• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Rotterdam
  • 3 mei 2017
  • ECLI:NL:RBROT:2017:3479
  • Zaaknummer: C/10/513255 / HA ZA 16-1066

Rb: eigenaar portiekwoning niet aansprakelijk voor val over opstap

Benadeelde komt ten val op opstap bij voordeur van portiekwoning en breekt haar been. Zij stelt de eigenaar van de woning aansprakelijk ex aft 6:174 BW. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een opstal die niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, dan wel dat de toestand dusdanig was dat deze een wezenlijk gevaar opleverde dat uit het oogpunt van veiligheid door de eigenaar voorkomen had moeten worden.

ECLI:NL:RBROT:2017:3479

Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 03-05-2017 Datum publicatie 31-05-2017 Zaaknummer C/10/513255 / HA ZA 16-1066

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Aansprakelijkheid in geschil van Woonstede, eigenaar van een (portiek)woning, voor schade na val van opstap voor de woning; geen gebrekkige opstal; geen gevaarzetting/onrechtmatige daad.

VindplaatsenRechtspraak.nl

AR 2017/2806

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

.   .vonnis

 

RECHTBANK ROTTERDAM

 

 

Team handel

 

 

 

 

zaaknummer / rolnummer: C/10/513255 / HA ZA 16-1066

 

 

 

 

Vonnis van 3 mei 2017

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

[eiseres] ,

 

wonende te [woonplaats],

 

eiseres,

 

advocaat mr. J.M. Bossers te Rotterdam,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

de stichting STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,

 

gevestigd te Rotterdam,

 

gedaagde,

 

advocaat mr. T. Havekes te Voorburg.

 

 

 

 

Partijen zullen hierna [eiseres] en Woonstad genoemd worden.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 17 oktober 2016, met producties;

 

de conclusie van antwoord van 28 december 2016, met producties;

 

de brief van 25 januari 2017 waarbij de zitting is bepaald;

 

het proces-verbaal van de op 21 maart 2017 gehouden comparitie en de daarin genoemde door partijen overgelegde nadere stukken.

 

 

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Woonstad is eigenaar van een (portiek)woning gelegen aan het [eiseres]. Deze wordt door haar verhuurd. De ingang van de woning is iets hoger gelegen dan het trottoir. Dit hoogteverschil wordt overbrugd door middel van een betonnen afstap c.q. opstap (hierna: de opstap).

 

 

2.2.

[eiseres] was op 21 januari 2011 op bezoek bij de bewoner van voornoemde woning. Bij haar vertrek uit die woning is zij gevallen. Daarbij heeft zij haar linkerbeen gebroken.

 

 

2.3.

Naar aanleiding van de val is [eiseres] naar het Ikazia ziekenhuis overgebracht, waar zij is geopereerd. Daarbij zijn pinnen in haar linkerbeen geplaatst. Bij een latere operatie is een pin uit haar been verwijderd.

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat Woonstad, primair op grond van artikel 6:174 BW, dan wel subsidiair op grond van 6:162 BW, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] en veroordeling van Woonstad tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade, op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2011, met veroordeling van Woonstad in de proceskosten.

 

 

3.2.

Aan haar vordering legt [eiseres] het volgende ten grondslag. De opstap voor de voordeur van de woning waar [eiseres] vanaf is gegleden voldeed niet aan de veiligheidseisen. Deze was te smal om een voet op te zetten, scheef gezakt en door slijtage glad geworden. Woonstad is als eigenaar van de gebrekkige opstal aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg van haar val heeft geleden. Woonstad heeft – ondanks meldingen van de gevaarlijke situatie door [persoon] – nagelaten om onderhoud aan de opstap te verrichten. Aldus is onzorgvuldig gehandeld jegens [eiseres]. Woonstad heeft de opstap kort na de val van [eiseres] verbreed.

 

 

3.3.

Woonstad concludeert tot afwijzing van de vordering. Ter betwisting van de gestelde gebrekkigheid, dan wel gevaarzetting, heeft zij het volgende aangevoerd. Aangezien er na de fusie met de vorige eigenaar (de Nieuwe Unie) in 2009 geen werkzaamheden meer aan de opstap zijn verricht, moet de verbreding van de opstap hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de val in 2011. De oude opstap was weliswaar smaller, maar van een gebrekkige opstal was toen evenmin sprake. Het betrof een gebruikelijke, veel voorkomende opstap waarop [eiseres] bedacht had moeten zijn omdat zij deze reeds bij het betreden van de woning moet hebben gezien. Van gevaarzetting is evenmin sprake. Woonstad mag van haar bezoekers verwachten dat zij de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid betrachten, terwijl de kans op een valpartij niet groot is en doorgaans geen ernstige gevolgen zal hebben. Woonstad stelt voldoende veiligheidsmaatregelen te hebben getroffen en doet voorts een beroep op eigen schuld van [eiseres] omdat de valpartij het gevolg is van onvoldoende oplettendheid van [eiseres] zelf.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

De door [eiseres] geschetste feitelijke toedracht dat zij bij het verlaten van de woning van de opstap is afgegleden en dat zij daardoor schade heeft geleden, is door Woonstad niet (langer) betwist. Dat de opstap een (onderdeel van een) opstal is in de zin van artikel 6:174 BW, is evenmin in geschil.

 

4.2.

Het feit dat [eiseres] ten val is gekomen op de opstap rechtvaardigt op zich nog niet de conclusie dat de opstap gebrekkig is. Een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW is een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor personen of zaken. De invulling van het begrip “gebrek” in de zin van artikel 6:174 BW geschiedt deels op basis van de kelderluikfactoren (ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik)). Bij het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te verlangen zijn. (zie ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012, 155 (Wilnis)). Daarbij is behalve de aard en de functie van de opstal, tevens de fysieke toestand van de opstal ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar van belang.

 

 

4.3.

Tussen partijen is in geschil wat de fysieke toestand van de opstap was ten tijde van de val in 2011. [eiseres] stelt dat de door haar overgelegde foto’s waarop een smalle opstap is te zien, kort na haar val door haar zoon zijn gemaakt. (Ook) [eiseres] stelt zich op het standpunt dat de opstap na de verbreding daarvan aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Alvorens aan eventuele bewijslevering ten aanzien van de fysieke toestand van de opstap ten tijde van de val wordt toegekomen, zal dus beoordeeld moeten worden of de opstap in de oude toestand – voorafgaand aan de verbreding – gebrekkig was.

 

 

4.4.

De (portiek)woning is bestemd voor particulier gebruik. De opstap diende als traptrede zodat bewoners en hun bezoekers daarop een tussenstap kunnen maken bij het betreden en het verlaten van de woning. Op de overgelegde foto’s van de opstal in de oude situatie is een betonnen opstap met een gebruikelijk formaat te zien, waarvan er – zoals Woonstad onweersproken heeft aangevoerd – vele vergelijkbare te zien zijn in het (Rotterdamse) straatbeeld. Dat de opstap (minstens) even groot is als een reguliere traptrede, zoals Woonstad heeft aangevoerd, is evenmin betwist. Deze was wellicht niet breed genoeg om een volledige voet op te plaatsen, maar dat dit in de gegeven omstandigheden mocht worden vereist is onvoldoende gemotiveerd gesteld en ook overigens niet gebleken. Een abnormale scheefstand is op de overgelegde foto’s niet waarneembaar. Enige slijtage van het beton is weliswaar zichtbaar. Maar dat deze dusdanig was dat dit tot gladheid heeft geleid met een relevant risico tot uitglijden kan op de foto’s niet worden waargenomen en is ook overigens onvoldoende toegelicht.

 

 

4.5.

Het vorenstaande neemt niet weg dat afhankelijk van de omstandigheden een opstap bij een voordeur gevaarlijk kan zijn. De vraag of Woonstad door gevaarzetting onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld dient beantwoord te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Het antwoord op die vraag hangt af van een aantal factoren, zoals de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de gevolgen kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen (zie het hierboven reeds genoemde Kelderluikarrest).

 

 

4.6.

De uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 april 2009 (LJN: BI0731) waarnaar [eiseres] heeft verwezen is niet vergelijkbaar. In die zaak lagen verhoogde drempels, daar waar men dat niet verwacht. Dat het niet ongebruikelijk is om een opstap aan te brengen voor een ingang die hoger is gelegen dan het trottoir, is in de onderhavige zaak niet in geschil. De opstap op zich leverde dan ook in het algemeen geen gevaarzettende situatie op. Omstandigheden op grond waarvan Woonstad ermee rekening had moeten houden dat bezoekers van de portiekwoning niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht zouden nemen zijn niet gesteld.

 

 

4.7.

Voor de vraag of Woonstad in dit specifieke geval toch veiligheidsmaatregelen had moeten treffen is het volgende van belang. Uitgangspunt is dat niet iedere kans op schade verplicht tot het treffen van voorzorgsmaatregelen. [eiseres] heeft erkend dat in de buurt van de woning vele vergelijkbare opstapjes zijn te zien. Daarmee zijn volgens Woonstad, die tevens verhuurder van andere woningen in die buurt is, geen problemen bekend. Uit het door Woonstad overgelegde onderhoudsmeldingenrapport met betrekking tot de periode vanaf januari 2010 tot en met 6 februari 2017 blijkt niet van meldingen over opstapjes bij voordeuren. Dat [persoon] al eerder over de fysieke toestand van de onderhavige opstal zou hebben geklaagd strookt niet met diens schriftelijke verklaring die door [eiseres] is overgelegd. Daarin heeft hij verklaard dat er reeds eerder mensen van de opstap waren gevallen, maar niet dat daarvan (door hem) melding was gedaan. Indien al juist is dat er vaker mensen van die opstap zouden zijn gevallen, is – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Woonstad – niet (voldoende gemotiveerd) gesteld dat Woonstad daarmee bekend was en desondanks geen maatregelen heeft getroffen. De omstandigheid dat Woonstad op enig moment de opstap heeft laten verbreden maakt dit niet anders. Afgezien van de vraag of Woonstad hiertoe over is gegaan nadat kennis was genomen van de val van [eiseres], is immers (ook overigens) niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan van Woonstad eerder mocht worden verlangd dat zij veiligheidsmaatregelen zou treffen, dan wel onderhoud zou verrichten.

 

 

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook indien ervan uit wordt gegaan dat de opstap ten tijde van de val verkeerde in de oude fysieke toestand, er geen sprake is van een opstal die op een voor de val van [eiseres] relevant aspect niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, dan wel dat de toestand dusdanig was dat deze, er van uitgaande dat de bij een dergelijke opstap passende voorzichtigheid werd betracht, een wezenlijk gevaar opleverde dat uit het oogpunt van veiligheid door Woonstad voorkomen had moeten worden. Bewijslevering over de fysieke toestand van de opstap ten tijde van de val kan daarom achterwege blijven.

 

 

4.9.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] dienen te worden afgewezen.

 

 

4.10.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woonstad worden begroot op:

 

– griffierecht € 619,00

 

– salaris advocaat € 904,00 (2 punten × tarief € 452,00)

 

Totaal € 1.523,00

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank

 

 

5.1.

wijst de vorderingen af,

 

 

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Woonstad tot op heden begroot op € 1.523,00,

 

 

5.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

 

 

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

 

 

 

Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Giebels-Wannyn en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017.1

 

 

 

1

2457/2294/2935