• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Midden-Nederland
  • 16 november 2016
  • ECLI:NL:RBMNE:2016:7082
  • Zaaknummer: 5318789 UE VERZ 16-414

Rb, deelgeschil: werkgever aansprakelijk voor val 7 meter door dak van schoonmaker

Werkgeversaansprakelijkheid; art 7:658 BW. Schoonmaker valt door lichtstraat (licht doorlatende golfplaten) 7 meter naar beneden door het dak. Werknemer was gewaarschuwd niet op de lichtstraat te gaan staan. 1. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet alleen verplicht is aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Hieraan heeft de werkgever niet voldaan. Het werk werd uitgevoerd op een hoogte van 7 meter en gelet op de kwetsbaarheid van de lichtstraten bestond een valgevaar vanaf die hoogte. Werkgever was op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit verplicht een veiligheidsvoorziening te treffen ter voorkoming van het vallen. Het had op zijn weg gelegen andere methoden toe te passen. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever zijn zorgplicht heeft geschonden. 2. Kosten deelgeschil: € 3.429,15.

ECLI:NL:RBMNE:2016:7082

 

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak16-11-2016
Datum publicatie05-01-2017
Zaaknummer 5318789 UE VERZ 16-414

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg – enkelvoudig

Inhoudsindicatie

 

deelgeschil. arbeidsongeval. vaststelling aansprakelijkheid

VindplaatsenRechtspraak.nl

AR-Updates.nl 2017-0015

 

 

Uitspraak

 

 

 

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

 

 

Civiel recht

 

kantonrechter

 

 

 

 

locatie Utrecht

 

 

 

 

zaaknummer: 5318789 UE VERZ 16-414 SM/1152

 

 

 

 

Beschikking van 16 november 2016

 

 

 

 

inzake

 

 

 

 

 [verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats],

 

verder te noemen [verzoeker],

 

verzoekende partij,

 

gemachtigde: mr. R.D.H. Naarsing,

 

 

 

 

tegen:

 

 

 

 

de vennootschap onder firma

 

 [verweerder] ,

 

gevestigd te [vestigingsplaats],

 

verder te noemen [verweerder],

 

verwerende partij,

 

gemachtigde: mr. A.E. Bos.

 

 

 

 

1 De procedure

 

 

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 

– het verzoekschrift met producties,

 

– het verweerschrift met producties,

 

– de brief van [verweerder] van 1 november 2016 met een productie,

 

– de mondelinge behandeling.

 

 

1.2.

De beschikking is bepaald op heden.

 

 

 

2 De feiten

 

2.1.

[verweerder] is een schoonmaakbedrijf. De heer [A] is een van de vennoten van [verweerder]. [verzoeker] is sinds 2002 in dienst bij [verweerder] als schoonmaker.

 

 

2.2.

Op 4 april 2016 is [verzoeker] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden een ongeval overkomen. De arbeidsinspecteur W.H.J. Hylkema heeft een onderzoek ingesteld naar het ongeval en een rapport opgesteld. Het rapport vermeldt de volgende toedracht van het ongeval:

 

 

 

“De heer [verzoeker] was bezig met het schoonmaken van het dak van een loods van [B] te [plaats]. Het dak bevond zich op een hoogte van ongeveer 7 meter boven de begane grond. Op het dak dat uit damwandplaten bestond, waren lichtdoorlatende golfplaten aangebracht. tijdens dit schoonmaken stapte de heer [verzoeker] op één van deze golfplaten en viel hierdoor naar beneden, waardoor hij letsel heeft opgelopen. (…).”

 

 

 

 

Blijkens het rapport heeft [A] de volgende verklaring afgelegd:

 

 

 

 

“Ik heb hem van tevoren gezegd dat hij niet op de polyester platen kon staan, omdat hij daar doorheen zou gaan. Dat heeft [C] en [D] ook tegen hem verteld. [verzoeker] deed dit werk nooit en is maar één keer mee geweest om de goot schoon te maken.

 

 

 

 

(…)

 

 

 

 

Hij spoot de lichtstraten schoon en spoot de verticale delen nat. Hij was hiermee bezig toen hij op de lichtstraat stapte. Hij had vanuit de goot staande niet op de dakplaat moeten stappen. Ik weet niet waarom hij dat deed, maar misschien verloor hij zijn evenwicht.

 

 

 

 

(…)

 

 

 

 

Ik heb hem mondeling instructie gegeven. Er was hem verteld niet op of over de lichtstraat te lopen. Dit is hem verteld door [C] en later ook door [D]. Hij deed het steeds goed en moest nog twee lichtstraten schoonspuiten. Daarbij moest hij van boven naar beneden werken en liep hij langs de lichtstraat. Hij liep daarbij een halve meter vanaf de lichtstraat.

 

(…)”

 

 

 

 

Op de vraag van de arbeidsinspecteur of [verzoeker] zich aan de instructie heeft gehouden, heeft [A] geantwoord:

 

 

 

 

“nee want hij is op de lichtstraat gestapt, hoe dat weet ik niet. Ik stond zelf op een afstand van drie of vier meter”

 

 

 

 

De getuige [C] heeft verklaard:

 

 

 

 

“(…)

 

De hoogte waarop mijn collega door het dak is gevallen is ongeveer 7 meter. Ik heb gezien dat mijn collega door een lichtplaat heen is gevallen. Ik ben zelf ook op het dak geweest. Er zitten geen hekken voor de lichtstraten of andere beveiliging om te voorkomen dat je door de dakplaat heen kon vallen. Ik wist dat je niet over de lichtplaat heen moet lopen en dat deden we dus ook niet. De lichtplaat had een afmeting van ongeveer 1 meter bij 1 meter. In de auto hebben we valharnassen en vallijnen. We konden ze niet gebruiken want we konden ze nergens aan vast maken. (…)”

 

 

 

 

De getuige [D] heeft verklaard:

 

 

 

 

“(…)

Het begon te regenen (…)

 

Ik hoorde van [C] dat [verzoeker] eerst nog even het werk wilde afmaken. Ik ging daarna weer naar boven en heb de jas van [verzoeker] meegenomen. Ik hielp hem met het aantrekken van zijn jas en hierna pakte hij de hogedrukspuit en wilde zich omdraaien. Ik draaide de andere kant op om wat te pakken en plotseling hoorde ik [A] roepen ‘Oh nee’ Ik keek hun kant op en zag dat [verzoeker] door de plastic golfplaat heen viel.

 

(…)

 

We maakten geen gebruik van valbeveiligingen of randbeveiliging of vanglijnen. We hebben wel vanglijnen en harnassen, maar die hadden we hiervoor niet nodig (…)”

 

 

 

 

[verzoeker] heeft verklaard:

 

 

 

 

“Ik was bezig met een hogedrukspuit om de lichtstraat schoon te spuiten. Plotseling zag ik dat ik boven de lichtstraat stond en ik hoorde en voelde dat ik door de doorzichtige golfplaten heen zakte.

 

 

 

 

(…)

 

Ik weet sowieso niet hoe je veilig op een dak of iets dergelijks moet werken. Ik heb alleen van de baas gehoord dat ik niet op de lichtstraat moest gaan staan.

 

(…)”

 

 

 

2.3.

 

De arbeidsinspectie heeft een boeterapport opgemaakt gedateerd 12 juli 2016 wegens overtreding van artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In het boeterapport is de overtreding als volgt omschreven:

 

“Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestond was geen bordes of werkvloer aangebracht of was het gevaar niet tegen gegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere voorzieningen”

 

 

 

2.4.

 

In artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit is het volgende bepaald

 

“1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

 

  1. Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

 

            (…)

 

  1. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. (…).”

 

2.5.

Bij brief van 29 april 2016 heeft [verzoeker] [verweerder] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het hem op 4 april 2016 overkomen ongeval.

 

 

2.6.

[verweerder] heeft het ongeval gemeld bij zijn bedrijfsaansprakelijheidsverzekeraar. De verzekeraar heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen dekking is omdat [verweerder] niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

 

 

2.7.

[verzoeker] heeft conservatoir derdenbeslag laten leggen op de bankrekening van [verweerder] en conservatoir beslag op twee aan [verweerder] toebehorende woonhuizen. [verzoeker] heeft zijn schade voorlopig begroot op € 175.000,00.

 

 

 

3 Het geschil

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [verweerder] op grond van artikel 7:658 Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor alle als gevolg van het ongeval van 4 april 2016 door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel en [verweerder] veroordeelt in de kosten van het deelgeschil.

 

3.2.

Aan zijn stelling dat [verweerder] aansprakelijk is voor het ongeval legt [verzoeker] ten grondslag dat [verweerder] niet aan haar zorgplicht op het gebied van veiligheid heeft voldaan. [verzoeker] beroept zich er daartoe op dat [verweerder] hem onvoldoende heeft geinstrueerd en geen valbeveiliging als bedoeld in artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft toegepast.

 

3.3.

[verweerder] betoogt primair dat het geschil zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil. Zij stelt daartoe dat een beslissing over de aansprakelijkheid, zonder dat wordt beslist over de uitgangspunten van de schadevaststelling, onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Inhoudelijk heeft [verweerder] betwist dat zij de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden.

 

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

 

4 De beoordeling

 

4.1.

De aansprakelijkheidsvraag kan in een deelgeschil aan de orde komen. De aansprakelijkheid betreft een geschil aan het begin van het traject van de onderhandelingen en een oordeel van de kantonrechter over de aansprakelijkheidsvraag kan, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, het beginpunt zijn voor buitengerechtelijke onderhandelingen over de overige geschilpunten over (bijvoorbeeld) het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde schade en/of de omvang van die schade. Net als bij andere deelgeschillen zal echter moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

 

4.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat de toedracht van het ongeval voldoende vast om de aansprakelijkheidsvraag te kunnen beantwoorden. Het aan de orde zijnde geschil leent zich dan ook voor behandeling in de deelgeschilprocedure, nu op basis van de thans beschikbare stukken en zonder nadere bewijslevering kan worden beslist. Daartoe is het volgende overwogen.

 

 

4.3.

Over de in het rapport van de arbeidsinspectie weergegeven toedracht van het ongeval (zie hiervoor in 2.2) verschillen partijen niet van mening. Vaststaat dat op de werkplek geen veiligheidsvoorzieningen ter voorkoming van valgevaar waren aangebracht. Niet in geschil is dat [verzoeker] was geïnstrueerd dat hij niet op de lichtstraten moest gaan staan. Ter zitting heeft [verweerder] toegelicht dat [A] aan [verzoeker] heeft uitgelegd dat hij op de damwanden moest lopen en voldoende afstand diende te houden tot de lichtstraten en steeds moest terugkeren naar de goot. Volgens [verweerder] heeft [A] de eerste anderhalf uur dat [verzoeker] aan het werk was er op toegezien dat hij zich aan deze instructie hield. [verzoeker] heeft deze gang van zaken niet betwist en heeft naar voren gebracht dat hij bekend was met het gevaar dat hij door de lichtstraat zou zakken als hij erop zou gaan staan. De wijze waarop [verzoeker] door [verweerder] is geïnstrueerd staat daarmee voldoende vast. Niet valt in te zien wat nadere bewijslevering of een inspectie ter plaatse, zoals [verweerder] voorstelt, daaraan zou kunnen toevoegen. Ook in het feit dat de procedure bij de arbeidsinspectie niet is afgerond, zoals [verweerder] stelt, ziet de kantonrechter onvoldoende reden om voor de beoordeling van het geschil tussen [verzoeker] en [verweerder] niet uit te gaan van hetgeen in het inspectierapport is opgenomen over de toedracht van het ongeval. Uit het door [verweerder] overgelegde bezwaarschrift van 1 augustus 2016 blijkt dat de bezwaren tegen het inspectierapport betrekking hebben op de volgens [verweerder] onjuiste weergave van de verklaringen van Verheul over het gebruik van valbeveiliging in het algemeen en de vraag of hij bekend is met een RI&E (Risico Inventarisatie en Evaluatie). Deze verklaringen hebben betrekking op veiligheidspreventie in het algemeen en zien niet specifiek op de veiligheidsmaatregelen die al of niet hadden moeten worden genomen ter voorkoming van het ongeval dat [verzoeker] is overkomen. [verweerder] heeft ter zitting ook geen andere bezwaren tegen de bevindingen van de arbeidsinspectie naar voren gebracht.

 

 

4.4.

Vaststaat dat [verzoeker] het ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarmee is [verweerder] op grond van artikel 7:658 lid 2 BW in beginsel aansprakelijk voor de ten gevolge van dit ongeval geleden schade, tenzij voldoende duidelijk is dat [verweerder] heeft voldaan aan haar zorgplicht door zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te geven als redelijkerwijs nodig zijn om deze schade te voorkomen.

 

 

4.5.

Bij de beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan, moet in aanmerking worden genomen dat met de zorgplicht van de werkgever weliswaar niet wordt beoogd een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen, maar gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. De werkgever is niet alleen verplicht aanwijzingen te verstrekken om zoveel mogelijk te voorkomen dat de werknemer schade lijdt, maar ook om daartoe de geëigende veiligheidsmaatregelen te treffen. Op grond van de hierna volgende overwegingen heeft [verweerder] aan de laatstgenoemde verplichting niet voldaan.

 

 

4.6.

Het werk werd uitgevoerd op een hoogte van 7 meter en gelet op de kwetsbaarheid van de lichtstraten bestond een valgevaar vanaf die hoogte. Dat is aanmerkelijk meer dan de in het Arbeidsomstandighedenbesluit voor het nemen van veiligheidsmaatregelen bepaalde hoogte van 2,5 meter. [verweerder] was op grond van de voorschriften van het Arbeidsomstandighedenbesluit dan ook verplicht een veiligheidsvoorziening te treffen ter voorkoming van het vallen. De kantonrechter gaat voorbij aan het betoog van [verweerder] dat, als [verzoeker] zich aan de instructie zou hebben gehouden, er geen sprake was van valgevaar. In het Arbeidsomstandighedenbesluit is naar objectieve maatstaven beoordeeld onder welke omstandigheden en vanaf welke hoogte het risico van vallen preventieve maatregelen vereist. Aan deze beoordeling komt meer gewicht toe dan aan de eigen beoordeling van [verweerder]. Juist omdat bij werkzaamheden op grote hoogte een kleine misstap of een onverhoedse beweging grote gevolgen kan hebben is het voorschrift om valbeveiliging toe te passen in het leven geroepen. Daar komt in dit geval nog bij dat dat het risico van misstappen of uitglijden werd verhoogd doordat het dak van de loods hellend was en glad door het gebruik van water voor het schoonmaken. Het feit dat de valharnassen en vallijnen vanwege het ontbreken van bevestigingspunten niet konden worden gebruikt, ontheft [verweerder] niet van zijn verplichting veiligheidsmaatregelen te nemen. Het had op zijn weg gelegen andere methoden, zoals de in het Arbeidsbesluit gegeven voorbeelden, toe te passen.

 

 

4.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verweerder] niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht en aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft geleden als gevolg van het ongeval. De omstandigheid dat [verweerder] niet de financiële middelen heeft om de schade te voldoen doet aan de aansprakelijkheid niet af. Het verzoek zal daarom worden toegewezen als hierna in het dictum bepaald.

 

 

4.8.

De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv. de kosten van de procedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen, ook indien een verzoek niet wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

 

 

4.9.

 

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 3.350,15 inclusief BTW en kantoorkosten te vermeerderen met het griffierecht van € 79,00.

 

Het betoog van [verweerder] dat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het geschil zich niet leent voor behandeling als deelgeschil, gaat gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen niet op. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gehanteerde tarief redelijk en is het aantal bestede uren in overeenstemming met de aard en complexiteit van dit deelgeschil. Voor matiging van deze kosten vanwege de financiële situatie van [verweerder] ziet de kantonrechter – hoe moeilijk deze situatie voor [verweerder] ook is – onvoldoende grond. De kosten zullen dan ook worden toegewezen als verzocht.

 

 

 

 

De beslissing

 

De kantonrechter:

 

verklaart voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval van 4 april 2016 geleden en nog te lijden schade,

 

begroot de kosten van het deelgeschil op € 3.429,15 en veroordeelt [verweerder] tot betaling daarvan aan [verzoeker].

 

 

 

 

Deze beschikking is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 november 2016.