake is van somberheid, slaapproblemen, vermoeidheid en doodsgedachten en suïcidale fantasieën. Tegen de diagnose pleit dat er geen sprake is van anhedonie; betrokkene kan nog genieten van het lezen van de krant, het volgen van sportnieuws, televisie kijken, zijn kinderen en kleinkinderen en het kijken van films. Daarnaast is er ook geen sprake van een significant gewichtsverlies of gewichtstoename in korte tijd, psychomotorische agitatie of vertraging, of concentratieproblemen of besluiteloosheid. Betrokkene kan zich nog concentreren op meerdere films per dag en is tijdens het gesprek zeer besluitvaardig in wat hij wel en niet wil vertellen. Ook is er geen sprake van gevoelens van waardeloosheid ten aanzien van zichzelf of buitensporige schuldgevoelens. Hiermee voldoet betrokkene niet aan het minimum aantal symptomen behorende bij criterium A van de depressieve stoornis, en kan de diagnose niet worden gesteld.

 

 

 

 

Op de vraag “Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven?” antwoord Korzeç in het rapport: “Er wordt geen psychiatrische diagnose gesteld bij onderhavig onderzoek.”, met herhaling van de voornoemde differentiaal diagnostische overweging.

 

Op de vraag “Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval?” antwoord Korzeç: “Daar er hij betrokkene ten tijde van onderhavig onderzoek geen psychiatrische diagnose wordt gesteld, worden er ook geen beperkingen op psychiatrische gebied vastgesteld”.

 

 

 

 

De afsluitende conclusie in het rapport luidt:

 

.

 

VII. Conclusie

 

Het betreft een 60-jarige man die in 2002 tijdens zijn werk als vrachtwagenchauffeur een ongeval doormaakte en hierbij schouderletsel opliep. In de loop van de tijd kreeg hij ook last van psychische klachten, waarvoor, behoudens medicatie, geen therapie heeft plaatsgevonden. Bij onderhavig onderzoek werd geen psychiatrische diagnose gesteld.

 

 

 

 

DSM 5 Classificatie

 

Geen diagnose (V71.09).

 

 

 

2.8.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op het conceptrapport van Korzeç te reageren. Zijdens Allianz zijn geen opmerkingen gemaakt. Zijdens [Gedaagde] is bezwaar gemaakt tegen het gebruik van een brief van [naam], arts RGA van 17 april 2009, welke brief door Allianz in deze procedure als productie 3 in het geding was gebracht. Korzeç heeft de melding van (de inhoud van) die brief in zijn rapport daarom verwijderd, omdat, aldus Korzeç, in het rapport, “het stukken betrof die niet van invloed zijn op mijn psychiatrische beoordeling”. Korzeç heeft voorts tekstuele aanpassingen doorgevoerd en overweegt dat verdere opmerkingen van [Gedaagde] geen aanleiding geven tot het inhoudelijk wijzigen van het rapport.

 

 

2.9.

De rechtbank komen ook het deskundigenoordeel van Korzeç dat de diagnose van een depressieve stoornis of een andere psychiatrische diagnose niet kan worden gesteld en dat geen sprake is van beperkingen op psychiatrisch gebied en de door de deskundige daartoe gebezigde motivering, die inzichtelijk zijn en die mede gebaseerd zijn op diens bijzondere kennis en ervaring, overtuigend voor. Ook ten aanzien van dit rapport geldt dat [Gedaagde] de conclusies in twijfel trekt maar daar geen concrete en gemotiveerde bezwaren tegen opwerpt. De rechtbank neemt daarom de conclusie, dat geen sprake is van beperkingen op psychiatrisch gebied, over.

 

 

2.10.

Voor zover [Gedaagde] stelt dat er bij hem ten gevolge van het ongeval psychische klachten spelen ten aanzien waarvan geen psychiatrische diagnose kan worden gesteld, maar die hem wel beperken, gaat de rechtbank aan deze stelling als onvoldoende gemotiveerd voorbij. Het had dan immers op de weg van [Gedaagde] gelegen die stelling te concretiseren en te onderbouwen, wat niet is gebeurd. Evenmin is verzocht daarover (aanvullende) vragen te stellen aan de deskundige. Geen van partijen heeft voorts om een onderzoek verzocht door een psycholoog naast het onderzoek door Korzeç en ook Korzeç heeft niet in die zin geadviseerd.

 

 

2.11.

Uit het vorenstaande en uit hetgeen is beslist in de eerdere tussenvonnissen volgt dat bij de beoordeling van de voorliggende vraag, kort weergegeven, of [Gedaagde] van Allianz een hogere vergoeding toekomt voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van het ongeval dan het door Allianz betaalde bedrag van € 30.000,00, van het volgende kan worden uitgegaan:

 

– [Gedaagde] is in augustus 2002 naast het ongeval geen ander ongeval overkomen;

 

– Ten gevolge van het ongeval heeft hij letsel/klachten opgelopen aan zijn rechterschouder als omschreven in de rapporten van Edixhoven van 3 maart 2004 en 2 maart 2007;

 

– [Gedaagde] kreeg voorts, vanaf enig moment na 24 februari 2004 toenemende klachten aan zijn linkerschouder, zoals omschreven in het rapport van Edixhoven van 2 maart 2007, die niet in causaal verband staan met het ongeval;

 

– [Gedaagde] heeft voorts klachten aan zijn linker- en rechterknie, zoals omschreven in het rapport van Edixhoven, die niet in causaal verband staan met het ongeval;

 

– Er is geen sprake van psychische beperkingen als gevolg van het ongeval.

 

 

2.12.

 

Thans moet beoordeeld worden in hoeverre het door het ongeval veroorzaakte schouderletsel voor [Gedaagde] schade heeft veroorzaakt.

 

Daarbij komt het er op aan een vergelijking te maken tussen enerzijds situatie van [Gedaagde] mét en anderzijds zijn situatie zonder de door het ongeval veroorzaakte rechterschouderklachten. Daarvoor zal enerzijds moeten worden vastgesteld wat het beloop van het inkomen van [Gedaagde] was geweest zonder deze klachten – maar mét de overige, niet door het ongeval veroorzaakte knie- en linkerschouderklachten – en anderzijds wat dit feitelijk is geweest (of had kunnen zijn) en zal kunnen zijn met deze rechterschouderklachten – in combinatie met de overige, niet door het ongeval veroorzaakte knie- en linkerschouderklachten. Daarnaast zullen de overige gevorderde schadeposten met betrekking tot zelfredzaamheid, aanpassingen aan de woning en immateriële schade nog aan de orde dienen te komen.

 

 

 

2.13.

[Gedaagde] heeft nog aangevoerd dat hij ook nog schade heeft geleden door de wijze van behandeling en ondersteuning van het dossier door Allianz, met name ten aanzien van de begeleiding in het kader van de werkhervatting. Nu [Gedaagde] echter niet concreet stelt op welke grond Allianz daartoe gehouden was, welke contractuele of non-contractuele verplichting Allianz daarmee heeft geschonden en dit zonder toelichting, die niet gegeven is, niet duidelijk is, wordt aan deze stelling voorbijgegaan.

 

 

2.14.

De rechtbank acht voor de verdere beoordeling voorshands nader deskundigenonderzoek nodig. Daarbij dient te worden gedacht aan onderzoek door een verzekeringsarts ten aanzien van de beperkingen die respectievelijk veroorzaakt worden door de rechterschouder-, linkerschouder- en knieklachten, vervolgens door een arbeidsdeskundige ten aanzien van de gevolgen voor de verdiencapaciteit en ten slotte door een financieel deskundige over de vraag wat [Gedaagde] feitelijk voor en na het ongeval nog heeft verdiend.

 

 

2.15.

 

Voordat tot het inwinnen van deskundigenberichten wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich nader uit te laten over de wenselijkheid daarvan, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

 

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat in eerste instantie, voordat onderzoek door een arbeidskundige en een financieel specialist aan de orde komt, kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, te weten een verzekeringsarts en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

 

 

 

  1. Welke belemmeringen stelt belanghebbende thans en in de periode vanaf augustus 2002 te ondervinden bij het verrichten van activiteiten in het dagelijks leven zoals zelfverzorging, vrije tijdsbesteding, sportbeoefening en de beroepsuitoefening?

 

  1. Welke beperkingen bestaan er als gevolg van de rechterschouderklachten voor: a. loonvormende arbeid, b. verrichtingen in het algemeen dagelijks leven, c. hobby en sport?

 

  1. Welke beperkingen bestaan er als gevolg van de linkerschouderklachten voor: a. loonvormende arbeid, b. verrichtingen in het algemeen dagelijks leven, c. hobby en sport en vanaf wanneer?

 

  1. Welke beperkingen bestaan er als gevolg van de linker- en rechterknieklachten voor: a. loonvormende arbeid, b. verrichtingen in het algemeen dagelijks leven, c. hobby en sport en vanaf wanneer?

 

  1. Wilt u aan de hand van uw bevindingen, de expertiserapporten en uw antwoord op de vragen 1-4, conform het FIS aangevuld met eventuele naar uw oordeel relevante items, beperkingenprofielen opstellen voor de situatie

– zonder de rechterschouderklachten, waarbij verschillende profielen worden opgesteld voor de situatie vóórdat achtereenvolgens linkerschouderklachten en knieklachten zijn ontstaan en de respectieve situaties daarna,

 

– mét de rechterschouderklachten in combinatie met achtereenvolgens de linker-schouderklachten en knieklachten, waarbij verschillende profielen worden opgesteld voor de situatie vóórdat achtereenvolgens tevens linker-schouderklachten en knieklachten zijn ontstaan en de respectieve situaties daarna,

 

  1. Zijn er nog andere, niet door betrokkene aangegeven, beperkingen waarmee bij de beoordeling rekening dient te worden gehouden?

 

 

2.16.

De rechtbank zal daartoe opnieuw een comparitie van partijen bevelen zodat partijen zich daarover kunnen uitlaten. De comparitie heeft tevens het doel om nadere informatie van partijen te krijgen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Dit laatste zal de rechtbank nadrukkelijk aan de orde stellen, nu enerzijds de in 2.11. genoemde uitgangspunten voor de verdere beoordeling van de zaak vaststaan, maar anderzijds ook duidelijk is dat de afdoening van de zaak, voordat eindvonnis kan worden gewezen, naar verwachting nog veel tijd en kosten met zich zal brengen.

 

 

2.17.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten

 

 

2.18.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

 

 

 

3 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

 

in conventie en in reconventie

 

3.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.P.E.E. van Groeningen in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 – 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

 

 

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 juni 2017 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden september 2017 tot en met december 2017, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

 

 

3.3.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

 

 

3.4.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

 

 

3.5.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

 

 

3.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2017.