• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Den Haag
  • 18 november 2016
  • ECLI:NL:RBDHA:2016:16923
  • Zaaknummer: 5427207 RP VERZ 16-50702

Rb, deelgeschil: twee tegenstijdige SAF’s, bewijs niet geleverd

Tussen partijen bestaat discussie over twee SAF’s. Verzoeker stelt dat zijn aanrijdingsformulier is ingevuld door de politie in aanwezigheid van verweerder. Hierop stond dat verweerder aansprakelijk was. Verweerder heeft vervolgens een ander aanrijdingsformulier ingevuld, waarop en vier i.p.v. twee getuigen zijn genoemd. 1. De kantonrechter stelt vast dat het door de politie ingevulde niet is ondertekend door verweerder. Om die reden is er aanleiding om te veronderstellen dat verweerder niet met de inhoud van het formulier heeft ingestemd. De kantonrechter oordeelt dat (vooralsnog) niet vast staat dat de aanrijding is veroorzaakt door verweerder. Voor zover nadere bewijslevering tot een ander oordeel zou kunnen leiden, is de kantonrechter van oordeel dat wanneer de investering in tijd, geld en moeite niet opweegt tegen het belang van een minnelijke regeling. 2. Kosten deelgeschil: € 718,26 (gevorderd: € 3.769,15).

ECLI:NL:RBDHA:2016:16923

Instantie

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak

18-11-2016

Datum publicatie

28-03-2017

Zaaknummer

5427207 RP VERZ 16-50702

Rechtsgebieden

Civiel recht

Bijzondere kenmerken

Beschikking

Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aanrijding. Niet vast te stellen dat de aanrijding is veroorzaakt door verweerder (mede met oog op 1019z Rv)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

JL

Zaaknr.: 5427207 RP VERZ 16-50702

18 november 2016

Beschikking, bij vervroeging, van de kantonrechter in de zaak van:

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.M. Ytsma te ‘s-Gravenhage,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

procederende in persoon.

Partijen worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerder] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

– het verzoekschrift van 6 oktober 2016, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 7 oktober 2016, met producties.

1.2.

Op 8 november 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] vergezeld van de heer [RK] , tolk, en bijgestaan door de gemachtigde voornoemd en [verweerder] in persoon. Door de griffier zijn zakelijke aantekeningen gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Op 14 mei 2013 heeft tussen partijen een aanrijding plaatsgevonden. [verzoeker] reed op een bromfiets (bromscooter) en [verweerder] was bestuurder van een auto. [verzoeker] heeft ten gevolge van het ongeval letsel opgelopen.

2.2.

Naar aanleiding van het ongeval zijn twee aanrijdingsformulieren ingevuld en zijn verklaringen van vier getuigen op schrift gesteld, onder wie van de heren [AK] en [HM] .

2.3.

[verzoeker] heeft de WAM-verzekeraar van [verweerder] , Inshared, aansprakelijk gesteld, maar deze heeft aansprakelijkheid afgewezen, omdat uit de door haar ontvangen informatie bleek dat de aanrijding is veroorzaakt door [verzoeker] .

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil ex artikel 1019w-1019cc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: “Rv”):

  1. i) [verweerder] aansprakelijk te stellen voor de schade die [verzoeker] heeft geleden en nog lijdt als gevolg van de door verweerder veroorzaakte aanrijding op 14 mei 2013;
  2. ii) [verweerder] te veroordeling tot voldoening van de nog vast te stellen schade;

iii) [verweerder] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[verzoeker] legt – kort samengevat – aan zijn verzoek ten grondslag dat [verweerder] de aanrijding heeft veroorzaakt en om die reden aansprakelijk is door de door [verzoeker] geleden schade.

3.3.

[verweerder] betwist dat hij de aanrijding heeft veroorzaakt en stelt zich op het standpunt dat het ongeval volledig is toe te rekenen aan [verzoeker] .

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat op [verzoeker] als verzoeker de stelplicht en bewijslast rust dat [verweerder] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade ten gevolge van de aanrijding.

4.2.

[verzoeker] heeft een aanrijdingsformulier in het geding gebracht. Volgens [verzoeker] is dat formulier ingevuld door de politie, die na de aanrijding ter plaatse is geweest. Het formulier zou in aanwezigheid van [verweerder] zijn ingevuld en ondertekend. Op dat formulier staat aangegeven dat de aanrijding is veroorzaakt door [verweerder] . [verweerder] heeft vervolgens zelf een ander aanrijdingsformulier ingevuld, met een andere situatieschets, en daarin vermeld dat de aanrijding is veroorzaakt door [verzoeker] . Ook heeft hij in dat formulier vier getuigen genoemd, terwijl op het door de politie ingevulde formulier slechts twee getuigen staan vermeld, aldus nog steeds [verzoeker] . [verzoeker] heeft navraag gedaan bij de politie en deze heeft op woensdag 9 december 2015 een mutatierapport opgemaakt, waarin door de verbalisant onder meer het volgende is opgenomen:

“Aanvulling 7930 9/12/2015:

Op vrijdag 4 december 2015 gebeld door medewerker van het advocaten kantoor die dhr. [verzoeker] vertegenwoordigd. Schijnen problemen te zijn aangezien [verweerder] een ander schadeformulier heeft ingediend bij de verzekeringsmaatschappij dan degene die ik heb ingevuld (volledig ingevuld door mij en in mijn handschrift) in het bijzin van beide partijen. [verweerder] heeft op het “valse” schadeformulier eenzijdig de toedracht van de aanrijding en ook de situatietekening aangepast. Tevens zijn er getuigen aangedragen die eerder nog niet op het originele formulier zijn vernoemd. Bijzonder aangezien deze na mijn (op niet mis te verstande wijze) duidelijke vraag of er nog getuigen waren zich op de PD dan ook NIET eerder hebben gemeld!!!”

Volgens [verzoeker] blijkt uit deze gang van zaken dat [verweerder] het door hem ingevulde aanrijdingsformulier heeft vervalst en staat vast dat [verweerder] aansprakelijk is voor de aanrijding.

4.3.

[verweerder] voert als verweer dat hij niet aanwezig was bij het invullen van het formulier door de politie. Hij stelt dat het formulier is ingevuld in aanwezigheid van [verzoeker] . Hij betwist dat hij het formulier heeft ondertekend. Ook stelt [verweerder] dat de politie slechts twee van de door hem genoemde getuigen heeft vermeld in het formulier omdat dat genoeg zou zijn. Volgens [verweerder] mag hij ook later nog getuigen aandragen als die er blijken te zijn. [verweerder] stelt dat de aanrijding is veroorzaakt door [verzoeker] en betwist dat hij aansprakelijk kan worden gehouden voor de aanrijding.

4.4.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat uit het in het geding gebrachte exemplaar van het door de politie ingevulde aanrijdingsformulier niet blijkt dat het formulier is ondertekend door [verweerder] . Op dat exemplaar staat uitsluitend de handtekening van [verzoeker] . Wanneer – zoals de verbalisant heeft verklaard – [verweerder] aanwezig zou zijn geweest bij het invullen door de politie en het er mee eens was, had het voor de hand gelegen dat hij het formulier eveneens had ondertekend. Om die reden is er aanleiding om te veronderstellen dat [verweerder] niet met de inhoud van het formulier heeft ingestemd. De verklaring van de verbalisant dat het formulier is ingevuld in aanwezigheid van [verweerder] , bewijst dan ook niet dat [verweerder] met de juistheid daarvan heeft ingestemd. In dit verband is ook van belang dat de verbalisant de verklaring heeft afgelegd op 9 december 2015, terwijl de aanrijding heeft plaatsgevonden op 14 mei 2013, meer dan tweeënhalf jaar eerder. Het is dan ook de vraag hoe betrouwbaar die verklaring is.

4.5.

Daar komt bij dat de beide getuigen die op het schadeformulier zijn vermeld door de politie op 18 juni 2013, dus kort na de aanrijding, schriftelijk hebben verklaard dat de aanrijding is veroorzaakt door [verzoeker] en niet door [verweerder] . Getuige [AK] heeft verklaard dat [verzoeker] te hard reed en een voetganger ontweek, waardoor de aanrijding is veroorzaakt, terwijl getuige [HM] op heeft verklaard dat [verzoeker] te hard reed waardoor hij tegen het voertuig van [verweerder] aankwam “die stond te parkeren”.

4.6.

Gezien het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat (vooralsnog) niet vast staat dat de aanrijding is veroorzaakt door [verweerder] en dat hij jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] ten gevolge van de aanrijding veroorzaakte schade. Voor zover nadere bewijslevering tot een ander oordeel zou kunnen leiden, is de kantonrechter van oordeel dat wanneer de investering in tijd, geld en moeite wordt afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren, het verzoek op grond van artikel 1019z Rv moet worden afgewezen.

Kosten deelgeschil

4.7.

Op grond van artikel 1019aa Rv dient de kantonrechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking dienen te worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.8.

Mr. J.M. Ytsma heeft de kosten begroot op € 3.769,15 (20,77 uur à € 140 ,00per uur, exclusief 6% aan kantoorkosten en 21% aan BTW). Tevens wordt gevorderd een bedrag van € 471 aan griffierecht.

4.9.

De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 1019aa Rv uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen de kosten die zijn gemaakt in het kader van het deelgeschil en niet eventuele buitengerechtelijke kosten. Uit de urenspecificatie blijkt dat twee uur is besteed aan het opstellen van het verzoekschrift. Tevens houdt de kantonrechter rekening met twee uur voor voorbereiding en bijwonen van de mondelinge behandeling. Met betrekking tot het griffierecht geldt dat [verzoeker] slechts een griffierecht verschuldigd is van € 79,00, zodat slechts dit bedrag en niet het door mr. Ytsma genoemde bedrag van € 471,00 zal worden toegewezen. Dat leidt ertoe dat de kosten van het deelgeschil aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 718,26 (vier uur x € 140,00 vermeerderd met 6% kantooropslag en 21% BTW + € 79,00 aan betaald griffierecht).

4.10.

De kantonrechter zal niet overgaan tot een veroordeling van [verweerder] tot betaling van de begrote kosten, nu zijn aansprakelijkheid nog niet vaststaat. Dit leidt ertoe dat de kosten van dit deelgeschil slechts worden begroot en [verweerder] die kosten eerst verschuldigd is, wanneer zijn aansprakelijkheid in rechte is komen vast te staan.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 718,26,

5.2.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L.M. Luiten en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 18 november 2016.