• Jurisprudentie
  • Bron: Rechtbank Oost-Nederland
  • 1 juni 2017
  • ECLI:NL:RBOBR:2017:3039
  • Zaaknummer: 5270310

Rb, deelgeschil: nu toedracht niet vast staat, kan werkgever ook niet aantonen dat aan zorgplicht is voldaan

Werknemer, ervaren betontimmerman, loopt in 2010 rugletsel op als tijdens het opruimen van losse stempels een houten balk op zijn rug valt. De exacte toedracht van het ongeval komt niet vast te staan. 1. De kantonrechter oordeelt dat het feit dat de oorzaak van het ongeval niet is vastgesteld en niet meer kan worden vastgesteld voor risico en rekening van de werkgever komt. De omstandigheid dat de exacte oorzaak van het bedrijfsongeval niet vast staat, brengt mee dat aan de hand van de veiligheidsmaatregelen zoals deze door de werkgever zouden zijn genomen (toezicht, toolboxmeetings, risico-inventarisatie etc.) niet kan worden vastgesteld dat de werkgever aan haar zorgplicht, gericht op het voorkomen van dat ongeval, heeft voldaan. 2. Kosten deelgeschil: € 2.501,07.

ECLI:NL:RBOBR:2017:3039

 

Instantie Rechtbank Oost-Brabant Datum uitspraak 01-06-2017 Datum publicatie08-06-2017 Zaaknummer 5270310

Rechtsgebieden Civiel recht

Bijzondere kenmerken Op tegenspraak

Inhoudsindicatie

 

“Deelgeschil. Arbeidsongeval. Aansprakelijkheid wg vastgesteld. Onzekerheid toedracht ongeval kan niet aan wn worden toegerekend. Wg heeft onvoldoende gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan.”

VindplaatsenRechtspraak.nl

 

 

Uitspraak

 

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

 

Zaaknummer : 5270310

 

EJ verz. : 16-447

 

Uitspraak : 1 juni 2017

in de zaak van:

 

 

[verzoeker] ,

 

wonende te [woonplaats] ,

 

verzoeker,

 

gemachtigde: mr. A.J.E. Verschuren,

 

 

 

 

t e g e n :

 

 

 

 

de naamloze vennootschap Nationale Nederlanden Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Den Haag,

 

verweerster,

 

gemachtigde: mr. C.W. Gijsbers

 

en

 

de besloten vennootschap [naam BV],

 

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

 

verweerster,

 

verschenen in de persoon van haar directeur de heer [naam directeur] .

 

 

 

 

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoeker] ”, “Nationale Nederlanden” en “ [naam BV] ”.

 

 

 

 

1 De procedure

 

 

 

 

Op 18 juli 2016 is ter griffie van de rechtbank een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv ingekomen, met producties. Zijdens Nationale Nederlanden is op 17 januari 2017 een verweerschrift met producties ontvangen.

 

Bij exploot van oproeping de dato 7 maart 2017 is [naam BV] , opgeroepen om op 21 maart 2017 gehoord te worden op het onderhavige door [verzoeker] ingediende verzoekschrift.

 

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017, bij welke gelegenheid de gemachtigden van partijen het woord hebben gevoerd. De gemachtigde van [verzoeker] heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken ter zitting.

 

Vervolgens is de beschikking bepaald op vandaag.

 

 

 

 

2 Het verzoek

 

2.1.

[verzoeker] heeft de kantonrechter, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzocht om:

voor recht te verklaren dat [naam BV] aansprakelijk is voor het ontstaan van het bedrijfsongeval op 18 november 2010 en dat [naam BV] en Nationale Nederlanden gehouden zijn de dientengevolge door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het onderhavige verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening, te vergoeden;

een begroting te maken van de met dit deelgeschil gepaard gaande kosten, conform de opgave van [verzoeker] , en Nationale Nederlanden – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te veroordelen in de kosten van dit deelgeschil conform begroting.

 

2.2.

Ter onderbouwing van het verzoekschrift heeft [verzoeker] het volgende aangevoerd.

 

2.2.1. [verzoeker] is op 23 maart 2009 aangevangen met het uitvoeren van werkzaamheden voor [naam BV] . [verzoeker] was door [naam BV] ingeleend van Stutt Uitzendgroep te Schinnen en te werk gesteld op een bouwplek te Cuijk, genaamd “De Dienstenas”.

 

Op 18 november 2010 heeft [verzoeker] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden letsel opgelopen, toen er tijdens het opruimen van losse stempels een houten balk op zijn onderrug is gevallen.

Op enig moment heeft [verzoeker] een van de stempels, die hij circa anderhalf uur voordat hij deze stempels ging opruimen had verwijderd en had weggezet, in een stuttenbak gelegd. Hij stond daartoe voorover gebukt. Deze stuttenbak bevond zich in de buitenlucht op de bovenste verdieping van het gebouw, zodat deze bak uiteindelijk door een kraan weggehaald kon worden. [verzoeker] vermeldt uitdrukkelijk dat er boven hem niets aanwezig was, in die zin dat het plafond waar hij de stempels had losgehaald niet boven hem aanwezig was. [verzoeker] stond op een soort van balkon. Vervolgens kreeg hij het uiteinde van een balk op zijn onderrug. Op het moment van het ongeval werkten boven [verzoeker] (lees: op het dak van het gebouw) nog een tweetal Poolse medewerkers van een lijmfirma. Zij waren doende met het opbouwen van het laatste stukje van de liftschacht.

Direct na het ongeval heeft [verzoeker] niet gekeken waar de desbetreffende balk vandaan kwam, omdat hij enorme pijn had. Er heeft aanvankelijk geen toedrachtonderzoek plaatsgevonden. Verder was niemand getuige van het ongeval en is de plek van het ongeval niet geïnspecteerd door een voorman of leidinggevende, hetgeen uit het ongevalsrapport kan worden afgeleid. Waar de balk dus exact vandaan kwam, staat niet vast.

 

[verzoeker] droeg ten tijde van het ongeval de beschikbaar gestelde veiligheidskleding, waaronder een helm, een veiligheidsbril en veiligheidsschoenen.

 

 

 

2.2.2.

Na het ongeval is [verzoeker] direct naar zijn chiropractor gegaan, die hem heeft medegedeeld dat hij per direct naar het ziekenhuis moest. Aldaar werd geconstateerd dat een ruggenwervel gebroken was, met de nodige kosten van dien. Op of omstreeks 14 februari 2011 heeft [naam BV] [verzoeker] benaderd om terug te komen op de bouw. Tegen beter weten in heeft [verzoeker] het aanbod aanvaard. Na enige tijd bleek het werk in de bouw echter te zwaar te zijn, gelet op de beperkingen van [verzoeker] als gevolg van het ongeval.

 

 

2.2.3.

 

Bij brief van 9 augustus 2011 heeft [verzoeker] [naam BV] aansprakelijk gesteld voor zijn geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 7:658 BW. De aansprakelijkstelling werd door [naam BV] doorgeleid naar Nationale Nederlanden, haar aansprakelijkheidsverzekeraar. In reactie daarop heeft Nationale Nederlanden per e-mail van 4 januari 2012 laten weten de aansprakelijkheid af te wijzen.

 

Ook [naam BV] wijst de aansprakelijkheid van de hand onder verwijzing naar het rapport van CED Forensic B.V., dat is opgesteld in opdracht van Nationale Nederlanden.

 

Opvallend is dat het rapport eenzijdig is opgesteld, zonder dat daarbij acht is geslagen op de visie en het verhaal van [verzoeker] . Er wordt enkel gesteld dat hij onvoldoende heeft opgelet bij het verwijderen van de stempels. Daarnaast wordt hem verweten dat hij geen oorzaken heeft aangevinkt op het ongevallenformulier. [verzoeker] had echter dermate veel pijn dat hij weg wilde zodat hem in dezen geen verwijt kan worden gemaakt.

2.2.4.

Om meer duidelijkheid te verkrijgen in de toedracht van het ongeval, heeft [verzoeker] een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor opgestart. In dit kader heeft de rechtbank gehoord: [verzoeker] , de heer [naam directeur] , directeur van [naam BV] (hierna aangeduid als “ [naam directeur] ”), de heer [naam hoofduitvoerder] , hoofduitvoerder van De Dienstenas en in dienst van Wijnen Bouw B.V. (hierna aangeduid als “ [naam hoofduitvoerder] )”, de heer [naam voorman] , voorman bij [naam BV] (hierna aangeduid als “ [naam voorman] )”, alsmede de vader van [verzoeker] , de heer [naam vader verzoeker] .

Op basis van deze getuigenverklaringen alsmede het rapport van de CED staat vast dat [verzoeker] gedurende de uitoefening van zijn werkzaamheden een bedrijfsongeval is overkomen. Voorts staat voldoende vast dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden, zowel materiële als immateriële schade.

 

 

2.2.5.

[naam BV] is op diverse punten tekort geschoten in haar zorgplicht.

Zoals uit de getuigenverklaringen van zowel [naam directeur] , [naam voorman] en [naam hoofduitvoerder] blijkt was er ten tijde van het ongeval al ruim een maand geen voorman van [naam BV] meer aanwezig op de desbetreffende bouw. Gelet op de Richtlijn betonbekisting en ondersteuningsconstructies dient het monteren en demonteren steeds onder toezicht te gebeuren, vooral omdat er bij het demonteren een verhoogd risico bestaat op het vallen van bekistingsonderdelen. In plaats van het benodigde toezicht diende [verzoeker] alleen zorg te dragen voor de demontage van de bekisting. Los van de vraag waar de balk vandaan is gekomen had er sprake dienen te zijn van een beter toezicht ter voorkoming van een ongeval zoals in kwestie is gebeurd.

Doordat enkel [verzoeker] op de werkplaats aanwezig was, hij het werk alleen diende uit te voeren en de voorman reeds weg was, is een dergelijke gevaarlijke situatie kunnen ontstaan, hetgeen niet aan [verzoeker] kan worden toegerekend.

Verder zijn er in het kader van de demontage van stempels en balken, geen instructies aan [verzoeker] gegeven. Ook was er geen toezicht op de inrichting van de werkplek van [verzoeker] . Dat [verzoeker] aan een aantal toolboxmeetingen heeft deelgenomen, maakt het voorgaande niet anders. In deze meetingen heeft hij enkel algemene instructies gekregen op diverse onderwerpen, te weten het gebruik van een tafelcirkelzaag, hoe om te gaan met gevaarlijke stoffen en hoe om te gaan met het werken op hoogte. Op basis van artikel 8 Arbeidsomstandighedenwet dient de werkgever ervoor te zorgen dat werknemers doeltreffend worden ingelicht. Het moet niet alleen gaan om algemene veiligheidsinstructies, maar ook om specifieke veiligheidsinstructies die betrekking hebben op de feitelijke werkzaamheden die de werknemer doet.

Tevens dient de werkgever rekening te houden met het algemene ervaringsfeit dat ook in het werk ervaren en met de desbetreffende werkomstandigheden bekende werknemers niet steeds de noodzakelijke voorzichtigheid zullen betrachten, waarbij nog van belang is dat [verzoeker] gebukt stond en derhalve geen zicht had op hetgeen om hem heen gebeurde.

 

Concluderend acht [verzoeker] [naam BV] aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden schade op grond van artikel 7:658 BW, omdat [naam BV] de op hem rustende zorgplicht heeft geschonden.

 

 

 

2.2.6.

[verzoeker] vraagt de kantonrechter een bedrag ad € 3.063,81 ( totaal 735 minuten = 12,5 uur x € 195,- = € 2.812,50 + 6% kantoorkosten en 21 % BTW) als vergoeding voor zijn kosten te begroten en toe te wijzen.

 

 

2.3.

Nationale Nederlanden heeft in haar verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd, waarbij [naam BV] zich heeft aangesloten, en heeft daarin – kort weergeven – aangevoerd dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld (en bewezen) dat hem op 18 november 2010, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [naam BV] een ongeval is overkomen en hij als gevolg daarvan schade heeft opgelopen.

 

 

2.3.1.

 

Nationale Nederlanden stelt zich primair op het standpunt dat [verzoeker] geen schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW.

 

Nationale Nederlanden betwist dat [verzoeker] een (zoals door [verzoeker] gesteld) ongeval tijdens het opruimen van de stempels is overkomen. Niemand heeft het ongeval waargenomen. Daarnaast is de door [verzoeker] omschreven toedracht feitelijk niet mogelijk, omdat:

een ongeval met als oorzaak een (vergeten) vastgeplakte balk gezien de positie van [verzoeker] (buiten op een balkon, op de derde en hoogste verdieping) uitgesloten dient te worden;

 

[naam BV] betwist dat op het dak boven [verzoeker] twee Poolse medewerkers (van een lijmfirma) doende waren met het opbouwen van het laatste stukje van de liftschacht, maar mocht daar al sprake van zijn, dan is het niet aannemelijk dat zij een houten balk hebben laten vallen. Ook is het voorstelbaar dat zij in dat geval het ongeval zouden hebben waargenomen.

 

 

Hierbij is tevens van belang dat [verzoeker] verschillende verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van de toedracht van het ongeval.

 

 

2.3.2.

 

Mocht de kantonrechter menen dat wel sprake is van een ongeval tijdens de uitoefening van de werkzaamheden, dan stelt Nationale Nederlanden subsidiair dat [verzoeker] ten gevolge van het voorval geen schade heeft geleden.

 

Uit de gedingstukken volgt niet dat [verzoeker] ten gevolge van het voorval een gebroken ruggenwervel heeft opgelopen. Medische stukken van de dag van (en direct na) het ongeval ontbreken.

 

 

 

2.3.3.

 

Meer subsidiair betwist Nationale Nederlanden dat [naam BV] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht.

 

[naam BV] betwist dat sprake was van onvoldoende toezicht. Weliswaar was [naam voorman] in de laatste week van de werkzaamheden reeds op een ander project werkzaam, maar [naam voorman] had zijn leidinggevende taken overgedragen aan [naam hoofduitvoerder] , die dagelijks aanwezig was op de bouwplaats en die toezicht hield op alle werkzaamheden. Verder kwam [naam directeur] twee keer in de week kijken naar de werkzaamheden die door [naam BV] werden uitgevoerd en gaf hij – waar nodig – werk- en/of veiligheidsinstructies. Daarnaast betwist Nationale Nederlanden de stelling van [verzoeker] dat het demonteren van de bekisting onder toezicht dient te gebeuren, omdat het volgens [naam BV] juist veiliger is om ontkistingswerkzaamheden, zoals het verwijderen van stempels en houten balken, alleen uit te voeren. Uit de richtlijn “Betonbekisting en ondersteuningsconstructies” waarop [verzoeker] een beroep doet volgt niet dat het demonteren van de bekisting onder toezicht dient te gebeuren. Hierbij is van belang dat [verzoeker] ten tijde van het voorval een ervaren betontimmerman was.

 

Verder heeft [naam BV] zowel algemene als specifieke (veiligheids)instructies aan [verzoeker] gegeven.

 

Tot slot is volgens Nationale Nederlanden van belang dat [verzoeker] direct na het vermeende ongeval op het door hem ondertekende ongevalsformulier (bijlage 4 bij verzoekschrift) heeft aangegeven dat sprake was van ‘pech’. Kortom, mocht een houten balk op de onderrug van [verzoeker] zijn terechtgekomen, dan kan niet anders worden geconcludeerd dat sprake was van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

 

 

 

2.3.4.

Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten merkt Nationale Nederlanden op dat een gedetailleerde urenspecificatie ontbreekt, zodat voor Nationale Nederlanden een en ander (bijvoorbeeld de post “correspondentie diversen”) niet voldoende inzichtelijk is. Op grond van het in het verzoekschrift opgenomen overzicht meent Nationale Nederlanden dat het aantal aan de zaak bestede uren bovenmatig is en naar beneden (naar 10 uur) dient te worden bijgesteld.

 

 

 

3 De beoordeling

 

 

 

 

Ontvankelijkheid

 

 

 

3.1.

Nu [verzoeker] bij exploot van oproeping van 7 maart 2017 (alsnog) [naam BV] heeft opgeroepen om op 21 maart 2017 gehoord te worden op het onderhavige door hem ingediende verzoekschrift, heeft [verzoeker] voldaan aan het bepaalde in artikel 7:954 lid 6 BW en kan hij worden ontvangen in zijn verzoek.

 

 

 

Aansprakelijkheid ex artikel 7:658 BW

 

 

 

3.2.

 

In dit deelgeschil houdt partijen verdeeld de vraag of [verzoeker] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 BW. In dat kader voert Nationale Nederlanden aan dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld (en bewezen) dat hem op 18 november 2010, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [naam BV] een ongeval is overkomen en dat hij als gevolg daarvan schade heeft opgelopen.

 

De kantonrechter verwerpt dit verweer. Hiertoe is navolgende redengevend.

 

 

 

3.2.1.

 

Op verzoek van [verzoeker] heeft er een voorlopige getuigenverhoor plaatsgevonden. Als getuigen zijn gehoord [naam directeur] , [naam hoofduitvoerder] , [naam vader verzoeker] , [verzoeker] en [naam voorman] . De processen-verbaal van de zittingen van 31 maart en 8 juli 2015 waarop deze getuigenzijn gehoord, zijn door [verzoeker] als productie 5 in het geding gebracht. [verzoeker] heeft verklaard dat hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [naam BV] op 18 november 2010 het uiteinde van een balk op zijn onderrug heeft gekregen. [naam directeur] heeft verklaard dat [verzoeker] hem op die dag heeft verteld dat hij een balk op zijn rug had gekregen, pijn had en naar zijn chiropracticus wilde. [naam hoofduitvoerder] heeft verklaard dat [verzoeker] op 18 november 2010 bij hem in de keet kwam en zei dat er iets op zijn rug was gevallen. [naam hoofduitvoerder] heeft daarbij verklaard dat hij niet meer weet of [verzoeker] daarbij gezegd heeft dat dat een balk zou zijn. Voorts heeft [naam hoofduitvoerder] verklaard dat hij van de melding van [verzoeker] een ongevalsrapportje heeft opgemaakt. Volgens [naam hoofduitvoerder] liep [verzoeker] wat ongemakkelijk als iemand die pijn in de rug had en zei [verzoeker] dat ook. [naam vader verzoeker] , de vader van [verzoeker] heeft verklaard dat hij op 18 november kort na 13.00 uur door zijn zoon is gebeld en dat deze hem mededeelde dat er een houten balk op zijn rug was gevallen. Volgens vader [naam vader verzoeker] hoorde hij aan de stem van zijn zoon dat hij kreunde en pijn had. In het ongevalsformulier van 18 november 2010 dat [naam hoofduitvoerder] volgens zijn verklaring heeft ingevuld, is opgenomen als ‘toedracht volgens getroffene’: ‘met onderslagen van breedplaat vloer weghalen is er een houten balk op rug gevallen’.

 

Deze getuigenverklaringen en de inhoud van het ongevalsformulier wijzen er op dat er op 18 november 2010, toen [verzoeker] werkzaamheden uitoefende voor [naam BV] , een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, er op neerkomende dat er een balk op de rug van [verzoeker] is gevallen.

 

 

 

3.2.2.

 

[naam BV] heeft nagelaten na de melding van het arbeidsongeval van 18 november 2010 de plaats van het ongeval te onderzoeken en de op het dak aanwezige Poolse werknemers te horen. Er is (kort na het ongeval) geen ongevalsrapportage opgemaakt en de Arbeidsinspectie is niet ingeschakeld. Evenmin is gesteld of gebleken dat door [naam BV] , afgezien van het rapport van CED Forensic B.V. van 7 november 2011 dat is opgesteld in opdracht van Nationale Nederlanden inzake het aansprakelijkheidsonderzoek, enige (verdere) navraag of onderzoek is gedaan met betrekking tot de toedracht van het ongeval.

 

Door [naam hoofduitvoerder] is volstaan met het invullen van een ongevalsformulier.

 

Aldus zijn er geen gegevens voorhanden die kunnen ontkrachten dat het arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Dat komt voor rekening en risico van Nationale Nederlanden en [naam BV] aangezien het op de weg van [naam BV] had gelegen kort na het ongeval een ongevalsrapportage op te maken en de Arbeidsinspectie in te schakelen. Aan [verzoeker] kan niet worden tegengeworpen dat dit niet is gebeurd. Evenmin kan aan [verzoeker] worden tegengeworpen dat hij niet kan verklaren hoe het ongeval exact is ontstaan. [verzoeker] heeft immers aangegeven dat hij gebukt stond op het moment dat hij de houten balk op zijn rug kreeg en dat hij dus niet heeft kunnen waarnemen waar de balk vandaan kwam. Verder staat als onweersproken vast staat dat [verzoeker] op de derde verdieping alleen aan het werk was en dat er niemand getuige was van het ongeval.

 

3.2.3.

Op grond van het vorenstaande wordt als vaststaand aangenomen dat er op 18 november 2010, toen [verzoeker] werkzaamheden uitoefende voor [naam BV] , een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden, er op neerkomende dat er een balk op de rug van [verzoeker] is gevallen.

 

 

3.2.4.

Nationale Nederlanden heeft voorts aangevoerd dat [verzoeker] niet heeft aangetoond dat hij schade heeft geleden door het ongeval. Uit de getuigenverklaringen van [naam hoofduitvoerder] en [naam directeur] blijkt dat zij [verzoeker] beiden na het ongeval hebben gesproken op 18 november 2010. [verzoeker] heeft hen alle twee verteld dat hij een balk op zijn rug heeft gekregen, dat hij pijn had en dat hij naar zijn chiropracticus wilde. [naam hoofduitvoerder] heeft verder verklaard dat hij heeft waargenomen dat [verzoeker] “wat ongemakkelijk liep als iemand die pijn in zijn rug had”. Volgens L.G. Theunissen heeft [verzoeker] hem op 18 november 2010 verteld dat er iets op zijn rug was gevallen en dat hij aan zijn stem hoorde dat hij kreunde en pijn had. [naam vader verzoeker] heeft ook verklaard dat hij die dag met [verzoeker] naar de chiropractor is geweest en naar het Atrium waar röntgenfoto’s zijn gemaakt en waar is verteld dat de rug van [verzoeker] op twee plaatsen was gebroken.

 

[verzoeker] heeft als productie 3 medische stukken in het geding gebracht. Daaronder bevindt zich een verwijsbrief van de huisarts van [verzoeker] aan de Poli revalidatiegeneeskunde van het Atrium Medisch Centrum te Heerlen van 11 november 2011. In die verwijsbrief is een episoden overzicht opgenomen, onder meer inhoudende de vermelding; ’18-11-201‘ L76.00 # proc tranv links L2-L3’.

 

[verzoeker] heeft met deze verklaringen en de verwijsbrief van zijn huisarts aangetoond dat hij door het ongeval pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen, hetgeen impliceert dat hij schade heeft geleden. Dat de aard en omvang van de schade door [verzoeker] in deze procedure niet is gespecificeerd, is voor de beslissing op het verzoek zoals dat voorligt, niet van belang. Het verweer ter zake faalt derhalve.

3.3.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, zoals bedoeld in artikel 7:658 BW. Ingevolge artikel 7:658 lid 1 BW is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten, op zodanige wijze in te richten en te onderhouden alsmede voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Voorts geldt ingevolge het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW dat een werkgever jegens een werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont dat hij de in lid 1 van dit artikel opgenomen zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

3.3.1.

Dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, is niet gesteld en evenmin gebleken.

 

3.3.2.

Nationale Nederlanden heeft gesteld dat [naam BV] heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. In verband daarmee heeft zij gewezen op de navolgende algemene veiligheidsmaatregelen die [naam BV] zou hebben genomen:

Er was voldoende toezicht, uitgeoefend door [naam voorman] en – de laatste weken – door [naam hoofduitvoerder]

 

[naam voorman] heeft bij zijn vertrek specifieke schriftelijke werkinstructies aan de medewerkers van [naam BV] gegeven

 

[naam voorman] heeft [verzoeker] tijdens zijn inwerkperiode geleerd hoe hij stempels dient te verwijderen

 

Er bestond een Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RI&E)

 

Hendrix kwam twee keer per week de werkzaamheden bekijken en instrueerde de werknemers van [naam BV] waar nodig

 

[verzoeker] heeft een risico-inventarisatie van de werkplek ontvangen

 

Aan [verzoeker] zijn de bedrijfsregels van [naam BV] uitgereikt

 

Alle werknemers in het bezit zijn van een VCA-certificaat

 

[verzoeker] heeft deelgenomen aan toolbox meetingen.

 

 

Daarnaast heeft Nationale Nederlanden er op gewezen dat [verzoeker] een ervaren betontimmerman was en dat het veiliger is om ontkistingswerkzaamheden alleen uit te voeren in plaats van onder toezicht.

 

 

3.3.3.

Gelet op het bepaalde in artikel 7:658 lid 2 BW ligt het op de weg van Nationale Nederlanden om onderbouwd te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat zij voldaan heeft aan haar zorgplicht als bedoeld in het eerste lid van die bepaling. Met de onder 3.3.2 weergegeven veiligheidsmaatregelen, bezien in het licht van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, heeft Nationale Nederlanden naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld dat [naam BV] aan haar zorgplicht heeft voldaan. Daarbij is van belang dat de veiligheidsmaatregelen die [naam BV] volgens Nationale Nederlanden heeft genomen voor een belangrijk deel niet specifiek zagen op de werkzaamheden die [verzoeker] op de dag van het ongeval verrichtte en dat, voor zover de veiligheidsmaatregelen betrekking hadden op het weghalen van stempels, tussen partijen niet in geschil is dat het ongeval zich niet heeft voorgedaan tijdens het weghalen van stempels. Daarnaast is bij de beoordeling van de wijze waarop en de mate waarin [naam BV] aan haar zorgplicht heeft voldaan, van belang dat niet duidelijk is geworden door welke oorzaak de balk op de rug van [verzoeker] terecht is gekomen. [verzoeker] heeft daarover niet kunnen verklaren omdat hij niet heeft gezien waar de betreffende balk vandaan kwam. In eerder genoemd ongevalsformulier is onder ‘Oorzaken die volgens leidinggevende hebben bijgedragen/gelid tot het ongeval’ als oorzaak aangekruist ‘Pech’. Deze aanduiding geeft geen uitsluitsel over de feitelijke toedracht van het ongeval. [naam BV] heeft nagelaten direct na het ongeval een onderzoek naar de oorzaak daarvan te doen. Uit de stellingen van partijen volgt dat die oorzaak thans niet meer kan worden vastgesteld. Het had in de verhouding tussen [verzoeker] als werknemer en [naam BV] als werkgever op de weg van [naam BV] gelegen om naar die oorzaak een onderzoek te doen. Dat de oorzaak van het ongeval niet is vastgesteld en niet meer kan worden vastgesteld komt daarom voor risico en rekening van [naam BV] . De omstandigheid dat de exacte oorzaak van het bedrijfsongeval niet vast staat en niet kan worden vastgesteld, brengt mee dat aan de hand van de veiligheidsmaatregelen zoals deze door [naam BV] zouden zijn genomen, niet kan worden vastgesteld dat [naam BV] aan haar zorgplicht, gericht op het voorkomen van dat ongeval, heeft voldaan. Het beroep van Nationale Nederlanden op de in artikel 7:658 lid 2 BW opgenomen uitsluiting van aansprakelijkheid, kan daarom niet slagen.

 

 

3.4.

Vorenstaande betekent dat [naam BV] ten opzichte van [verzoeker] aansprakelijk is voor de gevolgen van het hem overkomen arbeidsongeval. De gevraagde verklaring voor recht zal in verband daarmee worden toegewezen.

 

 

 

Kosten deelgeschil

 

 

 

3.5.

De kantonrechter dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Of de kosten redelijk zijn hangt ervan af of het redelijk is dat de kosten zijn gemaakt en of de omvang van de kosten redelijk is.

 

 

3.6.

[verzoeker] maakt aanspraak op een totaalbedrag van € 3.063,81 (corresponderende met een tijdsbesteding van 12,25 uur tegen een uurtarief van € 195,00 vermeerderd met kantoorkosten van 6% en BTW van 21%). Nationale Nederlanden stellen zich op het standpunt dat dit bedrag buitensporig hoog is. Op grond van het in het verzoekschrift opgenomen overzicht meent Nationale Nederlanden dat het aantal aan de zaak bestede uren bovenmatig is en naar beneden (naar 10 uur) dient te worden bijgesteld.

 

 

3.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter is een tijdsbesteding van 10 uur voor dit deelgeschil (inclusief de zitting) redelijk te noemen, waarbij als post “redactie pleitaantekeningen” één uur wordt gerekend in plaats van de geraamde twee uur en de post “correspondentie diversen” als niet gespecificeerd wordt afgewezen. De kantonrechter begroot de kosten dan ook op 10 uur x € 195,00, te vermeerderen met kantoorkosten van 6% en BTW van 21%, in totaal derhalve € 2.501,07. Nationale Nederlanden zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

 

 

 

4 De beslissing

 

 

De kantonrechter:

 

 

 

bepaalt dat [naam BV] aansprakelijk is voor het ontstaan van het arbeidsongeval van [verzoeker] op 18 november 2010 en dat [naam BV] en Nationale Nederlanden gehouden zijn de dientengevolge door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2016 tot aan de dag der voldoening, te vergoeden;

 

 

 

 

begroot de kosten ex artikel 1019aa lid 1 Rv van dit deelgeschil op € 2.501,07 en veroordeelt Nationale Nederlanden tot betaling daarvan aan [verzoeker] ;

 

 

 

 

verklaart deze beschikking voor wat betreft de veroordeling in de kosten ex artikel 1019aa lid 1 Rv, uitvoerbaar bij voorraad,

 

 

 

 

wijst het meer of anders verzochte af.

 

 

 

 

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.