• Jurisprudentie
  • Bron: Ongepubl. jurisprudentie, Rechtbank Rotterdam
  • 20 oktober 2016
  • Zaaknummer: C/l 0/502038 / HA RK 16-398

Rb, deelgeschil: whiplash, vordering om schaderegeling op te pakken afgewezen, deelgeschil volstrekt onnodig ingesteld

Whiplash, laag energetische botsing. Benadeelde verzoekt rechtbank om verzekeraar te veroordelen om de schaderegeling verder ter hand te nemen en om een voorschot (boven het reeds betaalde voorschot van € 4000,-). Verzekeraar betwist het causaal verband tussen de gestelde schade en het ongeval.
1. De rechtbank stelt vast dat in hoge mate onzeker is of de (vele) door benadeelde gepresenteerde klachten en beperkingen gevolg zijn van het ongeval. Met verzekeraar is de rechtbank van oordeel dat zonder nader onderzoek, waarbij ook de medische voorgeschiedenis van benadeelde betrokken wordt, geen eenduidig oordeel is te geven over het causaal verband tussen de klachten en beperkingen. De rechtbank oordeelt dat het standpunt van verzekeraar om de schaderegeling niet verder meer ter hand te nemen nu de onderhandelingen zijn vastgelopen op het causaal verband niet onredelijk is. Het verzoek hiertoe is bovendien te vaag. Vordering hiertoe en voorschot afgewezen.
2. BGK. Bij gebreke van voldoende inzicht in de omvang van de schade kan niet worden beoordeeld of de in rekening gebrachte BGK redelijk zijn.
3. Kosten deelgeschil afgewezen. In het licht van de huidige jurisprudentie lag de onderhavige beslissing zo voor de hand lag dat het indienen van het verzoek als volstrekt onterecht dient te worden geoordeeld.

beschikking

 

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/l 0/502038 / HA RK 16-398 Beschikking van 20 oktober 2016 in de zaak van

 

[BENADEELDE],

wonende te[woonplaats], verzoeker,

advocaat mr. A. Quispel,

tegen

 

de vennootschap naar buitenlands (Belgisch) recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel, kantoorhoudende te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt.

Partijen worden hierna aangeduid als [benadeelde] en Allianz.

 

  1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

–           het verzoekschrift, met producties 1 t/m 18:

–           het verweerschrift, met producties 1 t/m 17;

–           de brief van 15 september 2016 van mr. Quispel, met als bijlagen producties 19 t/m 33;

–           de brief van 20 september van mr. P. van Huizen (namens mr. Kragt), met als bijlagen producties 18 t/m 23; °

–           de mondelinge behandeling ter zitting van 22 september 2016 en de ter gelegenheid daarvan door mr. Quispel overgelegde aantekeningen.

  1. De feiten

2.1.      [benadeelde] is op 14 oktober 2015 in zijn auto van achteren aangereden door een bij Allianz conform de WAM verzekerde auto. Deze aanrijding vond plaats op de Groene Kruisweg te Rotterdam. [benadeelde] stond op het moment van de aanrijding stil voor het verkeerslicht dat op rood stond.

2.2.      Allianz heeft aansprakelijkheid voor de aanrijding erkend. Zij heeft in het kader van de schaderegeling een voorschot van € 4.000,00 aan [benadeelde] voldaan.

 

  1. Het geschil

3.1.      [benadeelde] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Allianz te veroordelen om de schaderegeling met [benadeelde] verder ter hand te nemen;
  2. Allianz te veroordelen om bij wijze van voorschot op de schade van [benadeelde] aan hem te betalen een bedrag van € 15.000,00.
  3. Allianz te veroordelen aan [benadeelde] te betalen een bedrag van € 3.646,58 ter zake buitengerechtelijke kosten;
  4. de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten op een bedrag van € 7.019,79 en Allianz te veroordelen die kosten aan [benadeelde] te vergoeden.

3.2.      [benadeelde] legt aan zijn verzoek kort gezegd ten grondslag dat de schade die hij tengevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden in elk geval het tot op heden reeds betaalde voorschot van € 4.000,00 ruim overschrijdt.

3.3.      Allianz voert verweer, dat strekt tot afwijzing van het verzoek. Allianz voert kort gezegd aan dat een bodemprocedure onafwendbaar is, nu Allianz zich op het standpunt stelt met het reeds betaalde bedrag de schade van [benadeelde] vergoed te hebben, terwijl [benadeelde] zijn schade op een (veel) hoger bedrag stelt. Volgens Allianz staat het causaal verband tussen de door [benadeelde] gestelde schade voor zover die hoger is dan het betaalde bedrag van € 4.000,00 en het ongeval niet vast. Op basis van de thans beschikbaar gestelde (medische) informatie is het niet mogelijk om een beeld te vormen over het causaal verband tussen het ongeval en de door [benadeelde] gestelde klachten en beperkingen. Gegeven de kardinale tegenstellingen die tussen partijen op dit punt bestaan, zal een vaststellingsovereenkomst door beslechting van dit deelgeschil niet dichterbij worden gebracht.

3.4.      Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

 

  1. De beoordeling

Betaling van een voorschot

4.1.      De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter vragen om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv).

4.2.      Partijen zijn verdeeld over de vraag of de schade die [benadeelde] als gevolg van het ongeval heeft geleden hoger is, dan het door Allianz reeds betaalde bedrag aan voorschotten en Allianz derhalve gehouden is om aan [benadeelde] in dit stadium een nader voorschot van € 15.000,- te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat de aard van dit geschil zich in beginsel leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Dat is echter slechts het geval indien de beslechting van dit deelgeschil de weg vrij zal kunnen maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en aldus zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

Naar het oordeel van de rechtbank valt, gelet op de stellingen van partijen over en weer, niet in te zien dat beslechting van het aan haar voorgelegde verzoek tot toekenning van een nader voorschot van € 15.000,00 op enigerlei wijze zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.      [benadeelde] heeft ter onderbouwing een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2015 (ECL1:NL:RBAMS:2015:446) gelet op het standpunt van Allianz niet verder te willen onderhandelen. In bedoelde uitspraak is geoordeeld dat het verweer van een verzekeraar dat zij ongeacht de uitkomst van de deelgeschilprocedure de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst uitsluit, in zijn algemeenheid geen grond kan vormen om een verzoek tot behandeling van een deelgeschil af te wijzen, omdat dit zou leiden tot het onaanvaardbare gevolg dat eenvoudig aan behandeling van een deelgeschil kan worden ontkomen door geen buitengerechtelijke onderhandelingen aan te gaan. Voor de onderhavige zaak is in dit verband echter het volgende van belang.

4.4.      Vooropgesteld wordt dat tussen partijen niet in geschil is dat Allianz aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het ongeval voor [benadeelde]. Echter, de toedracht van het ongeval (in het bijzonder de snelheid waarmee de bestuurster van het bij Allianz verzekerde voertuig tegen de auto van [benadeelde] is aangereden), alsmede dat de (vele) klachten en beperkingen die [benadeelde] presenteert het gevolg zijn van het ongeval is tussen partijen wel in geschil. In geschil is ook of [benadeelde] de gestelde schade wegens verlies aan verdienvermogen daadwerkelijk lijdt en of er sprake is van pre-existente klachten. [benadeelde] heeft voor het bestaan van causaal verband tussen ongeval en klachten geen, althans onvoldoende medische onderbouwing aangereikt. Het enkele feit dat de ervaren klachten en beperkingen volgens [benadeelde] na het ongeval zijn ontstaan is niet doorslaggevend. De rechtbank moet dan constateren dat thans in hoge mate onzeker is of de door [benadeelde] gepresenteerde klachten en beperkingen (allemaal en in de gestelde mate) gevolg zijn van het ongeval. Met Allianz is de rechtbank van oordeel dat zonder nader onderzoek, waarbij ook de medische voorgeschiedenis van [benadeelde] betrokken wordt, geen eenduidig oordeel is te geven over het causaal verband tussen de klachten en beperkingen die [benadeelde] ervaart en het ongeval. Dat betekent dat het verzoek sub b. zonder nadere instructie, die zich in deze zaak tot de hele causaliteit zou moeten uitstrekken, niet toewijsbaar is. Daarmee is geenszins gezegd dat de dat de beperkingen die [benadeelde] ondervindt niet serieus worden genomen. Op basis van de thans voorhanden stukken is het evident dat Allianz meer inzicht wenst in het verband tussen die beperkingen en het ongeval. Al met al is thans zodanig onzeker dat [benadeelde] als gevolg van het ongeval (in de door hem gestelde omvang) materiële en immateriële schade lijdt, dat onvoldoende grond bestaat Allianz tot de gevraagde nadere voorschotbetaling te veroordelen. Zoals ter zitting ook is besproken had het in dit geval voor de hand gelegen een bodemprocedure aanhangig te maken.

Ter hand nemen schadeafwikkeling

4.5.      [benadeelde] heeft verzocht Allianz te veroordelen om de schaderegeling met [benadeelde] verder ter hand te nemen. Ook een dergelijk verzoek kan slechts in een deelgeschilprocedure worden behandeld, indien de voorgestelde ‘onderhandelingen’ daadwerkelijk een bijdrage zouden kunnen leveren aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst.

Het feit dat Allianz in dit dossier geen heil ziet in door onderhandelen doet evident af aan de slagingskans van het verzoek, waarvan vrijwillige medewerking en welwillendheid kernwaarden zijn. Er bestaat derhalve geen reële kans dat de gevraagde beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

 

4.6.      De onderhandelingen tussen partijen zijn vastgelopen op het punt van het causaal verband tussen het ongeval en de klachten en beperkingen van [benadeelde]. Het verder ter hand nemen van de schaderegeling zal de tussen partijen bestaande vragen in dit kader niet kunnen beantwoorden. Daarmee wordt het perspectief van door onderhandelen beperkt tot het verkennen van de mogelijkheden tot het treffen van een schikking waarbij een totaalbedrag wordt overeengekomen en het maken van verdere kosten wordt voorkomen. Hoewel het niet ongebruikelijk is om een zaak op deze wijze op te lossen, is gebleken dat de standpunten van partijen over de inhoud van een dergelijke regeling ver uiteen liggen. Een dergelijke regeling ligt op dit moment derhalve niet voor de hand. Nu er thans nog veel onduidelijkheid bestaat omtrent de vraag of en in hoeverre de klachten van [benadeelde] het gevolg zijn van het ongeval, terwijl onafhankelijk medisch onderzoek hierover meer helderheid zou kunnen verschaffen, en deze mogelijkheid tot op heden niet is benut, kan van Allianz in redelijkheid niet worden verwacht dat zij in het kader van het verder ter hand nemen van de schaderegeling een schikking ter beëindiging van het geschil beproeft, zonder eerst in de gelegenheid te worden gesteld het medisch causaal verband nader te (laten) onderzoeken.

4.7.      Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van Allianz om de schaderegeling niet verder meer ter hand te nemen niet onredelijk is. Zij zal daartoe dan ook niet worden veroordeeld. Het verzoek sub a. is bovendien te vaag. Tot welke rechten en verplichtingen toewijzing ervan zal leiden is niet bepaalbaar. Daar komt bij dat vanwege de onzekerheid ter zake van causaal verband de omvang van de verplichtingen van Allianz in dit verband in deze procedure ook niet concreet zijn vast te stellen. De rechtbank kan het verzoek dus ook niet in geconcretiseerde zin toewijzen.

Buitengerechtelijke kosten

4.8.      Het verzoek van [benadeelde] om vergoeding van buitengerechtelijke kosten ziet op vergoeding van de kosten van juridische bijstand die hij heeft gemaakt in de tijd die is verstreken voorafgaand aan het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift. [benadeelde] stelt dat hij € 3.646,58 aan buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.

4.9.      Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. Of gevorderde buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW: vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is (geweest) om vergoeding van de schade te verkrijgen.

4.10.    Bij de beoordeling van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten dient niet alleen te worden gekeken naar de verhouding tussen die kosten en de omvang van de schade, maar dient ook rekening te worden gehouden met onder meer de aard van de door het slachtoffer geleden schade, de aard van de door de rechtsbijstandverlener verrichte werkzaamheden en de complexiteit van de zaak.

 

4.11.    De rechtbank acht het inroepen van deskundige -juridische- bijstand door [benadeelde] redelijk. Op dit punt is door Allianz ook geen verweer gevoerd. Met betrekking tot de omvang van de bestede tijd heeft Allianz wel verweer gevoerd. Allianz is van mening dat het aantal in rekening gebrachte uren niet redelijk is en dat het gehanteerde uurtarief bovenmatig hoog is voor een belangenbehartiger die niet een in letselschade gespecialiseerde advocaat is.

4.12.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal een verdere voortzetting van het debat tussen partijen over de schadeomvang nog dienen plaats te vinden waardoor er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat over de uiteindelijke schadevergoeding. Bij gebreke van voldoende inzicht in de omvang van de schade kan in deze in het kader van dit deelgeschil niet worden beoordeeld of de aan [benadeelde] in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten ad € 3.646,58 als in redelijkheid gemaakte kosten aan Allianz kunnen worden toegerekend. Dit brengt mee dat er thans geen grond bestaat om te bepalen dat Allianz dat bedrag aan buitengerechtelijke kosten aan [benadeelde] dient te vergoeden en dat het verzoek sub c. mitsdien zal worden afgewezen.

 

Kostenbegroting

4.13.    [benadeelde] verzoekt om begroting van zijn kosten op de voet van artikel 1019aa Rv. Ofschoon de aansprakelijkheid van Allianz vaststaat en zij uit dien hoofde in beginsel dient te worden veroordeeld in de kosten van de deelgeschilprocedure, is de rechtbank in dit geval van oordeel dat in het licht van de huidige jurisprudentie de onderhavige beslissing zo voor de hand lag dat het indienen van het verzoek als volstrekt onterecht dient te worden geoordeeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [benadeelde] voor dit deelgeschil al wist, althans behoorde te weten dat partijen twisten over de relevante feiten waarvoor bewijslevering noodzakelijk is. Nu de kosten bij de behandeling van het verzoek daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen kan begroting van deze kosten dan ook achterwege blijven.

 

  1. De beslissing

De rechtbank wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2016.

801/1629