• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 12 oktober 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:7597
  • Zaaknummer: C/16/416926 / HA RK 16-120

Rb, deelgeschil: whiplash, causaal verband niet vast te stellen op basis van (alleen) medische gegevens uit behandelend sector; voorschot en BGK afgewezen

Verzoeker ((prof)voetballer) heeft na ongeval nek-, hoofdpijn en knieklachten en verzoekt om verklaring voor recht dat verzekeraar aansprakelijk is voor verlies van arbeidsvermogen. 1. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de thans beschikbare medische informatie niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten. De medische informatie betreft immers (alleen) medische gegevens uit de behandelend sector. Daarvan maakt een onderzoek door een neuroloog bovendien geen deel uit. Tot op heden is de neuroloog vooralsnog de meest aangewezen specialist om de vraag naar het (medisch) oorzakelijk verband tussen klachten en een ongeval te beantwoorden. Op dit moment bestaat dus nog geen duidelijkheid over de causaliteit, terwijl binnen de deelgeschilprocedure geen ruimte bestaat voor (uitgebreide) bewijslevering. 2. Voorschot afgewezen. 3. BGK afgewezen. Hoewel het redelijk is dat verzoeker kosten maakt, waaronder kosten van rechtsbijstand is de rechtbank van oordeel dat i.v.m. de onduidelijkheid over het causaal verband en daarmee over de omvang van de schade, de verzekeraar niet gehouden is tot het voldoen van de gevorderde BGK. 4. Kosten deelgeschil: € 2.450,25.

ECLI:NL:RBMNE:2016:7597

 

Instantie Rechtbank Midden-Nederland Datum uitspraak 12-10-2016 Datum publicatie 01-03-2017 Zaaknummer C/16/416926 / HA RK 16-120

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

Deelgeschil. Letselschade. Causaal verband tussen ongeval en klachten kan niet (enkel) worden gebaseerd op medische gegevens uit behandelend sector. Hierdoor ook onvoldoende duidelijkheid over schade die aan het ongeval kan worden toegerekend. Verzoek wordt afgewezen. Tegenverzoek kostenveroordeling ook afgewezen.

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

  .   .beschikking

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Afdeling civiel recht

 

handelskamer

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer / rekestnummer: C/16/416926 / HA RK 16-120 MAR

 

 

 

 

Beschikking ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (deelgeschil) van 12 oktober 2016

 

 

 

 

in de zaak van

 

 

 

 

 [verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

advocaat mr. F.A.P. Laporte te Langbroek,

 

 

 

 

tegen

 

 

 

 

1 [verweerder sub 1] ,

 

 

wonende te [woonplaats] ,

 

  1. de naamloze vennootschap

 

ASR SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

 

gevestigd te Utrecht,

 

verweerders,

 

advocaat mr. M.M. Klunder te Ermelo.

 

 

 

 

Partijen worden hierna als volgt aangeduid. Verzoeker wordt [verzoeker] genoemd. Verweerders worden gezamenlijk aangeduid als ASR. Voor zover nodig wordt verweerder sub 1 [verweerder sub 1] genoemd.

 

 

 

 

1 De procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift deelgeschil ex artikel 1019w Rv, ter griffie ingekomen op 8 juni 2016;

 

de brief van 2 augustus 2016 van mr. Laporte, waarbij nadere stukken zijn overgelegd;

 

het verweerschrift, ter griffie ingekomen op 23 augustus 2016;

 

de mondelinge behandeling, gehouden op 30 augustus 2016, waarvan aantekening is gehouden.

 

 

1.2.

Vervolgens is uitspraak bepaald.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

Op 3 april 2015 heeft in Nieuwegein op het Waterliniedok een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij [verweerder sub 1] rijdend in een Ford Mondeo achter op de Mercedes Benz waarin [verzoeker] reed, is gereden. [verweerder sub 1] was onder invloed van alcohol.

 

 

2.2.

ASR heeft als WAM-verzekeraar van [verweerder sub 1] aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval voor [verzoeker] erkend.

 

 

2.3.

[verzoeker] is (prof)voetballer. In het jaar 2012/2013 en in het jaar 2013/2014 voetbalde hij bij FC Dordrecht. Vanaf juni 2014 voetbalde [verzoeker] bij Hereford United in Groot-Brittannië. Hereford United failleerde in december 2014. In de maanden januari, februari en maart 2015 heeft [verzoeker] , via zijn broer die ook zijn zaakwaarnemer is, stage gelopen bij het tweede elftal van VfB Stuttgart.

 

 

2.4.

 

Op 27 oktober 2015 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen mw. mr. J.A. Boer, schaderegelaar namens ASR, mw. E. Sommer, schaderegelaar namens mr. Laporte/ [verzoeker] , [verzoeker] en mw. [A] , de moeder van [verzoeker] .

Van dit bezoek heeft mw. mr. J.A. Boer een bezoekrapport d.d. 30 oktober 2015 opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

 

“(…)

 

5 Medisch

 

(…)

 

5.2

 

Directe gevolgen/initiële letsel:

 

Betrokkene had na het ongeval last van zijn knieën, nek, hoofd en schouders.

 

(…)

 

5.4

 

Huidige klachten/beperkingen:

 

Betrokkene uit op dit moment de volgende klachten/beperkingen:

 

 

 

– Nek/schouders

 

In rust kan betrokkene alles met de nek en heeft hij geen pijn. Na een behandeling bij de fysiotherapeut waar hij intensief zijn hoofd heeft moeten draaien en de kin op de borst heeft moeten doen, heeft hij last van steken in de nek.

 

 

 

Het koppen van een voetbal gaat weer. Dit geeft geen pijnklachten. De vader van betrokkene masseert voor elke voetbaltraining de nek en een schouderbladen. Na afloop gaat betrokkene warm douchen. Betrokkenen het voor iedere voetbaltraining twee tabletten paracetamol in. Na de training neemt hij ook twee tabletten in.

 

 

 

– Knieën

De knieën geven geen klachten bij zitten. De intensieve knie belasten zoals het squatoefeningen of het doen van lunches voor betrokkene wel steken in de knieën.

 

De manueel therapeut heeft aangegeven dat betrokkene veel moet rekken om dit te voorkomen. Betrokkene laat weten dat de knieën de meer intensieve sportbelasting nog niet gewend zijn en dat het ook een kwestie zal zijn van het opbouwen van spierkracht en conditie.

 

 

– Hoofdpijn

 

De hoofdpijn was alleen de eerste periode na het ongeval. Deze is nu snel verdwenen. Het koppen van een bal gaat goed.

 

 

 

Er zijn geen andere klachten meer dan de bovenvermelde.

 

(…)

 

 

 

 

6 Opleiding en arbeid

 

 

 

 

(…)

 

 

 

6.2

 

Arbeidsverleden

 

(…)

 

(…) Op 1 januari 2015 is betrokkene naar zijn broer gegaan die herstelcoach is bij FC Stuttgart. In de maanden januari, februari en maart heeft betrokkene met het tweede elftal onder de 23 van Stuttgart mee mogen trainen. De broer van betrokkene heeft vervolgens eind maart voor hem een stage weten te regelen bij voetbalclub Gross Aubach. Dit ligt op een half uur afstand van Stuttgart. (…)

 

 

 

 

Betrokkene heeft eind maart een aanbod afgeslagen van voetbalclub Gross Aubach in Duitsland (nabij Stuttgart). De trainer en technisch directeur van deze club zouden hem een tweejarig contract hebben aangeboden voor € 3.500,– per maand met daarbij een winstpremie van € 500,– per gewonnen wedstrijd. De zaakwaarnemer van betrokkene is niet bij dit gesprek geweest. Betrokkene heeft het aanbod afgeslagen aangezien hij enkel een éénjarig contract wilde. Voorts bood de club hem geen onderkomen aan in de buurt en zou hij op een half uur afstand bij zijn broer in Stuttgart moeten inwonen. Betrokkene vond dit van weinig respect getuigen.

 

 

 

 

Betrokkene kon niet terug naar voetbalclub Stuttgart. Hij was daar al op stage geweest en de trainer daar wilde zich richten op het eigen team. Vervolgens is betrokkene eind maart teruggegaan naar Nederland.

 

 

 

 

Het plan van betrokkene was om in de maand april zelf te trainen met een schema dat hij had gekregen van zijn broer. Dit bij FC Doorn. Betrokkene had het plan om daarna in mei stage te gaan lopen bij voetbalclub in Nederland waarbij hij gebruik wilde maken van de contacten van zijn broer.

 

 

 

 

In juni start het voetbalseizoen. Betrokkene verwachtte dat hij in de maand mei door een stage zich zo ergens in de kijker had gespeeld dat hij in juni bij een club kon tekenen.

 

 

 

6.3

 

Arbeidsongeschiktheid

 

Vanaf 3 april heeft betrokkene enkele maanden fysiek niets kunnen ondernemen.

 

 

 

6.4

 

Re-integratie(activiteiten)/Huidige arbeid:

 

Sinds twee maanden is betrokkene weer gestart met hardlopen. Eerst liep hij 5 kilometer in 35 minuten. Momenteel loopt hij weer 10 kilometer in 40 minuten. Sinds twee weken neemt betrokkene weer deel aan voetbaltrainingen. Dit bij SV Tec Tiel. Hij speelt in de topklasse van deze amateurclub. De assistent trainer van Tec Tiel trainde betrokkene in het verleden bij FC Dordrecht. In september kwam betrokkene met hem in contact toen hij aan het kijken was naar een wedstrijd van SV Tec. Betrokkene heeft hem niet verteld over zijn ongeval/beperkingen. Sinds 19 oktober is betrokkene speelgerechtigd. Tot de winterperiode wordt bij SV Tec drie keer per week getraind in de avonduren. De winterperiode start begin november; vanaf dan wordt twee keer in de week getraind. Op zondag wordt de wedstrijd gespeeld.

 

 

 

 

Betrokkene zou graag meer uren willen trainen. Bij FC Dordrecht trainde betrokkene twee dagen twee keer per dag en twee dagen één keer per dag. Daarnaast speelde hij een wedstrijd.

 

 

 

 

Betrokkene bezoekt iedere dinsdag en donderdag en soms ook vrijdag sportschool Fitline te Driebergen. Hij is daar 1,5 uur aan het sporten. Het grootste deel richt hij zich op oefeningen om zijn spieren op peil te brengen. Het laatste kwartier doet hij wat cardio- en rekoefeningen om de spieren te laten ontspannen.

 

 

 

 

Betrokkene heeft getekend tot eind juni. Hij ontvangt vanaf november € 350,00 netto per maand.

 

 

 

 

Betrokkene richt zich op het moment topfit worden. Volgend jaar zou er graag in het buitenland willen voetballen.

 

 

 

 

(…)”

 

 

 

2.5.

Het contract van [verzoeker] met SV Tec Tiel is met een jaar verlengd.

 

 

2.6.

ASR heeft aan [verzoeker] een bedrag van € 8.083,75, waarvan een bedrag van € 4.083,75 voor buitengerechtelijke kosten, bevoorschot.

 

 

 

3 Het deelgeschil

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

 

 

 

I

 

primair

 

  1. voor recht te verklaren dat bij de bepaling van de omvang van de letselschadevergoeding moet worden aangenomen dat [verzoeker] als betaald voetballer zonder ongeval gedurende de periode van juni 2015 tot en met mei 2016 een inkomen had kunnen verwerven van € 2.399,00 netto per maand, waarop in de periode van oktober 2015 tot en met mei 2016 een bedrag van € 350,00 netto, zijnde zijn werkelijke inkomsten, in mindering strekt;

 

en

 

voor recht te verklaren dat het verschenen verlies aan verdienvermogen € 26.338,00 bedraagt;

 

 

 

subsidiair

 

voor recht te verklaren dat [verzoeker] zonder ongeval zijn studie zou hebben vervat zodat de omvang van zijn letselschade moet worden bepaald op het normbedrag van de letselschaderaad voor één jaar studieverlies;

 

en

 

voor recht te verklaren dat de verschenen schade ten aanzien van het jaar studieverlies € 19.800,00 bedraagt;

 

 

 

II

 

voor recht te verklaren dat de overige verschenen schade van [verzoeker] € 19.535,64 bedraagt;

 

 

 

III

 

ASR en [verweerder sub 1] te veroordelen, des dat een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 41.873,64 zijnde de door hem tot datum van de indiening van dit verzoek geleden materiële en immateriële schade, waarvan een bedrag van € 11.846,51 betrekking heeft op de kosten ex artikel 6:96 BW die [verzoeker] voorafgaand aan dit deelgeschil heeft moeten maken;

 

 

 

IV

 

ASR en [verweerder sub 1] te veroordelen, des dat een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [verzoeker] van een nader door de rechtbank ex artikel 1019aa Rv in goede justitie te begroten bedrag voor de door [verzoeker] voor dit deelgeschil gemaakte kosten.

 

 

3.2.

 

Aan dit verzoek legt [verzoeker] het volgende ten grondslag. Op basis van de medische bescheiden van zijn behandelend artsen is volgens [verzoeker] voldoende aannemelijk dat hij in het voetbalseizoen 2015/2016 ernstige fysieke en mentale beperkingen heeft ondervonden om zijn werk als betaald voetballer te kunnen voortzetten dan wel om zijn studie weer op te pakken.

 

Met betrekking tot de primaire vordering stelt [verzoeker] dat het voldoende aannemelijk is dat hij in de situatie zonder ongeval als profvoetballer een inkomen had kunnen verdienen gelijk aan het inkomen dat hij bij FC Hereford had kunnen verdienen. Over de periode van juni 2015 tot en met oktober 2015 gaat het om een bedrag van € 2.399,00 netto per maand en over de periode van november 2015 tot en met mei 2016 gaat het om een bedrag van € 2.049,00 netto per maand, derhalve in totaal € 26.338,00 netto.

 

Met betrekking tot de subsidiaire vordering stelt [verzoeker] dat hij zijn studie destijds heeft “geparkeerd” om zich volledig op zijn voetbalcarrière te kunnen concentreren. Feit is dat FC Hereford vrij plotseling failliet is gegaan. Zodoende had hij in april 2015 als alternatief zijn studie kunnen hervatten, maar de ongevalsgevolgen maakten hem dat onmogelijk.

 

De overige verschenen schade volgt uit de schadestaat van mr. Sommer en bedraagt € 15.535,64.

 

 

 

3.3.

ASR en [verweerder sub 1] voeren gemotiveerd verweer.

 

 

3.4.

Op de standpunten van partijen zal de rechtbank hierna, indien en voor zover nodig, nader ingaan.

 

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv, een deelgeschilprocedure. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren.

 

 

4.2.

ASR voert aan dat nu alle gestelde schadeposten ter beoordeling aan de rechtbank worden voorgelegd geen sprake (meer) is van een verzoek dat zich leent voor een deelgeschilprocedure. Bij de beantwoording van de vraag of het verzoek van [verzoeker] “een deelgeschil” is, stelt de rechtbank het volgende voorop. De deelgeschilprocedure kan worden gevoerd over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door dood of letsel in gevallen dat de beëindiging van dat geschil kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou zijn ingesteld indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. Hetgeen partijen nu hoofdzakelijk verdeeld houdt, betreft de omvang van de reeds verschenen schade van [verzoeker] . De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek op zichzelf binnen de omschrijving van artikel 1019w Rv valt. In principe impliceert het dat er ook nog sprake zou kunnen zijn van toekomstige schade. Zo is [verzoeker] nog onder behandeling van een fysiotherapeut/manueel therapeut. Indien deze behandelingen ongevalsgevolg zouden zijn, zouden de kosten daarvan toekomstige schade kunnen vormen. Met een oordeel over de reeds verschenen schade kán de ontstane impasse tussen partijen in principe worden doorbroken en zouden de onderhandelingen voor wat betreft de toekomstige schade in principe kunnen worden voortgezet en mogelijk kunnen leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De omstandigheid dat eventueel nadere bewijsvoering noodzakelijk is, zoals ASR meent, maakt niet dat [verzoeker] niet in zijn verzoek kan worden ontvangen, maar zal in voorkomend geval leiden tot afwijzing van zijn verzoek. Het verweer van ASR faalt.

 

 

4.3.

Daarmee komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] .

 

 

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat de aard van de deelgeschilprocedure met zich brengt dat de deelgeschilrechter zoveel mogelijk uitdrukkelijk en zonder voorbehoud oordeelt. Dit betekent dat op basis van de thans in het geding gebrachte stukken vastgesteld moet kunnen worden dat [verzoeker] een aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door ASR betaalde voorschotten (significant) overstijgt. Voor (nadere) bewijslevering is in een deelgeschilprocedure immers in beginsel geen plaats, terwijl het in voorkomend geval ook niet zou gaan om een overzichtelijke, eenvoudige bewijskwestie op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou zien op dat uitgangspunt een uitzondering te maken.

 

 

4.5.

 

ASR betwist dat er sprake is van schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen. ASR betwist dat [verzoeker] , het ongeval weggedacht, eerder een voetbalclub had kunnen vinden waar hij een inkomen had kunnen verwerven van € 2.399,00. Op het moment van het ongeval was [verzoeker] “werkloos voetballer”.

 

Ook voert ASR aan dat op basis van de beschikbare medische informatie de gestelde klachten als gevolg van het ongeval hooguit tijdelijk van aard zijn geweest. Mede op die grond betwist ASR dat zij gehouden is tot betaling van enig bedrag aan [verzoeker] ter zake van verlies aan verdienvermogen.

 

 

 

4.6.

 

De vraag die eerst beantwoord moet worden is of het causaal verband tussen klachten en beperkingen enerzijds en het ongeval anderzijds op dit moment kan worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de thans beschikbare medische informatie niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten van [verzoeker] . De medische informatie in het dossier betreft immers (alleen) medische gegevens uit de behandelend sector. Daarvan maakt een onderzoek door een neuroloog bovendien geen deel uit. Tot op heden is (in ieder geval) de neuroloog vooralsnog de meest aangewezen specialist om de vraag naar het (medisch) oorzakelijk verband tussen klachten en een ongeval als [verzoeker] is overkomen te beantwoorden. Op dit moment bestaat dus nog geen duidelijkheid over de klachten en beperkingen die kunnen worden toegeschreven aan het [verzoeker] overkomen ongeval, terwijl, zoals de rechtbank ook onder 4.4. heeft overwogen, binnen de deelgeschilprocedure geen ruimte bestaat voor (uitgebreide) bewijslevering.

 

In het verlengde daarvan geldt dat, omdat het causaal verband niet kan worden vastgesteld, op dit moment ook onvoldoende duidelijkheid bestaat over de omvang van de aan het ongeval toe te rekenen schade, nog daargelaten dat ASR de door [verzoeker] gestelde schadeomvang betwist. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in dit deelgeschil niet kan vaststellen dat [verzoeker] een vorderingsrecht heeft dat het reeds verstrekte voorschot overstijgt. Het verzoek wordt afgewezen.

 

 

 

4.7.

[verzoeker] vraagt vergoeding van openstaande buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 11.846,51. ASR voert – verkort weergegeven – aan dat zij met de betaling van een bedrag van € 4.083,75 (op 23 augustus 2016) de redelijk te achten buitengerechtelijke kosten heeft vergoed.

De rechtbank oordeelt als volgt. De verzochte buitengerechtelijke kosten voldoen niet aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Hoewel het op zichzelf genomen redelijk is dat [verzoeker] , gezien het hem overkomen ongeval, kosten maakt, waaronder kosten van rechtsbijstand is de rechtbank van oordeel dat in verband met de nog bestaande onduidelijkheid over het causaal verband en daarmee over de omvang van de schade, ASR niet gehouden is tot het voldoen van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten. Het verzoek wordt afgewezen.

 

 

4.8.

 

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

 

[verzoeker] maakt – naar de rechtbank begrijpt – aanspraak op een bedrag van € 1.867,50 (exclusief kantoorkosten en btw) voor 8,30 uren, te vermeerderen met het griffierecht.

 

ASR voert aan dat sprake is van een volstrekt onnodig of onterecht ingediend verzoek, omdat het prematuur en zonder reden is en het hele geschil omvat terwijl bij de meeste stellingen zelfs het begin van behoorlijk bewijs ontbreekt. Volgens ASR leidt dat tot de conclusie dat vergoeding van kosten niet op zijn plaats is. Voor het oordeel dat de gemaakte kosten niet voor begroting in aanmerking komen moet sprake zijn van misbruik van het processuele middel van een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv. Een dergelijk misbruik acht de rechtbank niet aanwezig.

 

ASR merkt wel terecht op dat slechts kosten gemoeid met de deelgeschilprocedure voor vergoeding in aanmerking komen. De betreffende urenspecificatie vermeldt ook werkzaamheden voorafgaand aan het opstellen van het verzoekschrift deelgeschil. Deze komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dit betekent dat alleen de tijd die is besteed aan het opstellen van het verzoekschrift (2 mei 2016) voor vergoeding in aanmerking komt. Een nadere urenspecificatie waarin ook het bestuderen van het verweerschrift, de voorbereiding van de zitting en de mondelinge behandeling zijn opgenomen, maakt evenwel geen onderdeel uit van de processtukken. Omdat ASR in haar verweerschrift echter heeft aangegeven op welke wijze de kosten van deze procedure volgens haar moeten worden begroot, ziet de rechtbank aanleiding daarbij aan te sluiten.

 

De met de opstelling van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak gemoeide, redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook overeenkomstig het voorstel van ASR worden begroot op 4 uur voor het opstellen van het verzoekschrift, 2 uur voor voorbereiden en kennisnemen van het verweerschrift en 3 uur voor de mondelinge behandeling inclusief reistijd, in totaal dus op 9 uren x € 225,00 exclusief btw, derhalve op € 2.450,25 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 79,00. ASR zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

 

 

 

4.9.

Omdat tegen een beschikking op een verzoek inzake een deelgeschil op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open staat, zal de rechtbank de verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen.

 

 

4.10.

In een kostenveroordeling als door ASR in haar verweerschrift verzocht, voorziet de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade (in artikel 1019aa Rv) niet. Op grond van artikel 1019aa eerste lid Rv begroot de rechter slechts de kosten aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt. Het tegenverzoek van ASR zal de rechtbank dus afwijzen.

 

 

 

5 De beslissing

 

De rechtbank:

 

 

5.1.

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

 

 

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.450,25 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 79,00 en veroordeelt ASR en [verweerder sub 1] , hoofdelijk, tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

 

 

5.3.

wijst het meer of anders verzochte af;

 

 

5.4.

wijst het tegenverzoek van ASR af.

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Heinemann en is in tegenwoordigheid van mr. M.A. Rademaker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.1

 

 

 

 

 

1

type: MAR (4186) coll: MEH