• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 18 juli 2017
  • ECLI:NL:RBDHA:2017:8443
  • Zaaknummer: 5953842 EJ VERZ 17-84009

Rb, deelgeschil: verzekeraar niet aansprakelijk voor pensioenschade na faillissement werkgever

Benadeelde is in 2009 volledig arbeidsongeschikt geraakt door ongeval waarvoor de werkgever aansprakelijk is. In 2010 gaat de werkgever failliet. Benadeelde claimt pensioenschade van verzekeraar. Verzekeraar betwist het causaal verband en stelt dat pensioenschade ontstaan door het faillissement en doordat benadeelde zelf geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw. 1. De kantonrechter stelt voorop dat een aansprakelijke partij op grond van de wet slechts gehouden is tot vergoeding van schade in de vorm van een geldsom. Benadeelde was gehouden om zelf tijdig de aanvraag te doen voor de vrijwillige voorzetting van het ouderdomspensioen en de daartoe verschuldigde premies te betalen. Wanneer hij daartoe financieel niet in staat was, had hij tijdig en uitdrukkelijk om een voorschot ten behoeve van de premiebetalingen moeten vragen. De kantonrechter acht de verzekeraar niet aansprakelijk voor de pensioenschade. 2. Kosten deelgeschil vastgesteld op , maar afgewezen, omdat werkgever niet aansprakelijk is voor de pensioenschade.

 

ECLI:NL:RBDHA:2017:8443

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

18-07-2017

Datum publicatie

28-08-2017

Zaaknummer

5953842 EJ VERZ 17-84009

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aansprakelijkheid is erkend. Verzocht wordt om een oordeel over het beroep op eigen schuld terwijl het causaal verband tussen het ongeval en de pensioenschade wordt bestreden. Pensioenschade is ontstaan door verzoeker zelf.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

PS-Updates.nl 2017-0693

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Leiden/Gouda

Locatie Gouda

 

CK

Zaak-/rolnummer: 5953842 EJ VERZ 17-84009

18 juli 2017

 

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.F. Schultz,

 

tegen

 

de naamloze vennootschap Goudse Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Gouda,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M. van der Bent.

 

Partijen worden aangeduid als [verzoeker] en Goudse.

 

1

Procedure

 

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 8 mei 2017, met producties,

het verweerschrift, met producties,

de bij faxbrief van 19 juni 2017 door [verzoeker] in het geding gebrachte producties.

1.2.

Op 20 juni 2017 heeft de mondelinge behandeling in Den Haag plaatsgevonden. Hierbij is [verzoeker] in persoon verschenen bijgestaan door de gemachtigde voornoemd en namens Goudse is de gemachtigde voornoemd verschenen. Ter zitting is door (de gemachtigde van) [verzoeker] een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

 

1.3.

Aansluitend is de datum voor beschikking bepaald op heden.

 

2

De feiten

 

2.1.

Op 17 juli 2009 heeft een bedrijfsongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] letsel heeft opgelopen.

 

2.2.

[verzoeker] was op de dag van het ongeval werkzaam bij HAWEE Bouw. Hij liep letsel op doordat een zware roldeur op hem is gevallen. Tot op heden ondervindt [verzoeker] ernstige fysieke en psychische klachten van het ongeval en is hij volledig arbeidsongeschikt.

 

2.3.

Op 2 maart 2010 is de HAWEE Bouw in staat van faillissement verklaard.

 

2.4.

Tot 2 maart 2010 is het salaris van [verzoeker] doorbetaald. Vanaf 15 april 2010 ontving hij een ZW-uitkering. Sinds 15 juli 2011 ontvangt [verzoeker] een WGA-uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid.

 

2.5.

Door het faillissement van HAWEE Bouw zijn de door haar tot dan toe gedane pensioenbijdragen geëindigd. Aangezien door de pensioenverzekeraar (BPF Bouw) werd geconstateerd dat [verzoeker] op de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet meer voor een werkgever werkzaam was, was hij geen deelnemer meer in het pensioenfonds en kwam hij niet in aanmerking voor premievrijstelling. Daardoor heeft [verzoeker] pensioenschade geleden.

 

2.6.

Goudse heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval op 4 oktober 2010 erkend.

 

3

Het geschil

 

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc Rv, uitvoerbaar bij voorraad,

een verklaring voor recht dat Goudse jegens [verzoeker] geen beroep toekomt op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW vanwege de omstandigheid dat [verzoeker] zijn pensioenopbouw niet vrijwillig heeft voorgezet na het faillissement van zijn werkgever;

veroordeling van Goudse tot betaling van € 25.000,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag als voorschot op de nog definitief vast te stellen schade;

begroting van de proceskosten en veroordeling van Goudse tot betaling ervan.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is Goudse aansprakelijk voor de gevolgen van bedrijfsongeval dat [verzoeker] is overkomen. Daaronder valt ook de pensioenschade. Deze schade zou aanzienlijk minder zijn geweest als na het faillissement van HAWEE Bouw vrijwillige voortzetting bij BPF Bouw was aangevraagd. [verzoeker] was niet in staat de premies van de vrijwillige voortzetting te bekostigen en heeft dat ook kenbaar gemaakt aan Goudse. Omdat Goudse aansprakelijkheid voor het ongeval had erkend, was zij gehouden om de premiebetaling voor [verzoeker] voort te zetten en daarmee de pensioenschade voor [verzoeker] te voorkomen.

 

3.3.

Goudse heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

 

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

 

4

De beoordeling

 

4.1.

Het verzoek van [verzoeker] gaat uit van de veronderstelling dat er een causaal verband bestaat tussen het ongeval dat [verzoeker] is overkomen en de door hem gestelde pensioenschade, in die zin dat Goudse aansprakelijk kan worden gehouden voor de pensioenschade. [verzoeker] stelt zich daarom op het standpunt dat hij in dit deelgeschil een oordeel kan vragen over de vraag of Goudse een beroep toekomt op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW.

 

4.2.

In deze procedure heeft Goudse echter uitdrukkelijk bestreden dat sprake is van een causaal verband tussen het ongeval en de ontstane pensioenschade. Naar het oordeel van Goudse is de pensioenschade – kort gezegd – ontstaan door het faillissement van HAWEE Bouw en doordat [verzoeker] zelf geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw (zie onder 19 en 20 van het verweerschrift).

 

4.3.

De kantonrechter van oordeel dat Goudse in deze procedure dit verweer mag voeren. Voordat wordt toegekomen aan het eigen schuld verweer, dient dan ook te worden beoordeeld of Goudse gehouden was om de pensioenpremie te betalen.

 

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat een aansprakelijke partij op grond van de wet slechts gehouden is tot vergoeding van schade in de vorm van een geldsom. Wanneer een schadevergoeding niet tijdig wordt voldaan, voorziet de wet in een aanspraak op schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van de geldsom, bestaande uit de wettelijke rente (artikel 6:119 lid 1 BW).

 

4.5.

[verzoeker] was dan ook gehouden om zelf tijdig de aanvraag te doen voor de vrijwillige voorzetting van het ouderdomspensioen en de daartoe verschuldigde premies te betalen. Wanneer hij daartoe financieel niet in staat was, had hij Goudse tijdig en uitdrukkelijk om een voorschot ten behoeve van de premiebetalingen moeten vragen, zodat hij met behulp van die voorschotten de premies had kunnen voldoen. Echter is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] daadwerkelijk is overgegaan tot het doen van een aanvraag voor de vrijwillige voortzetting en heeft hij voorts de verschuldigde premies niet voldaan. Daarmee is het aan hem zelf te wijten dat de pensioenschade is ontstaan en is Goudse daarvoor niet aansprakelijk. Enig causaal verband met het ongeval, zoals gesteld door [verzoeker] , is niet aan de orde.

 

4.6.

Nu in het licht van het voorgaande een eigen schuld verweer niet aan de orde is, zal de verklaring voor recht worden afgewezen. Ook zal het gevraagde voorschot worden afgewezen, nu uitsluitend [verzoeker] zelf aansprakelijk is voor de ontstane pensioenschade, zodat Goudse in verband daarmee niets hoeft te vergoeden en dus ook geen voorschotten hoeft te voldoen.

 

Kosten deelgeschil

 

4.7.

Ingevolge artikel 1019aa Rv dient de kantonrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (TK 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 12).

 

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat van een volstrekt onnodig of onterecht ingestelde procedure geen sprake is aangezien partijen belang hebben bij duidelijkheid over de aansprakelijkheidsvraag. Er zal worden overgaan tot begroting van de kosten.

 

4.9.

[verzoeker] heeft verzocht de kosten te begroten op € 3.520,94 waarbij is uitgegaan van 11.1 uur, een uurtarief van € 245,00, 7% kantoorkosten en 21% btw. Dit bedrag dient nog te worden vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 470,00. Vink Systemen c.s. heeft geen bezwaar gemaakt tegen het aantal uren en het uurtarief. De kantonrechter begroot de kosten dan ook op een totaalbedrag van € 3.990,94.

 

4.10.

Aangezien de kantonrechter van oordeel is dat Goudse niet aansprakelijk is voor de pensioenschade, is de verzochte veroordeling van Vink Systemen tot voldoening van deze kosten niet toewijsbaar.

 

Beslissing

 

De kantonrechter:

 

– begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 3.990,94 (inclusief kantoorkosten en btw);

 

– wijst af het meer of anders verzochte.

 

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2017.