• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 5 januari 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:1102
  • Zaaknummer: C/09/516521 / HA RK 16-406

Rb: deelgeschilprocedure biedt geen plaats voor nader onderzoek diverse schadeposten

Benadeelde heeft bij ongeval in 2011 letsel opgelopen. Hij verzoekt de schade vast te stellen op een totaalbedrag van € 348.204,-, onder meer wegens verlies van arbeidsvermogen. De rechtbank wijst het verzoek af. De rechtbank acht onvoldoende toegelicht dat verzoeker zonder ongeval zijn huidige inkomen zou hebben aangevuld met inkomsten uit een in Spanje te starten Bed & Breakfast en het geven van workshops. De rechtbank oordeelt dat de omvang van de schadeposten in onvoldoende mate is vast te stellen; om de schade te kunnen begroten, is nader onderzoek noodzakelijk. Hiervoor is echter binnen de kaders van een deelgeschilprocedure geen plaats. Verzoek afgewezen. 2. Kosten deelgeschil vastgesteld op € 4.472,48.

ECLI:NL:RBDHA:2017:1102

 

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-01-2017
Datum publicatie 15-02-2017
Zaaknummer C/09/516521 / HA RK 16-406

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Rekestprocedure

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Afwijzing verzoek tot vaststelling van de omvang van diverse schadeposten, omdat nader onderzoek noodzakelijk is. Wel kostenbegroting en -veroordeling.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .beschikking

 

 

 

RECHTBANK DEN HAAG

 

 

 

 

Team handel

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/09/516521 / HA RK 16-406

 

 

 

 

Beschikking van 5 januari 2017 [bij vervroeging]

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. A.P. Drosten te Enschede,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

  1. de rechtspersoon naar vreemd recht

 

 

VITTORIA ASSICURAZIONI S.P.A.,

 

gevestigd te Milaan, Italië,

 

  1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

 

 

VAN AMEYDE NEDERLAND B.V.,

 

gevestigd te Rijswijk,

 

verweersters,

 

procesadvocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

 

behandelend advocaat mr. J.C. Rous te Rotterdam.

 

 

 

 

Partijen worden hierna afzonderlijk [verzoeker] , Vittoria en Van Ameyde genoemd. Verweersters worden tezamen aangeduid als Vittoria c.s.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 15 augustus 2016, met producties;

 

het verweerschrift, ingekomen op 5 december 2016, met producties;

 

het faxbericht d.d. 5 december 2016, met productie, van de zijde van [verzoeker] .

 

 

1.2.

 

Op 6 december 2016 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Drosten voornoemd, alsmede

 

  1. Rous voornoemd namens Vittoria c.s. Mr. Drosten heeft ter zitting een drietal nadere producties overgelegd.

 

 

 

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald. Deze beschikking wordt bij vervroeging uitgesproken.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 24 maart 2011 is [verzoeker] te Deinze (België) een ernstig verkeersongeval overkomen, als gevolg waarvan hij meervoudig letsel heeft opgelopen.

 

 

2.2.

Vittoria, de aansprakelijkheidsverzekeraar van de veroorzaker van het ongeval, heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Vittoria heeft Van Ameyde ingeschakeld om de schaderegeling ter hand te nemen.

 

 

2.3.

Teneinde de klachten en beperkingen van [verzoeker] als gevolg van het ongeval in kaart te brengen, zijn er in overleg tussen partijen medische expertises verricht door orthopedisch chirurg [A] (rapport d.d. 16 januari 2014), psychiater dr. [B] (rapport 11 februari 2014), neuropsycholoog drs. [C] (rapport d.d. 10 november 2015 en nader rapport d.d. 3 december 2015) en neuroloog dr. [D] (rapport d.d. 29 december 2015).

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – naar de rechtbank begrijpt:

 

a.het totaalbedrag van de in het lichaam van het verzoekschrift genoemde schadecomponenten vast te stellen op een bedrag van € 348.204,–, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 maart 2011 en te verminderen met de reeds betaalde voorschotten van in totaal € 62.280,– en aldus de nog door Vittoria c.s. aan [verzoeker] te betalen schadevergoeding te bepalen op € 285.924,–, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht, en Vittoria c.s. te veroordelen dit bedrag aan [verzoeker] te voldoen;

 

 

b.de niet-betaalde buitengerechtelijke kosten vast te stellen op een bedrag van € 19.733,69 en Vittoria c.s. te veroordelen dit bedrag aan [verzoeker] te voldoen;

 

 

c.de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten op een bedrag van

 

 

€ 4.905,95, te vermeerderen met het griffierecht, en Vittoria c.s. te veroordelen dit bedrag aan [verzoeker] te voldoen.

 

 

3.2.

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt [verzoeker] het volgende. Partijen verschillen van mening over de omvang van enkele belangrijke schadecomponenten, zoals het smartengeld, het verlies aan verdiencapaciteit en het verlies aan zelfwerkzaamheid. Deze schadeposten dienen te worden vastgesteld op respectievelijk € 50.000,–, € 194.110,– en € 50.600,–. Aan overige schade resteert een bedrag van € 53.494,–. Het totale – in deze procedure vast te stellen – schadebedrag bedraagt derhalve € 348.204,–. Rekening houdend met de reeds betaalde voorschotten ad € 62.280,– resteert een door Vittoria c.s. aan hem te betalen bedrag van € 285.924,–. Daarnaast dient Vittoria c.s. te worden veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 19.733,69 aan niet-betaalde buitengerechtelijke kosten, aldus [verzoeker] .

 

 

3.3.

Vittoria c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

Van Ameyde geen procespartij

 

4.1.

Vittoria c.s. heeft er in haar verweerschrift op gewezen dat Van Ameyde weliswaar is belast met de behandeling en afwikkeling van het ongeval, maar dat zij, als schaderegelaar, niet voor de gevolgen van het ongeval aansprakelijk kan worden gehouden en derhalve ten onrechte in deze procedure is betrokken. In reactie hierop heeft [verzoeker] ter zitting te kennen gegeven dat zijn verzoek jegens Van Ameyde als ingetrokken kan worden beschouwd. Gelet hierop gaat de rechtbank er in het navolgende van uit dat het verzoek alleen is gericht tegen Vittoria en dat Vittoria de enige verwerende partij is.

 

 

 

Rechtsmacht

 

 

 

4.2.

Nu het onderhavige geschil een internationaal karakter heeft ( [verzoeker] woont in Nederland, Vittoria is gevestigd in Italië en het ongeval heeft plaatsgevonden in België) dient te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Nu het verzoek is ingediend na 10 januari 2015, dient deze vraag te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Nu niet in geschil is dat [verzoeker] een rechtstreekse vordering jegens Vittoria kan instellen en Vittoria is gevestigd in een EEX-staat, heeft de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 in verbinding met artikel 11 lid 1 sub b van de Herschikte EEX-Verordening rechtsmacht. Hoewel artikel 11 van de Herschikte EEX-Verordening als (relatief) bevoegde rechter de rechtbank Overijssel (het gerecht van de woonplaats van [verzoeker] ) aanwijst, hebben partijen ter zitting uitdrukkelijk een forumkeuze gedaan, zulks overeenkomstig artikel 15 aanhef en lid 1 van de Herschikte EEX-Verordening. Op grond van deze forumkeuze is de rechtbank Den Haag bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

 

 

 

Toepasselijk recht

 

 

 

4.3.

Blijkens productie 1 bij het verzoekschrift zijn partijen overeengekomen dat, in afwijking van het op grond van het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 van toepassing zijnde recht, Nederlands recht van toepassing is. Hierover bestaat tussen partijen geen verschil van mening.

 

 

 

Behandeling in een deelgeschilprocedure

 

 

 

4.4.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het onderhavige geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure.

 

 

4.5.

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

 

 

4.6.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht de omvang van een aantal schadeposten vast te stellen. Een dergelijk verzoek valt in beginsel onder het bereik van artikel 1019w Rv. De rechtbank verwerpt de stelling van Vittoria dat met het verzoek het volledige geschil aan de rechtbank wordt voorgelegd en dat daarmee sprake is van een verkapte bodemprocedure. [verzoeker] heeft ter zitting immers toegelicht dat na beslissing op het verzoek nog een aantal overige schadeposten dienen te worden besproken, zoals de posten hulp in de huishouding, (extra) reiskosten en medische kosten. Van voorlegging van het gehele geschil is dus geen sprake. Aan de stelling van Vittoria dat in dat geval geldt dat een beslissing op het verzoek partijen niet dichter bij een vaststellingsovereenkomst brengt, gaat de rechtbank eveneens voorbij, nu het volgens [verzoeker] slechts gaat om enkele “minder belangrijke” schadeposten waarover partijen naar verwachting in onderling overleg overeenstemming kunnen bereiken. Duidelijkheid over de voorgelegde schadeposten zou, aldus [verzoeker] , maken dat hij bereid is om water bij de wijn te doen. De rechtbank stelt derhalve vast dat de verzochte beslissing bij zou kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Om, zoals ingevolge artikel 1019z Rv is vereist, te beoordelen of deze bijdrage ook voldoende is, moeten de investering in tijd, geld en moeite worden afgewogen tegen het belang van [verzoeker] bij zijn verzoek en de bijdrage die een beslissing aan een definitieve minnelijke regeling kan leveren.

 

 

4.7.

Het belang van [verzoeker] bij een spoedige vaststelling van de schadeomvang is evident. Ter zitting heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat het ongeluk, dat ruim vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden, hem blijft achtervolgen en dat hij een en ander graag wil afsluiten. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de kans volgens [verzoeker] groot dat, na vaststelling van de omvang van de voorgelegde schadeposten, ook over de dan nog resterende schadeposten overeenstemming zal worden bereikt. Vervolgens dient dan te worden beoordeeld of het belang van [verzoeker] en de bijdrage die het deelgeschil aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst kan leveren opwegen tegen de investering in tijd, geld en moeite. Het antwoord hierop is in belangrijke mate afhankelijk van de vraag of de omvang van de schadeposten relatief eenvoudig – aan de hand van de in deze procedure over en weer ingenomen standpunten en overgelegde bescheiden – kan worden vastgesteld. Behandeling van de zaak als deelgeschil ligt minder voor de hand als met de beantwoording van die vraag veel tijd als gevolg van nadere bewijslevering gemoeid zal zijn. Om te bepalen of de zaak geschikt is voor behandeling als deelgeschil, zal daarom de vraag naar de omvang van de schade nader worden beschouwd.

 

 

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat het aan [verzoeker] is om de omvang van de voorgelegde schadeposten deugdelijk toe te lichten.

 

 

4.9.

[verzoeker] heeft de omvang van de schadepost verlies aan verdienvermogen gesteld op een bedrag van € 194.110,–, uitgaande van een jaarschade van € 19.411,– en een looptijd van tien jaar. Hiertoe heeft hij een tweetal jaaropgaven over 2010 en informatie over zijn huidige pensioenuitkering overgelegd. Op basis van deze stukken kan het verschil tussen het inkomen van [verzoeker] in het verleden en zijn huidige inkomen worden vastgesteld. Dat [verzoeker] , zoals hij stelt, zijn huidige inkomen in de situatie zonder ongeval met inkomsten uit de exploitatie van een in Spanje te starten Bed & Breakfast (hierna: B&B) enerzijds en het geven van trainingen en workshops gedurende de wintermaanden anderzijds zou hebben aangevuld tot het inkomen dat hij voor zijn pensionering verdiende, acht de rechtbank evenwel vooralsnog onvoldoende toegelicht. [verzoeker] heeft bij faxbericht van 5 december 2016 weliswaar een “Bedrijfsplan voor het realiseren, beheren en verhuren van een Bed & Breakfast in het Condado de Huelva” overgelegd, maar dit bedrijfsplan is – zoals ter zitting is gebleken – pas na het ongeval opgesteld en bovendien niet voorzien van onderliggende stukken. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank (de financiële onderbouwing in) dit stuk onvoldoende om de gestelde inkomsten uit de B&B op te baseren. Datzelfde geldt voor de ter zitting, met het oog op de gestelde met de te geven trainingen en workshops te genereren inkomsten, overgelegde verklaringen. Op basis van enkel deze (intentie)verklaringen, die zien op de periode eind 2011/begin 2012, kan niet tot uitgangspunt worden genomen dat [verzoeker] gedurende tien jaar met het geven van trainingen en workshops structurele inkomsten zou hebben gegenereerd.

 

 

4.10.

Met betrekking tot de schadepost verlies aan zelfwerkzaamheid – door [verzoeker] gesteld op een bedrag van € 50.600,–, uitgaande van een jaarschade van € 4.600,– en een looptijd van elf jaar – heeft [verzoeker] in het geheel geen stukken overgelegd. Ter zitting heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat de betreffende kwitanties en bonnen ten aanzien van de met het gestelde tuinonderhoud gemoeide kosten wel in het kader van de gevoerde onderhandelingen zijn overhandigd, maar de rechtbank beschikt niet over deze gegevens.

 

 

4.11.

Gelet op het voorgaande kan de omvang van voornoemde – door Vittoria betwiste – schadeposten thans niet worden vastgesteld en is voor de beoordeling van de vraag of en zo ja, in hoeverre de schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen een nadere onderbouwing door [verzoeker] noodzakelijk.

 

 

4.12.

Wat betreft de post overige schade geldt dat [verzoeker] ter zitting desgevraagd niet heeft kunnen toelichten hoe deze post is opgebouwd. Voorts geldt wat betreft de buitengerechtelijke kosten dat de onderliggende specificaties van de door mr. Drosten ingediende declaraties in deze procedure niet zijn overgelegd. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank beide posten niet (volledig) inhoudelijk kan beoordelen.

 

 

4.13.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de rechtbank de omvang van de voorgelegde schadeposten thans in onvoldoende mate vaststellen. Om de schade te kunnen begroten, is nader onderzoek noodzakelijk. Hiervoor is echter binnen de kaders van een deelgeschilprocedure geen plaats. Als gevolg daarvan zou de procedure dermate veel tijd, geld en moeite kosten, dat dit niet opweegt tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die de beslissing kan leveren aan de totstandkoming van een minnelijke regeling.

 

 

4.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat de in 3.1. onder a. en b. genoemde verzoeken op grond van artikel 1019z Rv zullen worden afgewezen.

 

 

 

Kosten deelgeschil

 

 

 

4.15.

Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking worden genomen. Of de kosten redelijk zijn, hangt ervan af of het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt en of de omvang van de kosten redelijk is.

 

 

4.16.

Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de kosten van de procedure ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in geval van afwijzing van het verzoek. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat de enkele afwijzing van het verzoek op grond van artikel 1019z Rv niet leidt tot het oordeel dat in dit geval van laatstgenoemde situatie sprake is. De rechtbank gaat dan ook aan het op dit punt primair door Vittoria gevoerde verweer voorbij en zal in het navolgende overgaan tot begroting van de kosten.

 

 

4.17.

Mr. Drosten verzoekt, onder verwijzing naar productie 10 bij het verzoekschrift, de kosten van dit deelgeschil te begroten op een bedrag van € 4.905,95 (exclusief griffierecht). Daarbij is hij uitgegaan van 17 uur, een uurtarief van € 225,–, 6% kantoorkosten en 21% btw. Vittoria heeft alleen bezwaar gemaakt tegen de door mr. Drosten opgevoerde tijdsbesteding voor het opstellen van het verzoekschrift.

 

 

4.18.

De rechtbank leidt uit de als productie 10 bij het verzoekschrift overgelegde urenstaat af dat mr. Drosten 8,5 uur aan het opstellen van het verzoekschrift heeft besteed. Met Vittoria is de rechtbank van oordeel dat dit aantal aan de hoge kant is. De rechtbank acht het redelijk om op dit punt rekening te houden met een tijdsbesteding van 6 uur. De overige aan de zaak bestede tijd stelt de rechtbank, conform de – voor het overige niet weersproken – opgave van mr. Drosten, op 8,5 uur. In totaal zal de rechtbank derhalve rekening houden met een tijdsbesteding van 14,5 uur voor deze procedure.

 

4.19.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de kosten van deze procedure begroten op een bedrag van € 4.472,48 (14,5 uur x € 225,–, te vermeerderen met kantooropslag van 6% en btw van 21% en voorts te vermeerderen met het betaalde griffierecht van € 288,–).

 

 

4.20.

Nu de aansprakelijkheid van Vittoria voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade vast staat, zal de verzochte veroordeling van Vittoria tot betaling van genoemde kosten aan [verzoeker] worden toegewezen.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank:

 

 

5.1.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.472,48 en veroordeelt Vittoria tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] ;

 

 

5.2.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 

 

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op

 

5 januari 2017.1

 

 

 

 

 

1

type: 2163